Kunst in het
Nederlands-sprekend Caribisch Gebied:
Aruba
Illustratie: Schilderij "Art of Kunst" van
Elvis Harold Tromp (biografie bij @: Tromp Elvis
Harold)
Korte
handleiding: Alle letters beginnen met het opschrift
"de
letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een
korte beschrijving van de ontwikkeling ervan.
Navigeer
er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het
woord
"de letter" gevolgd door de desbetreffende letter,
in te
tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp
van
keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te
activeren en in de blanco spatie het onderwerp in te
tikken voorafgegaan door het opschrift @:
De letter A
Inleidend:
1. Zie ook alphabet Papiamentu
2. De Semieten: In dit gedeelte, waar enige
eigenaardigheden van
elke letter van het Nederlandse alphabet worden besproken,
zullen wij het regelmatig hebben over de Semieten. Dit is
het
zelfstandige naamwoord van het woord Semitisch, die
normaliter
in de taalwetenschap en de volkenkunde wordt gebruikt ter
aanduiding van een talenfamilie van voornamelijk
Midden-Oosterse
afkomst, tegenwoordig in het algemeen aangeduid als de
Semitische talen, waaronder worden inbegrepen de oude (soms
uitgestorven) en moderne incarnaties van onder andere het
Amharisch, Arabisch, Aramees, Akkadees, Geëees, Hebreeuws,
Foenesisch, Maltees en Tigrisch, namen van volkeren, die in
het
verre verleden in het Midden-Oosten gebied hebben gewoond en
in
veel gevallen in het heden nog in dat gebied hun
afstammelingen
hebben. Het woord is afkomstig van de Bijbelse naam Shem
(althans de Griekse vertaling daarvan: Sem), één van de drie
zonen van Noach en refereert naar onder andere de talen van
de
groep volkeren, die van hem afstammen, met name de Hebreeën
(Joden) en de direct aan hen gerelateerde volksgroepen. Het
is
op grond van deze naam en hun directe relatie ermee, dat ook
het
woord anti-Semitisme ter aanduiding van anti-Joodse
gevoelens
die met name in de 19de eeuw opkwamen (en in de 20ste eeuw
heftig uitbarstten), gebruikt wordt. De Joden (c.q.
Hebreeën,
c.q. Israëlieten) zijn directe afstammelingen van Sem. Het
zijn
deze verschillende Semitische volkeren, ook alweer met name
en
om te beginnen de Hebreeuwen, die gedurende honderden jaren
in
dat land hebben gewoond, die de eerste Egyptische
taalkundige
constructies (hieroglyfen) verder hebben ontwikkeld,
aanvankelijk in Egypte zelf en daarna in het gebied waar zij
naar toe vertrokken na hun exodus uit het land van de
Farao’s.
Langs deze ontwikkeling, verplaatsing en overbrenging aan
andere
volkeren van het nieuwe gebied (Kanaän) komt de ontwikkeling
van
de taal uiteindelijk terecht bij de Grieken en van daaruit
bij
de Romeinen, die de taal niet alleen met hun eigen inzichten
zouden bestempelen, maar deze ook verder over het Europese
vasteland zouden verspreidden naarmate zij hun wereldrijk
uitbreidden. De beïnvloeding van de taal door de
verschillende
volkeren in het Midden-Oosten gebied, wordt dus in dit werk
aangeduid met hetzij het zelfstandig naamwoord Semieten of
de
bijvoeglijke vervoeging Semitisch.
a is de eerste letter van het Nederlandse
alphabet en waarschijnlijk ook de eerste letter van het
Semitische
alphabet die de grondslag ervan vormt. Haar naam dateert terug
tot
de eerste klinker van een Semitisch woord dat ‘os’ (soort koe)
betekent. Het teken die de allereerste Semitische
(Proto-Semitisch)
uitdrukking aan deze benaming schonk is een doorontwikkeling van
de
desbetreffende Egyptische hieroglyfe: Een ossehoofd, die
vervolgens
door de Foeniciërs in hun alphabet als een op zijn kop staande
danwel als een op zijn zijde liggende A (de interpretaties
verschillen) werd geconstrueerd. Het was oorspronkelijk een
tekening
of hoorde als zodanig te worden opgevat, zijnde een wel erg
vrije
interpretatie van de ossekop, maar kreeg wel een benaming mee:
aleph, overigens
oorspronkelijk een Hebreeuwse betiteling. Van hieruit
ontwikkelden
de Grieken hun eerste letter a met de naam alpha en samen met de
tweede Griekse letter beta, vormt zij de
basis
van de naam die wij heden ten dage geven aan de collectie van
letters die wij voor het schrijven van woorden hanteren: Het
alphabet (Grieks
alphabetos). Via de
Etrusken, een
civilisatie
in oud noord- en midden Italië, die vanaf ongeveer 800 vóór
Christus
tot en met haar opname in het Romeinse rijk (ongeveer 100 vóór
Christus) heeft bestaan en in regelmatige contact stond met de
Griekse civilisatie door middle van Griekse zeevarende
handelaren en
bewoners in Griekse vestigingen in het zuiden van oud Italië, is
de
Griekse alpha het Romeinse Latijn binnengedrongen.
A is door haar ontwikkeling heen, steeds een klinker geweest
maar de
uitspraak varieert per taal of zelfs in één en dezelfde taal.
Het
Engels is hierbij een heel goed voorbeeld, waar de a, reeds als
enkelvoudige letter met een andere klank wordt uitgesproken,
namelijk als de Nederlandse ee. Ook als de Nederlandse è (als in
weg, pech, zeg) in Engelse woorden als hat, bragging, rather,
bijna als de Nederlandse u (als in vlug, lucht) in Engelse
woorden
als again (eerste a),
incarnation en bijna
als
de Nederlandse ò (als in lol, vol) in Engelse woorden als ball, tall, overall. In
vele Engelse woorden hoor je de a-klank, maar is de letter
echter in
geen wegen of velden te bekennen, bijvoorbeeld in wise (de i wordt
uitgesproken als ai) maar gelukkig kent het Engels ook vele
a-woorden, die ook met de normale a-klank worden uitgesproken
(articulate, bar),
ook al
spant de geroutineerde Engelse spreker zich behoorlijk in om ook
hier de a-klank zoveel als mogelijk te vervormen. In het
Nederlands
en het Papiamentu is de uitspraak van de a in het algemeen
homogeen;
in het Nederlands is de variatie in uitspraak merendeels
gebaseerd
op de korte (één a: tak; bal; avontuur) of lange (dubbele a:
daar;
aanzeggen; allemaal) klank. Voorzover het Papiamentu deze
variatie
kent of erkent, betreffen het meestentijds woorden die uit
het
Nederlands zijn geïncorporeerd (zwaai).
De A is een veel gebruikte letter, ook in deze encyclopedie. De
naam
van één van onze Benedenwindse zustereilanden begint met deze
letter: Aruba. Maar
ook
de naam van het werelddeel waar het grootste gedeelte van de
bevolking van Curaçao nog vanaf stamt: Afrika en natuurlijk de
naam van het continent waar wij heden ten dage een onderdeel van
vormen: Amerika.
Andere
continenten met de letter A zijn Antarctica, Australië en Azië
en
met het feit, dat van de zes werelddelen (zeven als Noord- en
Zuid-Amerika apart worden opgeteld) vijf (of zes) een naam
hebben,
die met a begint, bewijst deze letter zeer zeker haar belang.
Met
een a begint tenslotte de naam Andrew. Andrew? Hoezo
Andrew? Andrew Jones
natuurlijk!

@: Aalscholver,
Bigua (Phalacrocorax
olivaceus)of dékla, bubi
balau of cormorant zou op
het
eerste gezicht voor een donkerkleurige eend aangezien
kunnen
worden. Daarvan verschilt hij door de lange dunne snavel met
haakvormige punt, terwijl ook de staart veel langer is. Bij het
duiken en onder water vissen wordt de vogel tot op de huid nat
en na
het zwemmen zit hij vaak met wapperende vleugels zijn veren te
drogen. De soort is op alle Benedenwindse Eilanden tussen
december
en juli waargenomen, maar niet op de Bovenwinden (afgezien van
één
aalscholver op Ilêt Pinel, St. Maarten). Het zijn meestal jonge
exemplaren; broedgevallen zijn niet bekend. Ze bezoeken zoute
binnenbaaien, havens en zoetwaterplassen met voldoende
vis.
@: Aanbesteding, Openbare / @: Openbare
Aanbesteding
Is voorgeschreven voor uit te voeren werken en het doen van
leveringen of dienstverrichtingen ten behoeve van het Land en de
Eilandgebieden. Voor wat het Land betreft kan de minister van
Financien van deze regel afwijken, indien hij zulks in het
belang
van het Land acht.
Met betrekking tot kleinere aanschaffingen en werkzaamheden van
geringe omvang tot een bepaald maximumbedrag wordt om
doelmatigheidsredenen van de regel van openbare aanbesteding
afgeweken. Zolang geen landsverordening tot stand is gekomen
houdende voorschriften inzake de uitvoering en het onderhoud van
werken, alsmede regelen betreffende te houden openbare
aanbestedingen van werken en leveringen, worden mutatis mutandis
ter
zake van toepassingverklaard de “Algemene voorschriften voor de
uitvoering en het onderhoud van werken onder beheer van
het
departement van Waterstaat” (vastgesteld bij
beschikking van 25 maart 1938) en het “Reglement openbare
aanbestedingen” (vastgesteld bij K.B. van 30
augustus 1932). Deze regelen worden, ingevolge
financieringsovereenkomsten gesloten met de *Europese
Economische
Gemeenschap te Brussel, eveneens van toepassing verklaard op de
door
het *Ontwikkelingsfonds ten behoeve van de Nederlandse Antillen
gefinancierde werken. Werken, leveringen en diensten van derden
ten
behoeve van een Eilandgebied, waarvan de waarde een door de
Eilandsraad te bepalen bedrag te boven gaat, worden in het
openbaar
aanbesteed, tenzij het belang van het Eilandgebied of de aard
der
werken, levering en of dienstverrichtingen zich daartegen
verzet. De
Beheers- en Bestuursregelen *Meerjarenplan Nederlandse Antillen
vastgesteld bij Landsbesluit van 29 december 1965 bepalen dat de
uitvoering van, c.q. de levering ten behoeve van de projecten
openbaar dient te worden aanbesteed en dat hiervan slechts zal
mogen
worden afgeweken met voorafgaande schriftelijke toestemming van
de
regering. Voorts dat bij openbare aanbesteding alleen na
verkregen
schriftelijke machtiging van de regering de gunning aan de
laagste
inschrijver kan worden onthouden.
Het volgende artikel is in het
Papiamentu!
@: Aanholt van Fortunato (Fertiko)
Hipolito / @: Fortunato van Aanholt / @: Fertiko van
Aanholt
Fortunato a nase dia 30 di yanüari 1927
na
Kòrsou. E ta un di nos gran trompetistanan. E trompetista
veterano
aki ta mucha di Skèrpène
ku ta bon riba su tereno i ela komprobá esaki
durante
su karera largu. For di edad hóben Fortiko a kuminsá supla
trompèt
den Conhunto Cristal
huntu ku grándinan manera defuntu Koster, Chal Atalita i
Kai St. Jago. Ela
toka ku
diferente banda mas i den prinsipio di dekada 1960 ela militá
bastante tempu den e gran Conhunto
Universal, den kua e tabata fungí komo
direktor
huntu ku un otro bon trompetista Claudio Aurelio.
Fortunato
ta un di nos mihó músikonan lokal, ku espesialmente ta konosí
komo
un bon areglista. Te ahinda e tin masha hopi trabou durante
temporada di karnaval, trahando areglo pa hopi banda lokal. E
tabata
dirigente di Politie
Harmonie pa hopi tempu i tambe dirigente di
Harmonie Santa
Cicilia.
Ultimo áñanan e ta un di e fórsanan grandi tras di e konosido
Boerenblaaskapel di
Limburgse Kabrieten.
Banda
di esei ela militá den varios grupo di mariachi entre otro den
Mariachi Durcal di
Claudio.
@: Aanvullende werkvoorziening (A.W.V.)
wordt bij de Dienst Arbeidszorg
in de vorm van projecten georganiseerd om over
een
noodzakelijke aanvulling te beschikken op het grote tekort aan
arbeidsplaatsen bij het bedrijfsleven. De A.W.V. dient als
overgangsinstituut dat de meestal ongeschoolde werklozen
voorlopig
opvangt en na bemiddeling, om-, her- en bijscholing geschikt
maakt
om teruggeplaatst te worden bij het bedrijfsleven. De
A.W.V.-projecten worden naar aard van de werkzaamheden ingedeeld
in:
- Saneringsprojecten: Schoonmaken van
riolen en bermen;
- Agrarische projecten: Ten behoeve
van
grondverbetering, waterconservering, aanplant van bomen
merendeels in samenwerking met de Dienst Landbouw Veeteelt
en
Visserij;
- Toeristische projecten: het
aanbrengen
van voorzieningen aan gebouwen, terreinen, parken en baaien
teneinde de aantrekkelijkheid van het eiland te verhogen;
- Maatschappelijke hulpprojecten: Het
aanbrengen van voorzieningen aan huis en erf c.q. het bouwen
van
woningen voor on- en minvermogenden, evenzo aan erven en
behuizingen van op grond van maatschappelijke zorg
gesubsidieerde instellingen.
In 1981 waren ruim 850 personen
tewerkgesteld op A.W.V.-projecten op Curaçao. Op Aruba waren in
datzelfde jaar ruim 1000 personen tewerkgesteld bij de
Tijdelijke
Arbeidsvoorziening.
@: Aardolie
zie @: Petroleumindustrie.
@: Aas
is een gezichts- en/of reukzin prikkelend lokmiddel in de vorm
van
een prooi, dat bij een aantal visserijmethoden wordt toegepast.
Bij
het vissen op kleine vis wordt piskechi gebruikt. Bij het vissen
met
handlijnen worden kleinere vissoorten (masbangu, saldinchi),
of
gesneden stukjes van een grotere vis, mollusken (inktvis, kiwa, karko) of
heremietkreeften (soldachi) als aas aan
de
haak bevestigd. De Japanse longlinevissers die op de Bovenwindse
Eilanden werkten, gebruikten meestal uit Japan aangevoerde
diepgevroren aasvis (sauries, fam.
Sauridae).
Bij het vissen met de sleeplijn wordt getracht aan het sleepaas
een
vorm en beweging te geven die het patroon van natuurlijk
voedingsgedrag van de grotere pelagische roofvissen geen geweld
aandoet. Daartoe bevestigt men kleine vissoorten (flerchi, bulado, moulo,
masbangu) of repen huid en vlees van grotere
vissen (buni) stevig aan de haak. Toepassing van kunstaas in
allerlei vormen is speciaal bij sportvissers in zwang.
Voorbeelden
hiervan zijn haken verborgen tussen bosjes kleurige veren (=
pluma in Papiamentu) of in een
plastic
pijlinktvisje, “lepels”
van verchroomd metaal en imitatievisjes van been. Canasters
hebben
aan de bovenzijde een kokertje van gaas, waarin men het aas
stopt,
o.m. geroosterde muraene (kolebra), afvalvis, fijngestampte
zeeëgels
en oude funchi, een
uit
malsmeel bereide brij.
@: Abbring, Hermanns Johannes
(Groningen 28 december 1787 - Amsterdam 14 april 1874)
Nederlandse schrijver, bracht na een militaire loopbaan, onder
meer
als genie-officier in de Napoleontische legers, de jaren van
1816
tot 1825 op Curaçao door, eerst als kapitein-ingenieur en
vervolgens
als inspecteur der publieke wegen. Na zijn terugkeer in
Nederland
heeft hij zijn ervaringen op Curaçao te boek gesteld onder de
titel Weemoedstoonen uit
de
geschiedenis van mijn leven of mijne reis naar
Curaçao (1834),
vooral
van belang om de milieuschildering. (Zie Letterkunde in de
Nederlandse Antillen).
@: Abraham, Julio Antonio
(Curaçao 10 augustus 1909 - 30 december 1960). Antilliaans
politicus, was voorzitter van de Democratische Partij Bonaire.
Hij
was gedurende de periode 13 augustus 1952 - 30 november 1954 en
van
17 september 1958 tot 30 december 1960 lid van de Staten der
Nederlandse Antillen. In 1954 werd hij toegevoegd aan de
Nederlands-Antilliaanse delegatie naar de conferentie Nederland,
Suriname, Nederlandse Antillen van 1952-1954, de Ronde Tafel Conferentie.
Gedurende enkele jaren was hij eveneens
lid
van de Eilandsraad van het Eilandgebied Bonaire en van juli 1955
tot
en met september 1958 gedeputeerde van dit Eilandgebied.
In Kralendijk is een boulevard naar hem genoemd en in Rincon is
een
borstbeeld voor hem opgericht met als opschrift luchador incansable pa tur Boneriano
di un
pueblo agradecido (onvermoeibaar strijder voor alle
Bonairianen
van een dankbaar volk).
@: Abriko
zie @: Makreelachtigen.
@: Abusadó
(Spaans abusar =
misbruik
maken van) gewoonlijk gebruikt voor iemand die gewelddadig
optreedt
tegen een duidelijk zwakkere. In het vlak van de seksuele
contacten
wordt er een aanrander, dan wel een persoon die met valse
beloften
de seksuele gunsten van een jong meisje wint, mee aangeduid.
(Zie
ook Bandidu).
@: Academie
zie @: Nederlands-Antilliaanse academie.
@: Accion Social Progresista
zie @: Politieke Partijen.
@: Accountantsdiensten en -bureaus
te onderscheiden in de Landsaccountantsdienst,
de
Accountantsbureaus van de
Eilandgebieden Curaçao en Aruba en de
Belastingaccountantsdienst. De Belastingaccountantsdienst
verzorgt
op alle eilanden van de Nederlandse Antillen
belastingonderzoeken
ten behoeve van de Inspectie der Belastingen. De taak van de
overige
accountantsdiensten omvat de côntrôle op het geldelijk en
materieel
beheer in de ruimste zin; het inrichten van en het toezicht op
de
administratieve organisaties van de met het geldelijk en
materieel
beheer belaste diensten, bedrijven, instellingen of andere
instanties; de côntrôle in opdracht van de minister van
Financiën of
het Bestuurscollege van het desbetreffende Eilandgebied van
bedrijven, stichtingen of andere instellingen waarbij de
centrale
overheid of het eilandsbestuur financieel belang heeft, of aan
welke
steun of krediet vanwege de overheid wordt verleend, alsmede het
verrichten van onderzoeken die aan dergelijke steunverlening,
kredietverschaffing of financiele deelneming voorafgaan en het
in
opdracht van het bevoegde gezag verstrekken van adviezen. De
instructie voor de Landsaccountantsdienst is vastgelegd in P.B.
1962
nr. 134 en die voor het Accountantsbureau van Curaçao in A.B.
1953
nr. 17. De côntrôletaak van deze diensten inzake de financiering
van
de projecten van het meerjarenplan is vastgelegd in de Beheers- en Bestuursregelen.
Meerjarenplan Nederlandse Antillen
(Landsbesluit
d.d. 29 december 1965).
@: Accountantsbureaus van de
eilandgebieden
Zie @: Accountantsdiensten- en bureaus
@: Acculturatie
is het proces waarbij als gevolg van een
vrij langdurig en breed contact tussen twee of meer culturen
overname plaats heeft van culturele trekken, ten gevolge waarvan
deze veranderen en ingepast worden in het culturele patroon. Een
dergelijk proces heeft ook in de Nederlandse Antillen
plaatsgevonden, waar Europese, Indiaanse en Afrikaanse elementen
zijn samengesmolten tot een specifieke cultuur. Als algemene
term
dekt acculturatie verschillende processen van cultuurcontact
o.a.
assimilatie en amalgamatie. Men
spreekt
van assimilatie wanneer er sprake is van de aan of inpassing van
de
cultuur van een minderheid aan of in die van een meerderheid. De
begrippen minderheid en meerderheid verwijzen hier vooral naar
verschil in bezit, kennis en macht en minder naar numerieke
sterkte.
Doordat in de historische Antilliaanse verhoudingen een
gedeeltelijke vernietiging van het middel van overdracht van de
eigen cultuur heeft plaatsgehad - de groep van Afrikaanse
afkomst
had door de slavernij immers geen familieband - konden de
betrokken
groeperingen niet gelijkelijk aan het proces van culturele
versmelting bijdragen. Cultuurcontact en -versmelting tussen
sociaal, economisch en politiek gelijkwaardige groepen zou men
amalgamatie kunnen noemen. Waar groepen bewust streven naar
handhaving of herleving van hun oorspronkelijke cultuur, spreekt
men
van (cultureel) *pluralisme. Behalve op
Aruba heeft de oorspronkelijke Indiaanse cultuur vermoedelijk
zeer
weinig sporen in het geestelijke bezit nagelaten.
@: Accijns
is een verbruiksbelasting, eigenlijk op binnenlandse produkten;
zij
wordt door de landsoverheid geheven. De accijnzen in de
Nederlandse
Antillen zijn:
- Omzetbelasting op bier (P.B. 1958
nr.
54), eigenlijk accijns afhankelijk van de omzet van de
brouwerij. Het thans geheven tarief is
progressief-proportioneel;
- Bijzonder invoerrecht op benzine
(P.B.
1932 nr. 107). Deze heffing op Aruba, Curaçao en Bonaire
heeft
bij invoer het karakter van extra invoerrecht en bij
binnenlandse produktie het karakter van accijns. Tarief op
Aruba
en Curaçao NAf 3,- per hl, op Bonaire NAf 1,35 per hl. Dit
verlaagde tarief, waarvan 0,5 cent per liter bestemd is voor
de
sportaccommodaties op de eilanden, werd ingevoerd op 16 juli
1974. Vroeger werd een belasting op petroleumraffinaderijen
geheven, welke werd ingetrokken bij P.B. 1933 nr. 50;
- Op ingevoerd gedistilleerd
(gedistilleerdverordening P.B. 1908 nr. 34, vele malen
gewijzigd); tarief NAf 3,50 per liter ad 500/0 alcohol bij
15°C;
- Accijns op sigaretten (1 cent per
sigaret).
(Zie Financien: financieIe verhouding).
@: Administrateurs
De gezaghebber van de Bovenwindse Eilanden die zijn standplaats
heeft op het eiland St. Maarten oefende tot 1 April 1983 op Saba
en
St. Eustatius zijn taak uit door middel van administrateurs, die
door de gouverneur werden benoemd, geschorst en ontslagen.
Bij Landsverordening van 11 februari 1983 (P.B. 1983, no. 20)
werd
met ingang van 1 april 1983 het eilandgebied de Bovenwindse
Eilanden
gesplitst in drie eilandgebieden, die elk hun eigen gezaghebber
kregen. Hiermede is de functie van administrateur komen te
vervallen. (Zie Bovenwindse Eilanden).
@: Adviesraad voor culturele
samenwerking
tussen de landen van het Koninkrijk
ingesteld bij K.B. van 17 januari 1961 met als taak de
regeringen
van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen gezamenlijk
van
advies te dienen omtrent de culturele samenwerking tussen deze
landen. Sedert 1976 is de taak van de Raad beperkt tot Nederland
en
de Nederlandse Antillen. De Raad vergadert in beginsel jaarlijks
afwisselend in een der landen van het Koninkrijk. De
aanbevelingen
van de Raad betreffen een breed terrein en hebben vaak
stimulerend
gewerkt o.m. op het gebied van monumentenzorg en archeologisch
onderzoek. Andere ten dele reeds gerealiseerde
aanbevelingen:
- Encyclopedie van de Nederlandse
Antillen,
- schouwburg Curaçao,
- aanschaf rijdende bibliotheken,
- uitbreiding Cultureel Centrum
Aruba,
- nieuwbouw diverse openbare
bibliotheken
en buurtcentra,
- samenwerking op televisiegebied.
Lit.: Jaarverslagen Adviesraad 1961-1982.
@: Advocaten
Ingevolge de Advocatenlandsverordening 1959
(P.B. 1959 nr. 177) is bevoegd inschrijving als
advocaat te verzoeken:
- iedere Nederlander die een
examen
heeft afgelegd voor een commissie bestaande uit de
procureur-generaal als voorzitter en twee door de president
van
het Hof van Justitie aan te wijzen leden van dat college;
- iedere Nederlander die hetzij de
graad
van doctor in de rechtswetenschappen hetzij de hoedanigheid
van
meester in de rechten aan een Nederlandse universiteit heeft
verkregen. De Landsverordening Universiteit Nederlandse
Antillen
1979 verklaart tot die inschrijving eveneens bevoegd degenen
die
aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen - voordien
(Rechts)Hogeschool van de Nederlandse Antillen - de
meestertitel
heeft verkregen.
De tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door een
Raad van
Toezicht en in hoger
beroep door een Raad van
Appèl. Voorzitter
van de Raad van Toezicht is bij
voorkeur een lid van het Hof van Justitie. Als voorzitter van de
Raad van Appèl treedt op de president van het Hof van Justitie.
Straffen zijn waarschuwing, berisping, schorsing van ten hoogste
een
jaar en schrapping. Er bestaat een Vereniging van Advocaten der
Nederlandse Antillen; periodiek: Antilliaans Juristenblad dat in
1974 na 24 jaargangen ophield te verschijnen. Sedert 1980
verschijnt
een Tijdschrift voor Antilliaans Recht dat wordt uitgegeven door
een
gelijknamige Stichting. (Zie Onderwijs: hoger onderwijs;
Rechtspraak; Tuchtrecht).
@: Aeropuerto Hato
Luchthaven van Curaçao zie @: Luchthavens.
@: Aeropuerto Internacional Reina
Beatrix
Luchthaven van Aruba zie @: Luchthavens.
@: Afkondigingsblad Aruba, @:
Afkondigingsblad Curaçao (@: AB / @: A.B.)
is de naam van het officiele blad waarin o.m. de Eilandsverordeningen en
Eilandsbesluiten
worden
gepubliceerd. Art. 83 ERNA schrijft voor, dat deze materie bij
Eilandsverordening wordt geregeld, krachtens overgangsbepaling 1
voor de eerste maal bij Landsbesluit houdende algemene
maatregelen
(P.B. 1951 nr. 116, A.B. Aruba 1952 nr. 2 en A.B. Curaçao 1952
nr.
6). Voor Bonaire en de Bovenwindse Eilanden geschiedt de
publikatie
door openbare kennisgeving, dat de Eilandsverordening ten
kantore
van de gezaghebber (sinds 1 april, 1983, na de opsplitsing van
de
Bovenwinden in drie separate eilandgebieden met elk hun eigen
gezaghebber) ter inzage ligt.
@: Afrikaanse talen
en wel van West-Afrika, hebben een rol gespeeld bij de vorming
van
het Papiamentu (zie Creoolse talen; Papiamentu: oorsprong); in
hoeverre in de structuur van het Papiamentu hiervoor
aanwijzingen
zijn te vinden is nog onvoldoende onderzocht, maar ten aanzien
van
sommige verschijnselen kunnen reeds uitspraken worden gedaan,
waarvan hier enkele voorbeelden volgen.
Op fonologisch gebied kan men het voorkomen van lexicale tonen
(zie
Toontalen; Papiamentu: structuur) beschouwen als een
verschijnsel
van Afrikaanse oorsprong. Op syntactisch gebied kan in dit
verband
gedacht worden aan constructies met seriële werkwoorden (zie
Papiamentu: structuur). In het vocabulaire vormt een beperkt
aantal
woorden een duidelijk Afrikaans restant; men vindt deze o.a. in
de
Nanzi-verhalen en op het gebied van het
volksgeloof: Nanzi (een spinsoort; hoofdfiguur uit de naar hem
genoemde verhalen); zumbi (soort geest); luangu (op domme wijze belang hechten aan
uiterlijkheden als opzichtige kleding en vleiend
eerbetoon);
djingueri (zijn vrolijke aard of bui duidelijk
tonend).
Sommige van deze woorden, zoals *nanzi en *zumbi, hebben een
grote
verbreiding in het Caribisch gebied.
Voor Afrikaanse linguïstische invloeden moet ook verwezen worden
naar het *gueni
(guene).
@: Afrikanisme
Cultuurtrek in het huidige cultuurpatroon die verwijst naar een
Afrikaanse oorsprong: De term Afrikanisme wordt ook gebruikt om
er
een streven naar behoud of naar herleving van de oorspronkelijke
Afrikaanse cultuur mee aan te duiden. Daarbij is dan sprake van
een
zekere politieke geladenheid van de betrekkingen tussen de in
oorsprong cultureel zeer verschillende groepen, die de
samenleving
vormen en deze een pluralistisch karakter willen geven (zie
Pluralisme).
@: Afscheidingscommissie
was de Commissie ingesteld op initiatief van de Raad van Politie
op
Aruba dd. 13 augustus 1947. De Commissie had zich tot doel
gesteld
met voorstellen te komen om Aruba af te scheiden van de overige
eilanden van de Nederlandse Antillen, teneinde een rechtstreekse
band aan te gaan met Nederland. (Zie ook Zelfstandigheidsstreven
van
Aruba.)
Lit.; W.H. van Helsdingen, Aruba en de Separacion, West-Indische
Gids, biz. 113-133, 233-234 (1955).
@: Agan
Een slaginstrument, ook heru genaamd, dat
vroeger
gebruikt werd om de * tambu
en de * kachu te begeleiden
tijdens
de oogstfeesten. Ook werd de agan gebruikt om de
maat
aan te geven bij het verrichten van zware arbeid en bij het
dragen
van mensen naar het ziekenhuis. Gemaakt van een bijna tot een
koker
omgebogen afgebroken schaar van een ploeg, heeft dit instrument
een
lengte van ongeveer 40 cm en een doorsnede van ongeveer 10 cm.
De agan werd met de
gleuf
naar boven gekeerd liggend op de arm bespeeld door er met een
ijzeren staafje, ongeveer 30 cm lang, manga genaamd, op te
slaan.
Om de huid van de arm van de bespeler te beschermen en tevens om
de
speelmogelijkheden te vergroten, werd een ijzeren band - barbá - om de pols
gedaan
bij de hand waarmee de agan werd vastgehouden.
De agan, ook bekend in West-Afrika, Nigeria en Benin, wordt daar
bespeeld tijdens rituelen ter ere van “Ogun”, de God van het
ijzer. (Vgl. Haïti: “hogan”, Cuba: “ogan”).
@: Agave
- Plantengeslacht uit de familie der
Agavaceae. Grote, opvallende planten met dikvlezige, smalle
bladeren, in een rozet of op korte stam gerangsehikt; blad
eindigt in een stekel, rand bezet met omgebogen stekels;
bloeiwijze op een tot meer dan 10 meter hoge steel; bloemen
geel; na bloei ontstaan broedknoppen in de oksel van
bloemsteeltjes. Door de dikke waslaag op de bladeren zijn de
agaves goed aan de droogte aangepast. Pita (di tranké) (Agave karatto) of carato, gebruikt als afrastering.
Kuk'i indjan
(Agave vivipara), bladsteel wordt
in
plakken gesneden, geroosterd en gegeten. Sisal (Agave sisalana) levert vezels voor
touwfabricage; vroeger hiervoor aangeplant. Beneden- en
Bovenwindse Eilanden.
- Stichting in 1983 opgericht met als
doel het bevorderen van een beter begrip voor de cultuur van
de
Nederlandse Antillen in Nederland en in andere
landen.
@: Agrarische politiek
zie @: Grondbezit.
@: Aguinaldo
(Spaans: kerstlied of kerstgeschenk). Gedurende de Kerstdagen
worden
op Aruba en Curaçao door aguinaldo-groepen
kerstliederen voor het publiek ten gehore gebracht. Met de
introductie - in de jaren 1970’s - van deze Venezolaanse
gewoonte
verschenen ook muziekinstrumenten uit Venezuela zoals de
furruco (een soort Keulse rommelpot) en de harp
(kleiner en eenvoudiger van bouw dan de concertharp) in de
Antillen,
waar inmiddels door lokale componisten Papiamentse aguinaldos
worden
gecomponeerd.
@: Aíchi
(Capsicum frutescens) Promènté of pepper, is een heesterachtige Spaanse peper met
kleine langgesteelde rode, oranje of gele vruchten met een
scherpe
smaak en een hoog gehalte aan vitamine C en carotenoïden. In
groentetuinen en als erfheester op alle eilanden geteeld. Aruba
spreekt veelal van ahichi.

Foto: Dolomieten bij Ajo (spreek uit:
Ayo) - Aruba
@: Ajo
Gebied op Aruba tussen Paradera en Andicuri, bekend om de aldaar
voorkomende blokhopen (zie @: Casibari; @: Geologie).
@: Akademia Pedagogiko Korsou (A.P.)
Verzorgt de opleiding van kleuterleidsters en onderwijzers (zie
@:
Onderwijs: Het hoger beroepsonderwijs).
@: Akshon
zie @: Politieke Partijen.
@: Alcoholisme
Juiste getallen over alcoholgebruik en -misbruik in de
Nederlandse
Antillen ontbreken. De importcijfers van alcoholische dranken
bieden
vanwege de smokkel geen houvast. Een bijkomende factor is de
relatief goedkope sterke drank; op St. Maarten kost een fles rum
minder dan een fles melk. Wel kan worden gezegd, dat het
probleem op
Aruba het nijpendst is en in 1936 als zodanig werd gesignaleerd
door
dominee G.B. Bosch.
Op
Aruba is ook het eerst het alcoholprobleem systematisch en
wetenschappelijk aangepakt. Eerst door de arts R. Turfboer, die,
naast verschillende publikaties in 1970 op Aruba het eerste
congres
over alcoholisme organiseerde. Belangrijk wetenschappelijk werk
over
het alcoholprobleem op Aruba werd verricht door de Arubaanse
internist O.R. Wever,
die
op dit onderwerp promoveerde (1977). Een vervolgonderzoek werd
door
hem in 1982 verricht. Bij een groep van 708 onderzochte personen
werden 25,6% geheelonthouders aangetroffen, 52,4% sociaal
drinkers,
11,7% probleemdrinkers, 3,1% pre-alcoholisten en 7,2%
alcoholisten.
Omgerekend naar de bevolking ouder dan 14 jaar, betekent dit
2.530
alcoholisten op Aruba.
De Stichting Bestrijding
Alcoholmisbruik (S.B.A.M.) houdt zich bezig met het beheren van 6
districtsgebouwen, alwaar wekelijks door Anonieme Alcoholisten (A.A.: een organisatie van
gerehabiliteerde
alcoholisten, die zich met elkaar bezighouden en zwakkere
broeders
ondersteunen op de lange en moeizame weg naar
alcoholabstinentie)
wordt vergaderd. De stichting houdt zich tevens bezig met het
voorbereiden van een rehabilitatiecentrum voor chronische
alcoholisten, waarvoor een capaciteit van 30 bedden is gepland.
Lit.: R. Turfboer, The typical Aruban alcoholic in the nineteen
fifties. Proceedings of the First Aruban and Antillean Congress
on
Alcoholism, p. 70-75 (1971). O.R. Wever, Over het alcoholisme op
Aruba. Nieuwe West-Indische Gids 50, 89-106 (1975); idem,
Jaarlijkse
alcoholconsumptie, sterfte tengevolge van alcoholische
levercirrose
en het voorkomen van alcoholisme op Aruba, 1961-1973. T. Alc.
Drugs
2, 57-66 (1976); idem, Alcoholism in Aruba (diss. 1977).
@: Aldu
(Mugil curema) of mullet is een uiterst snelle harder, een vis
kenbaar
aan zijn kleine kop, vlezige lippen en twee rugvinnen die op
afstand
van elkaar staan. Zijn lengte is 40 cm. De vissen planten zich
in
open zee voort. De jongen trekken bij een grootte van een paar
cm in
scholen de binnenbaaien in; het water mag brak of zout zijn. Het
is
namelijk niet het zoutgehalte, maar het zijn organische stoffen
in
het binnenwater, die hen aantrekken. Zij verzamelen zich vooral
bij
duikertjes en rioolmondingen. Hun voedsel bestaat uit algen en
plantaardig en dierlijk afval. In het nauw gedreven kunnen zij
geweldige sprongen maken. Op St. Maarten wordt de mullet samen
met
een grotere harder-soort, de cremole (zie Karmou) in fuiken en met het
werpnet gevangen. De harders zijn goede consumptie vissen, die
zich
ook uitstekend laten roken. Aruba en Bonaire spreken van
haldo.
@: Algemeen Nederlands Persbureau (@:
ANP /
@: A.N.P.)
Particulier persbureau, opgericht 1934 (verving o.a. Vas Diaz en Aneta Holland),
verleent
diensten over en weer aan de dagbladpers in de Nederlandse
Antillen
en Nederland (zie Nieuwsvoorziening; Persdienst).
@: Algemene Bank Nederland N.V. (@: ABN
/ @:
A.B.N.)
Zie @: bank-, geld- en kredietwezen.
@: Algemene maatregel van bestuur
Is de benaming van een wettelijke regeling door de Regering
(Koning
en ministers) buiten de Staten-Generaal om
vastgesteld en door één of meer ministers mede ondertekend (art.
89
Grondwet). Sinds het Statuut
zijn er geen algemene maatregelen van bestuur,
die
ook in de Nederlandse Antillen gelden; voor het Statuut wel.
Art. 57
Statuut bepaalt namelijk dat alle algemene maatregelen van
bestuur,
die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Statuut in de
Nederlandse Antillen golden, de staat van * Algemene maatregel van
rijksbestuur verkregen, met dien
verstande
dat zij, voor zover zij ingevolge het Statuut bij landsverordening kunnen
worden gewijzigd, de staat verkregen van
landsverordening.
@: Algemene maatregel van rijksbestuur
(A.M.v.R.B.)
is een wettelijke regeling betreffende een
koninkrijksaangelegenheid
door de Koning buiten de Staten-Generaal om
vastgesteld. De voordracht daartoe geschiedt door één of meer
ministers, die haar ook contrasigneren; de Raad van State wordt
gehoord; de behandeling heeft plaats in de ministerraad van het
Koninkrijk, dit laatste ingevolge art. 4 van het reglement van
orde
van de ministerraad (Stbl. 1979 nr. 264). De gevolmachtigde
minister
van de Nederlandse Antillen werkt aan de vaststelling mee. De
afkondiging heeft plaats in Nederland in het Staatsblad, in de
Nederlandse Antillen in het Publicatieblad. Het
Statuut bevat geen
bepalingen omtrent de totstandkoming van een A.M.v.R.B.; dat
behoefde niet, omdat in art. 5 voor “de uitoefening van de
koninklijke en de wetgevende macht” naar de Grondwet wordt
verwezen,
zodat art. 89 van de Grondwet ook op een A.M.v.R.B. van
toepassing
is. De A.M.v.R.B., die op grond van de bepalingen van het
Statuut
voor de Nederlandse Antillen verbindend zijn, behoren tot de in
art.
2 van de Staatsregeling genoemde wettelijke regelingen.
@: Algemene Ouderdoms Verzekering (@:
AOV /
@: A.O.V.)
zie @: Sociale Voorzieningen.
@: Algemene Rekenkamer
zie @: Rekenkamer.
@: Algemene Weduwen- en Wezenverzekering
(@:
AWW / @: A.W.W.)
zie @: Sociale Voorzieningen.
@: Algen
zie @: Wieren.
@: Alianza
zie @: Politieke Partijen.
@: Alivio del Pobre, Vereniging
Opgericht in 1879 en gevestigd te Willemstad, heeft als doel de
geldelijke ondersteuning van de joodse armen op de Nederlandse
Antillen.
@: All America Cables and Radio Inc.
(A.A.C.R.)
Noord-Amerikaanse communicatiemaatschappij die op Curaçao en
Aruba
telegraafkantoren exploiteert. Nam in 1929 de kabelconcessie
over
van de Compagnie
Francaise
des Cables Telegraphiques en verkreeg in 1930 een concessie voor 25
jaren, die reeds in 1932 werd verlengd tot 40 jaren. Zij verbond
Curaçao en Aruba door middel van onderzeese telegraafkabels met
Venezuela en de Dominicaanse Republiek en van daaruit met andere
plaatsen. De laatste van deze kabels werd in 1973 buiten bedrijf
gesteld. Sindsdien maakt A.A.C.R., op grond van een nieuwe
concessie
tot 1991, gebruik van verbindingen van Landsradio. Inmiddels is
de
concessie voor telegramverkeer in 1980 geëindigd. Tot 1991
worden
uitsluitend diensten verleend op het gebied van de
telegraafhuurkanalen en in samenwerking met Landsradio voor de
telex.
@: Alliance Francaise
Vereniging die zich ten doel stelt grotere bekendheid te geven
aan
de verschillende uitingen van de Franse cultuur, werd in 1883
door
een aantal vooraanstaande personen te Parijs opgericht; de
Curaçaosche afdeling in 1955. Tot de activiteiten van het
“Comité de
Curacao”,
behoren o.m. het organiseren van Franse
conversatiecursussen, het uitlenen van Franse boeken (ca. 400
per
jaar) en het verzorgen van radio- en televisieprogramma's. De
afdeling geeft een tweemaandelijks orgaan uit, Bulletin de L’ Alliance Francaise
Comité
de Curaçao. In 1967
werd
ook op Aruba een afdeling opgericht.
@: Alma sola
Armasol, zie @: Brúa.
@: Almond tree
zie @: Mangel.
@: Aloë / @: Aloe
(Aloë barbadensis) of sentebibu, plantesoort uit de familie der Liliaceae.
Dikke, vlezige bladeren, sappig, veel slijm bevattend, de
bladrand
voorzien van stekels; bloemen geel, hangend in een dichte tros
aan
een lange steel. Afkomstig uit het Middellandsezee gebied en
vooral
in Aruba en Bonaire aangeplant in verband met betekenis in
farmaceutische industrie. Bij het beschilderen van buitenmuren
worden gesneden aloëbladeren in de waterverf gedaan. Gekweekt op
Beneden- en Bovenwindse Eilanden. De aloë werd in 1836 door
gezaghebber Baron van
Raders op Curaçao
als
gouvernementscultuur geïntroduceerd. De plant is uitgesproken
kalkminnend. De jonge uitlopers (siboys, semina) worden
van
bladschede ontdaan en met ingekorte wortels in de droge tijd
uitgezet; ze gaan dan na de eerste regens uitlopen. Na 2-3 jaar
kan
men bij de inmiddels uitgestoelde plant en in de maanden
maart-juni
de dikke bladeren afsnijden, waarbij het hart, het groeipunt,
gespaard blijft. De bladeren komen in lekbakken te staan, waarna
het
sap in koperen ketels wordt ingedampt. Het ingedampte sap wordt
in
kistjes van 50 kg verpakt en verhard tot aloëhars. De aanplant
die
aloëhars oplevert moet na 10-15 jaar worden vernieuwd.

In de laatste decennia heeft de aloë opnieuw een plaats
ingenomen in
de landbouwproduktie van de Benedenwindse Eilanden. In het
topjaar
1942 voerde Aruba 248.256 kg ter waarde van NAf 527.299,- uit,
terwijl Bonaire in dat jaar 62.808 kg ter waarde van NAf
120.755,-
uitvoerde. Door de daling van de vraag naar aloë op de
wereldmarkt
daalde ook de aloëprijs, wat de uitvoer sterk remde: Toch
bedroeg in
1955 de uitvoer van aloëhars uit Bonaire nog 52.804 kg ter
waarde
van NAf 53.593,-. De totale produktie lag in 1967 nabij
120.000-130.000 kg per jaar, verdeeld over 6.000 ha op Aruba en
1400
ha op Bonaire, waar de laatste aloë in 1973 werd verscheept ter
grootte van 1.027 kg. De hars wordt voornamelijk naar de
Verenigde
Staten uitgevoerd.
Literatuur:
- H. D. Benjamins en J. F. Snelleman,
Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1914-1917;
- C. L. Harders, Bijdrage tot de
kennis
van de Curaçao aloë en van hare opsporing. Diss.
(1940).
@: Alpargata
Ook wel pargata, schoeisel bestaande uit een stevige
leren
zool met bovenwerk van grove vezelstof.
@: Alternatieve grondwet Autonoom
Curacao
(zie @: Grondwet voor Autonoom Curacao -
Alternatief op grondwet Politiek Curacao
@: Alto Vista
Kalksteenheuvel in het noordwesten van Aruba, 70,2m hoog. In de
nabijheid van deze heuvel bevindt zich de in 1952 gebouwde
Mariakapel, opgericht ter herinnering aan de eerste
room-katholieke
kerk op Aruba, die omstreeks 1750 werd gebouwd door de in deze
omgeving levende indianen. De huidige kapel is een middelpunt
geworden voor de devotie tot de H. Maagd; elk jaar wordt naar
deze
plek een bedevaart gehouden. In de kerk bevindt zich een antiek
Spaans kruisbeeld .
@: Amalgamatie
Zie @: Acculturatie
@: Ambachten
In 1885 begon pastoor Frie
met een ambachtsschool die op bescheiden
schaal
nuttige vaardigheden bijbracht aan weesjongens; zij leerden
timmeren, smeden, kleermaken, schoenmaken en schilderen.
Scheepsbouwers moesten
in het begin van de 20e eeuw optornen tegen de concurrenten van
Trinidad en Barbados, later hebben vooral Bonairianen zich tot
uitstekende vaklieden in deze branche ontwikkeld.
Schrijnwerkers
maakten
nog ouderwets-degelijke meubelen van massief mahonie. Zij konden
echter moeizaam stand houden tegen de modernere en lichtere
Amerikaanse en Europese produkten, die met behulp van
geïllustreerde
catalogi de markt veroverden. Goudsmeden lieten in
1900
monsters van Curaçaosch goudfiIigrainwerk naar Nederland zenden,
maar de bestellingen bleven uit.
Schoenmakers zorgden
voor
een indrukwekkende alpargata-produktie
(zie
Coöperatieve Vereeniging en
Nijverheid).
Bijzondere vermelding verdient de hoedenvlechterij die
tussen
1900 en 1950 op Curaçao zo sterk heeft gebloeid dat een
exportproduktie van enkele honderdduizenden guldens jaarlijks
werd
bereikt dank zij het vlechtonderwijs, dat door de missie en de
Curaçaosche Maatschappij tot
bevordering van Landbouw, Veeteelt, Zoutwinning en
Visserij werd
gegeven.
Vooral de cursus onder leiding van H.J. Cohen Henriquez en hoofdvlechtster Isabel Crefte ontwikkelde zich tot de “hogeschool” van
de
vlechtkunst. De miljoenen strohoeden die tussen 1900 en 1950
werden
uitgevoerd naar Amerika, West-Europa en Midden- en
Zuid-Amerikaanse
landen waren het werk van talloze hoedenvlechtsters, vaak
kinderen
van tien, twaalf jaar oud (1910: 5031; 1915: 6517; 1925: 7227).
Factoren die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het verval
van
deze huisnijverheid zijn de vestiging van de olieindustrie (de
noodzaak aan het gezinsinkomen bij te dragen viel weg door de
grote
werkgelegenheid voor mannen), de sterke stijging van de
stroprijzen
en het gebrek aan stro. Tegenover het gebouw van de Kamer van
Koophandel op Pietermaai treft men in de gevel een gedenksteen
aan
van de vereniging “Arbeid
adelt”, die nog aan
de
hoedenvlechterij herinnert.
Lit.: J. van Soest, Olie als water (1976). A. van der Veen, De
geschiedenis van de Antilliaanse hoedenvlechterij op Curaçao;
in:
Sticusa Journaal, jrg. 13. no. 93, 1983. Idem, Hoedenvlechten
als
kostwinning (doct. scriptie 1984).
@: Ambtenaar
is ieder die door het bevoegde gezag in een overheidsdienst is
benoemd of aangesteld. Spreekt men in Nederland van rijks-,
provinciale en gemeenteambtenaren, de Nederlandse Antillen
kennen
landsambtenaren (meestal landsdienaren genoemd) en
eilandsambtenaren. Niet ieder die een ambt bij de overheid
bekleedt,
is ambtenaar: het ambtenaar-zijn veronderstelt een verhouding
van
ondergeschiktheid jegens de instantie die hem benoemd heeft. Het
gekozen lid van de Staten of van een Eilandsraad vervult wel een
ambt of een functie maar is als zodanig geen ambtenaar.
De landsdienaren worden door de Gouverneur benoemd, geschorst en
ontslagen, tenzij deze bevoegdheden bij de Staatsregeling aan de
Koning zijn voorbehouden of aan de Staten (de griffier). Volgens
art. 12 van de Staatsregeling wordt hun rechtstoestand bij
landsverordening geregeld (P.B. 1964 nr. 159). De Gouverneur
stelt
de bezoldigingen vast, tenzij in de Staatsregeling anders is
bepaald. De aanspraken op verloven en verlofsbezoldigingen,
wachtgelden en pensioenen worden bij landsverordening geregeld
(art.
15 Staatsregeling). Voor de vakantieregeling zie P.B. 1969 nr.
44.
Personen in overheidsdienst, die als werklieden worden
aangeduid, en
personen met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
is
gesloten, vallen niet onder de voorschriften van bovengenoemde
landsverordening betreffende de rechtstoestand van ambtenaren.
Verschillende ambten zijn onverenigbaar met een bepaalde functie
om
die functie te vrijwaren tegen ongewenste beinvloeding. Zo geeft
in
de Staatsregeling art. 28 aan, dat een lid van de Raad van
Advies
niet tegelijk lid van de Staten kan zijn, art. 37 welke ambten
niet
verenigbaar zijn met het ministerschap, art. 43 met het
gevolmachtigde ministerschap, art. 48 met het lidmaatschap van
de
Staten. In het algemeen zijn ambtenaren niet uitgesloten van het
lidmaatschap van de Staten, doch voor zover nodig worden de
gevolgen
van de vereniging met het lidmaatschap bij landsverordening
geregeld
(art. 48).
@: Ambtenaren Bond, Algemene
Nederlands-Antilliaanse (A.N.A.A.B.)
Voorloper van de meeste overheidsbonden, werd opgericht in 1936
met
als doel de behartiging van de belangen van de ambtenaren en het
bevorderen van een nauwere onderlinge samenwerking. In de
1940ger
jaren werd nog het woningbezit bevorderd door de bouw van
huurkoopwoningen door de Stichting Ambtenaren
Woningbouw. Evenzo
werd
een steunfonds opgericht en stond men de instelling van een
collectieve ziektekostenverzekering voor. Na de invoering van
het
Statuut en de Eilandenregeling kwamen meer vakgerichte
ambtenarenbonden tot stand, gericht op de belangenbehartiging
van
specifieke groepen ambtenaren. Desondanks bleven tot in de
1960ger
jaren deze bonden verenigd in de Algemene Nederlands-Antilliaanse
Ambtenaren Federatie (A.N.A.A.F.). Aangesloten waren de ambtenarenbonden van
Aruba en Curaçao, de R.K. Onderwijzersbonden op deze eilanden en
de
Bond van gepensioneerden der Nederlandse Antillen (B.G.N.A.) in
Nederland. De Bond op Curaçao behartigde de belangen van de
leden op
Bonaire en de Bovenwindse Eilanden.
Als gevolg van de gebrekkige vertegenwoordiging en
belangenbehartiging van de overheidswerklieden (arbeiders) en
door
het stringente onderscheid dat de overheid handhaafde tussen
ambtenaren en werklieden in o.m. verschillende regelingen en
voorzieningen, werden aan het eind van de 1960ger jaren
de
Bond di Trahadonan di Gobierno
(B.T.G.) op
Curaçao
en de Gouvernements
Arbeiders
Bond (G.A.B.) op
Aruba
opgericht. Gedurende de 1970ger jaren kwam het georganiseerd
overleg
met de Centrale Regering tot stand dat een wettige basis
verkreeg.
In 1973 kwam na een lange onderwijsstaking een inspraak-protocol
tot
stand; toch zijn de onderwijsbonden nog steeds niet toegelaten
tot
het georganiseerd overleg. In de meeste gevallen treden de
bonden
individueel op. Indiën het een gezamenlijk belang betreft treedt
men
ook wel op in de zogeheten Sindikatonan Uni. Op Aruba functioneerden eind 1983 de
volgende
overheidsbonden:
- A.S.O.A. Asociación di Alto
Oficialnan
Gubernamental na Aruba.
- G.A.B.A. Gouvernements Arbeiders
Bond
Aruba.
- N.A.P.B. Nederlands-Antilliaanse
Politie Bond, Afdeling Aruba.
- S.E.P.A. Sindikato di Empleado
Publiko
di Aruba.
- S.I.M.A.R. Sindikato di Maestronan
di
Aruba.
Op Bonaire waren in datzelfde jaar de
volgende bonden actief:
1. A.B.V.O. AIgemene Bond voor Overheidspersoneel, Afdeling
Bonaire.
2. S.I.M.A.B.O. Sindikato di
Maestronan
di Bonaire
3. S.T.G.B. Sindikato di Trahadónan
di
Gobiernu di Bonaire.
Op Curaçao:
1. A.B.V.O. AIgemene Bond voor
OverheidspersoneeI.
2. B.H.L.P. Bond van Haven- en
LoodspersoneeI.
3. B.T.G. Bond di Trahadónan di
Gobiernu.
4. C.L.V. Curaçaose Loodsen
Vereniging.
5. N.A.P.B. Nederlands-Antilliaanse
Politie Bond
6. V.H.O. Vereniging voor
Hogere
Overheidsfunctionarissen.
Op St. Maarten:
W.I.C.S.U. Windward Islands' Civil
Servants
Union.
@: Ambtenarenrecht
Materieel: geregeld in de Landsverordening Materieel
Ambtenarenrecht (P .B. 1964 nr. 159). Deze
verordening regelt de materiele rechtspositie van de
landsdienaren
van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der
Eilandgebieden. De verordening regelt onderwerpen als
aanstelling en
bevordering, beoordeling en ranglijst, bezoldigingen,
uitkeringen en
toelagen, dienst- en werktijden, verlof, verlofsbezoldiging en
aanspraken in geval van ziekte, disciplinaire straffen en het
georganiseerd overleg. De centrale commissie voor georganiseerd
overleg bespreekt aangelegenheden van algemeen belang voor de
rechtstoestand van de ambtenaar met de door de betrokken
minister
daartoe aangewezen vertegenwoordigers alvorens door het bevoegd
gezag een beslissing wordt genomen. De verordening is behoudens
enkele onderdelen in werking getreden op 1 januari 1966.
Formeel: het procesrecht in
ambtenarenzaken
is geregeld in de Regeling
Ambtenarenrechtspraak 1951 (P.B. 1951 nr. 134). Het Gerecht in Ambtenarenzaken
bestaat uit een lid van het Hof van Justitie. De
Raad van Beroep in
Ambtenarenzaken
is samengesteld uit de president van het Hof van
Justitie - of het lid van het Hof van Justitie dat hem als
zodanig
vervangt als ambtshalve lid tevens voorzitter - en twee leden,
benevens drie leden-plaatsvervangers.
@: Ambtseed
zie @: Eed.
@: Ambtsmisbruik
is het misbruik dat iemand maakt van de
bevoegdheid die hij als ambtenaar heeft. Misbruik van gezag door
iemand te dwingen iets te doen of na te laten, is
strafbaar.
@: Amendementsrecht
is het recht dat aan de Staten en Eilandsraden is
toegekend
om in ontwerpen van verordeningen wijzigingen aan te brengen. De
wijze waarop dit kan worden uitgeoefend wordt in de reglementen
van
orde geregeld en begrensd.
@: Amfibiewet
zie @: Rijkswetten.
@: Amigoe
zie @: Pers.
@: Amistad
zie @: Pers.
@: Ampues Juan Martinez de (of Ampíes) /
@:
Juan de Ampues / @: Juan d’Ampues
(gest. Hispañiola 8 februari 1533) was
voor
hij zich naar West-Indië begaf kapitein in het Castiliaanse
leger en
maakte als zodanig een veldtocht mee in Italië. Met een
real cedula van 19 mei 1511 werd hij aangesteld tot
factor op het eiland Hispañiola. Bij zijn aankomst op het
eiland, in
oktober van datzelfde jaar, werden hem 200 indiaanse slaven ter
beschikking gesteld. Hij bracht het spoedig tot een zekere
welstand,
bezat huizen en land, paarden en vee, en zelfs een
suikerrietmolen.
In 1526 benoemde Karel V Juan de Ampues
tot
factor over de eilanden Curazao, Ouruba y Buynari. De adviezen uitgebracht door de
paters Hieronomieten,
die toentertijd een grote invloed op
Hispañiola bezaten, moeten dit besluit van Karel hebben
begunstigd.
Als factor en corregidor (administrateur en bestuurder) kreeg De
Ampues de opdracht tot een vreedzame kolonisatie van de
Islas de los Gigantes.
De eerste stappen door De Ampues in
verband
met het weer bevolken van deze eilanden ondernomen, hielden in
dat
hij een aantal vreedzame Arowakken die op Hispañiola waren
terechtgekomen weer naar Curaçao, Aruba en Bonaire terugvoerde,
waarvoor hij de voorlopige goedkeuring van de Audiencia verkreeg; vervolgens trachtte hij een
verbod
uitgevaardigd te krijgen tegen de Indiëros (indianenjagers) om deze eilanden te
bezoeken. Of het kolonisatieplan van De Ampues, gepaard met het
gemelde verbod, geheel en al uit altruïstische motieven
voortsproot,
valt te betwijfelen. Het is mogelijk dat hij als factor van de
drie
genoemde eilanden, deze als zijn privé jachtgebied wilde
reserveren.
Via de indianen op Curaçao trad Juan de
Ampues in contact met de autochtone bewoners op het vasteland.
Hier
maakte hij spoedig kennis met een bekend cacique, Manaure genaamd, door sommige Venezolaanse
historici
met de bijnaam sabia (wijze), aangeduid. Het is niet
duidelijk of Ampues uit eigen overweging naar het vasteland
overstak
of dat hij daartoe door Manaure was uitgenodigd. Deze ontving
hem
met alle eer en sloot met hem een tractaat. De overeenkomst
verzekerde De Ampues van een regelmatige aanvoer van indiaanense
krijgsgevangenen en het is dus gerechtvaardigd De Ampues een
Indiëro pacifico
- een vredelievende indianenjager - te
noemen. Dat De Ampues ook politieke bedoelingen had met zijn
verblijf op het Venezolaanse vasteland blijkt uit de stichting
van
de stad Santa Ana de
Coro, kortweg Coro
genoemd. Deze vond plaats op 26 juli 1527, de dag gewijd aan de
heilige Anna; de oorspronkelijke bedoeling was om een gunstige
uitvoerhaven te hebben voor de te vervoeren indiaanse slaven.
Alarmerende geruchten en een
onverkwikkelijk
echtscheidingsproces brachten De Ampues in 1528 terug naar
Hispañiola. Karel V had grote verplichtingen aan het
bankiershuis
Welser en wilde deze, naar De Ampues vernam, honoreren door een
gedeelte van de Tierra
Firme als een leen aan dit huis te schenken.
De
Ampues wendde zich daarop in een schrijven van 7 september 1528
tot
de Audiencia van Santo
Domingo, met
verwijzing
naar de door hem bereikte resultaten en het verzoek om de
kolonisering van de provincie Venezuela niet in handen te doen
geven
van Duitsers, maar hem deze op te dragen. Rechten op het
vasteland
had hij niet. De Spaanse
Raad
van Indië, na
informatie
omtrent De Ampues’ al of niet officiële opdracht om naar het
vasteland over te steken, kreeg van de Audiencia van Santo
Domingo
natuurlijk een negatief antwoord. Daarop zette de Raad van Indië
haar besprekingen met de Welsers voort. Zij resulteerden in een
contract, waarbij de provincie Venezuela aan het Duitse
bankiershuis
werd overgedragen. De voor de kust gelegen eilanden waren echter
niet in deze overeenkomst begrepen.
Deze politiek van Karel V doorkruiste De
Ampues’ eerzuchtige plannen en beperkte zijn invloed tot de drie
Curaçao-eilanden. Hoe lang hij daar gewoond heeft valt niet met
zekerheid na te gaan. Terwijl het vrijwel vast staat, dat zijn
eerste bezoek aan Curaçao plaatsvond in 1527, zal zijn tweede
bezoek
eind 1528 of begin 1529 hebben plaatsgevonden. Van daar is hij
dan
voor de laatste maal naar Coro overgestoken om deze stad met de
provincie goedschiks - of (volgens sommigen) kwaadschiks - aan
de
Duitsers over te geven. Waarschijnlijk heeft hij zich daarna
weer
naar Curaçao begeven, maar het landbouw en veeteeltbedrijf dat
hij
hier aanvankelijk trachtte op te zetten, schijnt hem toen niet
meer
te hebben geinteresseerd. Hij vertrok spoedig naar Hispañiola,
waar
hij in 1533 overleed. Hij liet een dochter na die gehuwd was met
de
Erasmuskenner Lazaro
Bejarano, die zijn
schoonvader opvolgde als factor. (Zie verder Geschiedenis
Spaanse
periode.)
Lit.: Over Juan de Ampues is nog geen
biografie verschenen. De gegevens kan men vinden bij Bartolomé
de
las Casas, Historia de las Indias (vele uitgaven); Juan de
Castellanos, Elegías de Varones Ilustres de Indias (vele
uitgaven),
Martín Fernández de Navarrete, Collección de los Viages y
Descubrimientos que hicieron por Mar los Españoles desde fines
del
siglo XV (vele uitgaven).
@: A.N.A.A.B
Zie @: Ambtenaren Bond, Algemene
Nederlands-Antilliaanse.
@: Anasa
(Ananas comosus) of pineapple is een plant behorend tot de familie der
Bromeliaceae, die op geringe schaal op alle eilanden gekweekt
wordt.
De schijnvrucht wordt graag gegeten. In het Christoffelpark komt de soort in het wild voor, met veel
langere bladeren dan de gekweekte soort, zonder eetbare
vruchten.
@: Anchòk(s)
(Anchoa spec.) of ansjovis, is kenbaar
aan
een sterk onderstandige, smalle onderkaak, die hem een
roofzuchtig
aanzien geeft, hoewel hij alleen plankton eet. Vormt scholen en
wordt soms samen met de sardien met de reda gevangen.

De natural bridge, zoals hij er nog
bijstond voor 2006, toen hij in elkaar stortte
@: Andicuri
Baai aan de noordkust van Aruba. De
kalksteenformatie is hier doorbroken en er heeft zich een klein
maar
bijzonder schilderachtig strand gevormd. Even ten noordwesten
van
deze plek, eveneens aan de Baai van Andicuri, ligt de door
abrasie
in de kalksteen gevormde natuurlijke brug. Deze trekpleister
voor de
lokale bevolking (weekend-toerisme) is door de natural bridge een van de belangrijkste attracties voor
buitenlandse bezoekers geworden. De natural bridge is
overigens
in 2006 in elkaar gestort.
@: Anemaet, Johannes F.
(St. Maarten 19 december 1911) verhuisde
op
achtjarige leeftijd naar Nederland waar hij in 1930
beroepsmilitair
werd. Na een stationering in het voormalig Nederlands-Indië
(1930-1949) is hij van 1951-1965 werkzaam geweest bij de
Koninklijke
Marine op Curaçao; woont sindsdien in Nederland. Schilder -
autodidact - met een meesterlijke techniek. In een beheerst
coloriet
schept hij heldere, sprekende beelden van de dagelijkse
Antilliaanse
wereld. Zijn doeken sprankelen van kleur en zijn gemaakt in een
picturale, realistische schilderstijl. Exposities: Curaçao
(1958;
1972; 1980). Zijn werk is o.a. vertegenwoordigd in de collectie
van
Sticusa.
Foto Angelfishes: Boven: French
Angelfish
of sheu (Holacanthus
paru);
beneden Queen Angelfish of Rei'i
chamba (Holacanthus ciliaris)
@: Angelfishes
(Pomacanthus spec. en Holacanthus spec.)
behoren tot de fraaiste vissen van het rif. Zij leven vooral van
sponsen. De jongen, die sterker aan het rif gebonden zijn dan de
ouden, hebben een heel andere kleurtekening; bij de sheu (Pomacanthus spec.) zijn de jongen net
een
lapje wapperend zwart fluweel met witgele dwarsbandjes, terwijl
de
volwassen dieren net zwarte stijve schijven zijn. De
rock-beauty-jongen
(Holacanthus tricolor)
zijn fel geel met een
zwart stipje dat zich tijdens de groei uitbreidt totdat de vis
op
kop en vinnen na zwart is. De queen angel-jongen (Holacanthus ciliais) zijn oranje en
hemelsblauw met lichte strepen, eveneens een heel ander patroon
dan
de volwassene. Zij zijn goed in het aquarium te houden, alleen
zijn
zij tegenover soortgenoten vrij onverdraagzaam.
@: Anglicaanse Kerk
In 1952 werd op Steenrijk (Curaçao) de
Church of All
Saints
(750 zitplaatsen) ingewijd, en in 1972
de
Chapel of
Resurrection
op Suffisant, er zijn
ongeveer
300 leden. In San Nicolas (Aruba) staat sinds 1945 de
Holy Cross Church
(400 leden). Saba heeft 2 kerken (400
leden).
Op St. Eustatius werd in 1984 een kerk gebouwd. Op St. Maarten
zijn
thans 2 kerken. Op alle eilanden is de voertaal Engels. (Zie ook
Protestantisme).
@: Anglo
(Tribulus cistoides) wangle of daisy,
plantesoort uit de familie der Zygophyllaceae. Neerliggend
kruid;
bladeren enkelvoudig geveerd, met 12-16 blaadjes; bloemen
alleenstaand, groot, goudgeel, 5-tallig met 10 meeldraden;
vrucht
gestekeld, in 5 driezadige deelvruchten uiteenvallend. Algemeen
onkruid op landelijk terrein. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Vooral in regenrijke jaren breidt het zich sterk uit, zodat men
grote gele vlakken van bloeiende anglo's ziet. Aan de bitter
smakende wortels wordt medicinale betekenis toegeschreven. De
wortel
wordt geplet, gewassen en gekookt. Het aftreksel wordt gebruikt
tegen diarree en koorts, speciaal bij baby's als de tandjes
doorbreken.
@: Anguiu
of pipe
fishes (fam. Syngnathidae) komen in de
Nederlandse Antillen in verscheidene soorten voor. Zij leven
rustig
tussen de planten en zuigen af en toe een garnaaltje naar
binnen.
De mannetjes hebben langs de buik een
lange
huidplooi, waarin het wijfje haar eieren afzet. De eieren
ontwikkelen zich tussen het slijmvlies van die plooi; de jongen
komen na enkele weken naar buiten zwemmen net als bij hun
verwant,
kabai di
awa.
@: Anrooij Anthonie Johannes Wouterus
van
(‘s-Gravenhage 9 augustus 1883 - 5 juti
1964) officier Koninklijke Marine, later inspecteur in algemene
dienst bij de PTT en hoofd van de afdeling Kust- en
Scheepsradiodienst. Kwam in september 1908 als zeeofficier naar
Curaçao en plaatste de eerste radiozend- en ontvang-installatie
van
de Nederlandse Antillen in het Riffort. (Zie ook Landsradio -
Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen; Telegraaf- en
telefoonverordening).
@: Ansjovis
Zie @: Anchòk(s)
@: Anthurium
Plantengeslacht uit de familie der
Araceae
(Aronskelkachtigen), waarvan een drietal soorten in de
Nederlandse
Antillen voorkomen. Zij gelijken op klimmende kruiden met dikke
wortelstokken; bloemen in een kolf, waaronder een grote spatha
(schutblad) staat.
Monkey
tail (Anthurium cordatum), met langgesteelde,
hartvormige bladeren; bloeikolf groenig-geel; spatha groen. In
de
vochtige bossen op de Bovenwindse Eilanden; gekweekt op
Curaçao.
Anthurium (Anthurium
nymphaefolium). bladeren hartvormig; langgesteeld; bloeikolf
wit;
spatha rozerood, glanzend. Gekweekt op Benedenwindse Eilanden.
Anthurium
hookeri, bladeren langwerpig tot elliptisch,
tot
70 cm lang; bloeikolf groenig-bruin; spatha groen. Curaçao.
Zeldzaam, alleen bij de top van de Sint Christoffelberg.
@: Antilia
Motorschip, 472 brt., in. 1955 in dienst
genomen, onderhield maandelijks vracht en passagiersdienst
tussen de
Benedenwindse en de Bovenwindse Eilanden. Door de
luchtvaartverbindingen verminderde het vervoer per schip. In
1972
maakte de Antilia de laatste reis.
@: Antillen
is de verzamelnaam voor de eilanden die
gelegen zijn tussen het vasteland van Noord-Amerika en dat van
Zuid-Amerika, en die de Caribische Zee en de Golf van Mexico, te
zamen ook wel Amerikaanse Middelzee genoemd, min of meer
omsluiten.
De Antillen strekken zich als een langgerekte boog uit van 10°
N.Br.
tot circa 25° N.Br. en van omstreeks 60° W.L. tot 85° W.L. Het
merendeel der eilanden vertoont zowel onderling als met de
continenten tektonische en geologische samenhang.
De belangrijkste groepen waarin de
Antillen
kunnen worden onderverdeeld zijn:
- de Bahama Eilanden tussen
Hispañiola en
Florida;
- de Grote Antillen, bestaande uit
Cuba,
Jamaica, Hispañiola (staatkundig verdeeld in Haiti en de
Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico;
- de Kleine Antillen, d.i. de boog
van
talrijke kleine eilanden tussen Puerto Rico en de noordkust
van
Zuid-Amerika, waarvan o.a. de Nederlandse Antillen deel
uitmaken.
De Kleine Antillen worden op hun beurt
weer
onderscheiden in de eilanden boven
de wind en de eilanden beneden de wind. In de
Nederlandse, Franse en Spaanse literatuur duidt men met de
laatste
benaming aan de eilanden die voor of in de nabijheid van de
Zuid-Amerikaanse kust liggen. In de Engelse literatuur bedoelt
men
daarentegen met de Leeward
Islands de noordelijke groep van de Kleine
Antillen. Door dit merkwaardige verschil in benaming liggen dus
de
Nederlands-Antilliaanse Bovenwindse Eilanden te midden van de
(voormalig) Britse Leeward Islands. Het eilandenrijk van de
Antillen
wordt enerzijds, onder meer op grond van ligging en klimaat,
gekenmerkt door een grote mate van overeenkomst in
fysisch-geografische zowel als social-economische zin,
anderzijds
door een sterke staatkundige verbrokkeling, die leidde tot grote
verschillen in politieke organisatie en oriëntatie, tot
uiteenlopende cultuurpatronen en tot gebrekkige mogelijkheden
tot
onderling contact. De staatkundige verbrokkeling is in hoofdzaak
toe
te schrijven aan het feit dat de Antillen in het verleden als
koloniaal bezit werden opgedeeld tussen vele West-Europese
landen en
in een later stadium ook de Verenigde Staten. Er kon geen groei
naar
een grotere Antilliaanse eenheid plaatsvinden, daar elke kolonie
allereerst banden onderhield met het eigen moederland met
verwaarlozingen van de zijde van het moederland dikwijls
tegenwerking van de mogelijkheid tot opbouw van een politieke en
social-economische samenhang binnen de archipèl. Het resultaat
van
deze historische ontwikkeling kon slechts zijn een aantal
politieke
gehelen met uiteenlopende internationale orientatie, maar met
een
veelal overeenkomstige social-economische structuur en
problematiek,
hoofdzakelijk als gevolg van de plantage-economie welke
eeuwenlang
voor deze gebieden kenmerkend is geweest en ten dele nog is. De
komst van de Europese kolonialistische ondernemers betekende de
ondergang van de autochtone bevolking, die vervangen werd door
miljoenen negroïde Afrikanen welke in mijnen en op plantages
werden
tewerkgesteld. De nakomelingen van deze slaven vormen thans het
voornaamste bevolkingselement van de Antillen. Vóór en tijdens
de
negroïde instromingen vestigden zich in mindere mate Europeanen,
sinds de tweede helft van de 19de eeuw ook vele Aziaten. De
Antillen
worden derhalve gekenmerkt door een grote verscheidenheid van
rassen, volken en talen, waartussen veelal scherpe sociale en
economische scheidslijnen lopen. De plantage-economie met haar
monocultuur drukte niet alleen economisch maar ook sociaal ten
zeerste haar stempel op de Antilliaanse samenleving door het
doen
ontstaan van een in vele opzichten gesegmenteerde samenleving.
Door
hun grote bevolkingsdichtheid, hun gebrekkige en eenzijdige
economische ontwikkeling, het lage levenspeil en de geringe
ontwikkeling van het merendeel van de bevolking vormen de
eilanden
probleemgebieden van de eerste orde. De geograaf G. Etzel Pearcy
spreekt van een “politico-socio-economisch dilemma” der
West-Indische samenleving. Inmiddels zijn verschillende Engelse
Antillen onafhankelijk geworden (zie Caribisch gebied).
De bevolking van de Antillen bedraagt
omstreeks 32 miljoen zielen, waarvan tweederde voor rekening
komt
van Cuba, Haïti en de Dominicaanse Republiek. De
bevolkingsaanwas is
groot en mag op ca. 3% per jaar worden gesteld. Vooral de
kleinere
eilanden hebben een zeer hoge bevolkingsdichtheid; Barbados met
ca.
650 inwoners per km2 gaat in dit opzicht aan de spits. Aangezien
de
economische basis van de Antillen overwegend agrarisch is, moet
in
het algemeen van overbevolking van deze eilanden worden
gesproken.
Er heerst grote ongelijkheid in grondbezit en -gebruik:
enerzijds is
de meeste grond in de vorm van grote plantages in handen van een
kleine groep grootgrondbezitters, anderzijds wordt het
grondgebrek
voor de grote massa onder meer als gevolg van de bevolkingsgroei
steeds nijpender. Het resultaat is toenemende verpaupering en
emigratie.
De voornaamste uitvoergewassen van de
Antillen zijn: suiker, tabak, koffie, cacao en bananen. De
mijnbouw
levert als belangrijke delfstoffen: bauxiet van Jamaica (meer
dan
20% van de totale wereldvoorraad), aardolie en natuurlijke
asfalt
van Trinidad, voorts ijzer-, mangaan-, chroom- en kopererts van
oostelijk Cuba. Op dit eiland komt ook aardolie voor. De
industriële
bedrijvigheid van de Antillen is slechts zwak ontwikkeld; in dit
opzicht nemen de Nederlandse Antillen een eerste plaats in. Het
toerisme, met name vanuit de Verenigde Staten, is op tal van
eilanden een belangrijke bron van inkomsten. De rijkdom van de
Antillen aan mooie natuurlijke havens biedt het
scheepvaartverkeer
vele mogelijkheden, waarvan het toerisme thans dankbaar
profiteert;
vele eilanden zijn opgenomen in het regionale en/of
trans-continentale luchtverkeer. De Antillen worden ook
aangeduid
met de naam Caribische of West-Indische eilanden.
Lit.: G. Etzel Pearcy, The West-Indian
Scene
(1965); H. Hoetink, De gespleten samenleving in het Caribische
gebied (1962); R.A.J. van Lier, The development and nature of
Society in the West-Indies (1950); W.R. Menkman, De Nederlanders
in
het Caribische zeegebied (1942); L.P. Vermeulen, De
bevolkingsstructuur der Nederlandse Antillen (Tijdschrift Kon.
Ned.
Aardrijkskundig Genootschap 1962).
@: Antillenhuis
zie @: Kabinet van de gevolmachtigde
minister. Zie ook @: Gevolmachtigde minister
@: Antillenrechten
zie @: Handel: geschiedenis.
@: Antillen Review
zie @: Pers.
@: Antilles International Salt Co. N.V.
(@:
AISCO / @: A.I.S.C.O.)
zie @: Bonaire: zoutwinning.
@: Antilliaanse Cahiers
Letterkundig tijdschrift verschenen van
1955
tot 1967 onder redactie van Cola
Debrot en Henk
Dennert, met het doel een forum te scheppen
voor
auteurs uit de Nederlandse Antillen. In 1967 is een nummer
gewijd
aan de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, pseudoniem van
H.G. van Ommeren (1929-1982) omdat zijn werk - Yanacuna -
duidelijk verwantschap vertoont met de poëzie van zijn
tijdgenoten
in de Antillen. (Zie Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
@: Antilliaanse Dagblad Pers (@: ADP /
@:
A.D.P.)
opgericht in 1976 als
werkgeversvereniging
door de dagbladuitgevers A.B.C.
Informa N.V., Amigoe N.V., C.D.U.M. N.V. en De Pers N.V. op Curaçao
met
als doel het ontwikkelen van een aan haar te vervullen taak
beantwoordende dagbladpers. (Zie Pers).
@: Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij
N.V.
(@: ALM / @: A.L.M.)
Voorheen de nationale
luchtvaartmaatschappij
van de Nederlandse Antillen, opgericht 1 Augustus 1964.
Verzorgde
intereilandelijke en internationale luchtverbindingen in het
Caribisch gebied en naar Noord-, Centraal- en Zuid-Amerika. Vóór
1964 werden de genoemde luchtverbindingen verzorgd door de Koninklijke Luchtvaart
Maatschappij
(K.L.M.)
Bij de oprichting van de A.L.M. had de
regering van de Nederlandse Antillen het recht verkregen de
A.L.M.
van de K.L.M. over te nemen. Van dit recht is in 1967 gebruik
gemaakt. De A.L.M. is van groot belang voor de Antilliaanse
economie: zij bevordert directe en indirecte werkgelegenheid,
doet
aan toeristen-promotie in het buitenland, zorgt voor toestroom
van
deviezen, heeft een gunstige invloed op de betalingsbalans, en
fungeert tevens als “visitekaartje” voor de Nederlandse Antillen
in
het buitenland.
De A.L.M. opereert met twee DC-9-80,
twee
DC-9-30 toestellen, alsmede twee Twin Otters; zij onderhoudt
tevens
een geregelde vrachtverbinding met Miami met een DC-6-vliegtuig
en
is behalve een vliegbedrijf, tevens een afhandelingsbedrijf
(verricht werk voor derden), zoals passagiers- en
vrachtafhandeling,
catering en technisch onderhoud.
@: Antilliaanse Nieuwsbrief
zie @: Persdienst.
@: Antilliaanse organisaties in
Nederland
De aanwezigheid van een zeer groot
aantal
Nederlands-Antillianen in Nederland die of deelnemen aan het
arbeidsproces of er voor studiedoeleinden tijdelijk gevestigd
zijn,
werkt het ontstaan van organisaties van social-culturele aard
gericht op Antillianen in de hand. Deze organisaties streven
verschillende doeleinden na die teruggebracht kunnen worden tot
twee
hoofdpunten:
a. Rechtstreekse bangenbehartiging
van
Antillianen in Nederland;
b. Ontspanning en verpozing voor
Antillianen waarbij uitstraling van de eigen cultuur mede een
niet
onbelangrijke rol speelt.
Te onderscheiden vallen eveneens de
verenigingen die landelijk actief bezig zijn ten behoeve van
Antillianen en hierdoor (mede)gesubsidieerd worden door de
Nederlandse overheid, en organisaties die slechts plaatselijk of
regionaal bezig zijn. Deze laatsten worden beschouwd als de z.g.
“zelf-organisaties” tegenover de eerstgenoemde organen. Het
verloop
onder beide categorieën is in de loop der jaren vrij groot
geweest
mede in verband met het zwevend aantal leden in een bepaalde
gemeente of regio. Vooral is dit, logischerwijs, het geval met
studentenorganisaties en/of verenigingen waar studerenden de
meerderheid vormen.
Momenteel (eind 1983) zijn er in
Nederland 7
door het Rijk gesubsidieerde Antillianse organisaties en 11 zgn.
zelf-organisaties. Het geheel is, sinds begin 1983
gestructureerd in
een overkoepelend lichaam dat oorspronkelijk De Koepel zou gaan
heten
maar uiteindelijk de naam Plataforma
di Organisashonnan Antiano heeft meegekregen
afgekort tot POA.
De gewone leden zijn de door het Rijk gesubsidieerde
Antilliaanse
organisaties terwijl de zelf-organisaties buitengewone leden
zijn.
POA is gevestigd te Utrecht.
@: Antilliaanse Televisie Maatschappij
N.V. (@: ATM / @: A.T.M.)
Televisiebedrijf opgericht in 1965
waarvan
alle aandelen in handen zijn van de Antilliaanse overheid. De
A.T.M.
exploiteert de t.v.-stations Tele-Curaçao en Tele-Aruba. Zie verder
@:
televisie
@: Antilliaanse Verffabriek N.V.
Is op Curaçao opgericht 30 Oktober 1959
door
KoninkIijke Lak-; Vernis- en
Verffabriek Molijn en Co. N.V. Fabriek van Compositieverven
C.V., B.J. de
Castro and Sons en S.E.L. Maduro and Sons
N.V.
De fabriek met 40 werknemers bedient thans 80% van de
binnenlandse
markt. In 1972 is op Aruba een dochteronderneming opgericht, de
Arubaanse Verffabriek N. V.; thans 12 werknemers en een
marktaandeel
van ca. 50%.
@: Antilliaans Juristenblad
zie @: Rechtspraak.
@: Antilliana, Radio / @: Radio
Antilliana
Omroepstation op Aruba (zie @:
Radio-omroep).
@: Antríol / @: Entrejol / @:
Dentera
Dorp op Bonaire, ook wel genaamd Entrejol of Dentera. De naam
Antriol
schijnt afgeleid te zijn van het Spaanse al interior en zou dan
wijzen op het ontstaan van deze nederzetting in 1620, toen enige
Spanjaarden zich in het binnenland van Bonaire vestigden. In
1981
telde de plaats tezamen met het aan- grenzende Noord’i Salina, 3.237
inwoners.
@: AOV @: A.O.V. / @: Algemene Ouderdoms
Verzekering
zie @: Sociale voorzieningen.
@: Aplidam / @: Dampanchi
(Zizyphus spina-christi) Plantesoort uit
de
familie der Rhamnaceae. Kleine boom of grote heester met een
lange,
rechte en een korte kromme doorn aan de voet van de bladsteel;
bladschijf aan onderzijde niet behaard, bloemen groenig wit, in
korte trosvormige bloeiwijzen; vrucht een gele of bruine op een
appeItje lijkende steenvrucht. In 1885 uit Israël ingevoerd door
Cornelis Gorsira. Verwilderd. Op Aruba en Bonaire: apeldam. Op de
Bovenwindse
Eilanden pomme
cerette.
@: Algemeen Pensioenfonds van de
Nederlandse
Antillen (@: APNA / @: A.P.N.A.)
zie @: Sociale Voorzieningen.
@: Apostolaat
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Apostolaat, Zusters van sociaal
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Aquacultuur
De hoge verdampingsgraad, alsmede de
kosten,
die aan de produktie van zoet water verbonden zijn, sluiten de
mogelijkheid van een winstgevende visserij in visvijvers vrijwel
uit.
Toekomstige ontwikkelingen zullen zich
op de
Antillen dan ook zoveel mogelijk op maricultures moeten richten,
d.w.z. cultures van zeeorganismen. De ontwikkelingen op dit
gebied
verkeren nog grotendeels in een experimenteel stadium, al werd
op
sommige gebieden (garnalen¬cultuur) in de afgelopen jaren
vooruitgang geboekt.
Op Bonaire vindt thans kweek plaats van
karko-schelpen (Strombus gigas); wanneer zij een dusdanige
grootte
bereikt hebben dat zij minder kwetsbaar zijn voor predatoren,
zullen
zij uitgezet worden in het Lac (Bonaire) en ook
bij de
andere eilanden. Door overbevissing zijn de oorspronkelijke
natuurlijke populaties van de karko sterk gereduceerd. Tevens is
het
de bedoeling door dit project een beter inzicht te krijgen in de
mogelijkheden van karko-cultures op commerciële basis. Voor dit
karko-project is de Stichting
Marcultura opgericht.
@: Aquarium
Hoewel juist de Nederlandse Antillen met
hun
rijke zeefauna en glashelder water uniek gelegen zijn voor een
groot
aquarium, bestaan er tot dusver alleen enkele kleinere aquaria
die
regelmatig te bezichtigen zijn, onder andere het aquarium van
het
Carmabi aan de Piscaderabaai op Curaçao.
Vele particulieren bezitten bijzonder
mooie
aquaria, die echter meestal niet met Caribische dieren, maar met
geimporteerde zoetwatervis bevolkt zijn.
@: Ararat
Heuvel in Willemstad, die het Waaigat en Scharloo domineert, in
feite een erosierand van het kalksteenhoogterras. Hier staat een
groot Mariabeeld, dat
door de katholieke bevolking ter gelegenheid van de Mariafeesten
in
1954 is opgericht (ontwerper Antonio
del Villar). Hier bevindt zich het F.D. Roosevelthuis,
woning
en kantoor van de Amerikaanse consul, en het Simon Bolivarhuis ten
behoeve van de Venezolaanse consul, beide geschenken van de
Nederlands-Antilliaanse regering. De grote vierbaansweg en de
opritten naar de vaste brug over de St. Annabaai springen
duidelijk in het oog. Aan de zijde van de wijk Parera is een
concentratie
van dienstverlenende activiteiten.
@: Ararut
(Maranta arudinacea) of arrowroot, plant uit de
familie der Marantaceae, een overblijvende plant, 40-100 cm
hoog,
met vlezige, ondergrondse wortelstokken, waaruit het licht
verteerbare arrowrootzetmeel wordt
gewonnen.
@: Arbeid gedwongen / @: Gedwongen
arbeid
is in de Nederlandse Antillen krachtens
het
Arbeidsverdrag nr. 29 verboden. Als tijdelijke maatregel om
verloop
in bedrijven, die belangrijk waren voor de oorlogvoering in de
Tweede Wereldoorlog, tegen te gaan (bijvoorbeeld de
olieindustrie,
de scheepvaart), heeft de verplichting bestaan in deze bedrijven
te
blijven werken.
@: Arbeidsbemiddeling
De openbare arbeidsbemiddeling is erop
gericht de werkzoekende zo snel mogelijk te leiden naar de
openstaande arbeidsplaatsen. De Landsverordening Instelling
Arbeidsbureau 1946 (P.B. 1946 no. 109, zoals
gewijzigd) verbiedt de arbeidsbemiddeling door andere organen en
draagt deze uitsluitend op aan het arbeidsbureau. De
werkzoekenden
die niet direct geplaatst kunnen worden, worden ingeschreven in
de
arbeidsbemiddelingsregistratie. Eind 1981 stonden bij de Dienst voor Arbeidszorg
Curaçao ruim 20.000 personen ingeschreven als
werkzoekenden. Hiervan waren gedurende 1981 305 personen aan
werk
geholpen. Ter verhoging van de kans om weer opgenomen te worden
in
het arbeidsproces worden werkzoekenden ook wel geplaatst op de
Aanvullende Werkvoorziening
of op een van de vakopleidingen. Een van de
factoren
die de lage bemiddelingsscore helpen verklaren, betreft de grote
discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Over het
algemeen is er een grote vraag naar hooggeschoolde
arbeidskrachten
en betreft het overgrote deel van het aanbod laaggeschoolden en
ongeschoolden.
@: Arbeidsbureau
De afdeling Arbeidsbureau van de Dienst voor
Arbeidszorg heeft tot taak de arbeids- en
bedrijfsregistratie bij te houden en de arbeidsbemiddeling te
verzorgen. Verder adviseert zij ten aanzien van werkvergunningen
voor buitenlandse arbeidskrachten en oefent zij côntrôle uit op
het
nakomen van de wettelijke verplichtingen tot inschrijving in een
arbeidsregister, op het hebben van een werkboek en op de
werkvergunningen van buitenlandse arbeidskrachten.
@: Arbeidsduur
De algemene maximum arbeidsduur is
wettelijk
vastgesteld op 8 uur per dag en 45 uur per week (Arbeidsregeling 1952,
art.
5 lid 1). Afwijking tot 8 ½ uur per dag in een werkweek van ten
hoogste 5 dagen is mogelijk. De resultaten van de volkstelling
1981
geven aan dat voor de Antillen 13% van de loontrekkers in vaste
dienst minder dan 40 uur per week werkt, 65% tussen de 40 en 42
uur
per week en dat 22% langer dan 42 uur per week werkt. Ingevolge
collectieve
arbeidsovereenkomsten bestaat in de grote
bedrijven de vijfdaagse 40-urige werkweek, zoals dit ook het
geval
is bij de overheden.
Iedere andere afwijking moet
afzonderlijk
worden goedgekeurd door de Directeur van het Departement van
Arbeid
en Sociale Zaken nadat deze eerst de commissie ex artikel 21 van
de
Arbeidsregeling 1952 heeft gehoord.
Ingevolge deze regeling zijn in het
algemeen
de zondag en de 10 daarmee gelijkgestelde dagen verplichte
rusttijden, evenals de tijd tussen 18.30 uur en 6.00 uur,
alsmede
een halve werkdag per week vóór of na 13.00 uur. Bij een
vijfdaagse
werkweek vervalt deze halve dag. Verder moet na 5 uren arbeid
een
rusttijd van tenminste een half uur worden gegeven; voor
bepaalde
soorten arbeid - bijvoorbeeld continu arbeid kan bij goedgekeurd
rooster van het bovenstaande worden afgeweken.
@: Arbeidsgeschil
In een arbeidsgeschil waarbij minder dan
25
werknemers betrokken zijn, wordt door ambtenaren van het Departement van Arbeid en Sociale
Zaken bemiddeld. Indiën de bemiddeling geen
resultaat heeft, kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen
kosteloze rechtskundige bijstand worden verleend. Indiën het een
geschil betreft waarbij 25 of meer werknemers zijn betrokken en
uitsluiting of staking dreigt, moet de tussenkomst van de
Landsbemiddelaar worden ingeroepen.
@: Arbeidshygiëne
zie @: Arbeidsveiligheid.
@: Arbeidsinspectie
behoort tot de taken van het Departement van Arbeid en Sociale
Zaken dat belast is met het toezicht op de
juiste
nakoming van de arbeidswetgeving voor zover hiervoor geen
uitvoerende bevoegdheden zijn overgedragen aan de Eilandgebieden
hetgeen geschied is voor de arbeidsregistratie en voor
stuwadoorsarbeid. Tot de taken van de Afdeling
Arbeidsinspectie
behoren. onder meer:
- côntrôle op de minimumloon-uitkering
(P.B.
1972 nr. 110);
- côntrôle op de naleving van de
arbeidsregeling
1952
(P.B. 1952 nr. 93) waaronder de arbeidsvoorwaarden en
-omstandigheden en -tijden;
- côntrôle op de vakantieregeling
(P.B.
1968 nr. 112);
- verzamelen van gegevens in de
bedrijven
omtrent onder meer het werkzame personeel, de loonvorming,
de
werkvergunningen, de c.a.o.’s, dit mede ter, ondersteuning
van
de loontechnische dienst;
- onderzoek en rapportage t.b.v. de
adviescommissie ex art. 21 inzake de uitvoering van de
arbeidsregeling 1952.
@: Arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van ziekte of ongeval mag
niet
leiden tot ontslag tenzij de ongeschiktheid tenminste een jaar
heeft
geduurd (B.W. art. 1615h). Voor het overige wordt onderscheid
gemaakt naargelang de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van
ziekte
of van ongeval waarbij respectievelijk de Landsverordening
Ziekteverzekering (P.B. 1966 nr. 15) en Ongevallenverzekering
(P.B.
1966 nr. 14) op de werknemer van toepassing zijn.
@: Arbeidsovereenkomst
Op de individuele arbeidsovereenkomst
zijn de artikelen 1613 t/m 1615 van het Burgerlijk Wetboek
van
toepassing. De collectieve
arbeidsovereenkomst is wettelijk geregeld in
de
Landsverordening Collectieve
Arbeidsovereenkomst (P.B. 1958 nr. 60). De
verbindende verklaring van bepalingen van collectieve
arbeidsovereenkomsten is nog niet wettelijk geregeld. Een
wetsontwerp hiertoe is reeds jaren onderwerp van discussie. De
overgrote meerderheid van de ongeveer 200 op de Antillen
bestaande
collectieve arbeidsovereenkomsten is aangegaan tussen één
bedrijf en
één vakbond. Slechts in sommige bedrijfstakken zoals in de
constructie-sector zijn de C.A.O’s aangegaan met een vereniging
van
werkgevers. Onderstaande staat geeft het aantal geregistreerde
C.A.O.’s op Curaçao en Aruba aan vanaf 1974.
@: Arbeidsregister
Zie @: Arbeidsregistratie
@: Arbeidsregistratie
In 1946 werd een verplichte inschrijving
van
de arbeidskrachten ingesteld. Iedere werknemer dient in het
bezit te
zijn van een werkboekje,
terwijl de werkgever een arbeidsregister moet
bijhouden. De uitvoering van deze regeling is in 1955
overgedragen
aan de eilandgebieden, die daartoe Diensten voor
Arbeidszorg
resp. Arbeidszaken hebben ingesteld.
Voor Curaçao is de taakstelling van de
Dienst voor Arbeidszorg vastgelegd in de eilandelijke regeling
Hulpverlening
Arbeidszorg
(A.B. 1971 nr. 3). Volgens het jaarverslag 1980 van de Dienst
voor
Arbeidszorg te Curaçao bedroeg het totaal aantal ingeschreven
arbeidskrachten aan het einde van dat jaar 75.565. Het aantal
gedurende datzelfde verslagjaar uitgereikte arbeidsregisters
bedroeg
383. Dit bracht het totaal aan de in de bedrijfsregistratie
opgenomen bedrijven tot 4.018.
@: Arbeidsreglement
De artikelen 1613i en 1613j van het B.W.
bevatten de voorschriften waaraan een werkgever moet voldoen om
tot
een geldig reglement te geraken. Hierbij is o.m. bepaald, dat
een
nieuw of gewijzigd reglement zolang tevoren algemeen bekend moet
worden gemaakt, dat de arbeider er zich behoorlijk over kan
beraden.
Is deze tijd te kort geweest en kan de arbeider zich niet met de
inhoud verenigen, hetgeen als opzegging van de dienstbetrekking
wordt beschouwd, dan wordt de werkgever schadeplichtig.
@: Arbeidsveiligheid
De Veiligheidslandsverordening
1942 was de voorloper van de thans van
toepassing
zijnde Veiligheidslandsverordening
1958. In zoverre komen beide overeen dat zij
zelf
geen voorschriften bevatten, doch bepalen hoe en in welke vorm
de
vereiste voorschriften kunnen worden ingegeven. Het Veiligheidsbesluit I
daterende uit 1955 is overgenomen als besluit ter uitvoering van
de
nieuwe Veiligheidslandsverordening 1958. Het bevat uitgebreide
algemene voorschriften ook ten aanzien van de arbeidshygiëne.
Het
Veiligheidsbesluit II
is
van toepassing op het bouwbedrijf, waaronder mede het
sloopbedrijf
moet worden verstaan. Voorts is er nog een besluit betreffende
propaan- en butaanreservoirs. Inmiddels (1975) is de
Veiligheidsinspectie op Aruba en St. Maarten overgedragen aan de
Eilandgebieden die deze taak hebben ondergebracht bij de Dienst
voor
Arbeidszorg. Op Curaçao en Bonaire wordt deze taak nog
uitgeoefend
door het Departement van Arbeid
en
Sociale Zaken.
@: Arbeidsverzuim
is nog niet statistisch vastgelegd.
Enige
grote bedrijven beschikken wel over percentages voor eigen
gebruik.
Verzuim waarbij de werknemer recht op betaling behoudt, is dat
wegens ziekte en ongeval en geoorloofd kort verzuim (snipperdag). De
wettelijke
bepalingen hieromtrent zijn in artikel l6l4c B.W. opgenomen. In
de
meeste collectieve arbeidsovereenkomsten worden met uitsluiting
van
dit artikel de omstandigheden opgesomd, welke recht geven op
kort
verzuim en de duur daarvan (bijv. huwelijk, bevalling,
overlijden
van bloedverwanten).
@: Arbeidsvoorzieningen
De voorzieningen van de overheid om de
aanbodzijde (aanbod van arbeidskrachten) van de arbeidsmarkt te
beinvloeden. Deze voorzieningen vormen een gedeelte van de
beleidsinstrumenten waarover de overheid beschikt om een
arbeidsmarktbeleid te voeren. Er bestaan ook beleidsinstrumenten
om
de vraagzijde (vraag naar arbeidskrachten) te beinvloeden zoals
vestigingsfaciliteiten voor bedrijven. De voornaamste
arbeidsvoorzieningen zijn:
- arbeidsbemiddeling,
- scholing,
- beroepskeuzevoorlichting,
- toelating van buitenlandse
arbeidskrachten,
- emigratie van lokale
arbeidskrachten,
- aanvullende / tijdelijke
werkvoorziening,
- sociale werkplaatsen.
De arbeidsvoorzieningen met betrekking
tot
seholing zijn:
- vakopleidingen (om-, her- en
bijscholing),
- training on the job,
- leerlingenstelsel.
Instandhouding van deze voorzieningen is
toegewezen aan de Diensten voor Arbeidszorg van de
onderscheiden Eilandgebieden.
@: Arbeidswetgeving
De arbeidswetgeving, afgezien van de
oude
slavenreglementen, is in de Nederlandse Antillen van
betrekkelijk
jonge datum. Vóór de komst van de olieindustrie werd hier
blijkbaar
geen behoefte toe gevoeld. Eerst toen de industrialisatie een
zodanige omvang begon aan te nemen dat het patroon aangepast
moest
worden aan de nieuwe omstandigheden en het duidelijk werd dat de
bestaande paternalistische verhouding tussen werkgever en
werknemer
tot verdwijnen gedoemd was, kwamen de eerste wettelijke
regelingen
op arbeidsgebied tot stand. Evenals in Nederland begon dit met
een
verbod van kinderarbeid (1939). Dit verbod gold voor kinderen
beneden de 13 jaar.
Daarop werd het B.W. herzien (1940).
“De Vijfde Afdeling des Zevenden
Titels” van het derde boek van het B.W. werd
vervangen door een “Zevenden
Titel
A”, handelende over de overeenkomsten tot het
verrichten van arbeid en niet meer “omtrent huur van dienstboden
en
werklieden”.
De verkorting van de arbeidsduur kreeg
ook
de aandacht. Reeds in 1935 kwam een werktijdenregeling voor
winkelpersoneel tot stand, waarbij de maximum arbeidsduur werd
vastgesteld op 55 uur per week; hiermee kwam een einde aan de
wantoestand van een arbeidsduur van doorgaans meer dan 60 uur
per
week. Een soortgelijke regeling voor kantoorpersoneel verscheen
in
1941, in hoofdzaak bepalende dat de maximum arbeidstijd in
kantoren
46 uur per week zou bedragen, en in het kantoor dat bij een
winkel
behoorde 48 uur. Deze regelingen zijn vervallen bij het in
werking
treden van de Arbeidsregeling
1952. Gedurende de Tweede Wereldoorlog heeft
enkele jaren de verplichting bestaan in bepaalde bedrijven te
blijven werken, o.a. in de olie-industrie; ook gold toen
vaarplicht
voar zeelieden.
Onmiddellijk na deze oorlog kwam veel
nieuwe
arbeidswetgeving tot stand: In 1945 de Landsverordening tot Inschrijving
van
Arbeidskrachten (P.B. 1945 nr. 106), waarbij
de
arbeidsregistratie
werd
geregeld; in 1946 de Arbeidsbureaulandsverordening,
waarbij de arbeidsbureaus
werden ingesteld als organen van de openbare
arbeidsbemiddeling
(P.B.
1946 nr. 109); eveneens uit 1946 dateren de Stuwadoorslandsverordening,
waarin bepaalde regelen werden gesteld ten aanzien van
stuwadoorsarbeid, en de Loonregeling
1946, die o.a. bepaalde dat minimumlonen
konden
worden vastgesteld; ook een arbeidsgeschillen-landsverordening
kwam in datzelfde jaar tot stand (P.B. 1946 nr. 119); een vakantieregeling
verscheen
in 1949 (P.B. 1949 nr. 17).
De lang gevoelde behoefte aan een
algemene
vaststelling van de arbeidsduur leidde tot het tot stand komen
van
de Arbeidsregeling
1952,
waarin behalve deze voorschriften ook voorschriften zijn
opgenomen
betreffende kinderarbeid,
vrouwenarbeid, en arbeid van jeugdige
personen. Nieuwe regelingen op het gebied van
de
arbeidsveiligheid en arbeidshygiëne volgden. Nadat er reeds
collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten waren, verscheen de
Landsverordening Collectieve
Arbeidsovereenkomsten. Voortdurend wordt er
nog
aan modernisering van de arbeidswetgeving gewerkt. Zo werd o.a.
in
1961 in het B.W. een nieuw ontslagrecht opgenomen
in
hoofdzaak overeenkomende met het Nederlandse.
@: Arbeidszaken
zie @: Arbeidszorg Dienst voor.
Foto: Sociale werkplaats van de
Dienst
voor Arbeidszorg
@: Arbeidszorg Dienst voor
Op grond van de Overdrachtslandsverordeningen
XIII en XIII-2 “Sociale en Economische
Zaken” (P.B. 1955 nr. 91 en P.B. 1961 nr.
157)
werden aan de Eilandgebieden de uitvoering van de arbeidsregistratie en
de
openbare
arbeidsbemiddeling overgedragen. Door
instelling
van Diensten voor
Arbeidszorg geven de Eilandgebieden
uitvoering
aan de Landsverordening
Inschrijving
Arbeidskrachten 1945 (P.B. 1945 nr. 106,
zoals
gewijzigd) en de Landsverordening
houdende instelling van het arbeidsbureau
1946
(P.B. 1946 nr. 109, zoa1s gewijzigd). Deze diensten hebben tot
taak
maatregelen tot uitvoering te brengen die gericht zijn op het
realiseren van een doelmatig arbeidsmarktbeleid en
om
door middel van instandhouding van arbeidsvoorzieningen
tegemoet te komen aan individuele maatschappelijke nood, die het
gevolg is van werkloosheid. De Eilandelijke Regeling
Hulpverlening
Arbeidszorg Curaçao (A.B. 1971 nr. 3, zoals
gewijzigd) is een uitvoeringsbesluit van de Eilandsverordening Regeling
Maatschappelijke Zorg Curaçao (A.B. 1966 nr.
69)
die arbeidszorg definieërt als een onderdeel van de
maatschappelijke
zorg die beoogt zoveel als mogelijk de gelegenheid te scheppen
tot
het op passende wijze opnemen of opgenomen houden in het
arbeidsproces van degenen die daar onvrijwillig buiten staan of
dreigen te geraken en als gevolg daarvan in maatschappelijke
nood
verkeren of dreigen te verkeren, een en ander op zodanige wijze
dat
zij in hun onderhoud en dat van hun gezin kunnen voorzien.
Volgens
deze regeling heeft de Dienst tot taak:
• arbeidsbemiddeling,
• beroepskeuze- voorlichting,
• tewerkstelling bij een
vakopleiding,
• tewerkstelling bij een sociale
werkplaats,
• tewerkstelling bij een project
voor
aanvullende werkvoorziening.
De Dienst voor Arbeidszorg heeft voor
bovenbedoelde taken een vijftal afdelingen ingesteld, t.w.:
- de
afdeling Arbeidsbureau, die tot taak heeft de
*arbeids- en bedrijfsregistratie bij te houden en de
arbeidsbemiddeling; verder adviseert deze afdeling ten aanzien
van
werkvergunningen voor buitenlandse arbeidskrachten en oefent zij
côntrôle uit op het nakomen van de verplichting tot inschrijving
in
een arbeidsregister, op het hebben van een werkboekje en op de
vergunningen van buitenlandse arbeidskrachten;
- de afdeling Selectie en
Begeleiding die o.m. tot taak heeft voor te
lichten omtrent beroepskeuze en beroep;
- de afdeling Vakontwikkeling voor
volwassenen moet de vakopleiding in de vorm
van
om-, her- en bijscholing verzorgen;
- de taak van de afdeling * Aanvullende
Werkvoorziening
(A.W.V.) is het tewerkstellen van
werkzoekende
arbeidkrachten op aanvullende-werkvoorzieningsprojecten. Deze
Aanvullende Werkvoorziening is erop gericht een
noodzakelijke
complement te vormen van het scheppen van normale
arbeidsplaatsen en
dient als een overgangsinstituut, dat de gedemoraliseerde
werkloze
zoveel mogelijk revalideert en geschikt maakt om, na
bemiddeling,
eventueel na scholing of herscholing, in het bedrijfsleven te
worden
geplaatst;
- de afdeling Sociale
Werkplaatsen heeft tot taak geestelijk en/of
lichamelijk gehandicapte werkzoekenden gelegenheid te geven hun
arbeidsgeschiktheid te verbeteren dan wel in stand te houden en
om
in zijn of haar onderhoud te voorzien door hen te werk te
stellen op
een beschutte sociale werkplaats. Deze voorziening is
noodzakelijk
omdat deze personen wegens hun lichamelijk en/of geestelijk
gebrek
niet of voorlopig niet in het normale arbeidsproces kunnen
worden
opgenomen.
@: Arbitrage in arbeidsgeschillen
In de meeste collectieve
arbeidsovereenkomsten wordt bepaald, dat bij tussen partijen
gerezen
geschillen, waarin geen minnelijke schikking mogelijk blijkt, in
laatste instantie het geschilpunt zal worden voorgelegd aan een
arbitragecommissie.
In de
eenvoudigste vorm wijst ieder der partijen een scheidsman aan,
terwijl de derde door de aangewezenen gezamenlijk wordt
aangezocht.
@: Arbovirussen
(afgekort van Arthropod-borne
viruses)
zijn virussen die zich voornamelijk handhaven door een
biologische
overdracht van gewervelde dieren (inclusief de mens) en
bloedzuigende geleedpotige insecten. Het virus kan zich
vermenigvuldigen in het gewervelde dier maar ook in het insekt.
Dit
laatste moet eerst bloed opzuigen van een ziek gewerveld dier of
mens.
Na besmetting met een arbovirus ontstaat
in
de regel een levenslange immuniteit. Anti-stoffen tegen het ene
arbovirus beschermen soms ook tegen infectie met een ander
arbovirus.
Er zijn meer dan 350 arbovirussen
geïdentificeerd. De belangrijkste ziekten die op de Nederlandse
Antillen door arbovirussen worden teweeggebracht zijn dengue en gele koorts. De
overbrenger
is een mug, Aëdes
aegypti.
(Zie @: dengue; @: gele koorts; @:
muggen).
@: Archeological Field School
Zie @: St. Eustatius.
Foto: Archeologische opgravingsplaats
te
Tanki Flip Aruba. Onderzocht werd hier 0,6 ha
grond
@: Archeologie
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Vondsten en opgravingen
Hoofdstuk 3: Datering
Hoofdstuk 4: Geschiedenis
Hoofdstuk 5: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Hoofdstuk 1: Inleiding
Is de wetenschap die zich bezig houdt
met
het bestuderen van de materiële resten van vroegere bewoners van
een
bepaald gebied. Doorgaans bevinden deze resten zich aan de
oppervlakte, in de bodem of onder water.
In de Nederlandse Antillen richt dit
onderzoek zich vooral op de oudste bewoners, de indianen; sinds kort
ook
op material uit de koloniale
tijd, dit ter aanvulling van de bestaande
historische bronnen (Zie ook onder Prehistorie).
Hoofdstuk 2: Vondsten en opgravingen
Men onderscheidt immobiele en mobiele objecten.
Onder de
eerste vallen de resten van nederzettingen met hun grondsporen.
Grondsporen zijn verkleuringen in de grond die het resultaat
zijn
van vroegere activiteiten: Bijvoorbeeld grafkuilen, paalgaten
voor
hutconstructie en stookkuilen. De bodem van langdurig bewoonde
nederzettingen is vaak donkerder dan die van de omgeving. Ook
zijn
vaak verschillende bewoningslagen boven elkaar door
kleurverschil te
onderscheiden. Ook rotstekeningen zijn
immobiele objecten. Mobiele objecten worden veelal in groten
getale
in de nederzettingen aangetroffen. In neo-indiaanse context zijn
dit
vooral aardewerkscherven maar ook voorwerpen van steen en
schelp;
meestal is alles beschadigd of kapot. Een uitzondering hierop
vormen
de grafkuilen, waarin naast menselijke skeletten soms grafgiften
en
urnen betrekkelijk onbeschadigd worden aangetroffen. Op sommige
objecten is men bij toeval gestuit bijvoorbeeld tijdens
wegenaanleg
of bij telefoonkabelaanleg; andere zijn verkregen uit
systematisch
archeologisch opgravingsonderzoek. Opgravingen worden uitgevoerd
volgens een strenge systematiek; het doel hiervan is zoveel
mogelijk
gegevens in horizontale en verticale vlakken zichtbaar te maken
en
vast te leggen op tekeningen; ook de positie van de vondsten
wordt
hierop vastgelegd.
Hoofdstuk 3: Datering
Verschillende vindplaatsen in de
Nederlandse
Antillen zijn direct of indirect gedateerd met de
radiokoolstof-methode (C-14 datering). De ouderdom wordt daarbij
opgegeven in C-14- “jaren”. Gebleken is dat deze C-l4- “jaren”
afwijken van kalenderjaren, voor sommige periodes meer dan voor
andere. Hiervoor werden recentelijk correctietabellen opgesteld.
De
ouderdomsopgaven onder prehistorie zijn reeds gecorrigeerd en
wel
volgens de tabellen van Klein et al.,
1982.
Hoofdstuk 4: Geschiedenis
De oudste vermelding van archeologica in
de
Nederlandse Antillen is een beschrijving van de rotstekeningen
van
Fontein op Aruba door
Bosch in 1836. Het belangrijkste onderzoek in de negentiende
eeuw
werd verricht door Van
Koolwijk, die tussen 1870 en 1886 een grote
hoeveelheid archeologica op de drie Benedenwindse Eilanden heeft
verzameld en vervolgens heeft doorgestuurd naar Leiden. Zowel
Leemans als Van
Koolwijk
zelf hebben publikaties gewijd aan deze collectie. Een
samenvatting
van de aan het begin van deze eeuw bekende resultaten is gegeven
door Ten Kate. De Josselin de Jong
heeft
een uitgebreide publikatie gewijd aan de collectie Van Koolwijk;
enkele jaren later heeft hij deelgenomen aan de "Deensch-Nederlandsche
archeologische
expeditie naar de Antillen”, waarbij hij op
de
drie Bovenwinden en op Aruba en Curaçao een veldinventarisatie
heeft
gedaan en opgravingen heeft verricht. Het materiaal, verzameld
tijdens deze expeditie, bevindt zich te Leiden, evenals zijn
ongepubliceerd dagboek. Belangrijk is de publikatie van De
Josselin
de Jong van het Saladoïde
materiaal van St. Eustatius en Saba.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben de
publikaties van Wagenaar
Hummelinck (rotstekeningen), Tacoma (menselijk
skeletmateriaal), Du Ry
en Van
Heekeren sterk de aandacht getrokken. Een
samenvatting van de stand van zaken eind 1960er jaren is gegeven
door Cruxent en Rouse, van wie
eerstgenoemde ook veldwerk op Curaçao en Aruba verrichtte.
In 1967 werd een eigen archeologisch
instituut opgericht: het Archeologisch Antropologisch
Instituut
Nederlandse Antillen (A.A.I.N.A.). Het
archeologisch onderzoek wordt mede verricht door Jay Haviser.
Archeologisch
onderzoek op Aruba o.l.v. Boerstra gaat momenteel
uit
van het in 1981 geopende Archeologisch
Museum Aruba. Musea zijn er ook op de andere
eilanden,
waar archeologische collecties van het desbetreffende eiland
berusten. In de afgelopen jaren zijn bijdragen over archeologie
van
de Nederlandse Antillen verschenen van de hand van o.a.
Boerstra,
Chris Engels, Figueredo,
Gould, Heidecker & Siegel, Haviser, Sterks en
Tacoma (zie ook Prehistorie.)
Sinds 1981 wordt een historisch
archeologisch onderzoek op St. Eustatius verricht door de University of South
Florida
en het College of William and
Mary in samenwerking met het
Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen
(A.A.I.N.A.).
In 1984 is het A.A.I.N.A., in
samenwerking
met het Instituut voor
Prehistorie
van de Leidse universiteit en de Historical Foundation of St.
Eustatius, aangevangen met een onderzoek,
verband
houdende met de prehistorie van St. Eustatius.
Hoofdstuk 5: Literatuur
Lit.: G.B. Bosch, Reizen in West-Indië
en
door een gedeelte van Zuid- en Noord-Amerika, II. Utrecht.
(1836);
J. M. Cruxent & I. Rouse, Archeologie. In:
H. Hoetink, Encyclopedie van de
Nederlandse
Antillen, 29-39. (1969);
Chr. Engels, Opgravingen te Malmok op
Aruba.
De kwestie “Gigan”. (1970);
H.R. van Heekeren, Studies on the
archaeology of the Netherlands Antilles II. A survey of the
nonceramic artifacts of Aruba, Curaçao and Bonaire. N.W.I.G. 40,
no.
2: 103-120, (1960); idem, Studies on the archaeology of the
Netherlands Antilles III. Prehistorical research on the islands
of
Curaçao, Aruba and Bonaire in 1960. N.W.I.G. 43, no. I: 124,
(1963);
J.P.B. de Josselin de Jong, The
praecolumbian and early postcolumbian aboriginal population of
Aruba, Curaçao and Bonaire. Intern. Archiv Ethnogr. 24: 51-114.
(1918); idem, Verslag van de Deensch-Nederlandsche
Archaeologische
Expeditie naar de Antillen. Bulletin 79 van het Rijksmuseum voor
Volkenkunde: 3-8. (1923); idem, Archaeological material from
Saba
and St. Eustatius, Neth. Antilles. Mededelingen van het
Rijksmuseum
voor Volkenkunde I: I-54. (1947);
H.F.C. ten Kate, Oudheden. In: H.D.
Benjamins & J.F. Snelleman, Encyciopaedie van Nederlandsch
West-Indië: 541-546. (1914/17);
J. Klein et aI., Calabration of
radiocarbon
dates, Radiocarbon, 24, no. 2: 103-150;
A.J. van Koolwijk, De Indianen-Caraiben,
oorspronkelijke bewoners van Curacao, -T.A.G., 5: 57-68. (1881);
idem, De Indianen-Caraiben, oorspronkelijke bewoners van het
eiland
Aruba (West-Indië). T.A.G., 6: 222-229. (1882);
C. Leemans, Antiquites americaines
recemment
acquises pour le Musée Royal Neerlandais d' Antiquités á Leide.
Compte-rendu du 3e Congrès des Americanistes, 1: 657-675.
(1880);
idem, Altertümer von Curaçao, Bonaire und Aruba, Mitteilungen
Niederl. Reichsmuseum Volkerkunde, Veroff. (2) 9: 7-17. (1904);
C.J. du Ry, Studies on the archaeology
of
the Neth. Antilles: L Notes on the pottery of Aruba, Curaçao and
Bonaire. N.W.LG., 40, no. 2: 81-102. (1960);
J. Tacoma, Indian skeletal remains from
Aruba, W.LG., 39, no. 2-4: 95-112. (1959); idem, Kunstmatige
schedeldeformatie in Aruba, N.W.LG., 43, no. 3: 211-222 (1964).
N.B. (N.)W.I.G.: (Nieuwe) West-Indische
Gids; T.A.G.: Tijdschrift van het Nederlands Aardrijkskundig
Genootschap.
@: A.A.I.N.A. / @: AAINA / @:
Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen
Aanvankelijk (1967) opgericht als een
sectie
van het Bureau voor Cultuur en
Opvoeding met de nadruk op het archeologisch
onderzoek heette het instituut Archeologisch Instituut
Nederlandse
Antillen (A.I.N.A.). Door uitbreiding met een
afdeling sociaal-culturele antropologie in 1977 werd de naam
gewijzigd in A.A.I.N.A. Het doel van het instituut is het
reconstrueren van de geschiedenis van de Nederlandse Antillen en
het
doen van sociaal-cultureel antropologisch onderzoek.
De afdeling
archeologie doet opgravingen; het gevonden
materiaal wordt geclassificeerd, geregistreerd en geconserveerd
en
daarna in een theoretische context geplaatst (zie voorts
Archeologie: geschiedenis).
De afdeling
onderwater-archeologie, opgericht in 1983
houdt
zich o.a. bezig met een survey rond de eilanden van de
Nederlandse
Antillen en met een onderzoek naar historische resten in het
Schottegat en in het Spaanse Water.
De afdeling
sociaal-culturele antropologie verricht in
het
bijzonder studies van religie, folklore, orale traditie en
historie,
muziek en dans.
@: Archieven
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Historische
documentatie
Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in
Nederland
Hoofdstuk 3: Vindplaatsen in de
Nederlandse
Antillen
Hoofdstuk 4: Literatuur
Hoofdstuk 5: Enkele thematische
bronnenoverzichten
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Archieven Hoofdstuk 1: Historische documentatie
De geschiedenis van de Nederlandse
Antillen
vormt een onderdeel van (en is in sterke mate verweven met) de
geschiedenis van het Caribisch gebied in zijn geheel. Dit geldt
niet
alleen voor de politiek-staatkundige geschiedenis met zijn
talrijke
vlagwisselingen in de 17de-18de eeuw, maar ook voor de
sociaal-economische geschiedenis (handels- en
scheepvaartbetrekkingen, slavenhandel, migratie van arbeiders).
De
complexiteit van dit geschiedbeeld wordt weerspiegeld in de
locatie
van de bronnen: Deze bevinden zich ten dele in de regio,
daarnaast
in de omringende landen (Latijns-Amerika, speciaal Venezuela;
Verenigde Staten) en voor het overgrote deel in de voormalige
koloniserende landen (Spanje, Frankrijk, Engeland, Nederland).
Met
het oog op de problematiek die voor het historisch onderzoek
hieruit
voortvloeit (en die mutatis mutandis voor alle landen van de
Derde
Wereld geldt) zijn onder de auspiciën van de UNESCO en de
Internnationale Archiefraad drie series bronnengidsen op stapel
gezet: Latijns Amerika, Afrika ten zuiden van de Sahara, Azie en
Oceanië. (Guides to the Sources
for
the History of the Nations).
Van de serie Latijns-Amerika zijn voor
de
geschiedenis van de Nederlandse Antillen vooral de gidsen inzake
de
bronnen in Nederland, Spanje, Engeland, de National Archives in
Washington en het Vaticaan van belang (zie literatuurlijst); het
eveneens belangrijke deel betreffende bronnen in Frankrijk is
nog
niet verschenen. Uiteraard is de omvang van het bronnenmateriaal
in
Nederland het grootst; de Nederlandse gids en de aanvullingen
daarop
komen hieronder ter sprake bij de beschrijving van de
voornaamste
depots in Nederland. De overige gidsen geven interessante
aanvullingen en laten ook onvermoede verbanden zien. Enkele
voorbeelden mogen dit verduidelijken: De bibliotheek van H.M. Customs and Excise
te
Londen bevat 297 delen met gegevens over invoerrechten op
West-Indische plantageprodukten, waaronder drie delen
Curaçao
1807-1816 en een deel Suriname 1804-1824. De archieven van de
Amerikaanse consuls te Curaçao over 1797-1943 beslaan ongeveer
twaalf strekkende meter, daarnaast zijn er dertien delen
“dispatches” (periodieke rapporten) over 1793-1906 (National Archives,
Washington; zie over één van die consuls de biografie van J. Hartog; 1971). In de
Biblioteca Nacional
te
Madrid treffen we diverse manuscripten van Curaçao aan,
waaronder
een gekleurde kaart van Juan
Liguera
Antayo uit 1742 (met veel details van het Schottegat, St. Annabaai
enz.). Het archief van de pauselijke nuntius te
‘s
Gravenhage 1802-1896 (nu in het geheim archief van het Vaticaan)
bevat uitvoerige correspondentie met diverse personen en
instanties over de missie op Curaçao en in Suriname vanaf 1834.
(Het
belang van deze stukken wordt vergroot door de omstandigheid,
dat de
archieven van de apostolisch vicaris/bisschop van Curaçao voor
het
merendeel verbrand zijn op 30
mei
1969. Het generalaatsarchief van de
Dominicanen
te Rome heeft een bundel stukken betreffende de missie op
Curaçao
‘ab origine missionis usque ad
an.
1891’ (vgl. o.m. ‘Geschiedenis der missie van
Curaçao
... 1945’ en de uitvoerige bibliografie van
de
artikelen van de paters
Euwens, Latour e.a. in Hartog
1981.
Archieven
Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in
Nederland
Een overzicht van het zich in Nederland
bevindende bronnenmateriaal betreffende Latijns-Amerika vindt
men in
Roessingh 1969; zie
voor
een aanvulling hierop (betreffende het Caribisch gebied) Van Laar 1975.
Toegespitst
op de Nederlandse Antillen - en daarom uitvoeriger, vooral met
betrekking tot de 17de en 18de eeuw - is Meilink-Roelofsz 1954,
1968. Naast deze specifieke overzichten is
voor
archiefonderzoek onmisbaar de serie “Overzichten van de archieven en
verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in
Nederland” (Samsom, Alphen aan den Rijn,
1979-).
Naast een opsomming van de aanwezige archieven bevatten deze
overzichten inlichtingen over de openbaarheid, de
toegankelijkheid
(inventarissen en andere ontsluitingsmiddelen),
literatuurverwijzingen en verdere aanwijzingen voor onderzoek.
Voor
materiaal betreffende de Nederlandse Antillen zijn de delen III,
VII-X van belang, betreffende archieven in Noord-Holland,
Zuid-Holland, Zeeland, Amsterdam en het Algemeen Rijksarchief
in
Den Haag.
Een afzonderlijke vermelding van alle
relevante archiefdepots, bibliotheken, musea en
documentatiecentra
met een opsomming van zich daarin bevindende West-Indische
archieven, handschriftcollecties en kaarten is ondoenlijk en ook
onvruchtbaar; men zie hiervoor de reeds vermelde gidsen en
overzichten.
Hieronder volgen de voornaamste
vindplaatsen
met een algemene karakteristiek van het zich aldaar bevindende
materiaal.
Algemeen Rijksarchief, Prins Willem Alexanderhof 20, Den Haag
(A.R.A.):
Een verzameling zeer instructieve
beschouwingen over de betekenis van het A.R.A.voor de overzeese
geschiedenis vindt men in Itinerario, Bulletin of the Leyden
Centre for the History of European Expansion
(Doelensteeg 16, Leiden), “Special issue: The New
Algemeen Rijksarchief', 1980, Nr. 2.
De Eerste Afdeling van het A.R.A. bevat
de
archieven van de centrale regeringsorganen vóór 1795 (onder meer
de
Staten-Generaal), van de Oost- en West-Indische Compagnieën en
van
de besturen in de voormalige koloniën, voorzover deze naar
Nederland
zijn overgebracht (o.m. West-Indische bezittingen eind 17de
eeuw-1846). Daarnaast ook een aantal familie- en
persoonsarchieven.
Van de Eerste W.I.C. (1621-1674) is het grootste deel van het
archief verloren gegaan; het archief van de Tweede W.I.C.
(1674-1791) bevat uitvoerige series notulen en daaraan
gerelateerde
series correspondentie, rapporten en andere stukken. De uit
West-Indië (Suriname en de Nederlandse Antillen) overgebrachte
archieven (gouverneursarchieven, administratie van financiën,
notariële archieven enz.) vormen hiervan het complement. Vooral
bij
de correspondentie tussen Nederland en de koloniën zijn een
aantal
stukken in tweevoud aanwezig. Dit is een gunstige omstandigheid
bij
het onderzoek, omdat van de overgebrachte archieven een deel
door
klimaatsinvloeden sterk beschadigd is en niet kan worden
geraadpleegd. Er bestaan inventarissen in typoscript van de
archieven van de Eerste en Tweede W.I.C.; de uit de West
overgebrachte archieven zijn beschreven in gedrukte
inventarissen
met inleidingen door R.
Bijlsma; van het gedeelte 1828-1846 bestaan
inventarissen in typoscript, eveneens met inleidingen. De
overige
ontsluitingsmiddelen (repertoria, indices, alfabetische
klappers,
inhoudslijsten van de delen met brieven en bijlagen) zijn,
voorzover
aanwezig, tamelijk gebrekkig. Door middel van indiceer- en
microfilmprojecten wordt hierin geleidelijk aan voorzien.
Bronnenpublikaties als het West-Indisch Plakaatboek en gedrukte
archiefseries als Publicatiebladen en Koloniale Verslagen zijn
bij
het onderzoek van deze archieven onmisbaar.
De Tweede
Afdeling omvat de archieven van de centrale
organen van de staat sedert de oprichting van de eenheidsstaat
ca.
1795, archieven van niet-overheidsinstellingen (banken,
cultuurmaatschappijen, verenigingen) en familie /
persoonsarchieven.
Van belang voor de geschiedenis van de Nederlandse Antillen zijn
onder meer Ministerie van
Koloniën
en opvolgende besturen 1814-1963, Ministerie van Buitenlandse Zaken
1813-1918 (-1946; met hiaten, deels nog niet
overgebracht naar het A.R.A.), Ronde- Tafel-Conferenties
Nederland-Suriname-Curaçao 1945-1951
(openbaarheid beperkt), Nederlandsche Handel Maatschappij
1823-1963 (openbaarheid beperkt) en de familie /
persoonsarchieven Baud, Van den
Bosch, Krayenhoff en Van Lansberge.
Inventarissen
merendeels in typoscript, ten dele gedrukt. De archieven van
Koloniën en Buitenlandse Zaken
zijn goed toegankelijk door middel van indices en
klappers.
Dit is:
Archieven Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in
Nederland (vervolg)
De Derde
Afdeling (Rijksarchief in Zuid-Holland)
behoeft
hier geen afzonderlijke bespreking.
De Kaartenafdeling bevat
een
groot aantal manuscriptkaarten en gedrukte kaarten afkomstig van
de
Westindische Compagnieën, het Ministerie van Koloniën en het
Ministerie van
Marine.
Inventarissen in typoscript en gedrukt. Gemeentelijke
Archiefdienst
Amsterdam, Amsteldijk 67, Amsterdam:
Notarissen ter standplaats Amsterdam,
1578-1895. Totale
omvang
van dit fonds 3000 strekkende meter, chronologisch geordend. Het
gedeelte 1578-1842 bevat plusminus 20.000 protocollen (delen).
Manuscript-inventaris en indices op de namen der notarissen en
op de
namen van partijen, genoemd in de notariële akten. Op de
notarisprotocollen zijn (en worden) indices op fiches
vervaardigd,
onder meer volgens onderwerpen, beroepen, geografische namen en
topografie van Amsterdam.
“Slechts de periode 1701-1710 is
volledig
bewerkt, daarnaast zijn incidenteel bepaalde rubrieken ter hand
genomen. Onlangs is een handleiding gereed gekomen die het
zoeken in
het gevolgde fichessysteem vergemakkelijkt. Aangezien het gehele
systeem nog in bewerking is, zijn de fiches slechts op met
redenen
omkleed verzoek en alleen via een archiefmedewerker te
raadplegen.
De toegankelijkheid van deze archieven wordt verder beperkt door
de
grote brandschade die zij in 1762 hebben opgelopen”. (De
archieven
in Amsterdam, 1981, p. 26.)
De notariele archieven vormen een rijke
bron
voor de geschiedenis van de overzeese betrekkingen van
Amsterdam,
onder meer met de Nederlandse Antillen (testamenten,
bevrachtingscontracten etc.).
Classis Amsterdam van de Nederlands
Hervormde Kerk, 1582-1950, omvang 25 strekkende meter. Inventaris
in
handschrift. De classis (= onderdeel van een provincie in de
organisatie van het kerkbestuurbij de Prot. Kerken) Amsterdam
van de
N.H.K. hield zich onder meer bezig met de uitzending van
predikanten
naar de koloniën en correspondeerde met de hervormde gemeenten
in de
koloniën. Het archief bevat correspondentie met Curaçao over
1639-1804 en met de andere Antillen over 1710-1789.
Portugees-Israëlitische gemeente te
Amsterdam, 1614-1939, 84
strekkende meter. Inventaris van W. Chr. Pieterse over het
gedeelte
1614-1870 (Amsterdam, 1964). Het archief bevat boedelpapieren,
familiepapieren, bemoeiingen met buitenlandse gemeenten en
stukken
betreffende kolonisatie en handel, voor een deel betrekking
hebbend
op (joden in) Curaçao, Suriname, Brazilie, Essequebo.
Van de overige instellingen die
handschriften, kaarten, topografische afbeeldingen en foto's met
betrekking tot de Nederlandse Antillen bezitten, dienen te
worden
genoemd:
- Koninklijk Instituut voor de
Tropen, Mauritskade 63, Amsterdam;
- Rijksmuseum Nederlands
Scheepvaartmuseum,
‘s
Lands Zeemagazijn, Kattenburgerplein, Amsterdam;
- Koninklijk Instituut voor
Taal-,
Land- en Volkenkunde
(met Caribische Afdeling), Reuvensplaats 2, Leiden;
- Maritiem Museum Prins
Hendrik,
Scheepmakershaven 48, Rotterdam (1986-: Leuvehaven,
Rotterdam).
Archieven
Hoofdstuk 3: Vindplaatsen
in
de Nederlandse Antillen
- Centraal Historisch Archief
van de
Nederlandse Antillen (C.H.A.), Roodeweg 7a, Willemstad, Curaçao.
Het C.H.A. is opgericht bij Landsbesluit
van
26 augustus 1969 (P.B. 1969, no. 128). Een
ontwerp-Landsverordening
tot regeling van het archiefwezen in de Nederlandse Antillen is
op
19 februari 1982 aan de Staten aangeboden. Zie hierover Van Meerendonk 1982.
Overzichten van het in de Nederlandse Antillen
aanwezige archiefmateriaal en de toegankelijkheid daarvan in
Meilink-Roelofsz 1966,
1968-9 en Van
Soest 1980. Het C.H.A. publiceert tweemaal
per
jaar het tijdschrift Lanternu,
Guia
pa nos historia (Gids voor onze geschiedenis;
Guide to our history - februari 1983), waarin artikelen over
Antilliaanse geschiedenis verschijnen, gebaseerd op nog
ongepubliceerd historisch materiaal. Tevens worden hierin
inlichtingen over aanwinsten en inventarisatie verstrekt.
Er bestaat geen overzicht van de inhoud
van
het C.H.A.-depot; de bronnenlijsten bij Van Soest 1976 en Renkema 1981 geven een
algemene indruk. Het voornaamste bestanddeel is het zogenaamde
Gouverneursarchief
1846-1939, met de archieven van afzonderlijke
diensten als de Administratie van Financien en bestuurscolleges
als
de Koloniale Raad.
Van
het Gouverneursarchief bestaat een inventaris (plaatsingslijst)
in
handschrift, die periodiek wordt aangevuld en herzien. Het
gedeelte
1846-1880 omvat het gouvernementsjournaal
(een
besluitenlijst) met bijlagenseries (binnen- en buitenlandse
correspondentie, correspondentie met diverse functionarissen,
etc.).
Deze series hebben afzonderlijke inhoudslijsten en klappers. Van
1880 tot ca. 1920 is een verbaalstelsel bijgehouden
(Gouverneursbesluiten op datum en dagnummer, met de bijlagen),
voorzien van agenda's en klappers. Het gedeelte ca. 1920-1939
was
eertijds geordend volgens een rubriekenstelsel (onderwerpen van
bestuur), dat nog gedeeltelijk intact gebleven is. In 1939 werd
voor
de lopende registratuur een decimale classificatie ingevoerd; in
de
daaropvolgende jaren is een groot deel van het oud-archief
volgens
deze code herordend, waarbij ca. 2000 onderwerpsdossiers zijn
gevormd. Het verband met de oude orde (de diverse series vóór
1880,
het verbaal 1880-1920, de rubrieken na 1920) is hierbij verloren
gegaan. Het onderzoek in het oud-archief moet dus altijd langs
twee
lijnen verlopen. Er bestaat een “Klapper op de objectendossiers
van
het C.H.A., 1630-1956”, (Willemstad, 1970)
stencil 229 pp., en een “Klapper
met
alfabetische inhoudsopgave van dossiers van de Koloniale
Raad van het C.H.A., 1906-1938” (Willemstad,
1971) stencil 284 pp. Andere (deel)inventaris¬sen en klappers
zijn
in voorbereiding.
Archieven
Hoofdstuk 4:
Literatuur
- Lit.: Guides to the Sources for the
History of the Nations. First Series: Latin America.
- Roessingh, M.P.H., Guide to the
Sources
in the Netherlands for the History of Latin America, (The
Hague,
General State Archives, 1968).
- Guia de fuentes para la historia de
Ibero-America conservadas en España, (Madrid, Dirección
Gene¬ral
de Archivos y Bibliotecas; 2 vols., 1966, 1969). Walne, P.,
A
Guide to the Manuscript Sources for the History of Latin
America
and the Caribbean in the British Isles, (London, Oxford
University Press, 1973).
- Ulibarri, G. S. & J. P.
Harrison,
Guide to Materials on Latin America in the National Archives
of
the United States (Washington, National Archives and Records
Service, 1974).
- Pàsztor, L., Guida delle fonti per
1a
storia dell’America Latina negli archivi delia Santa Sede e
negli archivi ecclesiastici d’Italia, (Citta del Vati¬cano,
Archivio Vaticano, 1970).
- Overige geciteerde literatuur
(archiefgidsen, mono¬grafieën):
- Geschiedenis der missie van
Curaçao.
Door enkele paters Dominicanen, (Curaçao, Scherpenheuvel,
1945).
- Hartog, J., US consul in 19th
century
Curaçao; the life and works of Leonard Burlington Smith,
(Oranjestad, Van Dorp, 1971).
- idem, Registerdeel en Historische
Bibliografie (bij de Geschiedenis van de Nederlandse
Antillen;
Oranjestad, De Wit, 1981).
- Laar, E. van, A survey of the
archives
in the Netherlands pertaining to the history of the
Caribbean
area (The Hague, Algemeen Rijksarchief, 1975). Meerendonk,
H.J.
van, “Landsverordening tot regeling van het archiefwezen in
de
Nederlandse Antillen”, Nederlands Archievenblad 86 (1982) p.
186-20l.
- Meilink-Roelofsz, M. A. P., “A
survey
of archives in the Netherlands pertaining to the history of
the
Netherlands Antilles”, West-Indische Gids 35 (1955) p. 1-38;
reprint Algemeen Rijksarchief, Den Haag, 1968.
- idem, Een archiefreis in
West-Indië.
Rapport 16 mei 1966 (Stencil Algemeen Rijksarchief, Den
Haag).
Ook in Nieuwe West-Indische Gids 46 (1968) p. 261-287, 47
(1969)
p. 67-90.
- Renkema, W. E., Het Curaçaose
plantagebedrijf in de negentiende eeuw, (Zutphen, De Walburg
Pers, 1981).
- Soest, J. van, Olie als water; de
Curaçaose economie in de eerste helft van de twintigste eeuw
(Curaçao, Hogeschool van de Nederlandse Antillen / Centraal
Historisch Archief, 1976).
- idem, “Archival sources to the
history
of the Netherlands Antilles; a challenge for archivists and
historians”, Nieuwe West-Indische Gids 54 (1980) p.
73-93.
Archieven
Hoofdstuk 5: Enkele thematische
bronnenoverzichten:
- Opstall, M.E. van, “Archival
sources in
the Netherlands”,
- Vera Rubin & Arthur Tuden
(ed.),
Comparative perspectives on slavery in New World plantation
societies, (New York, The New York Academy of Sciences,
1977),
p. 501-509.
- Wijnaendts van Resandt, W., “In
Nederland aanwezige gedrukte en handschriftelijke bronnen
voor
genealogisch en historisch onderzoek naar personen of
families
in de gebieden eertijds ressorterende onder de West-Indische
Compagnie en de met haar verband houdende Societeiten”,
Jaarboek
van het Centraal Bureau voor Genealogie, 4 (1950) p.
160-204.
- Wichard Timmers, W.,
“Handschriftelijke
bronnen voor genealogisch, biografisch of historisch
onderzoek
naar personen of families in West-Indië, aanwezig in het
Algemeen Rijksarchief te ‘s Gravenhage, van 1828 tot
omstreeks
1880”, Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 20
(1966) p. 1-13.
Zie ook de literatuuropgaven bij de
trefwoorden Bestuursregeling, Geschiedenis en West-Indische
Compagnie.
@: Architectuur

Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Algemeen
Sectie 1: Historische / traditionele
architectuur en monumentenzorg
Sectie 2: Literatuur Algemeen
Sectie 3: Recente architectuur
Hoofdstuk 2: Aruba
Sectie 4: Traditionele architectuur
Sectie 5: Monumentenzorg
Sectie 6: Moderne architectuur
Hoofdstuk 3: Bonaire
Sectie 7: Traditionele architectuur
Sectie 8: Monumentenzorg
Sectie 9: Moderne architectuur
Hoofdstuk 4: Curaçao
Sectie 10: Historische architectuur
Sectie 11: Monumentenzorg
Sectie 12: Moderne architectuur
Hoofdstuk 5: Saba
Sectie 13: Traditionele architectuur
Sectie 14: Monumentenzorg
Hoofdstuk 6: St. Eustatius
Sectie 15: Historische en traditionele
architectuur
Sectie 16: Monumentenzorg
Hoofdstuk 7: St. Maarten
Sectie 17: Traditionele architectuur
Sectie 18: Monumentenzorg
Sectie 19: Moderne architectuur
Foto: De beroemdste gevel van Curacao
en
een typisch voorbeeld van 18e eeuwse architectuur: de gevel
van
het Julius L. Penhagebouw
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Hoofdstuk 1: Algemeen
Sectie 1: Historische / traditionele
architectuur en monumentenzorg
Uit de pre-Nederlandse periode zijn,
behoudens enkele indiaanse rotstekeningen en enig schaars
aardewerk,
op de Nederlandse Antillen geen sporen meer aanwezig van cultuur
van
de oorspronkelijke bewoners of vroegere bezetters van deze
eilanden.
Voor zover het de bouwkunst betreft, is slechts in globale
schets
een kapelletje bekend uit de tijd van de Spaanse bezetting, dat
zich
op de plantage Santa Barbara
op Curaçao
zou hebben moeten bevinden, vermoedelijk op de
plaats
van het huidige landhuis. Later hebben de zes eilanden elk een
karakteristieke en bij de omgeving passende vorm van bouwen
ontwikkeld, die doorgaans tot in de 1930er jaren een
opmerkelijke
continuïteit vertoont. Tussen de Boven- en Benedenwinden bestaan
grote verschillen. Culturele invloeden, economische
mogelijkheden,
klimatologische omstandigheden en beschikbare materialen
speelden
daarbij een rol. Boven: Kleine, strakke natuursteenblokken en
baksteen naast veel hout, ook voor de dakbedekking; veel wit,
dikwijls Engelse detaillering. Beneden: Dikke muren van ruwe,
bepleisterde natuursteenbrokken, weinig baksteen maar daken van
golfpannen; geel en andere kleuren, forse profielen, zoals die
ook
in de Spaans-Portugese wereld voorkomen. Relatie dus tussen taal
en
architectuur! De belangrijkste centra en gebouwen worden
hieronder
per eiland behandeld. Na 1930 doen nieuwe technieken (o.m. het
betonblok) en nieuwe vormen - meer internationaal gericht - hun
intree. Tot 1950-1960 bleef echter de traditionele architectuur
dominant. Wel maakten velen zich zorgen over het verval van,
veelal
verlaten, historische panden, vooral op Curaçao: Het oprichten
van
de Stichting Monumentenzorg
aldaar was het gevolg (zie verder bij @:
Curaçao). Op
landsniveau werd men zich bewust van de wenselijkheid een beleid
ten
aanzien van het historisch bestand te kunnen voeren. Er werd
opdracht verleend een concept-monumentenlijst
te
maken (1966) en er werd een ontwerp
landsverordening monumentenzorg gemaakt
(1970).
Later nog, om de lijst uit te werken tot een Facetplan. Na vele
discussies werd de verordening in 1977 aangenomen, maar kort
nadien
weer ingetrokken in het kader van de decentralisatie: De
eilanden
dienden zelf het beleid te bepalen. Zodoende continueren deze
activiteiten, zonder landelijk juridisch kader, zoals dat
verderop
per eiland wordt vermeld.
De grootste gevaren, die het waardevolle
bestand aan historische en traditioneIe architectuur bedreigen
zijn:
- Verval door verwaarlozing,
- sloop in verband met nieuwbouw,
- onharmonische of grootschalige
nieuwbouw in de onmiddellijke omgeving,
- ondeskundige verbouwingen.
Het te voeren beleid dient daarom
gericht te
zijn op: Zoeken naar goede bestemmingen, het vaststellen van
planologische beschermingsmaatregelen voor waardevolle gebieden
en
het kweken van begrip voor de kwaliteiten.
Sectie 2: Literatuur Algemeen
- W. van Alphen, De
woonhuisarchitectuur
van de Nederlandse Antillen in relatie met die van het
Caraibisch gebied in zijn geheel (scriptie 1979);
- J. Berthelot en M. Gaume, Kaz
Antiye
Jan Moun Ka Rete (1982);
- D. Buisseret, Historic Architecture
of
the Caribbean (1980);
- P.C. Henriquez, Ontstaan en functie
van
monumentenzorg in de Nederlandse Antillen. In: Sticusa
Journaal,
ge jg. no. 65 (1979);
- Monumentenraad N.A.,
Standpuntbepaling
t.a.v. de voorlopige aanpak (1980);
- F. Oudschans Dentz en H. J. Jacobs,
Onze West in Beeld en Woord (1917, 1929);
- M.D. Ozinga, De monumenen van
Curaçao
in woord en beeld (1959);
- C.L. Temminck Groll, Monumentenzorg
in
Suriname en de Nederlandse Antillen (1967);
- C.L. Temminck Groll m.m.v. F.
Julian
Labrafia, Facetplan monumentenzorg Nederlandse Antillen met
uitgewerkte monumentenlijst (1976).
In de werken van J. Hartog (zie aldaar)
wordt ook steeds aandacht aan de architectuur besteed.
Foto: Ex ABN bankgebouw (per 2007
Landsfinanciengebouw) te Pietermaaiweg Punda: een voorbeeld
van
moderne architectuur met een deftige laat 19e eeuwse invloed
(architect A. Badaraco)
Sectie 3: Recente architectuur
De vrij plotseling gekomen industriële
revolutie sedert de vestiging van de olieindustrie (1916) en de
voorspoed gedurende lange jaren - vooral na 1933 bracht
aanvankelijk
veel architectonische verwarring. De industrialisatie leidde op
Curaçao indirect tot (verder) verval van plantages en de daarop
staande landhuizen en bijgebouwen. Interessant in de jaren 1920
en
1930 is een zekere invloed vanuit het toenmalige
Nederlands-Indië.
Sedert 1945 viel er zowel bij de overheid - door het aantrekken
van
architecten uit Nederland - als bij het zakenleven en
vooraanstaande
particulieren een streven naar verantwoorde moderne vormgeving
waar
te nemen. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich geleidelijk
een
nieuwe, jonge generatie architect en van Antilliaanse geboorte
op de
verschillende eilanden: onder andere ir. R. Statius van Eps, ir. E. R.
Matthew, T. Muyale, D. Oduber, ir. W. R. Monzon en R.
Peterson.
Hoofdstuk 2: Aruba
@: Architectuur Aruba
Sectie 4: Traditionele architectuur

Foto: Traditioneel architectuur op
Aruba:
eind 19e eeuwse monumentaal huis aan de Wilhelminastraat
hoek
Kruisweg Oranjestad
Minder dan op Curaçao en Bonaire vormt hier de traditionele
architectuur
van vóór 1930 nog een dominant in het totaalbeeld. Van voor 1800
rest
alleen Fort Zoutman (1796), dat pas in 1867 zijn markant
silhouet
kreeg door toevoeging van de toren Willem III (kop meermalen gewijzigd). Begin 19de
eeuw
ontwikkelde zich hier, bij de Paardenbaai, Oranjestad; zo genoemd in 1824. Er zijn geen oude
bestuursgebouwen meer. Oudste huizen (1870 e.v.) in de op het
fort
aanlopende Wilhelminastraat. Gevarieerde versiering van de
zijgeveltoppen. Een bijzonder pand staat op de hoek van de
Kruisweg; 2 lagen, 3 toppen; toestand heel slecht.
Protestants kerkje uit 1846 met kleine toren; bleef staan toen
in
1950 de nieuwe, wat theatrale, grote kerk werd gebouwd. De
R.K. St. Franciscuskerk
uit 1919, met 8kante
toren
op de hoek, is sedert 1813 de 4de op deze plaats. School van
1888,
later bibliotheek, met dorisch portiek. Het dorp Noord had al
eind
18de eeuw een R.K. kerk. De fraaie huidige St. Anna, 1914-1919, is een breed eenbeukig
gebouw
met 8-kante westtoren en veelhoekige koorsluiting, verwant aan
de
Santa Rosa op Curaçao. Rijk neogotisch altaarretabel
(H. v.d. Geld,
1865) uit Scheveningen, hier in 1928
geplaatst.
Pastorie 1877 en interessant kerkhof. Aan de zuidoost-zijde ligt
de
Commandeursbaai, waaraan vóór 1800 de belangrijkste
nederzetting, sedert 1840 Savaneta geheten. Brede weg, evenwijdig aan de
kustlijn, met aan weerszijden traditionele éénlaagshuizen, ‘op
de
wind’ gesitueerd. De royale Heilig Hartkerk van 1900
is ca. 1970 gesloopt.
Ten oosten daarvan
St. Nicolaas (San
Nicolaas), ontstaan
ca.
1880, bouwhistorisch niet interessant.
Een boeiende bijdrage tot het landschap
wordt, vooral op het westelijk deel, geleverd door de kleine
landhuisjes, soms enigermate bijeen gelegen, maar nooit echte
dorpskernen vormend (Santa Cruz,
R.K. kerk van 1891 vernieuwd 1949, pastorie
1863,
Piedra Plat -
protestantse kerk 1860 vernieuwd 1932 -, Paradera, Tanki Leendert,
Ponton). Gepleisterde éénlaagshuizen in
velerlei
kleuren, met zadeldak (en lage aankappingen) of schilddak(en).
De
traditie gaat nog even door, wanneer rond 1920 het betonblok de
natuursteen verdringt. Bij de latere ziet men dikwijls
decoratieve
randen met z.g. ‘indianenmotieven’. Van de oude lemen huisjes
met
tortodak, cas di
torto,
is vrijwel niets overgebleven.
Op Westpunt een hoge vuurtoren met
monumentaal (leegstaand) torenwachtershuis. Aan de noordkust en
bij Franse Pas
indrukwekkende restanten van goudsmelterijen:
Bushiribana 1872 en
Balashi 1899. De
kapel van Alto Vista
van
1952 bij de noordkust had hier al in 1750 een voorganger. Bezit
oud
Spaans processiekruis.
Lit.: M. Denters, Het Arubaans Woonhuis,
scriptie (T.H.-Delft 1980).
Foto: Een van de meest opvallende
monumenten van Aruba: Fort Zoutman met Willem III-toren te
Oranjestad
Sectie 5: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg Aruba
Hoewel de Stichting Aruba Nostra
in
1964 werd opgericht, is de enige feitelijke restauratie
uitgevoerd
dank zij de Adviesraad voor
culturele samenwerking tussen de landen van het
Koninkrijk: Fort
Zoutman/toren Willem III; voormalig
binnengebouw
voor museale doeleinden gereconstrueerd. Stinapa beschermt de
kalkoven uit 1892 en het waterreservoir van 1900, beide in
Oranjestad. Enkele oudere gebouwen in de stad zijn goed
onderhouden,
onderscheidene echter verwaarloosd. Door uitbundige nieuwbouw is
er
geen samenhang meer. Op het land is het anders: sedert 1970 ziet
men
een ‘revival’ in de belangstelling voor het traditionele kleine
landhuis uit 1900-1930. Soms wat romantisch opgeknapt, maar het
is
een geluk dat deze zo goed op klimaat en landschap afgestemde
huizen
weer een toekomst hebben.
Sectie 6: Moderne architectuur
@: Moderne architectuur Aruba
Het valt niet licht om in de recente
architectuur (na 1950) van Aruba een lijn te ontdekken. De
anonieme
architectuur in met name de woningbouw vertoont hier sterker dan
op
de andere eilanden een patroon van navolging van een min of meer
succesvol lokaal toegepast voorbeeld van stijlvormen uit andere
streken. Bekend uit de 1960er en begin 1970er jaren is de
‘bogen’architectuur: Een waarschijnlijk aan de
Spaans-Amerikaanse
hacienda-stijl ontleende vorm, als nieuwe gevel geprojecteerd
voor
de bestaande, aldus een galerijvormige porch creërend.
Merkwaardig
is hier de functionele vormovereenkomst met de oorspronkelijke
galerij van de architectuur van het*landhuis. Het meest dringen
zich
op, door zowel de fysiek overweldigende afmetingen en vaak
overdadige aankleding, alsook de met deze economische sector
geassocieerde economische status, de bouwvormen zoals in de
hotels
toegepast. Van de grote hotels biedt het ‘Americana’ een meer
serieuze poging tot architectuur. Geheel in tegenstelling tot de
universele, ‘plaatsloze’ vormgeving van de grote hotels staan de
kleine schaal en de inpassing in het milieu van de middelgrote
hotels, met name Manchebo Beach
Hotel, Divi-Divi Beach Hotel en Talk-of-the-Town, alle
prettig aandoende bewijzen van aangepaste hotelbouw. Behoudens
enige
opvallende bouwwerken in andere sectoren, onder andere Casa Cuna (Janga,1983) en kleuterschool Savaneta
(Monzon, 1980), wordt
voor het overige het panorama gedomineerd door de commerciele
architectuur. De met de wegstraal meegebogen gevelwanden van de
Mgr. Van der Veen
Zeppenfeldtstraat in San Nicolas beheersen
hun
omgeving. In de Nassaustraat
(tegenwoordig
Kaya
Betico Croes)
te Oranjestad, de voornaamste winkelstraat van het
eiland, is
een ‘modernisering’ waarneembaar, soms authentiek, zoals bij het
Ennia kantoorgebouw,
maar
meest als façade-architectuur: Een bewerkelijk vernis van
moderne
materialen over een bestaande gevel.
Voorbeelden van verantwoorde moderne
architectuur zijn onder meer:
- Hotel-vakschool, architect
Associated
Architects (Ant.);
- Hotel Americana, architect Toro en
Ferrer (Puerto Rico);
- Dr. Horacio Oduber Hospitaal,
architect
Van Oerle en Schrama (Ned.);
- R.K. Emanuelkapel, architect V.
Kock
(Ant.).
Hoofdstuk 3: Bonaire
@: Architectuur Bonaire
Sectie 7: Traditionele architectuur
Bouwkundige objecten uit de periode
tussen
de ontdekking en het begin van de 19de eeuw zijn er niet meer,
maar
de traditionele architectuur uit 1830-1930 (veelal van na de
ontsluiting van 1868) neemt nog steeds een belangrijke plaats
in:
Gepleisterde, geel-gesauste gebouwen van plaatselijke
natuursteen,
meestal één bouwlaag, met kap; architectuur uit 1930-1960 is
doorgaans niet beeldverstorend; na 1960 doen vormen hun intree,
die
het totaalbeeld aantasten. In de hoofdplaats Kralendijk (Playa)
liggen
rond het aantrekkelijke Wilhelminaplein: het
grote
tweelaags voormalige gezaghebbershuis (1827, nu eilandskantoor),
daarachter het bescheiden Fort
Oranje (met oudheidkamer onder de vuurtoren
van
1932); het eilandskantoor van 1925, in stijl vergroot 1962; de
protestantse kerk van 1847, fraai omhekt maar inwendig van geen
belang; de Pasangrahan
(overheidsdiensten, mooi voorbeeld van het blokkentype, kas di kaha, met
schilddaken en omgaande lijsten, dat ca. 1890 zijn intree doet);
het
vismarktgebouwtje uit 1935; een kantoor en enkele huizen. De
Breedestraat, achter
dit
plein, evenwijdig aan de kustlijn, heeft enkele goede één- en
tweelaagshuizen, maar verloor na 1960 zijn harmonisch
totaalbeeld
ten gevolge van sloop en vernieuwing. De situering in 1829, van
de
R-K St. Bernarduskerk
(vernieuwd 1947; er omheen waardevolle panden van
ca.
1900) meer landinwaarts, gaf de plaats een driehoekige vorm.
Ten zuiden van Kralendijk de Zoutpannen:
Rode-, witte-, blauwe- en oranje-pan, met gekleurde obelisken,
stoere opzichtershuizen tweede kwart 18de eeuw en zogenaamde
slavenhuisjes (overnachtingsbouwsels). Aan het eind van deze
kuststrook (waarachter flamingo’s huizen) de Willemstoren,
1837/1838, in
de vorm van een dorische zuil. Aardige dorpskernen te Rincon (oudste
nederzetting, 2 kerkjes) en ten oosten van Kralendijk te Noord’i Saliña, Antriol, Nikiboko
(met tweelaags landhuis, 1885 Pueblo Nobo) en Tera Cora. Vele huizen
met
symmetrische hoofdruimte met zadeldak, waartegen aan één of twee
zijden lage aangekapte zijbeuk(en), keuken aan het einde van
zo’n
zijbeuk (kas di
hala).
Op het land zag men vroeger het simpele
kas di bara, van
takken
en leem met schilddak van stro, dikwijls tweede huisje om bij
het
veld te kunnen verblijven. Nu bijna verdwenen. De stenen
variant,
kas di piedra, had
hetzelfde aanzien, maar is iets degelijker. Sedert 1868 een
aantal
land / plantagehuizen: Vergrote vorm van het dorpshuis, dikwijls
met
toegangstrap op dwars-as. Enkele, bijvoorbeeld Santa Barbara en Washikemba, zijn
bewoond;
andere, als Boven-Bolivia
en Jatu
Bacu, staan als haast onbereikbare ruïnes in
prachtige landschappen. Mogelijk is er nog toekomst, zoals voor
Slagbaai (vroeger
Slachtbaai: vlees en
zout),
dat Stinapa wil
benutten;
deze schting liet reeds het interessante Karpata en de gebouwen
van
Washington
herleven.
Lit.: F. Booi, Bonaire, manuscript over
woonhuisontwikkeling. A. Klomp, Het ‘oude’ Bonairiaanse
woonhuis,
Nieuwe W.I. Gids, 54e jrg .• (1980).
Sectie 8: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg Bonaire
Sedert ca. 1970 is een vrij groot aantal
restauraties uitgevoerd op basis van overheids- en particuliere
initiatieven: De gebouwen bij de Zoutpannen,
bestuurskantoren rond het Wilhelminaplein, de
Magasina di Rey boven
Rincon (van vóór 1828), landhuis
Karpata, gebouwen Washington, huis familie Debrot,
enkele
stads-, dorps- en landhuizen. Toch gaat het bestand aan
traditionele
architectuur achteruit: verwaarlozing, sloop, verminking,
onharmonieuze nieuwbouw tegenover slechts een enkel geval van
goede
aanpassing. In 1980 werd de Stichting Monumentenzorg
Bonaire opgericht, die zich inzet om de
genoemde
tendensen te bestrijden.
Sectie 9: Moderne architectuur
@: Moderne architectuur Bonaire
De moderne architectuur kent hier een
zekere
tweeslachtigheid. Enerzijds zijn de buitenlandse invloeden sterk
aanwezig in de woning- en de hotelbouw, anderzijds ontwaart men
een
hang naar de oorspronkelijke Bonairiaanse bouwstijlen.
Kenmerkend in deze is het bankgebouw
aan de
Kerkweg, gebouwd in 1976 uit beton en betonmetselblokken, maar
met
een consequente toepassing van de stijlelementen van het lokale
stadshuis. Scholenbouw, de sterkst vertegenwoordigde bouwsector
naast de hotelbouw, wordt tot in de 1970er jaren gekenmerkt door
standaardbouwvormen, overgenomen uit Curaçao. In latere tijden
ontstaan geheel nieuwe vormen voor scholen, varierënd van de
tentdakarchitectuur van de huishoudschool tot de sterk
klimatologisch en functioneel gerichte bouw van de
scholengemeenschap en technische school.
Voorbeelden van verantwoorde moderne
architectuur zijn:
- Maduro & Curiel’ Bank,
architect
ir. G. A. Abbad, bureau Plan D2 (Ant.);
- Trans World Radio, architect
kantoor
en powerstation: J. Fresco en G. Roovers, architect studio:
Alberto
Badaracco.
Hoofdstuk 4: Curaçao
Sectie 10: Historische architectuur
@: Historische architectuur Curaçao
Na de inbezitneming van de eilanden
Aruba,
Bonaire, Curaçao, Saba, St. Eustatius en St. Maarten door de
W.I. Compagnie, werd
Curaçao het
hoofdeiland
door zijn maritiem-strategische en handelsbetekenis, dank zij de
prachtige natuurlijke haven in het Schottegat en de
veilige
rede in de Caracasbaai.
De bodemexploitatie speelde slechts een aanvullende rol.
Dientengevolge kreeg gaandeweg, naast de gewichtige militaire
architectuur (fortenbouw), vooral de stedelijke architectuur van
het
havencentrum Willemstad
betekenis. Overigens voltrok de stadsarchitectuur zich
vermoedelijk
wel in enige wisselwerking met de ‘landhuizen’ op de -
numerendeels
niet meer als zodanig geexploiteerde - plantages of ‘hofjes’ van
voormalige ambtenaren en kooplieden, die met hun bijgebouwen nog
steeds elementen van architectonische waarde in het landschap
vormen.
Het voornaamste bouwmateriaal kon tot
omstreeks 1950 slechts - afgezien van de thans vrijwel verdwenen
lemen huisjes met ‘strodaken’ (kas
di pal’i mai(n)shi) in de kunuku - de lokale,
grillig
gevormde koraalsteen of de al dan niet rechthoekig behakte
kalksteen
zijn. Uit de toepassing van deze materialen vloeide de in- en
uitwendige bepleistering in kalkspecie voort, waartoe de
eilanden
eigen kalkbranderijen bezaten, waar kalk uit koraalsteen
vervaardigd
werd.
De gepleisterde gevelvlakken zijn in
kleur
gesaust, met wit lijstwerk langs topgevels en overige
gevelbanden.
De gepleisterde binnenmuurvlakken treft men veelal wit gesaust
aan.
In ballast uit Nederland aangevoerde
baksteen, gewoonlijk klein-formaat lichte gele IJssel-steen,
werd
gebruikt voor profielen en bogen, meestal rode Nederlandse
pannen
werden toegepast op de steeds hoge zadeldaken ter opvanging van
het
regenwater in naastgelegen bovengrondse, veelal monumentale
regenbakken. De oudste huizen van De
Punt (Punda) genaamde oude kern van
Willemstad,
blijken echter veelal geheel of gedeeltelijk in baksteen te zijn
opgetrokken; deze dateren uit het begin van de 18de eeuw en nog
deels uit het eind van de 17de eeuw. Steen- en beeldhouwers
stonden
ook daardoor slechts incidenteel ter beschikking. Timmerhout was
op
het eiland nauwelijks te vinden; het geliefde mahoniehout kon
het
best uit de Dominicaanse Republiek komen. Aan particuliere
architecten kan Curacao met zijn dunne sociale bovenlaag vóór de
late 19de en vooral vóór de komst van de olie-industrie in de
20ste
eeuw (1916), nauwelijks een werkkring geboden hebben. Hun plaats
moet zijn ingenomen door, al dan niet ter wille van een
belangrijk
bouwwerk overgekomen, meester-timmerlieden, zoals bijvoorbeeld
bij
de bouw van de voornaamste synagoge Mikve Israël in
1730-‘32 is
gebleken.
Ook de sinds 1741 permanent op het
eiland
gestationeerde militaire bouwtechnici, later genie-officieren,
zouden, evenals in Nederland, niet alleen openbare bouwwerken
hebben
opgericht, maar ook particuliere bouwpraktijken hebben
uitgeoefend.
Bij deze beperkingen is het des te meer
opmerkelijk tot welke resultaten men vooral in de
laat-18de-eeuwse
bloeitijd door aanpassing aan lokale mogelijkheden en
gebruikmaking
van het toen levende en zich voor populair gebruik lenende,
barokke
vormgevoel gekomen is. De meest opvallende noot vormden de in
oorsprong open galerijen aan de lange zijden van de hogere
rechthoekige woonkern; in de stadshuizen met verdiepingen werd
eerst
sinds het midden der 18de eeuw de galerij aan de straat zijde
vóór
het eigenlijke woonhuis gelegd.
De invloed van dit type zou zich tot op
het
tijdelijk (tot 1917) door de West-Indische Compagnie bezette
Deense
eiland St. Croix hebben kunnen doen gevoelen (zie O. Svensson, Three towns,
conservation
and renewal of Charlotte Amalia, Christiansted and
Fredericksted of the U.S. Virgin Islands
(1965)).
De koloniale huizen onder Nederlandse invloed onderscheiden zich
gewoonlijk door hun extra hoge, tussen gevels gevatte
zadeldaken. De
puntvormen van de geveltoppen moesten in de 18de eeuw vaak
wijken
voor de in- en uitgezwenkte omtreklijnen; in het bijzonder aan
de op
de voorgrond tredende gevels, welke detaillering zich kan
herhalen
bij de vele kleine of enkele grote dakkapellen. Vanuit de
middenzaal
(-zalen) geven schuiframen met kleine roede-indeling alsmede
getoogde en soms gesneden dubbele deuren uitzicnt op galerijen.
Na
een oudere periode waarin buitenluiken en gazen ramen in gebruik
zijn geweest (lit.: Hering
1779), werden deze schuiframen in de loop van
de
18de eeuw allengs algemeen om tot in de 19de eeuw toegepast te
blijven; hierna zijn zij overwegend door houten ‘shutterramen’
verdrongen. Ze vormen een aanwijzing temeer dat de ook als
gangen
dienende galerijen vroeger alle open waren. Op hun beurt werden
de
houten ‘shutters’ na de Tweede Wereldoorlog veelal verdrongen
door
glazen ‘shutterbladen’ al dan niet gevat in houten kozijnen. In
de
18de eeuw rustten in Willemstad de arcaden van de verdiepingen
(en
in voorkomende gevallen ook die van de begane grond) veelal op
karakteristieke balustervormige kalkstenen zuiltjes, die men
evenals
de fantasierijke gevelbekroningen vroeger onder invloed van de
Spaanse overwal, tot stand gekomen achtte.
Het laat intredend classicisme, sinds het
midden van de 19de eeuw niet zonder Noord-Amerikaanse invloed,
kon
standhouden en heeft nadien nog lang tot zeer aanvaardbare
resultaten geleid. Van het gebruik van neo-stijlen in eigenlijke
zin
was daardoor weinig sprake; bij de landhuizen kreeg alleen De Hoop aan de
ingangszijde
een quasi middeleeuws aanzien. Neo-gotische vormen
treft
men ook in een aantal R-K kerken aan (zie de kathedraal van
Willemstad en de kerk van St.
Willibrordus). Eerst tegen 1900 verschijnt in
de
nieuwere wijken van Willemstad een Zuid-Amerikaans getinte art-nouveaustijl van
zekere
allure.
Sectie 11: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg Curacao
Op 5
April
1954 is door het Prins Bernhardfonds Nederlandse
Antillen opgericht de Stichting Monumentenzorg Curaçao
met als voornaamste doelstellingen het kweken van
waardering voor de oude monument en van bouwkunst, het behoud en
herstel van die monumenten waarvan de historische en/of
kunstzinnige
waarde vaststaat en het exploiteren ervan voor zover deze in
eigendom aan de stichting behoren. Directe aanleiding was de
bouwvalligheid van het landhuis
Brievengat, eigendom van Shell Curaçao, die op
het
punt stond het pand te doen slopen vanwege de verregaande staat
van
verval. In die situatie werd het landhuis met een groot deel van
het
omliggende terrein als schenking aan de jonge stichting
overgedragen; met een aanzienlijke financiële bijdrage van de
zakenman B. van Leer
kon
dit eerste restauratieproject worden uitgevoerd (architect S. Alexenko).
Voorzitter werd de bankier F.
Karner, die niet alleen culturele
belangstelling
paarde aan daadkracht maar tevens met de beperkte financiële
middelen wist te woekeren. Na vijfentwintig jaar werd hij
opgevolgd
door de notaris dr. J.A.
Schiltkamp. Door successieve aankopen en/of
schenkingen in de loop der jaren bezit de stichting thans een
zestal
huizen, twee forten, enkele grote huizen in Scharloo en
Otrobanda,
benevens binnenstadshuizen in Punda (waaronder het Joods Historisch
Museum) en
sedert kort een groot aantal kleinere huizen in Otrobanda. Dit
laatste hangt samen met het streven een essentïele bijdrage te
leveren aan de regeneratie van deze zo karakteristieke wijk. Ook
werd daartoe door het architectenbureau Plan D2
in opdracht een totaalvisie op Otrobanda-zuid
ontwikkeld.
De stichting financierde in 1959 de
uitgave
van het standaardwerk De
monumenten
van Curaçao in woord en beeld door prof. dr. M. D. Ozinga.
In
1974 is begonnen met de jaarlijkse uitgifte van de tot 500
exemplaren beperkte serie Delfts-blauwe wandborden waarop
afgebeeld
een Curaçaosch monument; één werd gemaakt ten gunste van de
Historical Foundation van St.
Eustatius. Door de stichting worden aan
eigenaars
van monumenten bronzen muurplaquettes toegekend voor gedegen
instandhouding van hun eigendom. De werkzaamheden van de
stichting
zijn mede mogelijk door de toekenning van Nederlandse financiële
steun voor restauratieprojecten en door subsidies van de
landelijke
en eilandelijke overheden. Sedert 1980 wordt het bestuur
bijgestaan
door een directeur en beschikt de stichting over een eigen
kantoor
Monumentenzorg
Curaçao.
Naast de stichting dragen ook de
landelijke
en de eilandelijke overheden, de kerkgenootschappen,
particulieren
en bedrijven of instellingen in soms zeer belangrijke mate bij
tot
de instandhouding van het architectonisch erfgoed. Met name de
inbreng van de overheid is hierbij van groot belang geweest:
Sinds
1990 is er juridische bescherming voor monumenten door middle
van de
Monumenteneilandsverordening
Curaçao (AB 1990 no 5) bedoeld tegen de
voorheen
ongelimiteerde mogelijkheden voor sloop, verval of
onharmoniërende
vervanging van tot monumenten benoemde of benoembare gebouwen of
andere bouwwerken. De overheid van Curaçao heeft zich sinds met
name
dat jaar (1990) via haar Monumentenplan ten doel
gesteld om het behoud en de reconstructie van monumenten in
goede
banden te leiden. Als onderdeel van dit beleid is men sinds 1993
begonnen met het aanwijzen van monumenten in de historische
binnenstad en is op basis hiervan ook in het Eilandelijk Ontwikkelingsplan
Curaçao
(E.O.P.) aan de binnenstad de status van
beschermd aangezicht verleend, wat wil zeggen, dat niet alleen
de
gebouwen maar ook de structuur en het aangezicht van de stad
beschermd zijn. Het streven tot het behoud van monumenten in het
algemeen leidt in December 1997
tot een bijzonder hoogtepunt als Willemstad door
de
World Heritage
Committee
van de UNESCO op de
lijst
van werelderfgoedconstructies en locaties geplaatst wordt.
Ondertussen is het meer dan tien jaar geleden van dit memorabel
feit.
Sectie 12: Moderne architectuur
@: Moderne architectuur Curaçao
Voorbeelden van verantwoorde moderne
architectuur:
- Mgr. P.I.Verriet Instituut,
architect
Gerrit Rietveld (Ned.);
- Kantoor Ogem (Kodela), architect
J.
Fresco & G. Roovers (Ned.);
- Kapel Klooster Alverna, architect
Ben
Smit (Ned.);
- Algemene Bank Nederland,
architect
Alberto Badaracco (Ant.);
- Jeugdhuis Pasa Dia, architect ir.
T.
Janga (Ant.);
- Kantoor Fatum, architect
Zingel-Broos-Van Werkhoven (Ned./Ant.);
- Maduro & Curiel's Bank,
architect
F. Julian (Sp.);
- Protestants Technische School,
architect H.J. Nolte (Ned.);
- Curacao International.
Trustkantoor
(Curacao International Trust Co CITCO), architect J. Smeulders
(Sur.);
- Algemeen Pensioenfonds N.A.
torengebouwgroep, architect K. Schotborg (Ant.);
- Maria Immaculata Lyceum,
architect
ir. C.M. Bakker (Ned.);
- Peter Stuyvesant College,
architect
A. de Vries (Ned.);
- Postkantoor Waaigat, architect
ir.
A.A. van Ammers (Ned.);
- Jongenstehuis San Fernando,
architect
G. Manders (Ned.);
- Hilton Hotel, architect Toro en
Ferrer (Puerto Rico).
(Zie verder Volkshuisvesting).
Hoofdstuk 5: Saba
Sectie 13: Traditionele architectuur
@: Traditionele architectuur Saba
De totaalbeelden van The Bottom, Windwardside, St.
John's en Hell's
Gate worden nog beheerst door het
traditionele,
witgeschilderde houten Sabaanse woonhuis. Klein van schaal, één
bouwlaag, gedekt met roodgeschilderde houten shingles,
uitgebouwde
stenen keuken met schoorsteen, dikwijls een verfijnd
gedetailleerde
galerij of porch. Zoals ook elders op de Bovenwinden voorkomt,
liggen de plafonds hoger dan de dakvoet, zodat de ruimten
afschuiningen hebben langs de dakranden; zulks om het huis laag
te
kunnen houden (orkaangevaar!). Tot eind 19de eeuw was de opzet
eenvoudiger: Blokvormige, rondom met shingles beklede huisjes
met
schilddak. De erven hebben houten hekken of muurtjes van
plaatselijke natuursteen. Typerend zijn voorts grote waterbakken
en
familiegraven (er bestaat een recht tot begraven in eigen tuin).
De
eenbeukige kerkjes (anglikaans, R-K of Wesleyan Holiness) zijn
van
steen, maar zo bescheiden, dat ze de dorpsbeelden niet
domineren.
Windwardside, waar een huis als H.
L. Johnson Museum is ingericht, is het meest
gaaf.
Sectie 14: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg Saba
In 1975 werd de gedachte geopperd, van
Saba
een National Park te maken, met beschermende maatregelen zowel
voor
de prachtige natuur als voor de zo aantrekkelijke bebouwing.
Ondertussen ziet men een soort natuurlijke monumentenzorg:
Gebouwen
worden goed onderhouden en op passende wijze hersteld, zowel
vanwege
particuliere eigenaars als vanwege de overheid. Toch is er ook
aantasting: In The Bottom zijn veel huizen vervallen en in
Hell’s
Gate en St. John’s gaan meer internationaal-tropisch aandoende
moderne gebouwen een steeds grotere plaats innemen.
Hoofdstuk 6: St. Eustatius
@: Architectuur St. Eustatius
Sectie 15: Historische en traditionele
architectuur
Het eiland bezit een groot aantal
herinneringen aan zijn bloeitijd: De 18de eeuw. Het uit de
historie
bekende 17de-18de-eeuwse Fort
Oranje, hooggelegen bij de Claesgut, heeft een
kwart
cirkelvormige opzet en bevat bestuurskantoren en herinneringen
aan
het verleden. In de aanliggende ‘bovenstad’ liggen o.m.
ruïnes van de Hervormde kerk
(1774): Langschip met één dwarsarm en forse
toren; overwegend natuursteen, en van de synagoge Honen Dalim van 1738:
Een
rechthoekig gebouw van gele baksteen. Van de andere bakstenen
gebouwen hebben het zogenaamde Huis
De Graaff, het logeergebouw en de voormalige
Gertrude Judson
library
alle twee lagen. Voorts diverse één- en enkele tweelaags houten
huizen, met shingles gedekt. Natuurstenen Methodistenkerk, 1843
met
latere toren, en eenbeukige R-K kerk van 1910. Begraafplaatsen,
waaronder een joodse, met interessante monumenten.
In de zogenaamde Benedenstad resten van
de
ruim 1,5 km lange rij pakhuizen; nog enkele gebouwen hebben een
functie. Baksteen en natuursteen komen beide voor. Van een zeer
groot huis, The
Castle,
ten oosten van de Benedenstad (Gallows Bay) rest een
overwoekerde ruïne.
Buiten de stad zijn er onderdelen van
diverse kleine fortjes, als De
Windt en Tumble
Down Dick (Tommelendijk 1740).
Voorts
resten van plantages en fraaie 19de-eeuwse suikerfabrieken als
English
Quarter.
Sectie 16: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg St. Eustatius
In 1972 werd gevraagd om een opname van
het
historisch bezit. In 1974 werd de Historical Foundation
opgericht, welke zeer actief is. In 1976-1977
werd
Fort Oranje ingrijpend gerestaureerd (annex de
naastliggende
Claesgut, die door uitspoeling verzakkingsgevaar voor de
omgeving met zich meebracht). De Hervormde Kerk werd
geconserveerd, Fort De Windt gerestaureerd, de
begraafplaatsen en de Benedenstad werden geschoond, in
het
19de-eeuwse pand Prinsesweg 23 werd een museum ingericht dat,
dankzij de Historical Foundation, thans een onderkomen
heeft
gevonden in het zogenaamde Huis De Graaff. Onderscheidene
plannen zijn in voorbereiding.
Literatuur:
- Y. Attema, St. Eustatius: A
short
history of the island and its monuments (1976, 1981);
- H. Garrett en & R. Grode,
Gravestone inscriptions, St. Eustatius, (1976);
- H.J.F. de Roy van Zuydewijn,
Conserveringsplannen St. Eustatius, (1984);
- C.L. Temminck Groll, Restauraties
op
St. Eustatius, in Sticusa Journaal jrg. 12 nr. 87
(1982).
Hoofdstuk 7: St.
Maarten
@: Architectuur St. Maarten
Sectie 17: Traditionele architectuur
De snelle veranderingen sinds 1965
maakten
dat de oudere architectuur hier nog maar een bescheiden rol
speelt.
Typerend waren de, ook op andere Bovenwindse eilanden
voorkomende,
twelaags woonhuizen met schilddak; beneden van lokale
natuursteenblokken, boven van hout, dak gedekt met houten
singels,
galerijen langs de voorzijde (op het Franse deel ziet men
dikwijls
een uitgekraagd balkon). Ook: Het houten eenlaagshuis op lage
stenen
onderbouw en het zeer eenvoudige houten huis, rondom bekleed met
shingles.
Van het strategisch op een schiereiland
gelegen Fort Amsterdam
(1737) resten muren met kantelen, kanonnen en
nog
niet onderzochte fundamenten. De hoofdstad Philipsburg (1733;
genoemd
naar Gouverneur John
Philips) ligt op een 1,5 km lange landtong
tussen
de de Grote Baai en het zoutmeer. Parallel liggen de Voorstraat
(Frontstreet) en
de Achterstraat
(Backstreet), doorkruist door een groot
aantal
stegen. Centraal staat tegenover plein en piertje, het Court House 1793: Steen
en
hout, met torentje; meermalen vernieuwd. Belangrijke Methodistenkerk, 1851,
hout
op stenen voet, driebeukig met galerijen. R.K. kerk St. Martin
1844
werd vernieuwd in 1952. Behoudens onderscheidene huizen in de
straten is vooral van belang het huis Vineyard (1971),
gelegen
tegenover het oostelijk uiteinde van de stad (typerende galerij
op
de verdieping).
Enkele restanten van fortjes; enige land
/
plantagehuizen bleven min of meer in historische vorm bewaard:
Mary’s Fancy, Belvéderè,
Bellevue,
Prince’s Quarter. Bij Nederlands Cul-de-Sac lag de
eerste
nederzetting; het fundament van de Hervormde Kruiskerk
1648
is nog te zien.
Sectie 18: Monumentenzorg
@: Monumentenzorg St. Maarten
Rond 1980 werd de
Methodistenkerk,
waarvan het houtwerk niet meer te redden was in de oude vorm
vernieuwd. Een plan om het fortterrein van ‘Amsterdam’ te
bebouwen
wekte veel weerstand op en bevorderde de bezinning op de waarde
van
historische gebouwen. Enige huizen zijn goed onderhouden, soms
wordt
naar harmonie gezocht, maar zeer vaak is die volkomen afwezig.
Stinapa-St. Maarten
wil een
landhuis behouden.
Sectie 19: Moderne architectuur
@: Moderne architectuur St. Maarten
Tussen de 1920er en de 1960er jaren
heeft de
architectuur op Sint Maarten weinig wijzigingen ondergaan. De
invoering van nieuwe bouwmaterialen en -methoden
(betonmetselblokken, betonbouw, staalbouw) gaf echter aanleiding
tot
een verandering in de aanblik van gebouwen. De ontwikkeling van
met
name het woonhuis was vrijwel gelijk aan die op de Benedenwindse
Eilanden, met dit verschil dat orkaangevoelige materialen (zoals
dakpannen, asbestcement golfplaten, glas) werden geweerd. Voor
het
overige bleven de basisvormen van plattegrond, gevels en dak
gedurende deze periode grotendeels ongewijzigd. De
porch-architectuur is wel de meest zichtbare nieuwe ontwikkeling
in
deze periode.
In de 1960er jaren begint een
stormachtige
ontwikkeling van het toerisme, gepaard gaande met een
aanzienlijke
toename van bouwactiviteiten. De vanuit het buitenland
geimporteerde
resorthotelarchitectuur doet zijn intrede, met volkomen
uitheemse
vormgeving en materiaalgebruik. Tegelijkertijd ontstaat een
grote
behoefte aan meer woonvoorzieningen, scholen en andere algemene
voorzieningen. Thans vertoont de architectuur een volkomen
hybridisch uiterlijk, waarbij de toepassing van een veelvoud van
stijlinvloeden niet alleen het totaalbeeld kenmerkt, maar vaak
zelfs
het enkele gebouw.
Bij een gebouw als het Mullet Bay Beach Hotel
is
de efficiënte bouwarchitectuur, waarachter de filosofie van een
investeringsorganisatie schuilgaat, duidelijk zichtbaar.
Bij verscheidene overheidsgebouwen en
gebouwen van commerciële-, openbare-, culturele- of
onderwijsaard
zijn pogingen tot architectuur zichtbaar ondernomen door jonge
Antilliaanse architectenbureaus, waarvan de meeste op de
Benedenwindse Eilanden zijn gevestigd. Deze pogingen gaan echter
grotendeels verloren door de grote tegenstellingen in vorm,
zowel
onderling als ten opzichte van de oudere bebouwing.
De verregaande aantasting van schaal en
bouwkenmerken van de Voorstraat in de hoofdstad
Philipsburg
is een schoolvoorbeeld van de dominante rol die in de
toeristische
economie gespeeld wordt door de uitheemse hotelarchitectuur. Het
oorspronkelijke straatbeeld van de Voorstraat wordt gaandeweg
vervangen, en voorzover nog aanwezig, overweldigd door de
hoogbouw
die vlak aan de straat wordt gepleegd in een onaangepaste
mengeling
van bouwvormen.
Voorbeelden van verantwoorde moderne
architectuur zijn o.m. Beach
House Apartments en
Spritzer &
Fuhrmann.
De toeristische industrie heeft zowel Saba als Sint Eustatius
grotendeels ongemoeid gelaten. Het behoudend element is hier
sterk
aanwezig. De toepassing van andere vormen is ook hier
voornamelijk
in de openbare sector geschied. Op Sint Eustatius is ook de
woningbouw gebruik gaan maken van nieuwe vormen. Nog echter
worden
op Saba huizen gebouwd in dezelfde houtskeletbouwmethode als
vanouds, met toepassing van dezelfde materialen.
De grootste architectuuractiviteiten
beperken zich tot restauratiewerken en enkele openbare gebouwen.
De
Openbare Bibliotheek
op
Sint Eustatius (architect ir. G.
A.
Abbad, bureau Plan D2) en het Bestuurskantoor op Saba
zijn voorbeelden van toepassing van moderne bouwmaterialen en
functies in een aan de omgeving aangepaste vormgeving. De Administrateurswoning
(architect ir. C.
Wilson, bureau C.P.I.) is een voorbeeld van
verantwoorde moderne architectuur.
Lit.: R. G. Gill, ‘Is een eigen
architectuur
op de Antillen mogelijk?’: Een analyse (1983).
@: Arend Petroleum Maatschappij N.V.
In 1927 opgericht door de Koninklijke Shell groep
om
op Aruba, in navolging van Curaçao (zie @: Shell Curaçao N.V.)
een
raffinaderij te bouwen, die in 1928 in bedrijf werd gesteld en
al
spoedig een verwerkingscapaciteit van 3000 ton per dag bereikte.
Sterk verbonden met de N.V.
Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij,
bleef de raffinaderij zeer bescheiden van omvang. De
raffinageactiviteit werd van 1942-1945 geheel gestaakt en het
bedrijf bleef werkzaam als opslag- en overlaadstation. Na de
oorlog
werd de raffinage tot 1950 hervat; in 1953 werd de
bedrijfsactiviteit geheel gestaakt. Op 31 december 1960 werd de
naam
gewijzigd in Shell
Ne¬derlandse Antillen Verkoopmaatschap¬pij N.V.
(S.N.A.V.).
@: Arends, Jacobo de Jesus (Co)
(Aruba 15 oktober 1892 - Curaçao 28
maart
1953) Arubaans medicus, die na de voltooiing van zijn studie te
Amsterdam (1920) van 1921-1934 praktijk uitoefende op Curaçao.
In
1931 benoemd tot lid van de Koloniale Raad. Van
1945-1953 directeur van de Openbare
Gezondheidsdienst voor de Nederlandse
Antillen.
@: Arends, Jacobo Eloy Maria (Loy)
(Aruba 10 April 1893 - 22 januari 1960)
Arubaans medicus, die na de voltooiing van zijn studie in
Amsterdam
gouvernementsarts en huisarts op Aruba is geweest. De eerste
Arubaan
die benoemd is tot lid van de Raad
van Advies.
@: Arends, Jacobo Rudolf (Coco)
(Aruba 14 juni 1892 - New York 12
oktober
1965) Arubaans medicus, die zich, na de voltooiing van zijn
studie
in Amsterdam, in 1928 als gouvernementsarts op Bonaire vestigde.
In
1931 werd hij directeur van de Openbare Gezondheidsdienst voor de
Nederlandse Antillen. Van Curaçao verhuisde
hij
naar Aruba waar hij als gouvernementsarts optrad. Bij de eerste
verkiezingen voor de Staten
(1937) werd hij als lid voor de Arubaanse K.V.P.
gekozen.
Zijn politieke carriëre werd voortgezet als lid van het College van Algemeen
Bestuur (21 augustus 1948 - 10 mei 1949 en 17
augustus 1950 - 18 apri11951) en als lid van de Regeringsraad (8
december
1953 - 8 december 1954).
@: Arikok
188 meter hoge heuvel in het midden¬deel
van
Aruba, opgebouwd uit diabaasgesteenten. In rotsformaties werden
Indiaanse tekeningen aangetroffen.
@: Arion, F.M. / @: Frank Martinus
Arion
zie @: Martinus Arion, Frank.
@: Armenzorg
zie @: Sociale Voorzieningen.
@: Arnoldo, Frater María / @: Frater
María
Arnoldo

Wereldlijke naam Adrianus Nicolaas Broeders
(Stratum 23 april1906 - Curaçao 9 mei 1981):
Fotograaf, auteur van publikaties en leerboekjes over
Benedenwindse
flora en fauna.
Wrk.: Zakflora - wat in het wild groeit
en
bloeit op Curaçao, Aruba en Bonaire (1954, 1964); Gekweekte en
nuttige planten van de Nederlandse Antillen (1954, 1971);
Buniteza
den secura (1961); Handleiding tot het gebruik van inheemse en
ingevoerde planten op Aruba, Bonaire en Curaçao (1967).
@: Arowakken (Arawakan)
zie @: Archeologie; zie ook @:
Geschiedenis:
Spaanse periode.
@: Artesisch water
Water in de bodem dat onder
hydrostatische
druk staat. Op de zo droge Benedenwindse Eilanden waar het
watervraagstuk altijd belangrijk is geweest, werd nooit
drinkbaar
artesisch water gevonden. Een gouvernementswaterboring op Aruba
bij
Oranjestad in 1942 trof artesisch water aan op een diepte van
ca.
250 meter, echter met een zoutgehalte van 6%.
@: Aruba

Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Geografische en
geologische
beschrijvingen
Hoofdstuk 2 Economische activiteiten

Sectie 1: Landbouw, veeteelt en
visserij
Paragraaf 1: Akkerbouw; aloë;
veeteelt
Paragraaf 2: Visserij
Paragraaf 3: Goud
Paragraaf 4:Fosfaat
Paragraaf 5: Industrie
Paragraaf 6: Handel en verkeer
Paragraaf 7: Toerisme

Hoofdstuk 3: Bevolking
Hoofdtsuk 4:
Referenties
Hoofdstuk 5: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp
Aruba Hoofdstuk 1: Geografische en
geologische
beschrijvingen
Het eiland (hoofdstad: @: Oranjestad) ligt tussen
12°25’ en 12°38’ N.Br., en tussen 69°52’ en 70°3’ W.L.; het
wordt
slechts door een zeestrook van ca. 30 km breedte gescheiden van
het
Venezolaanse schiereiland
Paraguana, dat men bij helder weer vanaf
Aruba
aan de zuidelijke kim kan zien liggen. Ten zuiden van Aruba
neemt de
diepte van de zee vrij snel toe tot op een afstand van ca. 2 km
van
de kust maximale diepten van 200 meter worden bereikt, waarna de
diepte weer afneemt. Aan de noordzijde van het eiland daalt de
zeebodem echter abrupt tot enige duizenden meters diepte.
De oppervlakte van Aruba bedraagt 190
km²
het eiland is langgerekt van vorm met een
zuidoostelijk-noordwestelijk verlopende lengte-as. De grootste
lengte, gerekend vanaf de noordwestelijke punt (Cudarebe) tot aan het
uiterste zuidoosten (Punta
Basora) bedraagt ca. 31 km; de grootste
breedte
wordt ongeveer halverwege het eiland gevonden en bedraagt daar
ca. 8
km. Evenals Curaçao
en
Bonaire bestaat Aruba
uit
een kern van oude stollings-en afzettingsgesteenten, die in
latere
tijd omringd en overdekt werden door jongere sedimenten. Meer
dan de
andere eilanden echter is het oude gedeelte aan tektonische
krachten
onderhevig geweest waardoor het in geologisch opzicht een
gecompliceerder beeld oplevert.
Wat de algemene opbouw betreft kan men
in
Aruba drie delen onderscheiden t.w. het heuvelachtige middendeel
met
aan weerszijden daarvan in het noordwesten het sterk verweerde
en
afgevlakte kwartsdiorietgebied, in het zuidoosten een
geleidelijk
aflopend, gedeeltelijk onderbroken kalksteenplateau. Niet alleen
in
de opbouw maar eveneens in de aard en de ouderdom der
gesteenten, de
hydrografie, de vegetatie en het bodemgebruik vertonen deze drie
delen duidelijke verschillen.

(Aruba: Geografie /
Geologie)
Het heuvellandschap van Aruba kan bij
benadering als volgt worden begrensd: van Bushiribana aan de
noordkust in zuidoostelijke richting tot voorbij de Ceru Santa Lucia (102,4
m),
vervolgens in zuidelijke richting tot Mira Lama (135 m), van
hier
westwaarts tot Rooi
Frances, vervolgens via Rooi Taki naar het
oosten
tot Baranca Cora en
vanaf
dit punt in noordoostelijke richting tot Rooi Prins aan de
noordkust. In dit gebied liggen de hoogste toppen van het eiland
zoals de 189 meter hoge Jamanota en de nagenoeg
even hoge Arikok,
voorts
de Ceru Cabai (174
m), de
Gran Tonel (157 m),
de
Ceru Largu (119 m),
de
Piedra Cacho (146 m)
en
de Kleine Jamanota
(120
m). De dalen in dit gebied verlopen hoofdzakelijk oost-west, de
hellingen zijn meestal niet erg steil met uitzondering van
diep-ingesneden rooien als Rooi
Fluit, Rooi Prins, Rooi Tambli en Rooi Daimari, die aIle
op
de noordkust uitkomen. De meeste dalen eindigen blind aan de
kust
aangezien een kalkterras van geringe breedte het heuvellandschap
van
de zee scheidt. Onder andere bij Noordkaap bereiken de
heuvels de zee en vormen daar een vooruitstekend deel van de
kust.
Dit deel van Aruba is nagenoeg onbewoond en ongecultiveerd. Bij
Andicuri, Daimari en
Rooi Prins bevinden
zich
in de uitmonding der rooien kokospalmtuinen.
Het kwartsdiorietgebied ten noordwesten
van
het heuvelland werd door de krachten van verwering en erosie
sterk
afgevlakt. De noordrand wordt gemarkeerd door een lage rug,
ongeveer
evenwijdig aan de kust verlopend, waarvan heuvels als de Jaburibari (90 m),
Ceru Gerard (84 m),
Ceru Cristal (68 m)
en
Alto Vista (70 m)
deel
uitmaken. Plaatselijk treft men resten aan van de
kalksteenformaties
die dit gebied eertijds overdekt moeten hebben; zulke
geïsoleerde
‘getuigebergen’ zijn onder andere de Ceru Plat (96 m) langs
de
noordrand en aan de zuidzijde de Ceru Canashitu (74 m)
en de
lage plateautjes van San Barbola
en Ceru
Patrishi. Het vrijkomende verweringsmateriaal
van
dit gebied werd voor een deel langs en in de nabijheid van de
west-
en zuidkust neergelegd in de vorm van uitgestrekte zandvlakten
en
rooien zoals Santu Grandi, Rooi
Santu, Salifia’i Cerca, de vlakte van Bubali en Washington, de omgeving
van
Tarabana en van de
Canashitu, enz.

Het diorietlandschap is overdekt met
uitgestrekte blokvelden en blokhopen: reusachtige
steenstapelingen
die de resten vormen van de in het Quartair verwijderde
gesteenten.
De bekendste blokhopen zijn die van Ajo en van Casibari; het zijn
typische
voorbeelden van spheroïdale verwering. Merkwaardig zijn de
veelvuldig hierin voorkomende, dikwijls van de wind afgekeerde
verweringsholten in deze rotsblokken. Opmerkelijke vormingen in
dit
landschap zijn voorts de hardkoppen (monad-nocks) waarvan de
Hooiberg (167,5 m)
als een
schoolvoorbeeld mag gelden. Deze kegelvormige heuvel rijst steil
uit
het vlakke diorietgebied omhoog: hij bestaat uit de zeer harde
en
donkere hooibergiet,
een
gesteente dat zijn naam aan deze heuvel ontleent en dat meer
weerstand tegen verwering biedt dan de omringendegesteenten.
Andere
hooibergietverheffingen zijn hier onder andere de Ceru Bientu (86,8 m),
Ceru Warawara (90 m)
en de
Ceru Pretu (70 m).
Het
zuidoostelijk deel van Aruba bestaat overwegend uit
kalksteenformaties; waar deze door verwering en erosie
verwijderd
werden, komt meestal de kwartsdioriet aan de oppervlakte. Het
gebied
heeft een plateaukarakter, neemt in zuidoostelijke richting in
hoogte af en vertoont cuesta's en
steilranden.
Langs de zuidkust gaat het kalksteenplateau vrijwel zonder
onderbreking over in een breed kustterras dat zich over de
gehele
lengte van het eiland voortzet, slechts hier en daar onderbroken
door rooien en verweringszandvlakten. Enkele hiervan zoals Rooi Frances en het
Canashitu-Mahuma-systeem,
zijn qua vorming volledig te vergelijken met de oud-pleistocene
dalstelsels van Curaçao en Bonaire. Op Aruba zijn geen
binnenbaaien
ontstaan zoals op Curaçao omdat deze oude dalen niet zo diep
ingesneden waren dat ze in het Holoceen vol liepen als gevolg
van de
zeespiegelstijging van de laatste ijstijd. Slechts bij het Spaans Lagoen, dat ter
hoogte van Balashi
door
de kalksteen heen breekt, waren de omstandigheden van dien aard
dat
er een blijvend kanaal landinwaarts kon ontstaan.
(Aruba: Geografie /
Geologie)
Langs de noordkust is het kalksteen
kustterras veel smaller dan aan de zuidkust en op verschillende
plaatsen ontbreekt het geheel. De noordkust is veelvuldig
ingesneden
door grotere en kleinere baaien, die hun ontstaan danken aan de
afbraakkrachten der branding. Langs de noordkust van oost naar
west
zijn de voornaamste baaien (boca’s): Boca Grandi, Boca Rincon, Boca
Prins,
Boca Dos Plaja, Boca Ketu, Daimari, Andicuri, Boca
Mahos,
Boca Pos di Noord, Boca Cuni en Boca Druif. Dikwijls
worden
de baaien aan de landzijde afgesloten door een zandstrandje en
lage
duinen. Bij Boca
Druif en
Boca Prins bereiken
deze
duinen een hoogte van 25 m. Op vele plaatsen waar het kustterras
door de branding wordt bespoeld, zijn diepe brandingsnissen en
zogenaamde sawa-banken
ontstaan, elders grotten en spleten waarin het
zeewater toegang heeft, en in de nabijheid van Andicuri is een
natuurlijke
kalksteen-overspanning gevormd, de zogenaamde natuurlijke brug waar
het
zeewater onderdoor bruist. Deze natuurlijke brug is er overigens
sinds 2006 niet meer; hij is ingestort! Het gedeelte van de
noordkust vanaf Rincon
tot bijna aan de Ceru
Colorado bestaat uit een langgerekt
zandstrand,
bij Boca Grandi door
duinen aan de landzijde afgesloten. Ten zuiden van Fontein wordt het
kustterras landinwaarts door een steil wand van ca. 6 meter
hoogte
afgesloten. Hierin worden de grotten van Fontein en van Quadirikiri
aangetroffen.
De zuidkust van Aruba vertoont een veel
minder sterke geleding dan de noordkust; het reeds genoemde
Spaans Lagoen is de
enige
diepe inham in deze kust. Andere baaien aan de zuidkust zijn de
Paardenbaai, de Commandeursbaai, de
Sint Nicolaasbaai en
het
Klein Lagoen. Vanaf
de
Paardenbaai strekt zich over de gehele lengte van het eiland in
zuidoostelijke richting op enige afstand voor de kust een, op
verschillende plaatsen onderbroken, kustrif uit. Ten westen en
ten
noorden van de Paardenbaai ontbreekt dit; de kust is hier laag
en
bijna overal zandig. In plaats daarvan (vanaf Paardenbaai tot
bijna
aan Malmok) heeft zich bijna overal een fraai strand gevormd
waar
verscheidene luxe-hotels staan.
Bodem en begroeiing van Aruba zijn
uiteraard
beïnvloed door de semi-aride klimaatsomstandigheden van het
eiland.
Blijvende grasgroei ontbreekt, de overige vegetatie is spaarzaam
en
overwegend xerofytisch van karakter. Waar wind en/of zout water
overheersen, vooral dus langs de noordkust, ontbreekt bijna elke
plantengroei. Langs de zuidkust komt op verschillende plaatsen
een
dichte mangrove-vegetatie
voor. Grondwater van betekenis wordt op het
eiland
(bijna) niet aangetroffen. Bij Fontein heeft zich op het
scheidingsvlak tussen de kalksteen en de onderliggende lagen een
natuurlijke bron gevormd.
(Aruba: Geografie /
Geologie)
Door de aanleg van dammen heeft men hier
en
daar waterreservoirs (tanki’s) gevormd, welke
tegenwoordig nog slechts voorzien in de waterbehoefte van het
vee.
Vrijwel alle woningen op het eiland zijn aangesloten op het
waterleidingnet, dat gevoed wordt vanuit de waterfabriek bij
Balashi
(zie @: Watervoorziening).
Aruba
Hoofdstuk 2 Economische
activiteiten
- Sectie 1: Landbouw, veeteelt
en
visserij
- Paragraaf 1: Akkerbouw; aloë;
veeteelt
De voorwaarden voor akkerbouw en
veeteelt
zijn op Aruba zeer ongunstig, en het is begrijpelijk dat de
bevolking na de vestiging van de olie-industrie, waardoor in
ruime
mate andere werkgelegenheid ontstond, zich van de akkerbouw
afkeerde. Naar schatting is slechts 2500 ha van het eiland
enigermate bruikbaar voor de akkerbouw, maar het grootste deel
van
dit oppervlak ligt sinds tientallen jaren onbewerkt en overdekt
met
een secundaire begroeiing van cactussen en doornstruiken. De
oudere
Arubanen op het platteland echter hebben het planten nimmer
geheel
opgegeven en verbouwen op kleine perceeltjes bij hun woning met
wisselend succes hun kleine mais, boontjes, aardnoten en
veldvruchten, als een aanvulling op het voedingspakket van
buitenlandse herkomst. De omvang van het in gebruik zijnde
akkerbouw-areaal wisselt sterk van jaar tot jaar, afhankelijk
als
deze is van de neerslag. Omstreeks 1840 werd op Aruba de aloëplant ingevoerd,
waarvan de hars als grondstof dient in de farmaceutische
industrie.
De veeteelt wordt op Aruba zeer extensief bedreven; men houdt
vooral
kleinvee zoals geiten, schapen en varkens. Men laat dit vee tot
schade van de natuurlijke begroeiing volkomen los weiden. In de
afgelopen jaren heeft de pluimveeteelt enige
betekenis gekregen. De groenteteelt
is vooral in hand en van Chinezen, tuinen
bevinden
zich onder andere te Fontein
en Bubali.
Omstreeks 1957 werd bij Paradijs, even ten
noordwesten van Oranjestad een zogenaamde nutriculture-farm
opgezet;
tot dusverre zijn de bedrijfsresultaten als gevolg van de
concurrentie van geïmporteerde groenten en fruit nogal
teleurstellend geweest (zie @: hydroponics).
Aruba Hoofdstuk 2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf 2:
Visserij
Evenmin als de landbouw speelt de visserij op Aruba in
het
geheel der bestaansmiddelen thans nog een rol van enige
betekenis.
Uiteraard zijn er wel personen die in één dezer bedrijfstakken
aanvullende werkgelegenheid vinden. Men beoefent vooral de kustvisserij met
eenvoudige
middelen; vanouds worden de meeste vissers gevonden in Sabaneta, in de Rancho (een wijk van
Oranjestad) en in de omgeving van Noord.
Aruba Hoofdstuk
2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf
3:
Goud
In de vorige eeuw kreeg Aruba enige
bekendheid door de ontdekking van goud. In 1824 werd het eerste
goud
gevonden in Rooi
Fluit;
sindsdien heeft men het met wisselend, doch altijd gering succes
gewonnen tot het jaar 1916. Het goud kwam vooral voor in de
kwartsgangen langs de noordkust en in het heuvelachtige
middendeel
van het eiland. Bij Bushiribana
en Balashi
herinneren de ruïnes van de goudsmelterijen nog
aan
de thans verdwenen goudwinning; hier en daar treft men nog oude
gangen en schachten aan. In 1946 werden uitvoerige
exploitatieboringen verricht op de Ceru Cristal, die
echter
niet geleid hebben tot hernieuwde exploitatie.
Aruba Hoofdstuk
2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf
4:
Fosfaat
Gedurende korte tijd was de fosfaatwinning op Aruba
van
betekenis. Deze delfstof werd in 1873 in de omgeving van Ceru Colorado
aangetroffen
en werd in de periode 1881-1915 aldaar afgegraven en uitgevoerd.
Door uitputting van de gemakkelijk bereikbare hoogwaardige lagen
werd de exploitatie tenslotte gestaakt. Onderzoekingen in het
begin
van de zestiger jaren van de 20ste eeuw hebben uitgewezen dat in
dit
gebied op enige diepte nog fosfaatlagen aanwezig zijn. Om
technische
en economische redenen is de winning hiervan niet aan te
raden.
Aruba Hoofdstuk
2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf
5:
Industrie

Het zwaartepunt van de economie van
Aruba
ligt sinds de 1920er jaren van de twintigste eeuw in de petroleumindustrie van de
Lago. Van 1927-1953 vestigde zich op het
eiland
eveneens de Arend Petroleum
Maatschappij N.V., die haar etablissementen
had
bij Druif.
Aruba Hoofdstuk
2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf
6:
Handel en verkeer
Handel en verkeer, bouwnijverheid en de
dienstverlenende sector zijn thans naast de industrie de
belangrijkste bestaansmiddelen.
Aruba Hoofdstuk
2 -
Sectie 1 Economie
Paragraaf
7:
Toerisme
Deze paragraaf behoeft nog een
beschrijving.
Aruba
Hoofdstuk 3:
Bevolking
De bevolking nam in nog geen 50 jaar toe
van
ca. 8000 tot bijna 60.000 inwoners, onder andere door een
massale
immigratie (zie @: Bevolking). De voornaamste nederzettingen
zijn
thans: de hoofdplaats Oranjestad,
voorts
San
Nicolas, Santa Cruz, Sabaneta,
Noord en
Paradera,
die onderling door een uitstekend wegennet worden
verbonden.
Aruba
Hoofdtsuk 4:
Referenties
Voor gegevens omtrent de Arubaanse
bevolking
zie @: Bevolking; Nederlandse AntilIen; voor verdere informatie
zie
o.m. @: Archeologie; @: Architectuur; @: Economie; @:
Eilandenregeling; @: Geneeskunde; @: Geologie; @: Geschiedenis;
@:
Kiesrecht; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.
Aruba
Hoofdstuk 5:
Literatuur
- Jaarverslagen Eilandgebied Aruba;
- Publikaties van de Dienst voor
economische ontwikkeling te Aruba;
- P. Wagenaar Hummelinck, Over
verweeringshalten in diarietblokken op Aruba, in:
West-Indische
Gids jrg. 20 (1938).
Voor overige literatuur zie opgave bij
Nederlandse Antillen, Benedenwindse Eilanden.
@: Aruba
Voorlichtingsblad van het Eilandgebied Aruba, zie @:
Pers.
@: Arubaanse Courant zie @: Pers:
@: Arubaanse dans- en balletschool
Opgericht in 1952, een van de een van de
belangrijkste dansscholen met 700 leerlingen - van de kleuter-
tot
de volwassen leeftijd - waar onder leiding van Iris Bernabela- Arispe, Sonja
Geevers en Diana
Wever-Antonette worden beoefend, het
klassiek,
modern en jazz-ballet, flamenco en de gestileerde volksdans.
Naast
de dans in eigenlijke zin wordt ook de discipline van
lichaamsbewegingen onderwezen, die tot de categorie van
gymnastische
oefeningen moeten worden gerekend. Zowel op Aruba (Cas di Cultura, hotels
en
particuliere clubs) als in het buitenland (o.a. Venezuela,
Colombia,
Guyana) wordt regelmatig opgetreden.
@: Arubaanse Industrie en Mijnbouw
Maatschappij Aruminco, N.V. / @: Aruminco
is een voortzetting van de in 1960 door
het
eilandgebied Aruba opgerichte Arubaanse Exploratie en Mijnbouw
N.V. Behalve de naamsverandering op 9
december
1961 is door statuten-wijziging ook het oorspronkelijke doel,
namelijk het ontginnen van delfstoffen in de Arubaanse bodem,
het
verhandelen en verwerken daarvan en het deelnemen in andere
ondernemingen van gelijke aard, uitgebreid. Het vestigen en
exploiteren van andere industrieën en het exploiteren van
landbouw-
en visserijbedrijven gingen ook tot de doelstellingen van de
N.V.
behoren. Thans richt de Aruminco
zich uitsluitend op de exploratie van olie en gas
ter
zee.
@: Arubaanse Pedagogische Academie (@:
APA /
@: A.P.A.)
die onder de Stichting Middelbaar Onderwijs
Aruba
ressorteert, verzorgt de opleiding van
kleuterleidsters en van onderwijzers (zie @: Onderwijs: Het
hoger
beroepsonderwijs).
@: Arubaanse Vereniging voor Handel en
Industrie
zie @: Werkgevers en ondernemers,
Organisaties van
@: Arubaanse Volkspartij (@: AVP / @:
A.V.P.)

Foto: Standbeeld te Oranjestad van
J.H.A.
"Henny" Eman, grondlegger van de A.V.P. Op de sokkel staat
het
inschrift "defensor di pueblo - pionier di e gran lucha pa
autonomia (verdediger van het volk - pionier van de
grote
strijd voor autonomie").
Staatkundige partij op Aruba, opgericht
door
J.H. (Henny) Eman,
die in
1942 voor de eerder door hem opgerichte partij de naam A.V.P. koos. De partij
stelt zich blijkens de in 1983 goedgekeurde statuten ten doel
het
algemeen belang en welzijn van het Arubaanse volk te dienen en
te
bevorderen door haar sociaal christelijke democratische
beginselen
langs wettige middelen in wetgeving en bestuur tot gelding te
brengen.
Voorzitter van de partij is thans een
kleinzoon van de oprichter, eveneens Henny Eman genoemd. De
A.V.P. behaalde bij de Statenverkiezingen van 25 Juni 1982, twee
zetels en bij de Eilandsraadsverkiezingen van 29 april 1983, 5
zetels.
@: Arubaans Museum
Zie @: Musea.
@: Aruba Bank N.V.
Zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Aruba dushi tera
Zie @: Himno nacional di Aruba.
@: Aruba Esso News
Zie @: Pers
@: Arubahuis
Zie @: vertegenwoordiging van
Aruba
@: Aruba Nostra
Stichting opgericht in 1964 met als
hoofddoel de cultuur- en natuurmonumenten van het eiland te
behouden
en te beschermen.
@: Aruba Ports Authority N.V.
(A.P.A.)
Beheert namens het Eilandgebied Aruba de
havens en haventerreinen van Oranjestad en Barcadera. Het bedrijf
is
een overheidsvennootschap waarvan 100% van de aandelen in handen
is
van het Eilandgebied Aruba. Oprichting van het bedrijf op 12
januari
1981 was onderdeel van een totale havenreorganisatie welke een
voorwaarde was van de Nederlandse regering voor financiering van
de
nieuwe containerhaven.
De taken van het bedrijf zijn:
- het aanleggen, beheren,
onderhouden
en exploiteren van de havens en haventerreinen te Oranjestad en
Barcadera inclusief de daarbij behorende beboeiing, bebakening
en
verlichting;
- het doen loodsen van zeeschepen
en
het exploiteren van een sleepdienst;
- het handhaven van de orde en
veiligheid in de havens door middel van een
havenbewakingsdienst;
- het bevorderen van het
cruise-toerisme.
De A.P.A. beschikt over een tweetal
zeegaande sleepboten, die ook dienst doen te San Nicolas ten behoeve
van
de Lago. Tevens heeft
het
bedrijf een vijftal loodsboten in de vaart alsmede een speciaal
tendervaartuig dat tevens fungeert als officiële Arubaanse
reddingsboot. Er zijn ca. 120 man in dienst. Als eerste
algemeen-directeur werd mr. Chr.
van
Krimpen benoemd.
De vennootsehap heeft een concessie
verleend
aan een stuwadoorsmaatschappij, de Aruba Stevedoring Company
N.V. die alle havenarbeiders van Aruba in
vaste
dienst heeft. Alle tarieven van deze stuwadoorsmaatsehappij zijn
onderworpen aan de goedkeuring van de A.P.A. (Zie ook
Containerhaven).
@: Aruba Press Club (A.P.C.)
zie @: Persvereniging.
@: Aruba Trade and Industry Association
(@:
ATIA / @: A.T.I.A.)
zie @: Werkgevers en ondernemers,
Organisaties van.
@: Arubus
Nadat op 28 september 1979 de aandelen
van
West End Transportation
N.V., een particulier bedrijf dat auto
busdiensten exploiteerde, door het eilandgebied Aruba werden
overgenomen, kon het openbaar vervoer door de overheid worden
gereorganiseerd. Dank zij Nederlandse ontwikkelingshulp konden
14
Volvo-autobussen worden aangeschaft (NAf 6,4 miljoen; oftewel
ruim
457.000 per voertuig).
Van de lijndiensten maken per maand
100.000
passagiers gebruik; de speciale schoolbussen vervoeren ± 1200
kinderen per dag. Om sociaal-economische redenen worden de
tarieven
laag gehouden. Het eilandgebied subsidieert het bedrijf tot
omstreeks 50% van de totale kosten; in 1983 NAf 2,2
miljoen.
@: Aruminco
zie @: Arubaanse Industrie en Mijnbouw
Maatschappij Aruminco N.V.
@: Ascension
zie @: Landhuizen.
@: Asfaltmeer
Voor de geweldige oorlogsinspanningen
van de
geallieerden in de Tweede Wereldoorlog waren enorme hoeveelheden
olieprodukten nodig: Benzine voor de vliegtuigen en het rollend
materieel, brandstof voor de schepen en voorts diverse soorten
smeerolie. De olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba hebben
onder
hoge spanning gewerkt om aan de behoeften van de geallieerden te
voldoen. De produktie werd zover opgevoerd, dat de
raffinaderijen
elk per dag 25 á 30.000 ton afleverden. De behoefte aan lichte
olieprodukten was in de oorlogsjaren hoog. De vraag naar de
zware
produkten, die in het raffinaderijproces vrijkomen, nam in
verhouding af. Daardoor zagen de raffinaderijen zich geplaatst
voor
het probleem, waar zij deze zware produkten moesten laten.
Als gevolg hiervan werden op Curaçao
grote
hoeveelheden gekraakte asfalt gestort in een afgedamd deel van
de
Buskabaai in het
Schottegat, dat
sedertdien
het ‘Asfaltmeer’
heet.
Het heeft een oppervlakte van 52 hectaren en bevat naar
schatting
ongeveer 1,2 miljoen ton asfalt. Op Aruba werd het asfalt nabij
de
oostkust op het land gestort. Deze grote hoeveelheden asfalt
zijn
daar na de oorlog tientallen jaren ongebruikt blijven liggen.
Door de oliecrisis in de 1970ger jaren
stegen de olieprijzen enorm. Als gevolg hiervan werden
industrieële
verbrandingsprocessen ontwikkeld, waarbij gebruik wordt gemaakt
van
de minder kostbare zware olieprodukten. Hierdoor werd het lonend
om
het gestorte asfalt uit de oorlogsjaren te exploiteren. Op Aruba
wordt het nu afgegraven en verscheept en op Curaçao is de firma
Nareco (Neth. Ant. Recycling
Co.) aangevangen met het terugwinnen van het
asfalt uit het asfaltmeer.
Lit.: J. Hartog, Curaçao, van kolonie
tot
autonomie, deel II (1961).
@: Ashkenazische gemeente
zie @: Joodse gemeenten: Komst der
Ashkenazim.
@: Asiento
Eigenlijk: Asiento de negros, was
de
benaming van het contract, gesloten tussen de Spaanse overheid
en
handelscompagnieën of particulieren tot levering van negerslaven
aan
de Spaanse koloniën in Amerika. De asiëntisten hadden het
monopolie van de invoer aldaar, maar waren voor de leverantie
merendeels afhankelijk van compagnieën of handelshuizen die
relaties
met West-Afrika hadden, zoals de West-Indische Compagnie
(W.I.C.) of de Royal African Company.
Van
1677 en volgende jaren zijn contracten tussen de W.I.C. en
agenten
van het asiento
bewaard.
Spanje sloot in 1662 een asiento af met Domingo Grillo (of
Fullo), vermoedelijk
een
Spanjaard en de Genuees Ambrosio
Lomelino. Deze betrokken de slaven
voornamelijk
via de W.I.C. De directeurs van Curaçao traden soms op als
agenten
voor Grillo en Lomelino. Tussen 1668 en 1671 kwam, in verband
met de
financiering, een apart
fonds voor de
slavenhandel tot stand, met gelden bijeengebracht
door de
W.I.C. en particuliere reders. Aanvankelijk was 3/5 van de winst
voor de Compagnie en 1/5 voor de reders, later werden gelijke
porties uitgekeerd. Het asiento werd na de dood van Lomelino
in 1668 door Grillo voortgezet, het kwam in 1670 voor
korte tijd in handen van de Portugees Antonio Garcia
en
werd vervolgens door de
Consulado
(een koopliedengilde) te Sevilla beheerd. Hoewel
dit
lichaam aan uitgifte van consenten voor de slavenhandel een
verbod
van aankoop op Curaçao (bij de ketterse Hollanders) verbond,
blijkt
bij een overeenkomst, gesloten in 1675, dat de Amsterdammers Balthasar
en
Joseph Coijmans (nauw
verbonden met de W.I.C.) als financiërs optreden. Balthasar Coijmans
verkreeg
in 1684 de administratie van het asiento, welke overeenkomst in
1687
werd geannuleerd omdat Coijmans als niet-katholiek voor de
Spanjaarden toch onaanvaardbaar was. Tot 1701 bleef het asiento
in
handen van Spanjaarden en Portugezen en tijdens de Spaanse
Successieoorlog in handen van de Fransen.
Na de Vrede van Utrecht (1713) verkreeg
de
Engelse South Sea Company
het contract en behield het, afgezien van een
onderbreking tijdens, de zogenaamde asiento-oorlog (1739),
tot
1750, toen de Spaanse kroon het voor £ 100.000 afkocht. Van ca.
1660-ca. 1713 was Curaçao de belangrijkste aanvoerhaven, van
waaruit
de asiëntisten de slaven naar de Spaanse koloniën vervoerden.
Men
heeft de Curacaosche plantage
Asiento wel met deze handel in verband
gebracht,
en gemeend dat daar het slavenkamp van de W.I.C. gevestigd was.
De
Compagnie gebruikte echter de plantages Zuurzak en Groot-St.
Joris
voor dit doel. (Zie @: Slavenhandel, ook voor
literatuur over het asiento).
@: Asiento, Sport- en
ontspanningsvereniging
Oorspronkelijk opgericht ten behoeve van
gezinnen van de Shell-gemeenschap op Curaçao, omvat (1983) 22
clubs
en 6000 leden, waarvan 40% niet behorend tot de
Shell-gemeenschap.
@: Asiento-formatie
Oude naam voor het fossiele koraalrif,
thans
laagterras langs de binnenbaaien van Curaçao.
@: Assimilatie
zie @: Acculturatie.
@: Asten, Zusters van / @: Zusters van
Asten
zie @: Bisdom Willemstad.
@: A.T.I.A. Aruba Trade and Industry
Association
zie @: Werkgevers en
ondernemers,
Organisaties van.
Het volgende artikel is in het
Papiamentu:
@: Atalita Eleazar “Chal” Cecilio / @: Chal Atalita
(7 augustus 1930 - 24 mei 2006). Na
edad di 15 aña Chal a mustra interes den müzik i deporte, banda
di
su determinashon pa bai dilanti den bida. Asina el a siña toka
trompèt komo mucha hòmber ku ta bai skol na Skèrpènè, praktikando
tur
dia, pasombra e kier a bira un tremendo trompetista.
Ora gruponan tabata bin for di afó, Chal
tabata bai wak i skucha i hopi biaha kombersá ku e
trompetistanan pa
e siña for di nan. Ela kolekshoná hopi literatura di tantu
trompèt i
di teoría di müzik. Ora ela bai for di Skèrpènè e no tabatin
trompèt
mas pa e toka. Ku su promé sueldo di trabou el a bai hunga
poker. Ku
e sèn ku ela gana, ela logra kumpra su promé trompèt.
Chal a toka entre otro pa Conhunto La Plata, Conhunto
Cristal,
Jovenes del Caribe i All Star Combo. Den
áñanan
1970, Chal a enkabesá un agrupashon musikal, ku, riba enkargo di
Gobiernu di Kòrsou, a bai toka na New York i tambe Canada. Chal
tabata na kuna di lantamentu di AMAK
(Asosashon di Musiko i Artista di
Korsou),
kaminda e tabata fungi komo tesorero.
@: Augustijnen, Paters
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Autobusbedrijf Curaçao N.V. (@: ABC /
@:
A.B.C.)
werd opgericht december 1943 met als
enige
aandeelhouder de Nederlandse Antillen. Als doelstelling werd in
de
statuten vermeld: Het onderhouden van autobusdiensten op het
eiland
Curaçao en het uitoefenen van het autobusbedrijf met alles wat
daarmee in de ruimste zin des woords verband houdt.
Aanvankelijk bediende het Autobusbedrijf
het
oostelijk gedeelte van het eiland, alsmede de verbinding met het
vliegveld; tevens onderhield het de zogenaamde route om het
Schottegat. Het westelijk deel van het eiland was toevertrouwd
aan
een particuliere onderneming genaamd Bakhuis Busline. Nadat
Bakhuis het bedrijf liquïdeerde viel ook dat deel van het eiland
onder het verzorgingsgebied van het Autobusbedrijf.
Door de opkomst van het autobezit en nog
andere factoren begonnen de zaken achteruit te gaan en raakte
het
bedrijf in verval; op een gegeven tijdstip reed er nog maar één
bus,
terwijl de behoefte aan openbaar vervoer steeds dringender werd.
Per
1 oktober 1972 werd het Autobusbedrijf overgenomen door het
Eilandgebied Curaçao, dat dan ook de enige aandeelhouder werd.
Het
wagenpark bestond toen uit 1 lijndienstbus en 2 gehuurde
schoolbussen. Eind 1973 kreeg het bedrijf de beschikking over 8
nieuwe Daf-bussen die werden ingezet op de traditionele routes
volgens een nieuwe dienstregeling. Het Autobusbedrijf nieuwe
stijl
begon in 1974 met een wagenpark van 8 lijndienst-bussen en
vervoerde
dat jaar 809.866 passagiers. Het had een personeelsbestand van
total
41 werknemers. Het bedrijf was in die tijd gevestigd aan de
Schottegatweg Oost te Salina.
Eind 1982 beschikt het over een
wagenpark
van 40 lijndienst-bussen, 5 schoolbussen en nog een vijftal
bedrijfsauto's. Het personeelsbestand is uitgegroeid tor 163
personen. Het bedrijf onderhoudt dagelijks 8 routes bestaande
uit 24
lijnen en verbindt zodoende diverse punten van oost- tot
westpunt
met het centrum van de stad. De bussen rijden ongeveer 18 uur
per
dag en leggen tezamen dagelijks 9.183 km af. Per eind 1982
vervoerde
her A.B.C. totaal 5.209.937 passagiers. Eind 1978 verhuisde het
bedrijf van de Schottegatweg Oost naar een nieuw gebouw te Buena Vista.
Het Autobusbedrijf Curaçao, zijnde een
overheids-N.V., wordt gesubsidieerd door het Eilandgebied om de
tarieven laag te houden teneinde het vervoer betaalbaar te maken
voor de minst draagkrachtigen. Naar bedrijfseconomisch rendement
wordt niet gestreefd; het bedrijf heeft een maatschappelijke
functie. Omdat de komst van de autobus samenviel met het begrip
‘konvooi’ (in de
Tweede
Wereld oorlogsjaren) wordt de autobus nog immer aangeduid met de
benaming konvoi.
@: Autonomie
betekent in het Staatsrecht letterlijk
zelfwetgeving; naar
de
letter genomen valt het bezitten van autonomie samen met
souvereiniteit. Meer speciaal wordt de autonomie in de
Nederlandse
Antillen in verband gebracht met de zelfstandigheid van de
Nederlandse Antillen als deel van het Koninkrijk der Nederlanden
ten
opzichte van het Europese gedeelte van het Koninkrijk, namelijk
Nederland, binnen het kader van het Statuut. (Zie ook
Decentralisatie).
@: Autonomiebeweging
is een in het begin van de 1940er jaren
onder invloed van de Democratische Partij
en dr.
M.F. da Costa Gomez op gang gekomen
beweging die een verandering van het bestuursstelsel van het
gebiedsdeel Curaçao wenste, inhoudende een aan de Staten
verantwoordelijk bestuur. Op 25 juni 1946 werd namens de Staten van Curaçao aan
H.M. Koningin Wilhelmina
een petitie aangeboden, waarin het verlangen naar
autonomie van het gebiedsdeel werd geformuleerd. Met de
inwerkingtreding van de Interim-regeling 1950,
waarbij een volwaardig parlementair systeem werd ingevoerd voor
de
behartiging van de inwendige aangelegenheden, werd de autonomie
een
feit.
Literatuur:
- M. P. Gorsira, De Staatkundige
emancipatie van de Nederlandse Antillen (1951);
- A. Kasteel, De Staatkundige
ontwikkeling der Nederlandse Antillen (1956).
@: Awakati
(Persea americana) (familie der
Lauraceae)
avocado of pear tree, is een
altijd
groene, middelmatig grote tot hoge boom met ronde of peervormige
vruchten, die eiwit- en vetrijk zijn, met hoge
voedingswaarde.
@: AWV / @: A.W.V.
zie @: Aanvullende
Werkvoorziening.
@: AWW / @: A.W.W. / @: Algemene
Weduwen- en
Wezenverzekering
zie @: Sociale Voorzieningen.
@: Ayaka
zie @: Voedingsgewoonten.
@: Azijn Banana
pseudoniem van Oscar Enau van Kampen
(Curaçao 17 April 1916); heeft vooral bekendheid
verkregen door zijn humoristisch weekblad Lorito Real
(1948-1958),
waarin hij zijn geschreven en getekende parodieën, met een
uitgesproken politieke inslag, publiceerde. (Zie @: Letterkunde
in
de Nederlandse Antillen).
De letter B
b is de tweede letter van het Nederlandse
alphabet. In het Semitische alphabet werd deze letter beth genoemd, hun
aanduiding voor ‘huis’, een teken die zij van de Egyptische
hieroglyfentaal overnamen en die als een eenvoudige plattegrond
van
een huis werd geschreven. De Foeniciërs trokken het teken, die
door
zowel de Egyptenaren als de (Proto) Semieten als een rechthoek
met
een opening werd getekend, uit elkaar en transformeerden haar
tot
een soort schuin huisje met een dakje; een soort hoekige cijfer
9.
Dit was ongeveer in het jaar 1.050 vóór Christus. Bij hun
overname
ervan, werd de beth
door
de Grieken als beta
vertaald en ontwikkelden zij haar zover, dat het teken reeds als
een
moderne b kon worden onderscheidden. Zoals reeds gesteld bij de
behandeling van de letter a, gingen de Grieken er op een gegeven
ogenblik toe over om de collectie van letters, die zij hadden
ontwikkeld om woorden te formeren, met de naam alphabetos aan te
duiden.
Het Griekse alphabetos reisde met hun mee, onder andere op hun
handels- en kolonisatietochten naar oud-zuid Italië, waar de
Griekse
cultuur in aanraking kwam met die van de Etrusken. Dezen kenden
in
hun taal de letter b aanvankelijk niet, maar namen het van de
Grieken over. Vervolgens werd de b samen met de gehele
Etruskische
beschaving door de Romeinen en hun Latijns geabsorbeerd en
evolueerde de uitspraak van de letter langzaam naar de korte
klank
die wij heden ten dage kennen.
De b is een klank die met de lippen op
elkaar als het ware en met kracht wordt uitgespuugd; als de
uitspreker weinig kracht gebruikt, dan verkrijgt hij al gauw een
p
in plaats van b.
Het gebruik van de b in het Engels
varieert
behoorlijk, van een krachtige klank in woorden als bacteria, bad, beauty,
tot
een hele zachte, bijna p-achtige klank in rob, tot een b die
nagenoeg
niet wordt uitgesproken als in tomb,
dumb. In woorden als subtle en debt, verdwijnt de
b-klank
zelfs helemaal. Het Spaans kent een andere variatie. In deze
taal
wordt de normale b-klank gehanteerd en duidelijk gehoord in
woorden
als bailar, barrio en
gebruikt men een v voor het produceren van een zachte b-klank
als in
vacilar en vengansa. Het
Nederlands
gebruikt de b doorgaans als een duidelijke maar toch relatief
zachte
klank als beginletter (boom; beroep), maar verliest zich vaak in
een
b die als een p wordt uitgesproken, als de letter in het midden
(of
aan het einde) van het woord staat: abnormaal, eb
(tegenovergestelde van vloed). Het Papiamentu spreekt doorgaans
een
krachtige b ook voor de oorspronkelijk zachte b-klank in Spaanse
v-woorden.
Ook de b is een veel gebruikte letter;
in
deze encyclopedie zit hij bijna aan de top. Het is de
beginletter
van één van de twee Benedenwindse zustereilanden van Curaçao:
Bonaire. Een aantal
van de
grootste componisten in de geschiedenis hebben (achter) namen
die
met een b beginnen: Bach,
Beethoven,
Brahms, Berlioz, maar ook Bernstein. En met een b
begint één van de meest geliefde hapjes bij de maaltijd op
Curacao:
de banaan. Voor de
Venezolaanse onafhankelijkheid is de naam Bolivar natuurlijk van
onschatbare waarde, evenals die van Brion, die behalve voor
de
vrijheidsoorlogen in Zuid-Amerika, ook voor zijn geboorte-eiland
Curaçao enorm veel heeft betekent.
@: Baki
zie @: Handel: Binnenlandse
handel.
@: Bakoba
zie @: Banaan.
@: Balahoo
zie @: Halfbek.
@: Balashi
Terrein op Aruba aan het Spaans Lagoen. Hier
bevindt
zich de ruïne van de omstreeks 1900 gebouwde goudsmelterij, die
tot
in de Eerste Wereldoorlog - hoewel met moeite - in bedrijf is
geweest. Aan de zuidkust bij Balashi
liggen thans de water- en elektriciteitsbedrijven
van
de Watervoorzieningsdienst van
Aruba; tegenwoordig
W.E.B.: Water & Energie
Bedrijf.
@: Balaú
is de Papiamentse naam voor een groep
grote,
pelagische vissen,
die
gekenmerkt zijn door hun speervormig verlengde bovenkaak: de
zwaardvis of swordfish
(Xiphias gladius), balaú bandera of sailfish (Istiphorus
american us), balaú kabritu
of spearfish
(Tetrapterus belone) en de balaú blanku of marlin (Makaira spec.).
Zij
zwemmen solitair of in paren en zij leven van vis. Hun geweldige
grootte, kracht en snelheid maakt hen zeer geliefd bij de
sportvisserij, terwijl hun vlees marktwaardig is.
@: Balaú di flambéu
zie @: Halfbek.
@: Bali’e sinta
(baliá
di
sinta) lintendans, is een volksdans van
Europese
oorsprong, die bij bijzonder feestelijke bijeenkomsten wordt
uitgevoerd. Op de maat van mazurka
of wals
worden in deze groepsdans linten om een paal
gevlochten.
@: Bali’e tambú
(baliá
di
tambú) zie @: Tambú.
@: Ballonvissen

komen in de Nederlandse Antillen in drie
soorten voor; ten eerste de bias
(Canthigaster rostrata), puffer of swellfish, en voorts
twee
soorten egelvissen, djindja
of hedgehog
(fam. Diodontidae). Als ballonvissen in het nauw
gebracht worden, slikken ze hun maag zo vol met water of lucht,
dat
ze ballonvormig opzwellen. Bij de egelvissen gaan dan bovendien
alle
stekels rechtuit staan. De bias blijft klein en leeft van kleine
prooi. De veel grotere egelvissen zijn slakken- en krabbeneters,
die
met hun zwaar gespierde, tandeloze kaken stevige schelpen en
pantsers kraken. Zij pakken een krab ergens willekeurig beet;
soms
heeft de krab dan gelegenheid de vis in zijn oog te knijpen maar
zelfs flinke hoornvliesbeschadigingen plegen in enkele dagen te
genezen zonder dat infectie optreedt. Verschillende inwendige
organen van de ballonvissen zijn giftig.
@: Balsamin
(Impatiens balsamina) of balsams, plantesoort
uit de
familie der Balsaminaceae. Kruid met dikke saprijke stengels,
bladeren gesteeld, lancetvormig met scherp gezaagde rand;
bloemen in
klein aantal in bladoksel, met 3 kelkbladeren waarvan één
gespoord
en 5 purperen, violette, roze of witte kroonbladeren. Afkomstig
uit
tropisch Azië. Gekweekt op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Baly, Camille E.
(Sint Maarten 1 Maart 1936) Engelstalige
exponent van de moderne dichtkunst in de Nederlandse Antillen.
Publiceerde poëzie en korte verhalen in Windward Islands’
Opinion,
Simadan en Ruku.
Wrk.: Sonny (1965). In voorbereiding:
The
Village (verhalen ontleend aan de orale geschiedenis van St.
Maarten).
@: Bamba
Een muziekinstrument dat uit twee
uitgeholde
stukken bamboe, kaña brabu
genaamd, bestaat. De bamboestengels treft men
aangespoeld op de kusten Bonaire en Curaçao aan. Uit deze
stengels,
met een doorsnee van ongeveer 7 á 8 cm, worden twee stukken van
ongelijke lengte - 60 en 70 cm - gesneden. Met uitzondering van
het
onderste tussenschot worden alle andere tussenschotten van ieder
stuk doorgestoken. Het onderste deel van de bamba wordt 10 cm onder
het
niet doorgestoken tussenschot afgesneden. De bamba wordt bespeeld
door
er ritmisch mee op een harde bodem te stampen; samen met andere
instrumenten, waaronder de kwarta
en de gitaar, wordt de bamba gebruikt ter
begeleiding
van liederen tijdens de San
Juan- en San
Pedro-feesten op Bonaire. Bij deze
begeleiding
heeft de bamba de functie van de contrabas.
De lengtes worden dan ook zodanig
afgesneden
dat, uitgaande van het langste stuk als grondtoon, het kleinste
stuk
de vierde toon zoveel mogelijk benadert. Dit instrument, in de
organologie bekend als stamping tubes, kent een wereldwijde
verspreiding: Afrika, Centraal- en Zuid-Amerika, Azië, Zuidzee.
Door
zijn eenvoudige structuur wordt het beschouwd als een van de
oudste
ritme-instrumenten.
@: Banaan
(Musa) behoort tot de familie der
Musaceae.
Men onderscheidt de suikerrijke bakoba, sweet banana of vigs (Musa sapientium),
die
men uit de hand eet en de zetmeelrijke banana, plantain of
porteau (Musa
paradisiacal,
die gebakken of gekookt wordt. Omstreeks 1915 waren er tamelijk
grote bananenaanplantingen op de Benedenwindse Eilanden. Nu
wordt
vooral de bakoba op beschutte plaatsen in de hofjes geteeld. Bij
de
bakoba onderscheidt men drie soorten: Bakoba kaska hel (gele
schil), bakoba kaska
bèrdè (groene schil) en bakoba titiaru (klein
formaat).
@: Banana di ref
Naam van twee plantesoorten:
1. Sesuviumc
portulacastrum,
op de Bovenwindse Eilanden sea
purslane, behorende tot de familie der
Aizoaceae.
Vlezige, neerliggende plant, zeer variable van vorm en kleur;
bloemen alleenstaand de bladoksels, groen aan buiten-, roze aan
binnenzijde. Op zilte standplaatsen, vooral langs zoutpannen en
saliñas, voornamelijk op kalk. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
2. Batis maritima, op de
Bovenwindse Eilanden wild
banana, behorende tot de familie der
Batidaceae.
Vlezige, overwegend rechtopgroeiende plant; bloemen moeilijk te
onderscheiden, gelig-groen, in okselstandige, korte bloeiwijzen.
Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Banana shimarón
Zie @: orchideeën.
@: Banco di Caribe N.V.
Zie @: Geld- en Kredietwezen.
@: Banco Industrial de Venezuela
Zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.
@: Band
of banda, heeft op de
Antillen
in het algemeen betrekking op een dansorkest, onafhankelijk of
het
een combo, een konhunto, een sexteto, quinteto, een
tipiko of een steelband betreft. Een
muziekkorps wordt ook banda genoemd.
@: Band’abou
Het westelijk gedeelte van Curaçao. In
de
19de eeuw was Band’abou
bestuurlijk verdeeld in het vierde en vijfde district. Later
werd
het gehele gebied in een (het derde) district ondergebracht met
een
districtmeester op de
plantage Dokterstuin.
Na
de inwerkingtreding van de Eilandenregeling kwam de
districtenverdeling te vervallen. Op Dokterstuin vindt men thans
een
hulpkantoor van het
Centrale Bestuurskantoor. De laatste tien jaar is het wegennet
sterk
verbeterd. Hierdoor onder meer geraakt Band’abou steeds meer uit
zijn traditionele isolement.
Barber heeft zich ontwikkeld tot het
belangrijkste
verzorgingscentrum van Band’abou terwijl de nieuwe wijk op Tera Korá een snelle
ontwikkeling meemaakt. Band’abou is voor velen woon- en
recreatiegebied. Dit laatste uit zich in het feit dat de meeste
grote baaien hier te vinden zijn evenals oude landhuizen, veel
natuurschoon en het Christoffelpark
(zie Parken).
Band’abou kent nog veel particulier
grootgrondbezit. In dit deel van Curaçao, door het C.B.S. (Centraal Bureau voor de
Statistiek) aangeduid als district West, woonden
18.854 personen in 1981. Ten westen van de lijn Seru Grandi-St.
Michielsbaai vinden we slechts ruim 11.000
personen. Band’abou kan dus als dun bevolkt gekarakteriseerd
worden.
@: Band’ariba
Het gedeelte van Curaçao beoosten
Willemstad. Evenals Band’abou was Band’ariba in de 19de eeuw
verdeeld in twee districten, het tweede en het derde. Later kwam
dit
gebied bestuurlijk onder een districtmeester te
vallen,
die zetelde op de plantage Rust
en
Vrede. De twee districten werden
samengetrokken.
Met de Eilandenregeling werd ook dit nieuwe district opgeheven.
Op
Rust, zoals het landhuis in de volksmond heet, is nu een hulpkantoor van het
Centraal Bestuurskantoor.
Band’ariba maakt als woongebied een
snelle
ontwikkeling door. De belangrijkste traditionele centra zoals
Sta. Rosa en Montaña
groeien steeds meer naar elkaar toe en vormen in
steeds toenemende mate een deel van het verstedelijkt gebied van
Curaçao.
In dit deel van Curaçao komt nog veel
particulier grootgrondbezit voor zoals onder meer de plantages Oostpunt, Fuik, Klein
St.
Joris, Groot
St.
Joris, Sta. Catharina en andere. Dit
grootgrondbezit beïnvloedt hier op duidelijke wijze de
ruimtelijke
ordening: de bevolkingsconcentraties houden bij deze
plantagegrenzen
op.
In de door het C.B.S. (Centraal Bureau voor de
Statistiek) gehanteerde districtenindeling
valt
een belangrijk gedeelte van het traditionele Band’ariba nu onder
‘Uitbreiding Stad’.
Dit
laatste omvat onder meer de wijken Sta. Rosa, Labadera en
Montaña Abou waar een
belangrijke bevolkingsconcentratie te vinden is. Het district Oost (volgens
C.B.S.) telt 13.804 inwoners (1981).
@: Banderita
Letterlijk vlaggetje, de naam voor
populaire
rijmen, geschreven op smalle strookjes papier die om een stokje
worden gewikkeld (zie @: Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
@: Bandidu
(Spaans bandido = bandiet)
wordt in
het vlak van de seksuele contacten gebezigd om zeer loszinnige
jongelieden, die zich weinig of geen zorgen maken om de
eventuele
consequenties van hun daden, aan te duiden. De term wordt
enigszins
geamuseerd gebruikt en getuigt van een zekere bewondering voor
deze
vorm van mannelijk gedrag, hetgeen samenhangt met het manbaarheidscomplex
(machismo). Als zodanig is de betekenis ook
veel
positiever dan die van abusadó.
@: Bank-, Geld- en Kredietwezen
@: Bankwezen; @: Geldwezen; @:
Kredietwezen

Foto: MCB (Maduro &
Curiel's
Bank) bankgebouw te Scharloo. De MCB is de grootste
bankorganisatie van Curacao en Caribisch Nederland met
filialen op bijna alle eilanden
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Geschiedenis
Hoofdstuk 2: Vestiging van commerciële
banken
- Sectie 1: Curaçao
- Sectie 2: Aruba
- Sectie 3: Bonaire
- Sectie 4: Bovenwinden
Hoofdstuk 3: Internationale
ontwikkelingen
Hoofdstuk 4: Secundaire bancaire
instellingen
Hoofdstuk 5: Consumentenleningen
Hoofdstuk 6: Instutionele
beleggers
Hoofdstuk 7: Centrale Bank
Hoofdstuk 8: Girodienst
Hoofdstuk 9: Banken algemeen
Hoofdstuk 10: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Bank-, Geld- en Kredietwezen
Hoofdstuk 1:
Geschiedenis
@: Geschiedenis Bankwezen; Geldwezen;
Kredietwezen
Het geringe aantal banktransacties
waaraan
de 19de-eeuwse handel behoefte had, werd door enkele
handelsfirma’s
verricht naast hun normale alledaagse handelszaken. Van deze
firma's
kunnen worden genoemd de nog belangrijke lokale firma’s S.E.L. Maduro & Sons, Edwards
Henriquez & Co., en verder Correa Hermanos, Araujo &
Meyer, en A.B.
Jesurun. In de toenmalige kolonie Curaçao
waar
landbouw, veeteelt, mijnbouw en industrie nauwelijks tot
ontwikkeling konden komen, was de doorvoerhandel vanouds de
beste
bron van inkomsten. Dank zij de goedgelegen en goedvoorziene
havens,
werd Curaçao en later ook Aruba een knooppunt voor opslag en
distributie. Het aantal scheepvaartlijnen dat Curaçao in hun
vaarplan opnam, nam de tweede helft van de 19de eeuw hand over
hand
toe. Bij gebrek aan voldoende Nederlandse of koloniale munten
waren
hier in de 19de eeuw vrij veel Venezolaanse zilveren munten in
omloop. In 1893 trof de regering van Venezuela bepaalde
monetaire
maatregelen, als gevolg waarvan deze munten afvloeiden, waardoor
moeilijkheden voor de handel ontstonden. Verscheidene firma’s,
zoals
de genoemde S.E.L. Maduro & Sons, Araujo en Meyer en verder
Jones & Borchert, Rivas,
Fensohn
en Co., en de Weduwe W.P. Maal, op
Curaçao, Ch. Eman op
Aruba, en J.W.F. Hellmund
op Bonaire, brachten daarop tegen het einde van
1893
particuliere bonnen van 25 cent, 50 cent, 1 gulden en f 2,50 in
omloop, die inderhaast op Curaçao waren gedrukt, en later, in
opdracht van de firma S.E.L. Maduro & Sons in New York. Deze
‘muntbiljetten’ bleven gangbaar totdat de Muntwet van 1889 in
1901
werd afgekondigd.
Behalve dat zij muntbonnen in omloop
brachten, boden sommige van deze handelshuizen aan het publiek
de
gelegenheid wissels getrokken op enkele van de toenmalige
financiële
centra te kopen of te verkopen. Zij kregen dan ook de naam:
‘Casas de Cambio’ -
wisselkantoren.
Daarnaast bestonden twee
hypotheekbanken,
namelijk de Spaar- en Beleenbank
van
Curaçao, opgericht in 1850, en de Curaçaosche Hypotheek
Bank,
in 1875 opgericht, die zich uitsluitend bezighielden met het
ontvangen van spaargelden, het nemen van gelden in administratie
tegen een bepaalde rente en het rendabel maken van die gelden
door
uitzetting op hypotheek. Eerstgenoemde bank verstrekte ook nog
voorschotten op roerend goed bij wijze van pand, waarvoor echter
alleen in aanmerking kwamen gouden en zilveren voorwerpen en
edelstenen.
De Curaçaosche Bank, als
Centrale
Overheidsbank,
gevestigd in 1828 en in 1962 van naam veranderd in Bank van de Nederlandse Antillen
(Centrale Bank) beperkte zich tot het in
omloop
brengen van betaalmiddelen en aanvullend optreden op het terrein
van
de kredietverlening. Van een eigenlijk bankbedrijf kon niet
gesproken worden.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen Hoofdstuk 2:
Vestiging van commerciële banken
Sectie 1:
Curaçao
@: Commerciele banken Curaçao
Met de vestiging van de olie-industrie
op
Curaçao in 1916 begon een algemene economische opleving van het
toenmalige gebiedsdeel. Ook de bankzaken namen dusdanig toe, dat
de
behoefte ontstond die in een zelfstandig bedrijf onder te
brengen.
De pionier van het bankwezen in de Nederlandse Antillen, Joseph Alvarez Correa,
firmant van het in 1871 gevestigde handelshuis Correa Hermanos,
besloot in
december 1916, samen met de in 1837 opgerichte firma S.E.L. Maduro &
Sons,
tot de oprichting van de eerste commerciële bank in de
Nederlandse
Antillen, de N.V. Maduro’s
Bank, die ook een der eerste bankbedrijven
was in
het gehele Caribisch gebied, met een volgestort kapitaal van fl.
1.000.000,=
Niet alleen de olie-industrie en zijn
employés boden de nieuwe bank de gelegenheid hun bankzaken te
behartigen maar de oprichting van Maduro’s Bank kwam
tevens
op het juiste ogenblik om de plaatselijke handel, die zich moest
aanpassen aan de nieuwe tijd, te helpen. De eerste betekenis van
de
Maduro’s Bank was en is nog altijd de lokale handel.
Foto's: Oprichters van de Maduro's Bank in 1917: De
heren Joseph Alvarez Correa
(links) en Salomon Elias
Levy Maduro (rechts). De fusie met de Curiel's Bank ter vorming
van
de Maduro & Curiel's Bank
NV
kwam in het begin van de 1930er jaren
In 1917 werd door de oude Curaçaosche handelsfirma Morris E. Curiel &
Sons
de Curiel’s Bank
opgericht. De nieuwe financiele instelling opende
de
deuren op Januari 2, 1917 aan de nog maagdelijke Plaza Jojo
Correa
met een basiskapitaal van een miljoen guldens en zes werknemers.
De
vooruitzichten waren goed, ondanks dat de komst van de Shell
naar
Curacao nog een jaar in de toekomst lag. Bij de grote malaise
die in
het begin van de 1930er jaren ook Curaçao trof - de salarissen
bij
de Shell daalden van 1930 tot 1932 van NAfl 21.500.000 tot NAfl
7.500.000 - verlieten 5.000 mensen in 1931 het eiland om een
beter
bestaan te zoeken in het buitenland. De economische structuur
van
Curaçao werd zodanig ontwricht, dat de Maduro’s Bank en de
Curiel’s
Bank tot een fusie besloten: Zij hadden beide dezelfde kring van
cliënten en konden met gecombineerde middelen ruimere
faciliteiten
ter beschikking stellen. De handelsstand, die, nadat de malaise
voorbij was, nieuwe initiatieven aan de dag legde, had hieraan
behoefte.
Als gevolg van deze fusie kwam de Maduro & Curiel’s Bank N.V.
(M.C.B.) tot stand; de eerste gecombineerde
balans werd op 1 januari 1932 gepubliceerd, waarop een statutair
kapitaal van NAfl 6.000.000 voorkwam en een gestort kapitaal van
Nafl 1.500.000. De Maduro &
Curiel's Bank N.V. heeft vervolgens een grote
bloei gekend. In de 1940er jaren werd een activa van ca 37
miljoen
guldens op de balans gepresenteerd; in de 1950er jaren bedroeg
het
werknemersaantal 150 mensen. Op Curaçao zijn momenteel 9
filialen in
gebruik, met moderne (technische) faciliteiten, zoals de
computer.
Op Bonaire heeft de volledige dochtermaatschappij Maduro & Curiel’'s Bank
Bonaire
N.V. twee kantoren. De op Aruba met 3
filialen
gevestigde Caribbean Mercantile
Bank
N.V. is ook in handen van de Maduro &
Curiel's Bank N.V. Op St. Maarten is de M.C.B. met een 77%
aandeel
in de Windward Islands
Bank vertegenwoordigd.
In 1969 nam The Bank of Nova Scotia
te
Toronto,
Canada,
een aandeel in de Maduro & Curiel’s Bank, waarmee de
groeiende
internationale verwevenheid van het Antilliaanse bankwezen
bevestigd
werd. Door de overname van het 10% aandeel van Bank Mees & Hope
verkreeg The Bank of Nova Scotia een totaal-aandeel van iets
minder
dan 50%. M.C.B. is momenteel eigenaar van bovenvermelde twee
hypotheekbanken.
In het trustwezen is M.C.B. actief via
de
beheersmaatschappijen AMACO
N.V., de Maduro
& Curiel’s Trust Company N.V. en de Caribbean Mercantile Trust Company
N.V. Op Aruba en Curaçao is de Caribbean Credit
Corporation gevestigd, met name gericht op de
persoonlijke kredietverschaffing terwijl de effectenhandel
gevoerd
wordt door de N.V. Trust- en
Administratie Maatschappij van Maduro &
Curiel’s Bank N.V. Maduro &
Curiel’s Bank Insurance Services N.V.
verzorgt de
afdeling verzekeringen. Mede door al deze dochters is de MCB
veruit
de grootste financiële instelling op de Antillen. Eind 1982
bedroeg
haar balanstotaal meer dan Nafl 820 miljoen.
Enkele jaren na de oprichting van de MCB
werd door een in Nederland gevestigde groep van banken - de
Hollandsche Bank voor
Zuid-Amerika en de Hollandsche Bank voor de
Middellandse
Zee - in samenwerking met de Koninklijke Nederlandsche
Stoomboot
Maatschappij (K.N.S.M.), besloten tot het
oprichten van de Hollandsche
Bank
voor West-Indië, met zetel te Amsterdam. Het
eerste kantoor van deze bank werd in 1919 te Willemstad geopend.
In
1935 kwam een samensmelting van deelnemende banken onder de naam
Hollandsche Bank-Unie
N.V. tot stand. De sterke groei die het
bankwezen
doormaakte wordt eind 1960ger jaren getypeerd door vele fusies
en
overnames. De Hollandsche Bank-Unie doet in 1968 haar intrede op
Bonaire door de Bonaire
Commercial
Bank, overgenomen door Edwards Henriquez & Co.
N.V. Deze bank wordt zelf vervolgens weer
overgenomen door de Hollandsche
Bank-Unie, welke naam vervolgens veranderd
wordt
in Antilliaanse Bank Unie
N.V. Nadat de Algemene Bank Nederland
N.V. met hoofdkantoor in Amsterdam, al eerder
eigenaar was geworden van de Antilliaanse Bank Unie, worden in
1972
tenslotte de naam en stijl van de eigenaar van toepassing op de
overgenomen banken. Sindsdien is de afkorting A.B.N.-Bank de gangbare
naam voor deze banken. Trustzaken worden behandeld door de A.B.N. Trust-company Curaçao en
St.
Maarten, N.V.
Fides en de Nederlandse Handelsmaatschappij
Trust
Kantoor Curaçao N.V. Daarnaast is de A.B.N.
eigenaar van de Antilliaanse
Financieringsmaatschappij ‘ANFIMIJ’ N.V., die
zich bezighoudt met financieringen van aankoop van auto’s, en de
Algemene Hypotheekbank N.V.
De huidige Barclays Bank of the Netherlands
Antilles N.V. werd in 1953 door
particulieren gesticht onder de naam Arubaanse
Financieringsmaatschappij
N.V. De naam veranderde in 1954 in Antilliaanse Financierings
Maatschappij en in 1959 in Banco Popular Antiliano
N.V., in 1976 in Banco Barclays Antiliano
en
tenslotte in 1982 in Barclays
Bank
of the Netherlands N.V. Het is een volledige
dochter van Barclays Bank
International Ltd Londen. Het is de enige
bank op
de Antillen die op alle zes eilanden is vertegenwoordigd.
De in 1973 op Curaçao opgerichte Banco di Caribe N.V. is
samen met de Aruba Bank
de enige bank die volledig in Antilliaanse handen
is.
Eind 1983 opende zij een kantoor op Aruba.
Sinds 1969 is de Bank of America N.T. &
S.A. met een filiaal op Curaçao in de
Antillen
vertegenwoordigd. In December 1983 werd dit filiaal overgenomen
door
de Amerikaanse bank Bank of
Boston. Ook Banco
Industrial de Venezuela heeft sinds 1973 een
kantoor op Curaçao.
- Bank-, Geld-
en
Kredietwezen - Hoofdstuk 1 -
Sectie 2: Aruba
@: Commerciele banken Aruba
Op Aruba zien wij soortgelijke
ontwikkelingen als op Curaçao. Door de firma John G. Eman, die
gedurende
enige tijd in beperkte mate bankzaken deed, werd in samenwerking
met
de Maduro & Curiel’s Bank in 1936 overgegaan tot de
oprichting van de eerste bank op Aruba, de Aruba Bank N.V. te
Oranjestad. In 1962
kwam
deze samenwerking ten einde en onder dezelfde naam Aruba Bank
N.V. zetten de erven van Eman de bank voort. De Maduro
&
Curiel’s Bank bleef haar relaties dienen met een bijkantoor op
Aruba
totdat zij in samenwerking met de Nederlandse Overzee Bank
N.V. in 1963 de Caribbean Mercantile Bank
N.V. oprichtte.
In dezelfde tijd als de Aruba Bank
opende
ook de Hollandsche Bank-Unie
N.V.
een kantoor in Oranjestad, en zowel de Aruba Bank
als
de Hollandsche Bank-Unie openden in 1946 bijkantoren in San Nicolas, speciaal
ten
gerieve van de aldaar werkzame Lago
Oil & Transport Company Ltd. en haar
buitenlandse employés. Door samenwerking met Edwards, Henriquez &
Co. en enige handelaren op Aruba, kwam in
1949 de
oprichting tot stand van de Aruba
Commercial Bank N.V. Zoals hierboven onder
‘Curaçao’ al vermeld, gaat deze bank in 1972 samen met de
Hollandsche Bank-Unie op in de Algemene Bank Nederland
N.V. In 1959 vestigde Banco Popular Antiliano
N.V. zich op Aruba. In 1965 opende deze bank
een
filiaal op Curaçao en in 1963 één op St. Maarten, gevolgd in
1968
door een vestiging op Saba en in 1969 door één op St. Eustatius.
Zoals vermeld werd in 1982 de naam veranderd in Barclays Bank of the Netherlands
Antilles N.V. In 1969 opende de Amerikaanse
bank
Citicorp een filiaal
onder de naam Citibank
op
Aruba. Het in 1974 geopende filiaal op Curacao werd in 1978
gesloten.
- Bank-,
Geld-
en Kredietwezen - Hoofdstuk 1 -
Sectie 3:
Bonaire
@:
Commerciele banken Bonaire
Aan het begin van de 1960er jaren eisten
de
ontwikkelingen op Bonaire en de Bovenwinden, speciaal door het
toegenomen toeristische verkeer, ook de aandacht van de
bankinstellingen op Aruba en Curaçao op. Sinds de oprichting van
de
Curaçaosche Bank had
deze
via agentschappen op Bonaire en St. Maarten de handel op deze
eilanden een beperkte bankservice geboden. In 1962 ging de
Maduro
& Curiel’s Bank over tot het vestigen van een
dochter op
Bonaire, onder de naam Maduro
&
Curiel’s Bank (Bonaire) N.V. Ook in 1962
opende
Edwards, Henriquez & Co.’s Bank N.V. een bank op
Bonaire,
onder de naam Bonaire Commercial
Bank N.V.; de activiteiten werden in 1968
overgenomen door de huidige Algemene Bank Nederland N.V.
Barclays Bank of the Netherlands Antilles opende in 1966
een
filiaal op Bonaire.
- Bank-,
Geld-
en Kredietwezen - Hoofdstuk 1 -
Sectie 4:
Bovenwinden
@:
Commerciele banken Bovenwinden
In 1959 vestigde de Maduro &
Curiel’s
Bank in samenwerking met haar correspondent C.W. Wathey de eerste
bank
op St. Maarten, de Bank van de
Bovenwinden N.V. (The Windward Island Bank
Ltd.). In 1963 volgde de toenmalige Banco
Popular. Deze bank opende in 1968 en 1969 als enige bank op de
Antillen ook filialen op Saba en St. Eustatius. Met de overname
van
Edwards, Henriquez & Co.’s Bank N.V. verkreeg de Algemene
Bank
Nederland N.V. ook een vestigingsvergunning voor St. Maarten,
waar
zij in 1973 gebruik van maakte. In 1969 stichtte de Bank of Nova Scotia uit
Toronto, Canada een dochtermaatschappij op St. Maarten: The Bank of Nova Scotia
N.V. Zij werd hierin gevolgd door de Chase Manhattan Bank
uit de
V.S., die in 1971 een filiaal opende op St. Maarten:
The Chase Manhattan Bank
N.A.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 3:
Internationale ontwikkelingen
Tot 1969 was het beleid gericht op zo
min
mogelijk buitenlandse (deelnemingen in) banken. Door het
toenemende
belang van de off-shore sector
voor de Antillen, gepaard gaande met een stijgend
vertrouwen van het buitenland in de Antillen, veranderde dit.
Ook
het inzicht dat internationale concurrentie positief zou
uitwerken
op het bankwezen en het toenemende belang van het toerisme
wijzigden
het beleid. Eerst werd één buitenlandse bank per eiland
toegestaan,
later meer. Zo veranderde binnen 25 jaar het bankwezen van
lokaal
gerichte instellingen met een voornamelijk Antilliaans karakter
naar
een internationaal georiënteerd financieel systeem.
De toegenomen onderlinge concurrentie
zorgde
voor een betere service en een moderne bedrijfsvoering en een
nog
steeds toenemend netwerk van filialen.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 4:
Secundaire
bancaire instellingen
De ontwikkelingen van de secundaire
bancaire
instellingen, waaronder vallen die financiële instellingen
waarmee
de cliënten geen rekening-courant-verhouding kunnen aangaan en
waarbij tegelijkertijd kortlopende leningen kunnen worden
opgenomen,
bleven achter bij die van de primaire banken.
Wat het spaar- en hypotheekwezen
betreft,
naast de eerder genoemde Spaar-
en
Beleenbank N.V. en de Curaçaosche Hypotheek Bank
N.V., welke beide dochters zijn van de Maduro
en
Curiel’s Bank N.V., werd in 1905 opgericht de Curaçaosche Post
Spaarbank,
later genoemd de Postspaarbank
van de Nederlandse Antillen, met kantoren op alle
eilanden. De tegoeden van de inleggers worden door het
gouvernement
gewaarborgd (zie verder @: Posterijen). De pogingen van de
overheid
om de hypotheekmarkt te versterken hadden geen succes. De in
1956
opgerichte Bouwkredietbank van
de
Nederlandse Antillen is inmiddels opgeheven.
Hetzelfde lot onderging de in 1962 opgezette Volkskrediet Bank van de
Nederlandse
Antillen. De particuliere banken zijn nog wel
met
relatief kleine hypotheekbanken vertegenwoordigd. Curaçao:
M.C.B.:
zie boven; A.B.N.: Algemene Hypotheek Bank (1973) en Barclays:
Antilliaanse Hypotheek Bank N.V. (1968). Daarnaast hebben de
overheidspensioenfondsen in 1977 de Centrale Hypotheekbank
N.V.
met kantoren op Curacao en Aruba opgericht.
Eveneens bevinden zich op Aruba: Banco Nacional de Hipotecas
N.V. (1975) en de Stichting Bouwfonds N.V.
Electriciteits-Maatschappij ’Aruba’ (1978).
De op
St. Maarten gevestigde Caribbean
Mortgage Bank N.V. (1975) is in handen van
het
Algemeen Pensioenfonds van de
Nederlandse Antillen (A.P.N.A.). Genoemd
kunnen
nog worden de twee nieuwe ontwikkelingsbanken, de Ontwikkelingsbank van de
Nederlandse
Antillen N.V. en de Banco Arubano di Desarayo
N.V. (zie @: Ontwikkelingsbanken).
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 5:
Consumentenleningen
@: Consumentenleningen
De financiering van onder anderen
duurzame
consumptiegoederen kunnen op Curaçao verkregen worden bij de
Corporashon pa Desarollo di
Corsow
(Codeco) N.V.
Op Curaçao en Aruba heeft de M.C.B. de
Caribbean Credit Corporation
(1964) en de A.B.N.
de Antilliaanse Financieringsmaatschappij (Anfimij)
N.V. (1969). De firma H.J. Ruiz op
Aruba
verstrekt ook consumentenleningen. Op St. Maarten heeft I.T.T. Financial
Corporation de Island Finance N.V.
(1979)
opgericht, waarna ook vestigingen kwamen op Curaçao en
Aruba.
Ook de 34 Credit Unions
verstrekken persoonlijke leningen aan hun leden.
Eind
1982 hadden de gezamenlijke secundaire bancaire instellingen
voor
Nafl 57,5 miljoen aan hypotheken en Nafl 15,4 miljoen aan andere
leningen aan de private sector verstrekt. Hiertoe hadden zij
NAfl
20,1 miljoen aan spaar- en termijn deposito's opgenomen, en voor
Nafl 58,8 miljoen aan fondsen geleend, waarvan Nafl 26,7 van
financiële instellingen. De buitenlandse activa bedroegen 4,5%,
namelijk Nafl 4,1 miljoen van de totale activa.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 6:
Instutionele
beleggers
@: Institutionale beleggers
Een grote rol bij het genereren en
reguleren
van spaargelden hebben de levensverzekeringsmaatschappijen en
pensioen-, spaar- en voorzieningsfondsen. Tezamen met de
secundaire
bankinstellingen vormen deze zogenaamde institutionele beleggers
de
secundaire financiële instellingen. Ennia en De Nationale Nederlanden
(Fatum) hebben op de Antillen zowel een
levensverzekerings- als een schadeverzekeringsbedrijf. Andere
grote
levensverzekeringsbedrijven zijn van American Life, British American
Travelers, Crown Life en National Life. Eind
1982
was van de totale passiva á Nafl 173,0 miljoen van de
Anttilliaanse
levensverzekeringsmaatschappijen Nafl 149,2 miljoen afkomstig
uit de
geaccumuleerde premie-opbrengsten, die kunnen worden gezien als
besparingen. Van de totale active was 36,1 % belegd in het
buitenland. De belangrijkste institutionele beleggers zijn de
pensioen-, spaar- en voorzieningsfondsen. Praktisch alle grote
Antilliaanse bedrijven hebben een eigen pensioen-, dan wel een
voorzieningsfonds.
Van het balanstotaal van eind 1982 á
NAfl
860,7 miljoen was Nafl 809,= miljoen geboekt als kapitaal en
premiereserves. Nafl 529,0 miljoen, wat overeenkomt met 65,3%,
was
in het buitenland belegd. Totaal was eind 1982 door alle
secundaire
financiële instellingen tezamen 59,0% van hun activa in het
buitenland belegd. Dit was totaal Nafl 567,7 miljoen. Aan
hypotheken
Nafl 140,1 miljoen verstrekt en aan overige leningen Nafl 212,7
miljoen = aan particulieren en Nafl 47,8 aan de overheid. Het
totaal
aan premie-reserves en kapitaal was opgelopen tot Nafl 969
miljoen.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 7: Centrale
Bank
@: Centrale Bank
Officieel genaamd Bank van de Nederlandse
Antillen. De op 26 februari 1828
opgerichte
Overheids-Bank, de
oudste
Centrale Bank van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, trad tot
1908 voornamelijk aanvullend op inzake de kredietverlening aan
de
handel. Tevens fungeerde zij als circulatiebank daar zij de
uitgifte
van bankbiljetten verzorgde. In 1907 werd het Bankstatuut uit
1828
herzien. Tegelijk met een nieuwe naam, de Curaosche Bank, kreeg
de
bank ook een duidelijk omschreven doel naast de taak te fungeren
als
circulatiebank, namelijk de bevordering van de economische
ontwikkeling van de kolonie
Curaçao.
Krachtens dit nieuwe bankstatuut (P.B.
1907,
no. 9) werd aan haar werkzaamheden de wisselhandel
toegevoegd. De
werkzaamheden van de bank bepaalden zich toen nog hoofdzakelijk
tot
de uitvoering van financiele commissies voor het gouvernement,
het
in- en verkopen van wissels op de Bovenwindse Eilanden door
tussenkomst van haar vertegenwoordigers en het in ontvangst
nemen
van stortingen voor het doen van overmakingen aan het Nederlandse Clearing
Instituut. Bij de bezetting van Nederland, in
mei
1940, werden verschillende deviezen-noodmaatregelen getroffen,
waarbij de Curaçaosche Bank enige bevoegdheden werden toegekend.
Bij
de zorg voor een behoorIijke voorziening in de
bankbiljettencirculatie, welke zich ten gevolge van de
economische
opbloei snel en zeer belangrijk uitbreidde, ontstond voor de
bank de
moeilijkheid voldoende deviezen beschikbaar te hebben voor de
handel
en moest ze voorts ook, zoveel als in haar vermogen lag,
trachten de
Curaçaosche gulden zeker te stellen tegenover de zwak geworden
Europese valuta’s. Hieruit kwam de Curacaosche Muntregeling 1942
voort (zie @: Muntwezen). Sinds 23 december 1971
geldt voor de Antilliaanse gulden: US $ 1 = Nafl 1.79000.
De Deviezennoodmaatregel
(Deviezenlandsverordening 1940), waarbij het
toezicht
op het deviezenverkeer aan de Centrale Bank werd toevertrouwd,
bleef
na de oorlog in enigszins gewijzigde vorm bestaan, terwijl een
deviezencommissie
belast
werd met de côntrôle op de naleving van de uitgevaardigde
voorschriften. In 1961 werd het Bankstatuut vernieuwd
(P.B.
1961, no. 158) waarbij naast de naamsverandering tot Bank van de Nederlandse Antillen
(B.N.A.), de bank als taak kreeg het
bevorderen
van de stabiliteit van de waarde van de geldeenheid. Daarnaast
werd
de B.N.A. de centrale
deviezenbank
van het Land, met het beheer over en de
côntrôle
op de besteding van de beschikbare deviezen. Tot uitoefening van
deze laatste taak werd de bank in staat gesteld bij de opheffing
in
1971 van de deviezencommissie, die haar taken naar de B.N.A.
(P.B.
1971, nr. 149) overrhevelde.
Een nauwkeurige opstelling van de
betalingsbalans werd nu mogelijk. De tot dan toe gevraagde
verklaring van invoer van goederen werd opgeheven. De
registratie
vond nu achteraf plaats. Alleen voor een beperkt aantal
transacties
is nog vooraf toestemming nodig. De totaal opgebrachte
zogenaamde
deviezenprovisie, die men verschuldigd is bij transacties, die
ten
laste gaan van de Antilliaanse deviezenvoorraad, beliep in 1982
Nafl
15,8 miljoen. In 1983 werd de heffing verhoogd van 0,8% naar
1,3%.
De B.N.A. stelt dagelijks de wisselkoersen van de buitenlandse
valutas vast, uitgaande van de vaste koppeling aan de US-dollar,
waartegen de banken moeten handelen. Het bankstatuut maakte de
Bank
tevens tot ‘lender of last
resort’. De B.N.A. kan onder andere wissels
en
schatkistpapier belenen en daarmee banken helpen hun tijdelijke
liquiditeitstekorten te overbruggen. Dagelijks vindt ten kantore
van
de B.N.A. de ‘clearing’ plaats, van gemiddeld 4.000 transacties
met
een totale waarde van Nafl 6 miljoen. De banken houden een
rekening
aan bij de B.N.A. De bank kan ook andere gelden op deposito of
rekening-courantbasis of in consignatie opnemen. Tevens kan zij
kasvoorschotten aan de Centrale Regering verstrekken om
tijdeIijke
tekorten te dekken. Hiervan maakt het land vanaf 1972 gebruik.
In
1970 werd de rol van de B.N.A. als circulatiebank vastgelegd in
P.B.
1970, nr. 105. In 1972 werden zowel het kapitaal als de reserves
van
de B.N.A. verhoogd van Nafl 4 naar Nafl 10 miljoen. Daarnaast
zijn
inmiddels bijzondere reserves opgebouwd tot Nafl 43,8 miljoen.
Een
groot gedeelte van de winst wordt aan de Landsregering
afgedragen.
Door de Landsverordening houdende regeling
van
het toezicht op het bank- en kredietwezen 1972
(P.B. 1972, nr. 138 en 212) heeft de B.N.A. de
beslissingsbevoegdheid bij het toelatingsbeleid ten aanzien van
financiële instellingen. Ook stelt deze wet haar in staat om
effectief bedrijfseconomisch toezicht op de toegelaten
kredietinstellingen uit te oefenen, onder andere door het
opleggen
van solvabiliteits- en liquiditeitseisen en door middel van de
maandelijke rapportages van de instellingen.
Na jaren van lage inflatie en
dienovereenkomstige evenwichtige monetaire ontwikkelingen nam in
de
jaren 1973-1975 en 1979 en 1980 de geldontwaarding jaarlijks met
meer dan 10% toe. De bankbiljettencirculatie en de saldi bij de
Centrale Bank namen door stijgende spaartegoeden minder toe.
Door
hoge deviezeninkomsten uit de olie- en financiële
off-shoresector
bleef het dekkingspercentage stijgen. Het totaal van de door de
Centrale Bank in circulatie gebrachte bankbiljetten, alsmede de
saldi in rekening-courant bij deze instelling, werden eind
oktober
1983 voor meer dan 150% gedekt door de aanwezige goud- en
deviezenvoorraad.
In de jaren 1969-1974, 1979-1980 en 1983
werd in overleg met het bankwezen besloten de kredietverlening
te
beperken om zodoende de bestedingen af te remmen. In 1978 vierde
de
bank haar 150jarig bestaan onder andere door de uitgifte van het
door dr. J. van Soest
geschreven boek: Trustee of the Netherlands
Antilles, dat de geschiedenis van de B.N.A.
behandelt. In 1977 betrok het hoofdkantoor op Curaçao en in 1978
het
bijkantoor op Aruba een nieuw gebouw. Hierboven is de balans van
de
B.N.A. per eind oktober 1983 weergegeven. De goudvoorraad staat
gewaardeerd tegen Nafl 75,57 per troy ounce.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 8:
Girodienst
@: Girodienst
In 1965 werd door het Eilandgebied
Curaçao
een girodienst begonnen, gebaseerd op het systeem van de
Amsterdamse
gemeentelijke girodienst. Deze dienst, waarvan vooral gebruik
wordt
gemaakt door overheidsinstanties, groeide gestaag tot en met
1977.
Daarna trad een stabilisatie in met een totale inleg van
privé-rekeninghouders van rond de NAfl 25 miljoen. Het
Eilandgebied
maakt gebruik van de middelen, wat haar enig rentevoordeel
oplevert.
Eind 1982 had de Girodienst een claim van Nafl 55 miljoen op
Curaçao.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 9: Banken
algemeen
Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft
zich
in de 1960ger en 1970ger jaren een sterke expansie voorgedaan in
de
financiële wereld. Het aantal toegelaten primaire (deviezen)
banken
nam sterk toe, evenals het aantal filialen. De geld- markt
speelt
zich geheel via het bankwezen af evenals het kapitaalverkeer bij
afwezigheid van een kapitaalmarkt. De totale werkgelegenheid bij
de
financiële instellingen is sterk toegenomen. Eind 1982 werkten
rond
1500 mensen bij de primaire banken. Totaal bood de financieele
sector rond 5.000 mensen werk. Op Curaçao, Aruba en de
Bovenwinden
hebben de bankiers zich verenigd in bankiersverenigingen. Ook de
offshorebanken hebben een belangenvereniging opgericht.
De rekening-couranttegoeden groeiden
veel
harder dan het volume munten en bankbiljetten, hetgeen een teken
is
van een goed ontwikkelde geldmarkt. De totale termijndeposito’s
en
spaartegoeden namen ook sterk toe, waardoor het inflatie-effect
van
de 1970ger jaren werd gematigd. De banken houden 20% van het
geldaanbod aan als rekeningcourant en 55% in de vorm van
termijndeposito’s en spaartegoeden. Half 1983 had het publiek
bij de
primaire banken 211.225 spaarboekjes en spaarrekeningen, wat
zeer
opmerkelijk is, daar de bevolking rond de 250.000 bedraagt.
Totaal
is er NAfl 779.6 miljoen via deze rekeningen gespaard, wat
neerkomt
op NAfl 3.691,- per rekening. Gemiddeld ligt de duur van zo'n
rekening op 15 maanden. Sinds 1970 ligt de rente op
spaartegoeden op
5%. Het accent bij de kredietverlening van de banken blijft op
de
korte termijn gericht op de sectoren handel, particuliere
consumptie
en de bouw. De banken blijven door de jaren heen substantiële
tegoeden in het buiten land aanhouden. 75% van het totale
geldaanbod
van NAfl 1,4 miljard staat bij het bankwezen. Het restant is
verdeeld over bankbiljetten, munten en de girodienst.
Bank-, Geld- en
Kredietwezen -
Hoofdstuk 10:
Literatuur
- Bank van de Nederlandse Antillen,
Quarterly Bulletins en Jaarverslagen;
- H.C. Beers, An introduction to the
financial system of the Netherlands Antilles (1980);
- idem, Savings behaviour, longterm
capital shortage and the role of the commercial banks in the
Netherlands Antilles (1983);
- C.S. Gorsira J.P .Ezn., Het
Nederlandsch courant in Curaçao en zijne gevaren voor de
welvaart van dit gebiedsdeel (1941);
- J. Hartog, Het verhaal der Madur’s
(1962);
- Nationale Rekeningen van de
Nederlandse
Antillen 1957-1979;
- J. van Soest, Trustee of the
Netherlands Antilles (1978).
@: Bank of America NT&SA .
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Bank of Nova Scotia N.V., The
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Bank van de Nederlandse Antillen
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen;
zie @: Centrale Bank
@: Barakuda

(Sphyraena barracuda) of piku(da) behoort tot de
meest spectaculaire vissen die men onder water ontmoet. Deze
snoeken, die een lengte van 2 meter kunnen bereiken, grijpen met
hun
ontzagwekkend gebit, prooien die half zo lang als zijzelf zijn
en
soortgenoten van ¾ van hun eigen lengte. Kleine vis gaat
in
zijn geheel naar binnen, grotere vis wordt met een beet in twee
stukken gebeten. Zij maken de indruk erg nieuwsgierig te zijn en
volgen zwemmers op korte afstand. Aanvallen van barakuda’s zijn
-
althans in helder water - nauwelijks bekend. Hun vlees wordt
veel
gegeten. Op de Bovenwinden zijn bepaalde visgronden berucht
vanwege
de ciguatera-ziekte,
die
het consumeren van daar gevangen barakuda’s met zich meebrengt
(zie
@: Voedselvergiftiging).
@: Barba di kadushi
(Tillandsia recurvata) Marí di palu of old man’s beard,
plantesoort uit de familie der Bromeliaceae. Epifyt, als grijze
bollen op takken van bomen levend; bladeren lijnvormig,
grijsgeschubd; bloemstelen naar buiten stekend; bloempjes
3-tallig,
liehtpaars; zaden met lang zaadpluis. De planten werden op de
Bovenwindse Eilanden gebruikt om matrassen en kussens op te
vullen.
Algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Barba di jònkuman
(Albizzia lebbeck) of woman’s tongue,
plantesoort uit de familie der Mimosaceae. Grote boom met dubbel
veervormig samengestelde bladeren waarvan de blaadjes tot 4cm
lang
en 2cm breed zijn; bloemen in hoofdjes, klein en groenig maar
met
veel, zeer lange meeldraden; peulen lang en plat, gelig wit.
Gekweekt maar ook verwilderd. Beneden- en Bovenwindse
Eilanden.
@: Barber
dorp in het westen van Curaçao langs de
grote weg naar Westpunt met het belagrijkste verzorgingseentrum
van
Band’abou: kerk (begin 19de eeuw), verschillende typen scholen,
markt, politiebureau en dergelijke. Barber, 2074 inwoners
(1981),
heeft tevens een aantal detailhandelszaken en dienstverlenende
instellingen. Zie verder ook @: Band’abou
@: Barbí(shi)
of goatfish
is de naam die aan twee verwante vissoorten
gegeven
wordt: Mulloidichthys martinicus en Pseudopeneus maculatus.
Beide
soorten zijn in de Nederlandse Antillen zeer algemeen. Zij
zwemmen
in scholen en zijn gedurig bezig met hun twee naar buiten
uitgestoken kinbaarden de bodem op iets eetbaars af te tasten.
Deze
vlezige baardjes zitten vol zintuigcellen. Soms steken de
Barbelen
hun kop ver in het zand, waarbij het zand dat zij met de mond
opnemen, ter weerszij door de kieuwspleten naar buiten geblazen
wordt. Zij leven uitsluitend van kleine bodemorganismen en van
detritus.
@: Barbulètè
barbuleta, barbulèt, butterfly of
moth, vormen de orde
Lepidoptera of Schubvleugelige insekten. Uit hun eieren komen de
rupsen (die algemeen bichi worden genoemd),
die
meestal van plantevoedsel leven en na verpopping weer vlinders
leveren. Deze orde is nog verre van volledig bekend in de
Nederlandse Antillen; in het Tijdschrift voor
Entomologie van 1887 staat een lijst van
P.C.T. Snellen,
waarin 153
soorten worden vermeld. Dit aantal zal bij serieus verzamelen
wellicht tot het dubbele kunnen stijgen. Slechts enkele
opvallende
soorten en families worden hier genoemd. Een heel algemene
dagvlinder is Dione
vanillae, oranjebruin met parelmoervlekken
aan de
onderkant der vleugels; de rups leeft op de korona di la birgen.
Ascia monuste zou men een koolwitje kunnen noemen; de
groene rups vindt men op de bènbom.
Urania leilus is een bijzonder fraaie grote zwart met
groene trekvlinder uit Venezuela, met lange wit en blauwe ‘staarten’ aan de
aehtervleugels. Het is een overdag vliegende nachtvlinder,
behorende
tot de Spanners. Vele
soorten van blauwtjes
(Lycaenidae) en dikkopjes (Hesperidae)
komen af op bloemen van de dividivi en mata di galiña. Een
bekende
trekker, ook wel inheems op de Asclepiadeceae is de monarch (Danaus
erippus),
geelbruin met zwarte vleugeladers en witte puntjes langs de
vleugelranden. Een op de oleander (Plumeria) schadelijke rups,
zwart
met gele ringen en roze poten, levert een pijlstaartvlinder of
hawk moth
(Pseudosphinx
tetrio). Erebus odora, op de Bovenwindse Eilanden bat genoemd, is een
donkerbruine nachtvlinder (familie Noctuidae), die in het
volksgeloof een voorbode van de dood is. ‘s Avonds verschijnen
bij
de lamp talloze ‘Uiltjes’
(Noctuidae) en Spanners (Geometridae); de rupsen van de laatste
kruipen als landmeters zieh krommend en strekkend voort. Verder
wemelt het van vele kleine soorten motjes uit diverse families,
wel
aangeduid als Microlepidoptera.
@: Barclays Bank of the Netherlands
Antilles
N.V.
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Barigonchi
zie @: Tandkarpers.
@: Barika-hel
(Coeraba flaveola) is één van de meest
talrijke en geliefde zangvogeltjes van de Nederlandse Antillen.
Het
komt in verschillende ondersoorten voor. Terwijl het op Aruba
dezelfde naam draagt als op Curaçao - barica geel - (lett.
geelbuikje), sommigen spreken van pechu geel (lett.
geelborstje), wordt het op Bonaire chibichibi bachi pretu
(lett. zwartjasje) genoemd.
Het vogeltje, dat op de Bovenwindse
Eilanden
yellow breast heet,
is
door de Nederlanders omgedoopt tot suikerdiefje: het wordt
vaak zo tam, dat het op de porch of tot in huis toe uit de
suikerpot
komt snoepen. Het is een echte bloemenbezoeker maar vangt ook
talloze kleine insekten. Het nest wordt tot vlak bij of zelfs in
huizen gehouwd, een bolvormige hechte constructie, waarin
allerlei
vezelig materiaal kan worden verwerkt, met een opening aan de
zijkant. Er zijn meestal 3 eieren en er wordt in alle maanden
van
het jaar gebroed.
@: Bark’i bela
(barku di bela) zie @:
Vissersvaartuigen.
@: Basiruti
Deel van de zuidwestelijke kust van
Aruba,
aansluitend bij Palm
Beach, waar in 1957 het eerste resort-hotel werd
gebouwd.
@: Basisleerplan
zie @: Onderwijsvernieuwing.
@: Bastaard
is een persoon die uit een onwettige
verhouding van een man en een vrouw werd geboren. In oude tijden
kregen sommige onwettige nazaten van de Nederlandse adel wel de
toevoeging ‘bastardus’
bij hun naam, hetgeen hen in status wel verhief boven de vrouw
van
lagere stand bij wie zij waren verwekt, zonder dat zij echter
tot de
stand van de vader werden gerekend. In Nederland droeg de
onwettig
geborene een niet gering sociaal stigma. In de Nederlandse
Antillen
heeft het principe van legitimiteit echter een bijzonder
karakter,
waardoor met name in de lagere sociale strata men iemand zijn
illegitieme geboorte niet zo zwaar aanrekent. Hoewel het
wettige,
monogame huwelijk - en dus ook de legitieme geboorte - voor
grote
delen van de lagere bevolkingsgroepen normatief is, kan men het
eigen normbesef op dit punt onder meer verklaren uit de
historische,
sociale en economische tenachterstelling van deze groepen. Door
gebrek aan middelen kon men niet in het huwelijk treden.
Voor zover het seksuele voor- en
buitenechtelijke gedrag van de vroegere blanke groepen als
richtinggevend aan het handelen in de gekleurde lagere strata
kan
worden gezien, mag ook daaraan een verklarende betekenis ten
aanzien
van het eigen normbesef toegekend worden. (Zie @:
Illegitimiteit)
@: Bastèl
Een slaginstrument, dat bestaat uit een
voor
driekwart met water gevulde tobbe en een halve, uitgeholde
kalebas
(crescentia cujete) die met de holle kant op het water drijft,
werd
bespeeld met de toppen van de vingers, waarmee op de bolle kant
van
de kalebas werd getrommeld. De bastèl werd gebruikt
als
inspirerend, ritme-ondersteunend instrument bij het componeren
van
seú-liederen, ook wel
‘kantik'e makamba’
genaamd.
Deze liederen werden daarom ook ‘kantika di bastèl’ of
simpelweg ‘bastèl’
genoemd. Oogstfeest- of seú dansen heten ook
bastèl. Deze dansen werden uitgevoerd op de ‘seú-liederen’,
begeleid
door de tambu, kachu
en
agan. Onder de
benaming
gi dunu is deze
watertrom
eveneens bekend in West-Afrika. Het zijn vooral de Malinke (Guinee, Mali,
Senegal) en de Senufu
(Ivoorkust) die dit instrument bij voorkeur in paar
(kwart-interval)
bespelen.
@: Batata dushi
zie @: Ipomoea.
@: Bati huda
(lett. Judas een pak slaag geven) werd
vroeger door jongens op Paaszaterdag gedaan: tegen of op Goede
Vrijdag werd een oud kostuum opgevuld met houtkrullen en restjes
van
stoffen. Deze reuzepop werd door de straten gesleurd terwijl de
jongens met stokken gewapend, onder het uiten van verwensingen
aan
Judas’ adres er zo lang op los sloegen totdat de pop helemaal
uit
elkaar viel. Judas werd op deze wijze symbolisch voor zijn
verraad
gestraft.
@: Batrei, Bolo di / @: Bolo di
batrei
Taartsoort bestaande uit verschillende
verdiepingen, die vooral voor communie-feest of voor bruiloft
wordt
gemaakt. Op Aruba: bolo di
bruid of
bolo di
andana.
@: Batrei, Djaka di / @: Djaka di
batrei
(batterij-rat), denigrerende naam voor
afstammelingen van personen die tot de lagere rangen van het
garnizoen hebben behoord.
@: Baúl
Bij delen van de lagere bevolking in de
Antillen bestaat de gewoonte kleren, waardepapieren of geld op
te
bergen in een houten kist met een gewelfd deksel. Het binnenwerk
wordt steevast met behangselpapier bekleed. Ook andere
opbergruimten
zoals bijvoorbeeld hutkoffers worden baúl genoemd. (Spaans
baúl = grote
koffer).
@: Beaujon, Alette
Antilliaanse dichteres (Curaçao 1 mei
1934).
Haar gedichten zijn geschreven in een sfeer van vage
dromerigheid,
waarin het Antilliaanse landschap zich niettemin vaak in vaste
omlijning vertoont (zie ook @: Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
Wrk.: Gedichten aan de baai en elders
(1957).
@: Beckers, Hubert Hendrik Adolf
(Curaçao 17 december 1922) behaalde aan
het
Utrechts conservatorium cum laude het solistendiploma voor zang.
Was
tot 1982 werkzaam als zangleraar aan de Muziekakademie, de
middelbare scholen en de Fundashon
di Musika (F.I.M.); treedt op in oratorium-
en
operaconcerten.
@: Bedrijfsleven
zie @: Vereniging Bedrijfsleven Curaçao
(@:
V.B.C.).
@: Bedrijfsregistratie
zie @: Arbeidsregistratie.
@: Bedrijfsscholen
zijn scholen die aan een bedrijf zijn
verbonden en een opleiding verzorgen voor een specifieke functie
in
dat bedrijf. De bedrijfsschool van de Shell Curaçao N.V. op
Curaçao heeft de laatste jaren sterk aan betekenis ingeboet.
Naar
behoefte worden cursussen ingesteld voor de opleiding tot ‘plantmechanics’,
machinemonteur, instrumentatievakman, laborant, 'process-operator',
movement-operator, of
utility-operator. De
meeste
cursussen duren twee jaar. Toelatingseisen: diploma I.T.S. of
Mavo
IV met wiskunde. In 1983 telde de bedrijfsschool 51 leerlingen
waarvan 25 de opleiding machinemonteur volgden.
De bedrijfsschool van de Curaçaose Dokmaatschappij
leidt op voor: scheepsbankwerker,
scheepsmetaalbewerker, pijpfitter, ketelmaker, lasser, smid en
draaier. Al deze opleidingen zijn gericht op de behoeften van
het
bedrijf en zijn ingebed in een carriëre¬planning, die ongeveer 8
jaar duurt. Toelatingseis: diploma lagere technische school
(lts);
daarnaast is er een selectieprocedure, die een technische test,
een
psychologische test en een interview omvat.
@: Beeldende kunsten
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Beeldende kunsten vóór de
20ste
eeuw
Hoofdstuk 3: Beeldende kunst 20ste
eeuw
Hoofdstuk 4: Kunstenaars
Hoofdstuk 5: Expositie mogelijkheden
Hoofdstuk 6: Kunst aan de bevolking
Hoofdstuk 7: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Beeldende kunsten
Hoofdstuk
1: Inleiding

Overal en altijd - ongeacht de
omstandigheden - neemt de mens deel aan het kunstleven, dat
minimaal
bestaat uit de drie elementen:
- kunstenaar,
- kunstwerk en
- kunstpubliek.
Om in het kort een dwarsdoorsnede te
geven
van de plaats en de staat van ontwikkeling van de beeldende
kunsten
in de Nederlandse Antillen is uitgegaan van de volgende
criteria:
a. spreken de betreffende werken
van
een kunstenaar van een herkenbare Antilliaanse leef-, denk- en
gevoelswereld;
b. heeft de kunstenaar werken
gemaakt,
die in belangrijke mate bepalend zijn voor de esthetische
beeldvorming met betrekking tot de eilanden.
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 2: Beeldende
kunsten
vóór de 20ste eeuw
Van de oorspronkelijke bewoners van de
Nederlandse Antillen zijn geen tekenen gevonden van kunst in
eigenlijke zin. Wel ritueel beeldschrift in grotten op de drie
Benedenwindse Eilanden en verder sporen van decoratieve kunst in
resten van gebruiksvoorwerpen (zie @: Archeologie). Van de
specifieke inbreng van de van oorsprong Afrikaanse cultuurgroep
op
Curaçao is, buiten het gebied van de bouwkunst, in de beeldende
kunst weinig of niets overgebleven. Aangenomen wordt dat in de
17de
eeuw schilders uit Nieuw-Nederland herhaaldelijk de eilanden
hebben
bezocht en dat met name de schilder
W. van Duynkercke zich in die tijd blijvend
op de
Antillen heeft gevestigd, alhoewel tot nu toe geen werken van
hem
zijn achterhaald. Bij verschillende oude gebouwen worden werken
in
steen en kalk aangetroffen die geen deel uitmaken van de
architectonische constructie zelf maar in zo hoge mate met de
architectuur harmoniëren, dat ze zeker in de Nederlandse
Antillen
tot stand moeten zijn gekomen. Als het oudste van deze stukken
moet
waarschijnlijk worden beschouwd een dubbele vogel, een sculptuur
in
steen, waarvan de voet aangrijpt in een muur in Punda; de stijl doet
Iberisch-barok aan.
Van de
beroemde grafsteensculpturen op de joodse begraafplaats Beth Haim op Bleinheim, moet echter
worden aangenomen, dat ze in Amsterdam en Genua uit het marmer
zijn
getrokken en vervolgens verscheept. De gewoonte om pilaren van
poorten en huizen te versieren met Neptunusbeelden of
vrouwenfiguren
dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de tijd van het empire.
Ook
uit ander materiaal, onder andere hout en koraal, zijn beelden
bekend, die zowel uit de periode van de West Indische Compagnie
als
uit de 19de en 20ste eeuw stammen. In de 18de eeuw bestond
algemeen
bij deftige vermogende families, dus vooral op Curaçao en op St.
Eustatius vraag naar, familieportretten, die in verschillend
formaat, van miniatuur tot levensgroot, werden vervaardigd. De
portretschilders zouden van Italiaanse oorsprong zijn maar hun
namen
zijn tot nu toe niet achterhaald. Bekend is daarentegen Jacob Ernst Marcus (St.
Eustatius 19 maart 1774). In de 19de eeuw waren het vooral de
schilders Cornelis Gorsira
(vogelstillevens), John de Pool
(pentekeningen), Johnny Ecker, Nechi
Pieters
en Willem Kroon, die
op
de voorgrond traden.
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 3: Beeldende
kunst
20ste eeuw
In de 20ste eeuw onderging de beeldende
kunst een opleving die in bepaalde opzichten zelfs als een bloei
kan
worden aangemerkt. Deze betreft vooral de schilderkunst. Door de
komst van de olie-industrie doen de Antillen hun intrede in de
moderne wereld en komen onder invloed van alle vigerende
stromingen
in de kunst. Dit werkt wel remmend op de eigen inbreng van de
meer
decoratieve kunst (bijvoorbeeld glasschilderkunst) en op de
continuïteit in het ambachtelijke werk als meubelkunst,
houtsnijwerk
en architectonische sierelementen. Verschillende stromingen in
de
schilderkunst kunnen worden genoemd. Er bestaat zowel op Curaçao
als
op Aruba een grote groep conventionele schilders, ook wel zondagsschilders
genoemd
met onder andere Herbert Boye,
Theo
van Delft, Gil Hagedoorn, Dick Hoogerwerf, Joannes
Pandellis, Tharcisio Pieters Kwiers en Ati Schotborgh,
frêre
Adrianus, Anna Kock-Herrera, Padu Lampe en Truus
Marchant. Door de prentbriefkaarten, die van
zijn
werken zijn gemaakt, is Luis
Benjamin (‘Luigi’) Pinedo bekend geworden.
Meer
door internationale, moderne stromingen zijn beïnvloed Ru Jas, Charles Corsen, Suzanne
Perlman en het echtpaar Chris en Lucila Engels. Een
stroming
die soms als primitief dan weer als naïef wordt gekenschetst,
vertoont enige verwantschap met de Haïtiaanse kunst (Paulita Cornet, Hipolito
Ocalia en
Elis
Juliana).
De gebeurtenissen van 30 mei 1969 op Curaçao
hebben een doorbraak teweeggebracht van de artistieke identiteit
van
het negroide element in de Antilliaanse cultuur; er ontstaat een
verhevigde produktiviteit.
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 4: Kunstenaars
Sedert de 1960ger jaren hebben velen
zich
terwille van hun ontwikkeling tot en als kunstenaar naar het
buitenland begeven, veelal naar Europa. Het is ondoenlijk om in
dit
kader aan alle kunstenaars aandacht te besteden. Bovendien zou
men
over een duidelijke norm moeten beschikken om Antilliaanse
beeldende
kunst te onderscheiden van niet-Antilliaanse, afgezien nog van
het
probleem wat de ‘Antilliaansheid’ van een werk bepaalt: de maker
of
het werk (inhoud, thematiek, plaats van ontstaan).
Van de kunstenaars die de afgelopen
decennia
bepalend zijn geweest voor het Antilliaanse kunstleven in het
algemeen en het zelf-beeld van de Antillen in het bijzonder
kunnen
de volgende genoemd worden:
• Op Aruba de schilders Evelino Fingal, Pablo Teófilo
(Toton)
Quant, Wouter van Romondt
en Wim de Waal;
• op Bonaire vooral de ‘primitieve’ schilder E.C. ‘Papa’
Melaan;
• op Curaçao Jose Maria Capricorne, Wilson
Garcia,
Jean Girigorie, Jubi Kirindongo, Eb Marcano, Nildo
Marchena,
Maximiliano Nepomuceno en Felix de Rooy;
• op de Bovenwindse Eilanden Johannes Anemaet, Cynrie Griffith,
Patsy Johnson en
Roland Richardson.
Voorts verdienen verschillende
kunstenaars
vermelding die, hoewel geen geboren Antillianen, werken hebben
voortgebracht die in bijzondere mate door landschap en
samenleving
van de Nederlandse Antillen zijn geïnspireerd: in de 19de eeuw
G.W.C. Voorduin, die
een
vrij groot aantal aquarellen schilderde, die later bekend werden
door de lithografieën van jonkheer J.E. van Heemskerck van
Beest; in de 20ste eeuw Dolf Henkes, vooral
bekend
om zijn muurschilderingen in de kapel van het St. Elisabeth Hospitaal
en
in de hal van de Curaçaosche
luchthaven en Frieda Hunziker met
vele
schilderijen met Curaçaosche motieven; Charles Eyck heeft niet
alleen de invloeden ondergaan van Curaçao maar op zijn beurt
heeft
hij ook in hoge mate vele plaatselijke talenten beïnvloed.
Voorts
dienen in dit verband genoemd te worden W.C. Dieleman met
oorspronkelijk werk met academische inslag, Corneille, die op
Curaçao
een twintigtal gouaches schilderde en Jan Henderikse, die met
zijn assemblages zowel op Curaçao als in het buitenland op de
voorgrond is getreden.
De plastische kunst wordt beoefend door
onder andere Jubi Kirindongo,
Elis
Juliana en het echtpaar Nel en Norva Simon (keramiek).
De
in 1974 overleden René de Rooy
heeft een groot aantal houtsculpturen nagelaten.
Ook
in Nederland wonende makers van moderne beeldhouwwerken in de
Nederlandse Antillen mogen niet onvermeld blijven omdat deze
werken
door hun aanwezigheid mede de sfeer van het stadsbeeld in
Willemstad
bepalen: Fred
Carasso,
bekend om zijn beeld voor de IIe
Wereldoorloggevallenen aan het Waaigat, Termote met het beeld
van
de vrouwe des overvloeds
bij het Gouvernementshuis. In de tuin van het
Curaçaosch Museum
bevinden
zich een bronzen buste van Brion
vervaardigd door John
de Pool en een beeld van Brion in zittende
houding van de jong gestorven beeldhouwster Gabriëlle de St.
Denis.
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 5: Expositie
mogelijkheden
De bevolking van de Nederlandse Antillen
is
zich meer en meer gaan interesseren voor de kunst dank zij het
feit,
dat zowel van particulieren als van de overheid een stimulerende
werking is uitgegaan. Zo werd in 1959 Galerie / kunsthandel De Boog
geopend met het doel de moderne beeldende kunst
in de
Nederlandse Antillen te stimuleren en bekendheid te geven aan de
internationale stromingen. Aanvankelijk gehuisvest in de
boogvormige
gewelven van het Waterfort, verhuisde
zij in
1966 naar het landhuis
Bloemhof; zij werd daarna opgeheven. Gallery R.G.
(1966-1976)
gevestigd in het gerestaureerde pand Keukenstraat 20, Punda,
richtte
zich vooral op de moderne grafiek omdat deze zich bijzonder
leent om
de smaak van het publiek te vormen terwijl het werk vrijwel voor
iedere beurs toegankelijk was. Kunst
op Zolder was een in 1967 in de
Columbusstraat,
Punda, ingerichte tentoonstellingsruimte waar iedereen die zich
op
de één of andere wijze kunstzinnig wist te uiten, zijn (haar)
stukken aan het publiek kon tonen en ter verkoop
aanbieden.
Kunst op Zolder is inmiddels opgeheven in tegenstelling tot
Galerie Bloemhof, die
sedert de 1960ger jaren een bloeiend bestaan leidt. In de jaren
1970
is geopend de galerie Café De
Tempel, in 1982, Hart’s Gallery - beide
op
Curaçao - en in 1983 de Erato
Gallery op Sint Maarten. Speciale vermelding
verdienen de culturele centra op de zes eilanden, die zich
inspannen
om alle facetten van het kunstleven te belichten.
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 6: Kunst aan de
bevolking
Op initiatief van Hubert Booi, tot voor
kort
Hoofd van het Bureau Cultuur en
Opvoeding op Aruba, werd in 1971 aangevangen
met
jaarlijkse exposities in Sociedad
Bolivariana (Arte
Popular) waaraan de hele bevolking kon
deelnemen.
Het niveau was daardoor niet hoog maar de opvoedkundige en
vormende
waarde ervan mag zeker niet worden onderschat. Het werk van Booi
is
voortgezet door Leo
Tromp
als directeur van Instituto di
Cultura, een dienst van het eilandgebied
Aruba.
Op Curaçao moeten zeker genoemd worden de ‘kunstmarkten’ (plaza di arte), een
initiatief dat in 1973 werd genomen door de eigenaresse van
Gallery R.G., mevrouw
Egberdien van Rossum
met de
bedoeling de bevolking kennis te laten nemen van hetgeen op
artistiek gebied op Curaçao wordt gepresteerd en kennis te laten
maken met de lokale kunstenaars. In de loop der jaren zijn er
zeker
160 kunstenaars aan het publiek voorgesteld.
Terwijl op Curaçao de sectie cultuur van
de
dienst Onderwijs en
Cultuur onder leiding van Pacheco Domacasse
bijzonder
actief is, heeft Bonaire veel baat bij de activiteiten van het
hoofd
Bureau Cultuur en
Opvoeding, Frans
Booi, zelf plastisch kunstenaar, die met een
verscheidenheid van materiaal van zandsteen tot metaal -
allerlei
werk heeft vervaardigd. Tenslotte moet gewezen worden op de
invloed
van de kunstrecensent, die zich sedert de 1970ger jaren
definitief
een plaats heeft veroverd in de Antilliaanse pers, al ontbreekt
het
hem aan een gedegen begrippen-apparaat en referentiekader om
zijn
taak naar behoren uit te voeren; hij kampt bovendien met de
moeilijkheid dat er nog geen Antilliaanse kunstgeschiedenis
bestaat
en hij blijft stuiten op een beperkt begrip van het grote
publiek
zolang onderwijs en museumbeleid niet samen convergeren in een
educatief kunstbeleid. In 1983 heeft de Antilliaanse overheid
voor
het eerst een nota met betrekking tot cultuurbeleid het licht
doen
zien, een eerste stap in de richting van een ontwikkeling van
een
evenwichtig cultuur- en kunstbeleid. (Zie ook @: Architectuur;
@:
Culturele Centra; @: Kunstonderwijs; @: Musea).
Beeldende kunsten
Hoofdstuk 7:
Literatuur
- J.M. Capricorne, Beeldende Kunsten.
In:
Culturee1 Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
- I.S. Emmanuel, Precious stones of
the
Jews of Curaçao (1957);
- J. Hartog, Aruba in oude ansichten
(1974);
- idem, Curaçao in oude ansichten
(1974);
- M.D. Ozinga, De monumenten van
Curaçao
in woord en beeld (1959);
- J. de Pool, Del Curazao que se va
(1935);
- W. van Romondt, Beeldende kunsten.
In:
Culturee1 Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
- Catalogi van het Curaçaosch Museum;
- Catalogus van de Sticusa
uitleencollectie Antilliaanse kunst;
- Jaarverslagen Sticusa.
@: Beeldvorming
Proces waarbij sociale groepen
gefixeerde,
stereotiepe beelden van elkaar ontwikkelen, wat goede contacten,
en
dus ook de mogelijkheid tot correctie van dit beeld, in de weg
staat. Met betrekking tot de Nederlandse Antillen kan onder
andere
gesproken worden van beeldvorming over en weer tussen de oude
kernbevolking en de Europese Nederlanders, die zich de laatste
decennia op de eilanden vestigden. Vanzelfsprekend vindt
beeldvorming met stereotiepen of vooroordeel ook plaats tussen
de
sociale strata, tussen de diverse etnische groepen, tussen de
Antilliaanse eilanden en zelfs - binnen een bevolkingscategorie
-
tussen delen daarvan op verschillende plaatsen op een eiland.
Beeldvorming geeft eensdeels uitdrukking aan (gedeeltelijke)
onbekendheid met andere groepen, anderdeels aan de aard van de
verhoudingen tussen groepen. In vrijwel alle situaties met
intergroeps- of inter-etnische relaties kunnen zich beeldvorming
en
vooroordeel voordoen (zie @: Nederlanders).
@: Begonia
Plantengeslacht uit de familie der
Begoniaceae. Kruid, meestal met saprijke stengels; bladeren
handnervig en zeer scheef; bloemen eenslachtig, mannelijke bloem
met
veel meeldraden, vrouwelijke bloem met onderstandig 3-hoekig
vruchtbeginsel dat voorzien is van 3 vleugels. Diverse soorten
worden gekweekt; slechts de soort Begonia retusa of pelda, ala di angel, mountain
manna, komt in het wild voor op Saba en St.
Eustatius, als ondergroei in de bossen op The Mountain en The Quill.
@: Begraafplaatsen (historische)
Op Curaçao werd de ommuurde
begraafplaats op
enige afstand oostelijk van de oude stadsmuur van Punda, ter
plaatse
van het huidige Wilhelmina- en Hendrikplein, na de teistering
door
de orkaan van 1808 verlaten en allengs geruimd onder aanleg van
een
nieuwe aan de Roodeweg op Otrobanda. Behoudens enige graven en
grafstenen op particuliere plantages is aldus als historische
begraafplaats slechts de ommuurde Joodse begraafplaats Beth Haim intact
gebleven.
St. Eustatius. Aan de periferie van
Oranjestad treft men de vroegere Joodse begraafplaats aan met
enige
vaak rijk bewerkte grafzerken; de oudste is van 1742, de jongste
van
1825. Ook om de Reformed Church
(1774/1775) waarvan men de ruïnes bezoekt, ligt
een
kerkhof met tweeënzeventig, doorgaans kostbaar uitgevoerde,
monumentale graven.
Literatuur:
- J. Hartog, Curaçao (1961);
- idem, Geschiedenis van St.
Eustatius
(1976);
- N. van Meeteren, Het kerkhof op
Fo’i
Poorta in: Geschiedkundige opstellen t.g.v. de 80ste
verjaardag
van W. M. Hoyer.
@: Begraafplaatsen, Israëlitische
De Verenigde Nederlands
Portugees-Israëlitische Gemeente Mikvé Israël Emanu-El houdt
twee
begraafplaatsen in stand. De oudste, Beth Haim, is gelegen
aan
de noordelijke oever van het Schottegat aan de westzijde van de
Shell-raffinaderij. De tweede is gelegen op Berg Altena, niet ver
van
het centrum van Willemstad. Deze dodenakker is een samenvoeging
van
twee begraafplaatsen, waarvan de oudste in 1865 werd ingewijd
door
Tempel Emanu-El en
die
van latere datum in 1880 door Mikvé
Israël.
Lit.: I.S. Emmanuel, Precious stones of
the
Jews of Curaçao, Curaçaon Jewry 1656-1957 (1957).
@: Begrafenisgebruiken
De gebruiken rondom dood en begrafenis
zijn
zo talrijk, zo aan veranderingen onderhevig en van plaats tot
plaats
zo verschillend, dat het alleen mogelijk is deze in grove
trekken
weer te geven. Vast staat, dat zij alIeen voorkomen bij het
negroïde
volksdeel en dat zij snel aan het verdwijnen zijn. De stervende,
voorzien van de laatste sacramenten, werd meestal omringd door
familieleden, buren en kennissen, die vooral goed moesten
luisteren
naar zijn of haar laatste wensen. De wensen van een stervende en
de
beloften aan hem of haar gedaan, golden als iets heiligs.
Wanneer
hieraan niet zou worden voldaan, zou de dode geen rust vinden en
zou
zijn geest terug kunnen komen om de levenden aan te manen door
hen
aan de benen te trekken (e ta
bin
hala nan pía).
Wanneer de dood eenmaal was ingetreden,
werd
de labadó di morto
besteld, die het lijk moest afleggen: een man
kreeg
zijn beste (trouw)kostuum aan, een vrouw haar bruidsjurk (morto na bruit) of het
lijkkleed (mortaha).
Nadat er vier kaarsen waren ontstoken (bela di morto), die
overigens telkens werden vervangen door andere, die door
familieleden waren meegebracht, vulde zich de lijkkamer met
vrouwen
die op luide toon bij de gestorvene weeklaagden en vaak
zijn
of haar goede kwaliteiten verkondigden. Vroeger kwam het op
Curaçao
wel eens, voor dat tegen betaling gebruik werd gemaakt van de
diensten van een professionele weeklaagster (yoradó di morto). Dit
gebeurde wanneer er niet voldoende familieleden of kennissen
aanwezig konden zijn en men de goegemeente toch ervan wilde
overtuigen, dat de gestorvene diep betreurd werd.
Voordat de kist werd gesloten kon het
wel
eens voorkomen dat van de meest intieme verwanten de maat werd
genomen met een stuk stof of met garen, dat in de kist - aan het
voeteneinde - werd gelegd om te voorkomen, dat de gestorvene
terug
zou keren om zijn of haar meest geliefde mee te nemen. De
gewoonte
om in het doodskleed een speld te steken zou erop kunnen duiden
dat
men de geest in het lichaam wilde ‘vastpinnen’ zodat hij niet
zou
ronddwalen op zoek naar anderen. De aanwezigheid van een bakje
met
spelden (met een rond kopje) ten behoeve van aanwezigen zou
hiervoor
een indicatie kunnen zijn. Men zou deze daad ook kunnen
beschouwen
als een laatste vaarwel zoals een hand op het voorhoofd van de
gestorvene leggen of zoals op Aruba - de neus tussen wijs-en
middelvinger beroeren.
Het sein tot vertrek naar het kerkhof
(santana) werd
gegeven door
de aanspreker (folester
=
verbastering van voorlezer), die zich tot voor kort nog bij
voorkeur
van het Nederlands bediende. De stoet naar kerk en kerkhof werd
vroeger uitsluitend door mannen gevormd, de laatste tijd lopen
ook
vrouwen mee; hoe langer de stoet, hoe eervoller. Personen die
gestorven waren zonder dat zij hun Pasen hadden gehouden - in de
vastentijd werd de biechteling(e) geregistreerd - of die
zelfmoord
hadden gepleegd mochten niet op gewijde aarde worden begraven.
Voor
deze ‘snoodaards’ was er een apart plekje gereserveerd dat in de
volksmond chiké
(varkenskot) werd genoemd. Ook op de openbare, dus ongewijde,
begraafplaats te Kolebra Berde
konden zij ter aarde worden besteld. Voor
nabestaanden was het een grote schande indien een geliefde op
één
van die plaatsen werd begraven temeer omdat zij dan de status
verhogende stoet hadden moeten missen.
Na de begrafenis was het gebruikelijk,
dat
naaste familieleden en meest intieme vrienden naar het sterfhuis
terugkeerden, waar zij, nadat zij de handen hadden gewassen,
werden
onthaald op koffie, thee of rum. Van lieverlee is de term laba man (handen
wassen)
geprofaneerd tot het gebruiken van alcoholica zodat velen na de
begrafenis in plaats van het sterfhuis, een koffiehuis (in de
volksmond snack)
binnenlopen of daar gaan staan. Veel ouderen kenden aan het
handen
wassen behalve een hygiënische ook nog een symbolisch, religieus
motief toe: zij wasten hun handen - evenals indertijd Pilatus -
om
aan te geven, dat zij niet verantwoordelijk waren voor het
heengaan
van de betreurde. Twee dagen na de begrafenis werd aangevangen
met
het bidden voor de zielerust van de overledene; hiervoor werd
een
provisorisch altaartje (altá) ingericht ten
behoeve
van de voorbidster (resadó) die - tegen
vergoeding - gedurende acht dagen (ocho dia) met de
aanwezigen
(hoofdzakelijk vrouwen) een rozenhoedje en de litanie van de
Heilige
Maagd bad. Ter afsluiting van de noveen werd een bijzondere
ceremonie (ocho dia)
gehouden waarvoor ook verre familieleden en vrienden werden
uitgenodigd. Nadat alle aanwezigen met wijwater het kruisteken
hadden gemaakt, werd met gebed begonnen waarbij ditmaal de
volledige
rozenkrans (15 geheimen) werd gebeden, gevolgd door de litanie,
die
vaak gezongen werd. Bij een gezongen ocho dia, ook wel
yukán genoemd,
berustte de
regie bij de sakristán,
over het algemeen een geacht persoon van middelbare leeftijd.
Wanneer de hele ceremonie gezongen werd in een mengeling van
Papiamentu, Spaans en Latijn - danig verhaspeld - sprak men van
kanta salve.
Gedurende de
hele ceremonie werden aIle ramen aan de oostkant dichtgehouden;
deze
mochten pas geopend worden nadat de sakristán het altaar
had
‘afgebroken’, alle aanwezigen hun stoel hadden omgekeerd en men
zodoende ervan verzekerd was, dat de geest geen kans kreeg zich
te
verbergen maar de kamer ongestoord kon verlaten. Na de ceremonie
werd men onthaald op koffie, rum, geitesoep en gebraad en kon
men
zich scharen rondom een echado of hinchado di kuenta, die
zijn gehoor de rest van de nacht met zijn verhalen boeide.
Literatuur:
- Elis Juliana, Guia Etnologiko no. 2
(1977);
- N. van Meeteren, Volkskunde van
Curaçao
(1947, 1977);
- L.F. Triebels, Ocho dia of novena
(1980).
@: Begroting
is een raming van ontvangsten en
uitgaven
voor een bepaalde periode (meestal een jaar), die door een
persoon
of een organisatie (bijvoorbeeld een regering) wordt opgesteld.
Als
het door de regering (het bestuur) opgemaakte ontwerp door het
volksvertegenwoordigend lichaam (de Staten), al dan niet
geamendeerd, is goedgekeurd en de begroting daarna is
vastgesteld,
is daarmee de regering (het bestuur) gemachtigd de daarin
genoemde
middelen (belastingen, enz.) te innen en de uitgaven te doen tot
een
maximum van het bij iedere post voor het daarin genoemde doel
aangegeven bedrag. De behandeling van de begroting in het
vertegenwoordigend lichaam geeft dit een grote invloed en
côntrole
op de uitvoerende macht.
(1) Rijksbegroting heet de
begroting voor Nederland (voor de betekenis van de extra
lettergreep
zie Rijk) dus niet voor het Koninkrijk. Er komen wel uitgaven op
voor ten bate van de Nederlandse Antillen, doch niet ten laste
van
beide landen. Indiën dit laatste wel het geval was, zouden die
landen althans bij de desbetreffende posten betrokken zijn en de
begroting bij rijkswet worden vastgesteld en niet zoals nu bij
wet
conform artikel 133 Grondwet.
(2) Landsbegroting is de
begroting voor de gehele Nederlandse Antillen (art. 83 en 86
Staatsregeling). Door de regering ontworpen, wordt zij bij
Landsverordening vastgesteld en in het P.B. afgekondigd. Zij
heeft
betrekking op het aangegeven kalenderjaar, eventueel tot de
datum
waarop de volgende begroting in het P.B. is geplaatst.
(3) Eilandsbegroting is de begroting voor de
eilandgebieden.zie @: Eilandsbegroting; @:
EilandsRekening.
@: Beiaard
Een door Eijsbouts-Lips gegoten
carillon De vier Koningskinderen
hangt in het Curaçaosch Museum.
Bijdragen van de burgerij maakten de aanschaf mogelijk. Iedere
schenker kreeg bij de inwijding, in 1952, een klok op zijn naam
toegewezen. De grootste klok, waarnaar het carillon genoemd is,
eert
de prinsessen van het koninklijk gezin. Een afgietsel ervan werd
aan
H.M. Koningin Juliana
door de directie van de klokkengieterij aangeboden.
@: Bejaardenzorg
In een tijd dat verhoogde vergrijzing
van de
bevolking wordt waargenomen, die mede wordt veroorzaakt door een
geringere aanwas, en de vroeger zo vanzelfsprekende zorg van de
jongere generatie voor de oudere begint af te nemen -
drie-generatiegezinnen komen minder vaak voor dan vroeger - is
het
niet verwonderlijk, dat men meer belangstelling krijgt voor
geriatrische vraagstukken. Deze vergrijzing heeft economische en
sociale gevolgen: er wordt een groter en steeds groter wordend
beroep gedaan op de bestaande voorzieningen en op de vormen van
hulpverlening, zodat hiervoor op de meeste eilanden wachttijden
bestaan zowel voor de extra- als voor de intramurale zorg (zie
@:
Sociale voorzieningen).
@: Bejaardenzorg Aruba
kent als extramurale vorm van
hulpverlening
de wijkverpleging van het Wit-Gele
Kruis. Voor de intramurale beijvert zich
vooral
de Stichting Algemene
Bejaardenzorg. In het Michael Paviljoen, een
vleugel van het vroegere San
Pedro
di Verona Hospitaal, zijn veertig bejaarden
opgenomen en in Huize Maris
Stella
ongeveer honderd. (7% van de bevolking van ca.
65.000
is ouder dan 65 jaar).
@ Bejaardenzorg Bonaire
kent sinds een aantal jaren een goed
functionerend Open Bejaardenwerk naast de wijkverpleging. Onder
de
Stichting Zieken- en
Bejaardenzorg
Bonaire ressorteert het verzorgingshuis ‘Cas di Sosiego’ waarin
95
bejaarden zijn opgenomen. (9,5% van de bevolking is ouder dan 65
jaar).
@: Bejaardenzorg Curaçao
had de primeur van georganiseerde
bejaardenzorg: In 1935 is door de Verenigde Protestantse Gemeente
het Koningin
Wilhelmina Tehuis opgericht, dat helaas in
1983
wegens financiële problemen gesloten moest worden. In 1943
volgde de
Stichting Birgen di
Rosario (Wit-Gele
Kruis), die in Huize Welgelegen (Habaai) - eertijds een
internationaal meisjesinternaat - een bejaardenhuis oprichtte
voor
uitsluitend vrouwen. Thans is dit tehuis het grootste centrum op
de
Nederlandse Antillen voor huisvesting van bejaarden (140
vrouwen, 20
mannen en 6 dubbelgehandicapte niet-bejaarde volwassenen). In
1982
is hier ook met dagopvang voor bejaarden begonnen. De Stichting
heeft in 1954 het Richardustehuis
opgericht dat aan 73 mannen plaats biedt. Onder leiding van
Zr. Deutekom-Schutte
is
de Neutrale Wijkverpleging
in 1955 begonnen met een tehuis voor ouden van
dagen
‘Ouvada’, dat in 1962
werd ondergebracht op het landgoed van wijlen dr. M.J. Hugenholtz
naar
wie het instituut is genoemd. Casa
Dr. M.J. Hugenholtz, ook Villa Maria genoemd,
kan 40
bejaarden huisvesten terwijl Casa
Hermandad, waarvan de leiding op
adventistische
grondslag haar activiteiten ontplooit, naast jongere personen
ook
bejaarden huisvesting biedt.
In snel tempo is het Open Bejaardenwerk,
uitgaande van de Stichting
Birgen di
Rosario, gegroeid: Aan 130 bejaarden kan
thans
thuishulp worden geboden door 27 bejaardenhelpsters. De woningen
van
deze bejaarden laten vaak te wensen over (zie @: Fundashon Kas
Popular).
Bij de hulpverlening aan bejaarden
spelen de
Stichting Kwido pa Famia
(Wit Gele
Kruis) en drie organisaties voor
wijkverpleging
een belangrijke rol. Hoewel alle bejaardentehuizen in de
Nederlandse
Antillen uit particulier initiatief zijn ontstaan zijn de
bejaarden,
over het algemeen weinig draagkrachtig voor hun
onkostenvergoeding,
aangewezen op de Afdeling
Sociale
Zaken van het eilandgebied. (8,7% van
de
bevolking van Curaçao is ouder dan 60 jaar, hiervan is 50% ouder
dan
65).
Op Groot-Kwartier is in 1973 door Groot-Kwartier Appartementen N.V.
aangevangen met een moderne vorm van huisvesting
van
bejaarden. In het centrale gebouw worden de hulpbehoevenden
verzorgd
terwijl degenen die nog uit de voeten kunnen kleine bungalows
bewonen (20 appartementen). Naast de N.V. is ook een stichting
opgericht. Deze stichting wordt niet gesubsidieërd. Zij ontvangt
giften en leent geld van de N.V. op renteloze basis.
@: Bejaardenzorg Bovenwindse
Eilanden
Op deze eilanden wordt door jongere
familieleden nog veel hulp aan bejaarden geboden. Het St. Martin’s Home,
gelegen
naast het Saint Rose Hospital
op St. Maarten biedt plaats aan 45 bejaarden. (8%
van
de bevolking is ouder dan 60 jaar).
Sint Eustatius, waar 10% van de
bevolking
ouder is dan 60 jaar, heeft geen bejaardenhuis. Voor zover niet
door
familieleden verzorgd, worden de bejaarden ondergebracht in het
bejaardenhuis op Sint Maarten en in het Beatrix Ziekenhuis ter
plaatse.
Saba beschikt wel over een
bejaardenhuis,
bestaande uit 24 tweepersoonskamers, maar dit is na 5 jaar door
de
sterke verwantschapszin van de bevolking nog niet geheel in
gebruik.
@: Bejarano, Lazaro
Bestuurder van Curaçao, Aruba en Bonaire
in
de jaren 1540-1541. Bekend Erasmus-kenner (zie ook @: Ampues,
Juan
de; Geschiedenis: Spaanse periode; Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
@: Bekú
Een muziekinstrument gemaakt van een
uitgeholde sorghostengel (de stengel van de zogenaamde "maishi chiki" plant)
van
40 a 50 cm lengte en 2 cm dikte. Op ongeveer 3 cm van een der
gaatjes, echter op de lijn die gevormd wordt door de twee
gaatjes,
wordt in de lengte van de stengel een tongetje ingesneden,
waardoor
beurtelings wordt geblazen en gezogen. De toonhoogte-verschillen
worden verkregen door de gaten met de duimen beurtelings af te
sluiten en te openen. De bekú
werd gespeeld om de tijd te doden bij het bewaken
van
de sorghovelden tegen vernieling door vogels en andere dieren.
Ook
werd de bekú tijdens
familiefeesten gespeeld, begeleid door de wiri en de bamba. Wordt vandaag
nog
gespeeld in Benin en Opper-Volta, respectievelijk papo en bumpa genoemd.
@: Belá
Iemand die men getracht heeft te
betoveren
door het aansteken van een kaars, onder het aanroepen van kwade
krachten. Zo iemand wordt dan verondersteld niet helemaal meer
bij
zinnen te zijn. Belá is ook de aanduiding voor een persoon die
vreemd doet of vreemde dingen zegt.
@: Belastingdienst
Hoofd van de belastingdienst, die
rechtstreeks onder de minister van Financiën ressorteert, is de
directeur der
belastingen. Aparte inspecties der belastingen
zijn er op Aruba en Curaçao, zowel voor de
directe
belastingen als voor de invoerrechten en accijnzen. Bonaire en
de
Bovenwindse Eilanden ressorteren onder de inspectie van Curaçao.
Op
elk eiland zijn er lands- en eilandsontvangers. Op Bonaire en de
Bovenwindse Eilanden oefent één en dezelfde persoon de functies
uit.
@: Belastingen
In 1981 hebben de belastingen de
volgende
opbrengsten geproduceerd:
- winst-, inkomsten- en loonbelasting
NAfl 658 miljoen;
- grond- en gebruiksbelasting NAf 7,7
miljoen;
- invoerrecht, bijzonder invoerrecht
en
accijnzen (gedistilleerd, tabak, bier) NAf 130 miljoen;
- overdrachtsbelasting, zegel- en
successierecht NAf 13,5 miljoen.
- Totaal Nafl 809.2 miljoen.
In de Nederlandse Antillen gelden
belastingfaciliteiten voor industrievestiging en hotelbouw
(tax-holiday)
ingevolge P.B.
1953 nr. 194. Deze verleent onder bepaalde voorwaarden
vrijstelling
van invoerrechten, grond-, gebruiks-, inkomsten- en
winstbelasting
gedurende tien jaar aan nieuwe bedrijven. Daarnaast is er de
mogelijkheid ingevolge P.B. 1964 nr. 77 voor vrijstelling van
belasting ingeval van grondontwikkeling.
- @: Belastingregeling voor het
Koninkrijk (@: BRK)
Rijkswet stb. 1964 nr. 425, P.B. 1964
nr.
178 geeft een afgeronde regeling van de onderlinge betrekkingen
op
belastinggebied tussen de rijksdelen: de landen zuIlen op het
gebied
van belastingheffing geen discriminatie toepassen tegenover
vreemdelingen en tegenover personen die in een land van het
Koninkrijk bedrijfswerkzaamheden verrichten zonder daar te
wonen. De
belastingregeling heeft betrekking op inkomsten-, winst- en
vermogensbelastingen, successie-, schenkings- en zegelrechten en
motorrijtuigenbelastingen. Zij bevat regels ter voorkoming van
dubbele belasting. Het verlenen van onderlinge bijstand bij de
belastingheffing is eveneens in de Rijkswet geregeld.
Beroep in belastingzaken (P.B. 1941 nr.
12)
ligt bij de bezoldigde leden van het Hof van Justitie van de
Nederlandse
Antillen.
In de Nederlandse Antillen worden
geheven:
- gebruiksbelasting
(P.B. 1908 nr. 45);
oorspronkelijke
grondslagen van deze directe belasting: huurwaarde, paarden,
automobielen, rijwielen, piano’s, orgels, elektrisch licht,
thans slechts huurwaarde (5%); grondbelasting (P.B. 1908 nr.
27); afwentelbare belasting op Aruba, Bonaire en Curaçao op
onroerend goed, waarbij jaarlijks de belastbare waarde wordt
vastgelegd; tarief voor gebouwde eigendommen 0,6%, voor
ongebouwde 0,5%;
- inkomstenbelasting
(P.B. 1956 nr. 9)
daterend uit 1943 en
geënt op de Indische inkomstenbelasting 1932, daarna vele
malen
herzien; deze reële heffing met verrekening van een
voorlopige
aanslag (er bestaat ook een loonbelasting) komt
in
grote lijnen overeen wat de bronnen van inkomsten betreft
met de
Nederlandse heffing; op de aanslagen in de
inkomstenbelasting
worden 25 opcenten geheven: tarief bij NAf 100.000 - 41-44%
(incl.opcenten), kinderaftrek, ook voor natuurlijk erkende
kinderen; het systeem van deze belasting is in de loop der
jaren
weinig veranderd in zijn voornamelijk fiscale karakter:
reeds
vanaf 1906 werd een belasting naar het inkomen geheven, maar
voor 1943 volgens het bronnenfictiesysteem; loonbelasting
(P.B.
1975 nr. 254) werd in 1976 ingevoerd;
- invoerrechten (P.B. 1949 nr. 62): in dit P.B. is de
geldende tekst opgenomen van de Algemene verordening op de
in-,
uit- en doorvoer welke dateert uit 1908; deze verordening is
een
aftreksel van de Nederlandse
Algemene wet van 1922; het eenvoudige
tarief
van de invoerrechten is in 1956 verhoogd en gebaseerd op een
vereenvoudigde Benelux
Nomenclatuur; het tarief werd daarna
verschillende malen gewijzigd, onder andere door associatie
met
de E.E.G.; bij invoer (en bijna alles moet in de Nederlandse
Antillen worden ingevoerd) wordt een betrekkelijk laag
tarief
geheven over de C.I.F.waarde, de
meeste
artikelen betalen 5,5%, terwijl in diverse sectoren
specifieke
rechten gelden; de hoogste tarieven worden geheven op
tabaksartikelen: 55% (met uitzondering van sigaretten), jam
e.d.
20% en op vuurwerk 55%; auto's betalen 22%; op niet in de
Nederlandse Antillen geproduceerd bier wordt een invoerrecht
geheven van Naf 100 per hl. verhoogd met het accijns; deze
afwentelbare belasting levert een betrekkelijk lage druk op:
van
oudsher zijn de invoerrechten een zuiver fiscale heffing; de
tarieven hebben bij de meeste artikelen die buitenlandse
toeristen kopen een zo geringe invloed op de prijs dat deze
veelal de Nederlandse AntiIlen als vrijhaven beschouwen; op
de
Bovenwindse Eilanden worden geen invoerrechten geheven. Ter
bescherming van binnenlandse produktie zijn diverse
economische
heffingen ingevoerd (verhoogde invoerrechten) onder andere
op
meubilair, matrassen, papieren en plastic zakken enz.;
- motorrijtuigbelasting
wordt door de
Eilandgebieden geheven voor het gebruik van de openbare weg;
- overdrachtsbelasting (P.B. 1908 nr. 49): heffing op
overdracht van onroerende zaken, tarief 2,75 %;
registratierecht
(P.B. 1908 nr. 47): voor de formaliteit van registratie,
waaraan
onderworpen zijn de niet-uitgezonderde notariële akten,
vonnissen, akten van deurwaarders en onderhands in het
buitenland opgemaakte bewijsstukken is NAf 1 per stuk
verschuldigd;
- successierecht (P.B. 1908 nr. 57): heffing van de
vermogensvermeerdering verkregen als erfgenaam of legataris;
als
de vermogensvermeerdering van onroerende zaken binnen de
Nederlandse AntiIlen gelegen, verkregen is van een niet
ingezetene, heet de heffing (8%) overgangsbelasting:
successierecht wordt als schenkingsrecht geheven in geval
van
vermogensvermeerdering onder de levenden; tarief
successiebelasting is proportionee1 progressief van 1-16%,
afhankelijk van de verwantschap en het verkregen bedrag;
- uitvoerrecht op mijnprodukten,
welke
niet vallen onder de mijnverordening ingevolge artikel 10
van de
Curaçaosche mijnwet
(Stb. 1909 nr. 213);
- verkopingsbelasting
(P.B. 1908 nr. 51):
heffing ten behoeve
van het Land op publieke verkoping van roerend goed, tarief
5%;
- winstbelasting (P.B. 1958 nr. 58) in 1941
ingevoerde, op
de Indische vennootschapsbelasting 1925 geënte heffing van
de
winst van rechtspersonen, alsmede van commanditaire
vennootschappen op aandelen;
- voor olieverwerkende maatschappijen
bestaat een minimum heffing afhankelijk van de
verwerkingscapaciteit; terwijl voor
beleggingsmaatschappijen,
holding- en octrooimaatschappijen bijzondere tarieven
gelden;
tarief 31,05-39,1 %;
- logeergastenbelasting: 5% van de
kamerprijs wordt geheven van de hotelgasten op alle eilanden
(eilandsheffing);
- tankbelasting op Curaçao geheven op
buiten een bepaald rayon boven de grond gebouwde tanks naar
inhoud; zegelbelasting (P.B. 1956 nr. 108), uit 1908
afkomstig
samenstel van heffingen te voldoen door middel van gekochte
zegels. (Zie verder Accijns).
- @: Geschiedenis belastingen
Nederlandse Antillen
Bij het reglement voor de West-Indische
Compagnie van 26 April 1634 werd haar het recht toegekend ‘om met goedkeuring van de
Staten-Generaal eenige kleyne bezwaernis te stellen op
de
consumptie van eetbare en drinkbare waren’.
Bij
het einde der 17de eeuw werden op het eiland Curaçao (met zijn
onderhorigheden Aruba en Bonaire) als voornaamste belastingen
geheven: hoofdgeld (naar het aantal slaven),
familiegeld
(naar inkomsten), waaggeld, uit- en invoerrechten,
accijns op
sterke drank, en vendurecht. Omtrent belastingen
op
de Bovenwindse Eilanden in die tijd is weinig bekend.
In het midden en tot aan het einde der
18de
eeuw werden op Curaçao geheven: invoerrechten en accijns op sterke
drank,
successiebelasting, belasting op overdracht van onroerend
goed,
op openbare verkoop van roerend goed en een weerbaarheidsbelasting. Vanaf 1816 (de West-Indische Compagnie
was
inmiddels in 1792 opgeheven) is het belastingwezen sterk
beïnvloed
door de wijzigingen in de bestuursinrichting: in 1815 werden de
zes
eilanden over twee koloniën verdeeld, van 1828-1845 vormden de
zes
eilanden met Suriname een kolonie West-Indië. Van 1828-1833
stond
Curaçao onder een gemeentebestuur. Vanaf 1845 vormden de 6
eilanden
een kolonie tot 1954.
Deze bestuurswijzigingen gingen steeds
gepaard met wijzigingen in de belastingverordeningen. Die van
1828
richtte zich - althans voor Curaçao - op enige hoofdbeginselen:
afschaffing van aIle in-, uit- en doorvoerrechten, geen
differentiële scheepvaartrechten, geen accijnzen, een soort
personele belasting (op huurwaarde en meubilair),
patentbelasting,
zegelbelasting, loods- en havengelden. Ook op Aruba en de andere
eilanden werden de belastingen herhaaldelijk gewijzigd.
In 1882 traden op Curaçao nieuwe
belastingverordeningen in werking; wijzigingen van verscheidene
reeds voor de gehele kolonie geldende. Het doel van de
herziening
van 1882, om meer uniformiteit in de belastingwetgeving te
brengen,
werd bij een belastingherziening van 1908 - waarvan de
inspecteur
der registratie en domeinen, P.
de
Joncheere, de auctor intellectualis was -
krachtiger doorgevoerd, mede volgens het beginsel van belasting
naar
draagkracht: Heffing van in- en uitvoerrechten tussen de
eilanden
onderling werd afgeschaft, ongewenste belastingen die de
ontwikkeling van scheepvaart, handel, landbouw en nijverheid
belemmerden, werden opgeheven en de techniek van wetgeving en
administratie werd verbeterd. De voornaamste wijzigingen waren:
Verlaging van de grondbelasting, afschaffing van alle
scheepvaartrechten en van alle uitvoerrechten (behalve die op
mijnprodukten, welke echter werden verlaagd), invoering van een
gebruiksbelasting. Die belangrijke herziening van 1908 is in
grote
trekken bepalend geweest voor de thans nog bestaande belastingen
(zie hiervoor), zij het in onderdelen herhaaldelijk gewijzigd.
De
meeste belastingverordeningen dateren nog uit 1908.
De invoering van de Eilandenregeling in
1951
bracht vanzelfsprekend ingrijpende veranderingen, mede dank zij
de
regeling van de financiële verhouding tussen Land en
Eilandgebieden
(zie Financiën, financiele verhouding), welke in 1956 werd
herzien.
Thans wordt weer een grote reorganisatie van het
belastingstelsel
overwogen. De zogenaamde status
aparte van Aruba en de voorgenomen ver door
te
voeren decentralisatie zullen ook op het gebied der belastingen
gevolgen hebben. - einde-
@: Belastingfaciliteiten
zie @: Industrievestiging en
hotelbouw.
@: Beleggingsmaatschappijen
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen; @:
Handel: indeling en aard.
@: Bello Andres
(Caracas, Venezuela 29 november
1781-Santiago, Chili 16 oktober 1865), Venezolaans schrijver,
dichter, linguïst, filosoof en jurist. In 1810 vertrok hij naar
Engeland als secretaris van de delegatie (Simon Bolivar en Luis Lopez Mendez) die
steun hoopte te krijgen voor de Venezolaanse vrijheidsstrijd
tegen
Spanje. Gedurende zijn verblijf in Engeland (1810-1829) had hij
veel
contacten met de literaire wereld; hij is toen vooral bekend
geworden als schrijver en dichter. Na zijn terugkeer vestigde
hij
zich in Chili waar hij zich bijzonder verdienstelijk heeft
gemaakt
zowel op linguïstisch als op juridisch gebied. (Hij stelde een
burgerlijk wetboek samen). Zijn omvangrijk oeuvre - 22 delen -
(Obras Completas) is
in
Caracas heruitgegeven van 1951-1965. Op Curaçao is in Otrobanda
een
plein naar hem genoemd en is een borstbeeld van hem geplaatst
(zie
ook @: Centro Bolivar y Bello).
Werken:
- Alocución a la poesia (1823);
- Silva a la agricultura de la zona
tórrida (1826);
- Principios de ortologia y metrica
de la
lengua castellana (1835);
- Gramatica de la lengua castellana
destinada al uso de los Americanos (1847).
Literatuur:
- R. Caldera, Andres Bello (1935,
1965);
- P. Grases, Tiempo de Bello en
Londres y
otros ensayos (1962);
- O. Rojas Jimenez, Andres Bello y el
idioma Castellano (1981).
@: Bembe (shimaron)
zie @: Portulaca.
@: Benbom
(Moringa oleifera) of marengo, brenoli, moringo, orenga,
orseli, salaster, horse radish tree,
plantesoort
uit de familie der Moringaceae. Boom of hoge heester, met zeer
lange, 2 a 3 maal geveerde bladeren; bloemen wit-paarsig, in
grote
trossen, 5-tallig met 5 fertiele en 5 steriele meeldraden;
vrucht
lang, 3-kantig met 3 kleppen openspringend; zaden met 3
vleugels.
Gekweekt en soms verwilderd op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Afkomstig uit India. Zaden bevatten olie die in de kosmetische
en in
de horloge-industrie gebruikt wordt.
@: Benedenwindse Eilanden
zie @: Antillen; @: Nederlandse
Antillen.
@: Benta
Een muziekinstrument bestaande uit een
gebogen tak van de karawara (cordia alba),
of
een andere taaie houtsoort, waarop de vezel van een kokosblad
wordt
gespannen. Een der uiteinden van de boog wordt zodanig tegen de
geopende lippen gehouden dat de mondholte als resonator kan
dienen.
Om tonen voort te brengen wordt de vezel in trilling gebracht
door
er met een stokje, de manigueta, vlak bij de
mond
tegenaan te tikken. De toonhoogte wordt veranderd door de
mondholte
te vergroten of te verkleinen; dit gebeurt door bewegingen met
de
tong. De spanning van de vezel wordt gewijzigd door er met een
stuk
metaal of met de achterkant van een mes tegenaan te drukken.
In Centraal-Afrika, van waaruit deze
mondboog zich heeft verspreid over een groot gedeelte van
Midden- en
Zuid¬Amerika, wordt hij bij voorkeur door meisjes en jonge
vrouwen
bespeeld als begeleiding van korte verhaaltjes. De twee tonen
die
erop gespeeld worden verhouden zich in seconde-afstand. Diverse
benamingen worden gebruikt: lusuba,
lukunga, guru, inkoko, enz.
@: Bentana
zie @: Handel: binnenlandse
handel.
@: Berbice
zie @: Koloniërs.
@: Berg Altena
Oude woonwijk van Willemstad, Curaçao,
lag
oorspronkelijk buiten de stad maar werd geleidelijk in de oude
bebouwing opgenomen. De wijk is bekend door de typische, langs
de
oplopende weg trapsgewijs gebouwde huisjes, waarvan de bouwstijl
onmiskenbaar Hollandse trekken vertoont.
@: Beroepsonderwijs
In de Nederlandse Antillen bestaat de
mogelijkheid na het voltooien van een school voor mavo, havo of
vwo
een opleiding te volgen tot onderwijzer, kleuterleidster,
verpleegster, praktizijn, hulpapotheker en leerling-analist.
Leerlingen die de lagere school met goed gevolg hebben
doorlopen,
kunnen rechtstreeks een beroepsopleiding krijgen bij het
Nijverheidsonderwijs. Jongens die een beroep bij de zeevaart
kiezen,
kunnen een opleiding ontvangen op de scheepvaartschool. Pupillen
van
het Gouvernements
Opvoedingsgesticht
(G.O.G.) krijgen in deze inrichting een
praktische vakopleiding. Er zijn voorts cursussen die opleiden
voor
politieambtenaar, douanebeambte, administratieve functies voor
overheidskantoren, observator meteorologische dienst en
landmeter
bij het kadaster (zie Onderwijs: vakscholing).
@: Bèrs / @: Bers
zie @: Snapper.
@: Beschikkingen
Eenzijdige beslissingen van
overheidsorganen, die niet het karakter van een (algemeen
geldende)
wettelijke regeling hebben. Hebben zij dit karakter wel dan
worden
zij landsbesluiten, houdende algemene maatregelen of
eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen genoemd (art. 2,
sub
3° en sub 5°j° art. 24 Staatsregeling en art. 59 ERNA).
@: Besparingen, Nationale / @: Nationale
besparingen
zie @: Investeringen en besparingen,
Nationale.
@: Bestedingen, Nationale / @: Nationale
bestedingen
zie @: Investeringen en besparingen,
Nationale.
@: Bestuurders
zie @: Bestuursregeling: geschiedenis;
@:
Geschiedenis: bestuurders.
@: Bestuurscollege
is het college dat onder voorzitterschap
van
de gezaghebber het dagelijks bestuurde over een Eilandgebied
uitoefent.
Samenstelling
Het Bestuurscollege van Aruba en dat van
Curaçao bestaat uit de gezaghebber als lid, tevens voorzitter en
ten
minste twee en ten hoogste zes gedeputeerden als leden; dat van
Bonaire uit de gezaghebber en drie leden (art. 107 Eilandenregeling Nederlandse
Antillen
- ERNA). Voar de Bovenwindse Eilanden gelden
afzonderlijke bepalingen. Zowel de Eilandsraad van Aruba als die
van
Curaçao wijzigden herhaaldelijk het aantal gedeputeerden. De
gedeputeerden worden in de eerste vergadering van een
zittingsperiode voor de gehele duur daarvan door de Eilandsraad al dan niet
uit
zijn midden gekozen. Ten minste de helft van het aantal
gedeputeerden wordt door de Raad uit zijn midden gekozen. Een
gedeputeerde, die geen lid van de Raad is, heeft daarin een
adviserende stem. De meeste voor een lid-gedeputeerde geldende
bepalingen zijn overigens op hem van toepassing (art. 47 ERNA).
Eindigt het lidmaatschap van een lid-gedeputeerde, dan houdt hij
ook
op gedeputeerde te zijn (art. 48 ERNA). Art. 49 j ° art. 64 ERNA
geven aan welke betrekkingen of functies onverenigbaar zijn met
de
betrekking van gedeputeerde. Ingeval hij met deze bepalingen in
strijd komt, neemt of krijgt hij ontslag (art. 50 ERNA). Als
bijvoorbeeld een gedeputeerde het Statenlidmaatschap aanneemt,
dan
neemt hij ontslag als gedeputeerde; zo niet, dan wordt hij door
de
Eilandsraad van zijn betrekking van gedeputeerde vervallen
verklaard. Art. 64 ERNA behelst ook enige verbodsbepalingen om
te
voorkomen dat hij persoonlijk voordeel zou trekken uit zijn
gedragingen als gedeputeerde; hij mag dus niet rechtstreeks of
zijdelings betrokken zijn bij financiële contacten met de
overheid.
Bij eilandsverordening kan aan gedeputeerden een toelage worden
toegekend (art. 51 ERNA).
Bevoegdheden en taak
Art. 57-61 ERNA vermeIden een lange
lijst
van bevoegdheden, waarvan de voornaamste zijn:
- het voorbereiden van voorstellen
aan de
Eilandsraad;
- het uitvoeren der besluiten van de
Raad;
- het beheer der financiën en
eigendommen;
- gedurig toezicht op al wat het
Eilandgebied aangaat;
- waar nodig medewerking verlenen aan
de
uitvoering van landsverordeningen en landsbesluiten,
houdende
algemene maatregelen;
- het vaststellen van
eilandsbesluiten,
houdende algemene maatregelen;
- het benoemen, schorsen en ontslaan
van
eilandsambtenaren;
- het uitbrengen jaarlijks van een
eilandsverslag.
De gezaghebber of een der gedeputeerden
verdedigen in de Eilandsraad waar nodig het standpunt van het
Bestuurscollege; zij kunnen zich daartoe doen bijstaan door
anderen
(art. 40). Het Bestuurscollege is voor zijn beleid
verantwoording
verschuldigd aan de Eilandsraad. Zijn leden geven mitsdien alle
door
de raad verlangde inlichtingen (art. 62).
Vergaderingen
De regeling omtrent de vergaderingen is
grotendeels vervat in het reglement van orde. De voornaamste
voorschriften zijn echter opgenomen in art. 53-55 ERNA, namelijk
over het quorum (meer
dan
de helft der leden moet tegenwoordig zijn, wil een vergadering
geldig zijn), het besluiten bij meerderheid van stemmen, het
staken
van stemmen, onthouding van beraadslagen en stemmen over zaken
en
benoemingen, waarbij de naaste familie betrokken is, de
niet-vervolgbaarheid en eventuele geheimhouding. Voor
onbestuurbaarheid zie @: Eilandgebieden:
onbestuurbaarheid.
@: Bestuursregeling
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Algemeen: 1634 – ca
1800
Hoofdstuk 2: Nederland: ca 1800 – ca
1940
Hoofdstuk 3: Nederlandse Antillen: ca
1674
ca 1940
Hoofdstuk 4: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Bestuursregeling: Hoofdstuk 1: Algemeen: 1634 – ca
1800
Met de stichting van de West-Indische Compagnie
kwam vrij spoedig het probleem aan de orde, hoe
de
onder haar jurisdictie gestelde koloniën zouden worden bestuurd.
Voor het neutrale en onbeheerde Nieuw Nederland achtten de Heeren XIX een ‘Provisioneele Orde’ -
gedateerd 28 maart 1624 - voldoende. Voor de nieuwe kolonie in
Brazilie - Bahia de todos os
Santos met de stad São Salvador - werd
echter
een geheel nieuw reglement ontworpen.
Binnen enige weken na het bekend worden
van
de nieuwe ‘conqueste’ werd een ‘Concept van Regieringe, soo in
policie als justicie onder de authoriteyt van de Ho: Mo:
Heeren de Staten Generael van wege de .... Westindische
Compagnie aen te stellen in de Bahia de Todos os Santos
ende
andere plaetsen (met Gods hulpe) noch te veroveren in
Brasil’ aan de Staten-Generaal ter hand
gesteld
die dit met enige wijzigingen en met de goedkeuring van de Prins van Oranje
goedkeurden. Het verkreeg kracht van wet op 1 november 1624.
In 1629, aan de vooravond van de
verovering
van Pernambuco, werd
dit
reglement gewijzigd en kreeg het een minder tot Brazilie beperkt
karakter. Het luidde nu: ’aen te
stellen in de Plaetse ofte Plaetsen ... te
veroveren,’ terwijl het eerst aangegeven
lokale
bestuur van Bahia - ’Raden over
de
Bahia ende andere quartieren van Brasil’
-
nu werd genoemd ‘een College
over de
te veroveren Plaetsen’. Een andere wijziging
had
betrekking op een verruiming van godsdienstige tolerantie ten
opzichte van de Portugezen, Brazilianen, ’Spaignaerden ... ende Naturellen
van
den Lande’. Onder dit regeringsreglement
vielen
ook de Benedenwindse Eilanden toen zij door de W.I.C. veroverd
werden. Het reglement voorzag in de vestiging van een hoge en
lage
regering. De hoge regering was in Brazilië gevestigd, terwijl de
directeur van de Curaçao-eilanden met ambtenaren als raden naast
zich de zogenaamde lage regering vormden. Deze lage regering was
ondergeschikt aan de hoge, dat wil zeggen de directeur van de
Curaçao-eilanden ontving zijn orders uit Pernambuco, hoewel van
al
zijn correspondentie een kopie naar de Heeren XIX ging. Deze
ondergeschikte verhouding met Nieuw Holland eindigde met de val
van
Recife in 1654.
In de tien jaren die verliepen tussen
deze
val en de verovering van Nieuw
Amsterdam door de Engelsen, werden de
Curaçao-eilanden met Nieuw
Nederland
tot één bestuurseenheid verbonden. Pieter Stuyvesant, de
toenmalige directeur van deze bestuurseenheid was dit dus ook
van
Curaçao, Aruba en Bonaire, terwijl te Willemstad een
vice-directeur
zetelde. Deze bestuurseenheid had meer zin dan die met Brazilië,
daar navigatie tussen beide delen in noordelijke zowel als
zuidelijke richting mogelijk was. Tussen Nieuw Holland en het
Caribisch gebied was deze immers slechts in noordelijke richting
mogelijk. Van Curaçao naar Pernambuco moest de tijdrovende omweg
via
Afrika worden gemaakt.
Na de val van Nieuw Nederland werd de
vice-directeur van de Curaçao-eilanden weer directeur en vormden
de
drie eilanden Aruba, Curaçao en Bonaire een gesloten
bestuurseenheid. De Bovenwindse Eilanden waren in de aanvang
patroonschappen.
Het regeringsreglement van 1629 heeft
een
lang leven gehad. Het werd voor het Caribisch gebied in feite
eerst
vervangen door een nieuw tijdens de regering van Koning Willem I.
Eigenlijk
stierf het eerst in 1916 op vreemde - zij het voormalig
Nederlandse
- bodem, namelijk in Brits-Guyana dat de koloniën Demerary,
Essequibo en Berbice omvatte. Het overleefde dus niet alleen de
Oude
en Nieuwe West-Indische Compagnie, de Sociëteit van Suriname en
de
zogenaamde Franse tijd, maar ook de gehele negentiende
eeuw.
Bestuursregeling: Hoofdstuk
2: Nederland: ca 1800 – ca 1940
Na het aflopen van het octrooi der Tweede West-Indische Compagnie
in 1791 ging het bestuur der West-Indische
koloniën
over op de Staten-Generaal. Op 13
november 1792 trad de Raad der
Coloniën in functie. Het centraal bestuur
werd
uitgeoefend door negen leden, uit de verschillende gewesten
afkomstig, terwijl in de steden waar de kamers van de W.I.C.
gevestigd waren geweest, departementen voor de West-Indische
handel
werden ingesteld, die onder meer de belastingen en
recognitiegelden
inden. Er was dus sprake van een geleidelijke overgang van
Compagnie
naar Staatsbestuur. In 1795, tijdens de Bataafsche Republiek,
maakte de Raad plaats voor een Comité tot de Zaken van de
Coloniën en
Bezittingen op de Kust van Guinea en America.
Het
opperbestuur berustte bij de 21 leden gezamenlijk, terwijl
militaire, huishoudelijke en handelszaken aan drie afdelingen
met
ieder zeven leden toevielen. Hoewel de afzonderlijke directies
van
Suriname en Berbice nu werden opgeheven en er dus meer
uniformiteit
kwam in het koloniaal bestuur, bleek dit veelhoofdig Comité toch
niet erg doelmatig. De Raad der
Americaansche Coloniën en Bezittingen,
ingesteld
op grond van de Staatsregeling
van
1798 en in werking getreden op 1 januari
1801,
telde vijf leden. Tijdens het Koninkrijk Holland
(1806-1810) berustte het bestuur bij het ministerie van Koophandel en
Koloniën
(na 1808 het ministerie van Marine en
Koloniën). Gedurende de inlijving bij
Frankrijk
(1810-1813) bestond er te Parijs een Division Hollandaise
bij
het Ministêre de la Marine et
des
Colonies.
Na het herstel van de onafhankelijkheid
in
1813 werden de koloniale aangelegenheden behandeld door een
ministerie van
Koloniën, in
wisselende combinaties met bestuurstakken als Marine, Koophandel
e.d. De Koning voerde ‘bij uitsluiting’ (namelijk van de Staten
Generaal) het opperbestuur over de koloniën. De
regeringsreglementen
van 1815, 1828, 1833 en 1848 voor de Nederlandse Antillen werden
dan
ook bij Koninklijk Besluit
ingevoerd. De grondwet van 1848 verlangde
regeling
van regeringsreglementen bij de wet. Verschillende
omstandigheden
(onder meer de emancipatie van de slaven) hielden de behandeling
van
de voorstellen in de volksvertegenwoordiging geruime tijd op.
Ten
slotte werd het ontwerpreglement voor de Nederlandse Antillen
van de
minister van Koloniën I.D.
Franssen
van de Putte op 31 mei 1865 tot wet
verheven.
Bestuursregeling: Hoofdstuk
3: Nederlandse Antillen: ca 1674 ca 1940
Het bestuur van Curaçao en onderhorige
eilanden tijdens de 2de W.I.C. was geregeld in een instructie
voor
directeur Liebergen,
vastgesteld door de Heeren X
bij resolutie van 24 augustus 1679. Deze
instructie
bleef in hoofdzaak gelden tot 1803. De directeur was drager van
het
hoogste gezag ter plaatse. Hij werd bijgestaan door een raad,
benoemd door de Heeren X, waarin vier (later zes) ‘Compagnie’s bedienden’
en
drie á vier burgers zitting hadden. De eerste vier leden waren
de
directeur, als voorzitter, met recht op twee stemmen, de
commissaris
van de train en vivres (belast met het toezicht op de
magazijnen),
de kapitein-luitenant der militie en de commissaris van de
slavenhandel. De samenstelling van de Grote Raad is
herhaaldelijk
gewijzigd; zo kregen de kapitein van de burgerwacht en de
vaandrig
der militie een plaats in de raad, terwijl tevens de fiscaal
(officier van Justitie) ambtshalve zitting had. De raad was niet
alleen Raad van Politie
(bestuur), maar tevens van civiele en criminele
justitie. Het getal burgerleden, dat langzamerhand was
aangegroeid,
werd in 1718 bepaald op drie. Deze werden alleen bij de
behandeling
van rechtszaken toegelaten. In 1717 stelde directeur Jonathan van Beuningen
de zogenaamde Kleine
Raad in, bestaande uit vijf commissarissen,
voor
rechtspraak in zaken die een bedrag van 300 pesos niet te boven
gingen.
Aan het hoofd van de eilanden Aruba en
Bonaire stonden commandeurs. Van vertegenwoordiging der burgerij
was
hier geen sprake (zie Geschiedenis: Nederlandse periode).
Volgens de instructie van de Heeren X
van 13
december 1686 voerde een commandeur het opperbewind over St.
Eustatius en Saba. Hij was voorzitter in de raad, welke was
samengesteld uit een zestal burgers van beide eilanden. Deze
raadsleden werden door de commandeur gekozen uit door de
burgerij
voorgedragen personen. Op Saba en - na de verovering in 1703 -
ook
op St. Maarten werden vice-commandeurs aangesteld. Op St.
Maarten
werd deze gezaghebber, die zich, wanneer hij als zodanig optrad,
‘commandeur’ placht te noemen, bijgestaan door een raad van vier
der
bekwaamste ingezetenen. Bestuurlijk bleef St. Maarten aan St.
Eustatius ondergeschikt tot 1802.
Aan het einde van de 18de eeuw en
tijdens de
periode van de Engelse bezetting, eindigend met de teruggave van
de
eilanden aan Nederland in 1816, vonden herhaaldelijk
bestuurswijzigingen plaats die evenwel aan het grondpatroon niet
veel veranderden. In de plaats van de Nederlandse gouverneur of
commandeur trad uiteraard een Engels gezaghebber, maar de raden
(samengesteld uit ambtenaren en uit de burgerij gekozenen)
bleven
doorgaans in functie. Na het herstel van het Nederlands gezag
traden
nieuwe regeringsreglementen in werking, gearresteerd bij
Koninklijk
Besluit van 14 september 1815 nr. 58. Er waren nu drie
West-Indische
koloniën: Suriname onder een gouverneur-generaal, Curaçao en
onderhorige eilanden met een gouverneur-generaal en twee
commandeurs
(op Aruba en Bonaire) en de Bovenwinden onder een Gouverneur,
zetelend op St. Eustatius, met een commandeur op St. Maarten. In
1820 werd de titel gouverneur-generaal gewijzigd in Gouverneur.
Van
volksinvloed op het bestuur was nauwelijks sprake; de
burgerleden
van de Raden van
Politie
(op Curaçao, St. Eustatius en St. Maarten) werden door de
overheid
gekozen. Commissaris-generaal
Van
den Bosch voerde in 1828, volgens de wens van
de
Koning, nieuwe centraliserende bestuursregelingen in, waarmee
Willem I onder meer
bezuiniging hoopte te bereiken. De drie koloniën werden
samengevoegd
tot één gouvernement-generaal (met de gouverneur-generaal
zetelend
in Paramaribo). Curaçao kwam onder een directeur, St. Eustatius
met
Saba onder een commandeur, evenals St. Maarten. Laatstgenoemd
eiland
was rechtstreeks ondergeschikt aan het algemeen bestuur te
Paramaribo. In 1833 werden de titels directeur en commandeur
gewijzigd in gezaghebber. Van den Bosch meende, dat de
samenvoeging
zou leiden tot een gelijkmatiger verdeling van lasten over de
koloniën en tot economische samenwerking van Suriname met de
eilanden. Er kwamen gemeenteraden
voor Paramaribo, Curaçao en St. Eustatius met
Saba.
De leden werden benoemd door de commissaris-generaal. De
bevoegdheid
van deze raden was slechts gering, want alle ontworpen
reglementen
en dergelijke moesten eerst door de directeur in Rade en
vervolgens
door de gouverneur-generaal goedgekeurd worden, alvorens zij
kracht
van wet bezaten. De gemeenteraden zijn reeds in 1833 verdwenen
toen
weer nieuwe bestuursreglementen werden ingevoerd. Curaçao en
onderhorige eilanden, St. Eustatius en Saba en St. Maarten
werden nu
op één lijn gesteld. Aan de gezaghebbers werden koloniale raden
toegevoegd,
die een uitsluitend voorlichtende bevoegdheid kregen. De Hoge Raad der West-Indische
Bezittingen opgericht in 1828 - verdween
eveneens, om plaats te maken voor een koloniale raad als
adviesorgaan van de gouverneur-generaal,
zodat
deze, onder de bevelen van de Koning, vrijwel alleen regeerde.
Bij Koninklijk Besluit (K.B.) van 9
april
1845 nr. 8 werd het in 1828 ingestelde gouvernement-generaal van
de
West-Indische koloniën weer opgeheven. De optimistische
verwachtingen van Van den Bosch
over de resultaten van de samenvoeging waren niet
in
vervulling gegaan. ‘In het geheele jaar 1843 bijvoorbeeld’
schreef
minister Baud aan de Koning, ‘is
de
handel tusschen Suriname en Curacao gedreven door twee
vaartuigen, waarvan het ene drie, het andere slechts
eenmaal
de reis heeft gedaan’. De gezaghebber van
Curaçao, R.F. baron van
Raders, had zich in 1843 in een brief aan de
minister van Koloniën tegen de onderschikking van de eilanden
aan
Suriname gekant, een toestand die elk initiatief tot economische
ontplooiing smoorde. Bij bovengenoemd K.B. werd nu bepaald, dat
de
gezaghebber van Curaçao, wiens bestuur zich ook over de
Bovenwinden
zou uitstrekken, in rechtstreekse verbinding zou staan met het
departement van Koloniën. In 1848 kwam het nieuwe
regeringsreglement
voor Curaçao en onderhorigheden, dat wil zeggen voor alle
Nederlandse Antillen, tot stand (K.B. van 27 januari 1848 nr.
51).
Hoogste gezagsdrager was de Gouverneur te Curaçao, die het
bestuur
uitoefende met een Koloniale
Raad
als adviserend lichaam naast zich. De leden van
de
raad (twee ambtenaren, vier ingezetenen) werden door de Koning
benoemd. De andere eilanden werden onder het oppergezag van de
Gouverneur bestuurd door gezaghebbers. Adviescommissies van twee
ingezetenen, door de Gouverneur benoemd, werden hun toegevoegd.
Zoals reeds vermeld, heeft het tot 1865
geduurd eer een regeringsreglement voor de Nederlandse Antillen
bij
de wet tot stand kwam. Dit reglement is geënt op de Grondwet van
1848, hetgeen uit de indeling, het opnemen van grondrechten en
dergelijke blijkt. Wetgeving en rechtspraak zouden, zoveel
mogelijk
overeenkomstig de in Nederland bestaande wetten, door koloniale
verordeningen worden geregeld (art. 138). Invoering van de
nieuwe
wetgeving waarbij dus het oude Romeins-Hollandse recht verlaten
werd
- heeft te middernanacht tussen 30 april en 1 mei 1869 plaats
gevonden.
In tegenstelling tot Suriname verkregen
de
Nederlandse Antillen geen door de inwoners te kiezen
vertegenwoordiging. De Gouverneur was bekleed met de uitvoerende
macht en werd bijgestaan door een adviserend college, de
Raad van
Bestuur. Deze raad
bestond uit de Gouverneur als
voorzitter, een ondervoorzitter (tot 1901 was dit de
procureur-generaal) en drie door de Koning benoemde leden.
Daarnaast
werd een Koloniale Raad
ingesteld, bestaande uit de Raad van Bestuur als
vaste
leden, en acht door de Koning benoemde leden die vier jaar
zitting
hadden. Bij de wijziging van het regeringsreglement in 1901
verdween
de Raad van Bestuur uit de Koloniale Raad, de 13 leden werden
voortaan voor vier jaar door de Koning benoemd. De Koloniale
Raad
beraadslaagde over de verordeningen door de Gouverneur
aangeboden en
had tevens het recht van initiatief en amendement. Hij kon de
Gouverneur uitnodigen om wegens zaken, de kolonie betreffende,
mondeling of schriftelijk inlichtingen aan hem te geven. Indien
de
Gouverneur zich met een beslissing van de Raad niet kon
verenigen,
moest hij daarvan aan de Koning en aan de Raad kennis geven.
‘In abstracto heeft de Kroon het
recht den Gouverneur te bevelen, toch de verordening
vast te
stellen, doch het ligt voor de hand, dat dit eene voor
het
gezag van den Gouverneur gevaarlijke politiek zou
zijn’. (H.W.C. Bordewijk in Encyclopedie
Nederlands West- Indie). Overigens kon de regering in Den Haag
alle
zaken bij Koninklijk Besluit
regelen. Maar de invloed van de Staten-Generaal
van
Nederland deed zich vooral bij de behandeling van de begroting
voelen: wanneer er namelijk een tekort was (en dat was meestal
het
geval) moest de begroting bij de wet worden vastgesteld.
De afzonderlijke eilanden, behalve
Curaçao,
werden bestuurd door gezaghebbers, bijgestaan door twee landraden. De landraden
werden door de stemgerechtigde ingezetenen voor vier jaar
gekozen
(op de kleinere eilanden werd het kiesrecht dus wel ingevoerd!).
Samen met de gezaghebber maakten zij de Raad van Politie uit,
die
onder meer bevoegd was plaatselijke keuren te maken.
In 1936 kwamen ingevolge de
grondwetswijziging van 1922 staatsregelingen voor Curaçao en
Suriname tot stand, die op 1 april 1937 in werking traden.
Curaçao
verkreeg toen een vertegenwoordigend lichaam, de Staten van Curaçao,
bestaande uit vijftien leden, waarvan er vijf door de Gouverneur
werden benoemd en tien gekozen volgens een beperkt census- en
capaciteitskiesrecht. (Voor namen van bestuurders, zie
Geschiedenis:
bestuurders; zie verder Staatsregeling).
Hoofdstuk 4: Literatuur
- H.W.C, Bordewijk, Ontstaan en
ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao (1911);
- idem, Handelingen over de
reglementen
van Suriname en Curaçao (1914);
- R. Bijlsma, Het oud archief van
Curaçao
en onderhoorige eilanden Bonaire en Aruba;
- De oude archieven van St.
Eustatius,
St. Martin en Saba, in: Verslagen omtrent 's Rijks oude
archieven (1920, 1924);
- Encyclopaedie van Nederlandsch
West-Indie (1917, 1981);
- Groot Plackaetboeck en Groot
Nederlandsch Placaatkundig Woordenboek;
- G. J. van Grol, De Grondpolitiek in
het
West-Indische domein der Generaliteit (1934-1947, 3 din.,
1980),
- W.H. van Helsdingen, De
Staatsregeling
van de Nederlandse Antillen van 1955: Historische
toelichting en
praktijk (1956);
- A.J.M. Kunst, Recht, commercie en
kolonialisme in West-Indie vanaf de zestiende tot in de
negentiende eeuw (1981);
- Honderd jaar codificatie in de
Nederlandse Antillen (1969);
- J.A. Schiltkamp, Bestuur en
rechtspraak
in de Nederlandse Antillen ten tijde van de West-Indische
Compagnie (1972);
- J.Th. de Smidt, T. van der Lee en
J. A.
Schiltkamp (eds.), Publicaties en andere wetten alsmede de
oudste resolutie betrekking hebbende op Curaçao, Aruba,
Bonaire;
1638-1816 (2 dIn. 1978) (West-Indisch Plakaatboek 2);
- J. Th. de Smidt en T. van der Lee
(eds.), Publicaties en andere wetten betrekking hebbende op
St.
Maarten, St. Eustatius, Saba, 1648/1681-1816 (1979)
(West-Indisch Plakaatboek 3).
@: Bestuur van de Nederlandse Antillen
in engere zin, de regering, de uitvoerende macht,
behoort aan de Gouverneur onder verantwoordelijkheid van de
minister(s). (art. 11, 12 en 37 Staatsregeling).
@: Bestuur van elk Eilandgebied
bestaat uit: de Eilandsraad, het Bestuurscollege en de
gezaghebber (art. 3
ERNA).
Het dagelijks bestuur wordt uitgeoefend door het Bestuurscollege
bestaande uit de gezaghebber als lid-voorzitter en
gedeputeerden.
@: Bethencourt, Agustin
(Santa Cruz de Tenerife 23 november 1826
-
Curaçao 14 juni 1885) heeft gedurende zijn vijfentwintigjarig
verblijf op Curaçao door zijn stimulerende en inspirerende
persoonlijkheid een belangrijke bijdrage geleverd tot de
beoefening
van muziek en letterkunde, in het bijzonder door de oprichting
in
1867 van de Uitgeverij-Drukkerij
A.
Bethencourt e Hijos waar werken van auteurs
en
componisten niet alleen uit Curaçao, maar ook uit de omliggende
republieken - vooral uit Venezuela - het licht zagen. Van
1886-1888
werd bij de door hem opgerichte drukkerij het literaire blad
Notas y Letras
gedrukt. Uit
het Boletin de la Libreria de
Agustin Bethencourt (14-daags, 1879-1897)
kwam de
Diario del Comercio
(1897-1908) voort en vervolgens het Boletin Comercial
(1908-1951), als oudste dagblad van Curaçao.
Als amateur-cellist was hij lid van het
eerste strijkkwartet dat op Curaçao werd gevormd. Bethencourt
was
tevens initiatiefnemer tot de oprichting van Curaçao’s eerste
symphonie-orkest ‘Harmonie’
(1879). Zijn boekhandel importeerde ook muziek en
instrumenten, waarbij de eigenaar zich vaak meer liet leiden
door
didactische dan door commerciële overwegingen. (Zie @:
Letterkunde;
@: Pers.)
Literatuur:
- R. Boskaljon, Honderd jaar
muziekleven
op Curaçao (1958);
- Corona funebre a la memoria de
Agustin
Bethencourt (1886);
- J. Hartog, Journalistiek leven in
Curaçao (1944).
@: Beth Haim
Oude Joodse begraafplaats op Curaçao
binnen
bij herhaling vernieuwde ommuring aan de noordwestzijde van het
Schottegat, ingewijd ca. 1656 in het toen dusgenaamde Joodse Quartier, thans
ingeklemd tussen de aan de Shell
Curaçao N.V. behorende voormalige plantages
Bleinheim, De Hoop en
Gasparitu, door
uitleg in
1726, 1750, 1800, 1822 en 1879 vergroot tot ruim 1 ha. Beth Haim
was
tot de stichting van een afzonderlijke begraafplaats in 1864
voor de
Nederlands Hervormde
Israëlitische
Gemeente de enige Joodse begraafplaats ter
plaatse, in 1880 opgeh¬ven voor een naast deze laatste gelegen
begraafplaats op de Berg
Altena. De begraafplaats geniet een grote
vermaardheid door de vele nog aanwezige gebeeldhouwde marmeren
of
hardstenen grafzerken, die meestal in Amsterdam besteld, doch
sinds
begin 19de eeuw ook ter plaatse vervaardigd of uit Genua
betrokken
werden. De oudste nog bestaande grafsteen is van leudith Nunes Da Fonseca,
gedateerd
1668 (of misschien 1662). Er zijn op deze historische dodenakker
meer dan 5000 graven, waarvan sommige zijn voorzien van matsevoth (grafstenen),
die
zeldzame en fraaie voorbeelden vormen van grafbouwkunst
(typerend
voor, Sefardisch-Joodse begraafplaatsen) met vaak Bijbelse
taferelen, ingegeven door de naam van de overledene.
Daar de zwavelhoudende rook van de
nabijgelegen olieraffinaderij zeer schadelijk op tal van
figuratieve
zerken inwerkt, heeft de Stichting
Monumentenzorg Curaçao in de afgelopen jaren
van
een aantal der voornaamste afgietsels laten maken door de architect S. Alexenko.
(Zie
ook @: Begraafplaats, Israëlitische).
Literatuur:
- I.S. Emmanuel, Precious Stones of
the
Jews of Curaçao, Curaçaon Jewry 1656-1957 (1957);
- M. D. Ozinga" De monumenten van
Curaçao
in woord en beeld (1959);
- Verslagen der Stichting
Monumentenzorg
Curaçao.
@: Beth Israël
zie @: Joodse gemeenten: Aruba.
@: Beurs- en Nieuwsberichten
zie @: Pers.
@: Bevolking Nederlandse Antillen
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Registratie en publikatie
van
de gegevens
Hoofdstuk 3: Bevolkingstal en –groei
Hoofdstuk 4: Natuurlijke
bevolkingsgroei
Hoofdstuk 5: Migratie
Sectie 1: Inleidende notities /
definities
migratie
Sectie 2: Buitenlandse migratie of
Immigratie
Sectie 3: Binnenlandse of interinsulaire
migratie
Sectie 4: Migratie op de Bovenwindse
eilanden
Sectie 5: Migratie Bonaire
Sectie 6: Forensisme op Aruba en
Curaçao
Sectie 7: Enige aantekeningen
bevolkingsspreiding Bonaire / Bovenwinden
Hoofdstuk 6: Samenstelling en
leeftijdsopbouw van de bevolking
Sectie 8: Samenstelling
Sectie 9: Leeftijdsopbouw
Sectie 10: Gemiddelde en mediane
leeftijd
Sectie 11: Getalsmatige verhouding
tussen de
seksen: vrouwen- of mannenoverschot
Sectie 12: Bevolkingspiramiden
Sectie 13: Burgerlijke staat
Sectie 14: Beroepsbevolking
Sectie 15: Beroepsbevolking en
pensioengerechtigde leeftijd
Hoofdstuk 7: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Bevolking Ned.
Antillen:
Hoofdstuk 1: Inleiding
De omvang en de samenstelling van de
bevolking van de Nederlandse Antillen wordt vastgelegd door de
bevolkingsregisters en de registers van de burgerlijke stand,
die in
ieder eilandgebied aanwezig zijn.
Bevolking
Ned. Antillen: Hoofdstuk 2:
Registratie en publikatie van de gegevens
Publikaties omtrent de stand en loop van
de
bevolking vinden plaats door de eilandgebieden in hun jaarlijkse
eilandsverslagen en in de periodieke uitgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek
(C.B.S.) o.a. het jaarlijks verschijnende
Statistisch Jaarboek Nederlandse
Antillen en de maandelijkse Statistische Mededelingen
Nederlandse
Antillen. Ter côntrôle en aanvulling van de
aldus
verzamelde gegevens worden volkstellingen gehouden. In de 20ste
eeuw
geschiedde dit in de Nederlandse Antillen viermaal, namelijk in
1930, in 1960, in 1972 en in 1981. De volkstelling 1930 werd
tegelijkertijd in het gehele gebied van de Nederlandse Antillen
georganiseerd, die van 1960 werd op een verschillend tijdstip
door
twee verschillende instanties in verschillende gebieden van de
Nederlandse Antillen uitgevoerd. Mede door afwijkingen in opzet
en
methodiek zijn de uitkomsten van de onderzoeksdata van 1930 en
1960
niet volledig met elkaar vergelijkbaar. Het is de intentie om -
conform de richtlijnen van de United
Nations - in het begin van ieder decennium
door
het C.B.S. een volkstelling te laten uitvoeren voor het
grondgebied
van de Nederlandse Antillen.
De bevolkingsregisters van de zes
eilanden
geven samen een bevolkingstotaal van 253.334 mensen per
ultimo
1980, terwijl de volkstelling van 1 februari 1981 aan een totaal
van
231.932 komt. Dit
betekent dat er een verschil van 21.402 personen blijft bestaan
tussen bevolkingsregisters en Census 1981. De registratie
vertoont
fouten wanneer mensen van of naar een bepaald eiland verhuizen
zonder zich in het bevolkingsregister te laten in- of
uitschrijven.
Omdat in de Nederlandse Antillen voor water-, gas- en
elektriciteitsaansluitingen een uittreksel uit het
bevolkingsre¬gister nodig is, is de kans dat mensen die zich op
een
bepaald eiland vestigen zich niet laten inschrijven, vrij klein.
Dit
geldt echter niet voor het uitschrijven; tijdens de volkstelling
werd vele malen geconstateerd dat mensen die volgens het
bevolkingsregister op een bepaald adres woonden al geruime tijd
het
eiland hadden verlaten.
Wanneer personen naar een ander eiland
van
de Nederlandse Antillen vertrekken zonder zich te laten
uitschrijven, terwijl ze zich op het eiland van vestiging wel
laten
inschrijven, dan is het gevolg dat ze op twee eilanden in het
bevolkingsregister voorkomen. In de census worden ze natuurlijk
maar
één keer geteld. Een andere consequentie is dat ze voor de
Nederlandse Antillen als totaal als immigrant gezien worden.
Immers
normaal gesproken staat bij interne migratie een vertrek op het
ene
eiland tegenover een vestiging op het andere eiland zodat het
saldo
niet beïnvloed wordt. In het bovengenoemde geval is er alleen
maar
een vestiging zodat het saldo ook een vestiging te zien geeft en
de
bevolking dus te groot wordt. Hetzelfde is het geval wanneer
mensen
naar het buitenland vertrekken zonder zich in de Nederlandse
Antillen te laten uitschrijven. Dit laatste is vooral van belang
voor Nederlanders die niet in de Nederlandse Antillen geboren
zijn,omdat zij na een verblijf van tien jaar in de Antillen de
status van Antilliaan krijgen en als zodanig geen
verblijfsvergunning meer nodig hebben. Het verschijnsel
overregistratie in de bevolkingsregisters blijkt echter niet tot
deze groep beperkt te zijn.
Vergelijking van de uitkomsten van de
volkstellingen alsmede van de overige bevolkingsregistraties
geven
de mogelijkheid zich een indruk te vormen van de numerieke
verschuivingen die zich binnen de bevolking gedurende kortere of
langere tijd hebben voltrokken. (Voor de etnische samenstelling
zie
Nederlandse Antillen).
Bevolking Ned. Antillen:
Hoofdstuk 3: Bevolkingstal en
–groei
Per 1 februari 1981 bedroeg het aantal
inwoners van de Nederlandse Antillen 112.148 mannen en 119.784
vrouwen, in totaal 231.932 personen; deze bevolking was als
volgt
over de verschillende eilanden verdeeld: Curaçao 147.388, Aruba
60.312, Bonaire 8.753, St. Maarten 13.156, St. Eustatius 1.358
en
Saba 965 inwoners. Gerelateerd aan de oppervlakte geeft dit een
bevolkingsdichtheid van 233 inwoners per km(2) in de gehele
Nederlandse Antillen, en voor ieder eiland afzonderlijk als
volgt.
Curacao 332, Aruba 312, Bonaire 30, Sint Maarten 356, Sint
Eustatius
65 en Saba 74 inwoners per km(2) (gegevens met betrekking tot de
oppervlakte van de eilanden, ontleend aan o.a. het Statistisch
Jaarboek).
In de periode 1920-1981 is de bevolking
van
het land toegenomen van 53.702 tot 231.932 inwoners; een tabel
toont
deze toename voor wat betreft de laatstgenoemde periode in
tienjaarlijkse tijdvakken en laat tevens duidelijk zien dat ze
overwegend op rekening gesteld moet worden van de eilanden
Curaçao,
Aruba en St. Maarten. Bij een vergelijking vande bevolkingsgroei
van
de Nederlandse Antillen in de periode 1920-1981 met die van
Curaçao
en Aruba over hetzelfde tijdsbestek, blijkt dat de Nederlandse
Antillen in hun geheel een groeicijfer vertonen van 332% en
Curaçao
van 350%. De bevolkingsgroei van Aruba in dezelfde periode komt
daar
ver bovenuit namelijk 630%. Opmerkelijk is te noemen de
bevolkingsgroei van St. Maarten in de afgelopen twee decennia:
In
1960 telde St. Maarten 2.728 inwoners terwijl in 1981 dit aantal
gestegen was tot 13.156, een groeicijfer in 21 jaar van 382%!
Een
vergelijking van het aandeel van de Curaçaosche, Arubaanse en
St.
Maartense bevolking in het bevolkingstotaal 1981 met die van het
jaar 1920, laat zien, dat dit aandeel van 81% tot 95% gestegen
is.
Curaçao alleen herbergt per 1981 ongeveer 64% van de totale
bevolking van de Nederlandse Antillen.
Bevolking
Ned. Antillen: Hoofdstuk 4: Natuurlijke
bevolkingsgroei
De toename van de Antilliaanse bevolking
is
tot stand gekomen door enerzijds de natuurlijke groei of het
geboortenoverschot, dat is het verschil tussen het
geboortecijfer en
het sterftecijfer, anderzijds door een positief
saldo of vestigingsoverschot gedurende
een
groot aantal jaren. Het is duidelijk dat bij overigens
gelijkblijvende omstandigheden een geboortenoverschot kan
toenemen
door een verhoging van het geboortencijfer (d.i. het aantal
levendgeborenen per jaar per duizend van de gemiddelde
bevolking)
dan wel door een verlaging van het sterftecijfer (eveneens
uitgedrukt in promillages van de gemiddelde bevolking per jaar).
Sinds 1926 was het geboortencijfer constant hoger dan 30;
zij heeft pas vanaf 1965 een duidelijk dalend verloop
(in
1981 was het geboortencijfer in de Nederlandse Antillen -
exclusief
de Bovenwinden 19,7%o).
Deze nataliteit heeft inmiddels bijna
het
peil bereikt van de ontwikkelde landen. Dit in tegenstelling tot
de
geboortencijfers van Midden- en Zuid-Amerika die in het algemeen
boven de 25%o liggen. Beter dan door het bruto
geboortecijfer
wordt het geboortenniveau uitgedrukt door het algemeen
vruchtbaarheidscijfer, waaronder men verstaat het aantal
levendgeborenen per jaar per duizend vrouwen van 15 t/m 49 jaar.
De
tabel hierover, ontleend,aan de volkstelling 1981, geeft een
vergelijking van het Antilliaanse vruchtbaarheidscijfer met dat
van
enkele andere landen. De overeenkomst met de omliggende gebieden
wordt nog duidelijker wanneer de niet in de Nederlandse Antillen
geboren vrouwen bij de berekening van het vruchtbaarheidscijfer
buiten beschouwing worden gelaten. In 1960 blijkt dit cijfer
voor
Curaçao dan 188 per duizend te zijn.
Inmiddels is het algemeen
vruchtbaarheidscijfer in de Nederlandse Antillen de laatste
jaren
sterk gedaald. Was dit in 1965 nog 131, in 1981 is dit gedaald
tot
69,1 (dit laatste cijfer exclusief de Bovenwinden). De
nataliteit
blijkt dus te verminderen. Dit wordt niet alleen veroorzaakt
door
moeilijkheden op economisch gebied, resulterend in de sterk
teruggelopen werkgelegenheid, maar ook andere factoren, als
bijvoorbeeld de algemene stijging van de levensstandaard en
veranderende inzichten op het gebied van de gezinsgrootte,
spelen
hierbij een rol. Al lang bestaat bijvoorbeeld op Curaçao de
Fundashon Famia Planea
(Stichting tot Bevordering van Verantwoord
Ouderschap), waarin vertegenwoordigers van de overheid en van de
voornaamste levensbeschouwelijke richtingen zitting hebben. Dit
alles wijst op veranderingen die in het geboortenklimaat gaande
zijn. Men mag aannemen dat de daling van het bruto
geboortencijfer
zich in de toekomst verder tot het peil van de westerse landen
zal
voortzetten.
Een ander fenomeen die zich op dit vlak
voordoet is dat van de "wettigheid" van de geboorten met
referentie
naar het al dan niet in een huwelijk geboren worden van
kinderen.
Het aantal onwettige of buitenhuwelijk geboren kinderen in de
Nederlandse Antillen is hoog. Verschillende schrijvers wijzen in
dit
verband op de samenhang tussen het relatief hoge aantal
illegitieme
geboorten en de aanwezigheid van huwelijksvormen en -normen in
de
Antilliaanse samenleving welke van die van de westerse wereld
afwijken. Opmerkelijk is dat het percentage onwettig geboren
kinderen in de periode 1940-1950 op Curaçao en Aruba een dalende
lijn vertoont, maar daarna weer stijgt. Momenteel (1982) valt
zelfs
te constateren dat 48% van de levendgeborenen op Curaçao
onwettige
kinderen zijn.
Het sterftecijfer in de Nederlandse
Antillen
vertoonde tot 1926 sterke schommelingen; sinds dat jaar trad een
sterke doorgaande daling op en sedert 1953 ligt het rond de 5%o
(promille). Hiermee behoren de sterftecijfers in de Nederlandse
Antillen tot de laagste ter wereld. Nu is het zogenaamde
brutosterftecijfer een vrij gebrekkige indicatie voor de
werkelijke
stand van de mortaliteit van een bevolking op zeker moment. Er
bestaan daarom verscheidene correctiemethoden die een zuiverder
beeld van de mortaliteit verschaffen; in dit bestek kan hierop
niet
nader worden ingegaan.
Volstaan moge worden met te wijzen op
het
jeugdig karakter van de Antilliaanse bevolking tien jaar
geleden.
Dit is momenteel duidelijk aan het veranderen (in 1972 was 38,0%
van
de Nederlands-Antilliaanse bevolking tussen 0-14 jaar, terwijl
dit
in 1981 nog slechts 28,8% was). Hierdoor ligt het in de lijn van
de
verwachting dat in de toekomst het sterftecijfer een duidelijke
stijgende tendens zal gaan vertonen
In 1971 was het gemiddelde sterftecijfer
van
de Benedenwinden 5,6%o. Per eiland bekeken was dit op Bonaire
veruit
het hoogst en wel een promillage van 7,9; scherp in
vergelijking met een promillage op Curaçao van 5,7 en op Aruba
van
5,3. Het hoge karakter van het Bonairiaanse sterftecijfer heeft
duidelijk te maken met een hoger percentage ouderen binnen de
bevolking. Hieronder zal nader op de oorzaken van de
bevolkingsopbouw van de Antilliaanse bevolking worden ingegaan.
Uiteraard zijn de lage sterftecijfers
mede
een gevolg van de aanzienlijk verbeterde sociaal-hygiënische en
medische voorzieningen gedurende de afgelopen halve eeuw, met
name
op Curaçao en Aruba (zie @: Geneeskunde). De zuigelingensterfte
op
Curaçao daalde in het tijdvak 1935-1981 van ruim 12% tot 1,2%
van
het aantal levendgeborenen per jaar (in de V.S. was dit in 1977
1,6%). De Curacaosche cijfer is voor deze (Caribische)
regio
uitzonderlijk laag. Ook het aantal doodgeborenen is zeer gering
en
bedraagt thans 1,9% van het aantal geboorten. Samenvattend kan
vastgesteld worden dat de lage mortaliteit in de Nederlandse
Antillen allereerst moet worden toegeschreven aan het nog steeds
relatief jeugdig karakter van de bevolking, voorts dat de
volksgezondheid door tal van maatregelen duidelijk gunstig is
beïnvloed en tenslotte dat er tussen de eilanden vrij
aanzienlijke
verschillen in het algemeen sterftecijfer zijn aan te wijzen.
Het
gebruik van leeftijdsspecifieke sterftecijfers, waardoor de
sterfte
per leeftijdsklasse wordt uitgesplitst, maakt deze verschillen
kleiner.
Het geboorteoverschot maakt in eerste
instantie een tegenovergestelde ontwikkeling door. Bedroeg het
geboortenoverschot van de Antilliaanse bevolking in het jaar
1926
ca. 3 pro mille, sindsdien is het met sprongen toegenomen,
hoofdzakelijk als gevolg van de snel afnemende sterftecijfers.
Sedert ongeveer 1950 lag het geboortenoverschot rond de 30 pro
mille, om na 1960 ten gevolge van de daling in de
geboortencijfers
af te nemen tot 22,2 pro mille in 1965. In 1972 bedroeg het
geboortenoverschot 18%o, terwijl in 1981 dit verder gedaald is
tot
14,1%o. De natuurlijke groei van de bevolking van de
Benedenwindse
Eilanden is het kleinst op Bonaire, hij bedraagt hier 10,6
promille.
Aruba volgt methet op één na laagste geboortecijfer van de
Benedenwindse Eilanden: 12,1%o. Curaçao vertoont de sterkste
natuurlijke groei met een geboorteoverschot van 14,9 pro mille.
Te
verwachten wijzigingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking
waardoor het sterftecijfer al wat stijgende is, gevoegd bij de
voortgaande daling in het geboortencijfer maken het aannemelijk
dat
de vertraging in de natuurlijke groei van de Antilliaanse
bevolking
zich in de toekomst in versterkte mate zal voortzetten.
Bevolking Ned. Antillen:
Hoofdstuk 5: Migratie
- Sectie 1: Inleidende notities
/
definities migratie
In het voorgaande werd de betekenis van
de
geboorten- en sterftecijfers belicht; van niet minder belang
zowel
voor de toeneming als voor de samenstelling van de huidige
Antilliaanse bevolking is het verschijnsel van de migratie. De betekenis
hiervan blijkt o.a. uit de volgende gegevens welke ontleend
werden
aan de volkstelling van 1981. In dat jaar was 14,4% van de
bevolking
van Curaçao niet op dat eiland geboren, op Aruba was 18,5% van
elders geboortig. Het aantal vreemdelingen op de Bovenwinden
bedroeg
35,7%, hoofdzakelijk afkomstig van de omliggende Caribische
eilanden
en van het Franse deel van Sint Maarten. De
bevolkingssamenstelling
van Sint Maarten is ook opmerkelijk vanwege het feit, dat
slechts 41
% van de bevolking bestaat uit aldaar geboren
Nederlands-Antillianen.
Het begrip migratie dat in het algemeen
vestiging in, of vertrek uit een
bepaald
woongebied inhoudt, dient ter wille van de bruikbaarheid nader
omschreven te worden. Men spreekt van externe of
buitenlandse migratie wanneer het gaat om vestiging van personen vanuit het
buitenland in de Nederlandse Antillen (immigratie), dan wel om
vertrek van personen uit de
Nederlandse Antillen teneinde zich in het buitenland te
vestigen (emigratie). Daarnaast
bestaat een niet minder belangrijke beweging van vestiging en
vertrek tussen de verschillende eilanden van de Nederlandse
Antillen, welke wordt aangeduid met de term interne
of
binnenlandse migratie. Zowel buitenlandse als
binnenlandse migratie worden bijgehouden door de
bevolkingsregistraties op de verschillende eilanden.
Verhuizingen
binnen de grenzen van een eiland hebben geen in- of
uitschrijvingen
in het bevolkingsregister ten gevolge en worden dus niet als
migratie aangemerkt.
- Sectie 2: Buitenlandse
migratie
of Immigratie
De buitenlandse migratie in de
Nederlandse
Antillen vertoonde in de jaren vóór de vestiging van de grote
aardolieraffinaderijen op Curaçao en Aruba een overwegend
negatief
beeld. De weinig rooskleurige economische omstandigheden van die
dagen noodzaakten vele eilandbewoners, met name van Curaçao en
Aruba, te trachten elders in hun levensonderhoud en dat van hun
- al
dan niet achterblijvend - gezin te voorzien. Het ging dan
weliswaar
lang niet altijd om blijvende vestiging in het buitenland maar
in
jaren dat de eigen oogst ongunstig uitviel, en dat waren er
vele,
lokten in de oogsttijd de suikervelden op Cuba en andere
eilanden,
of de plantages in Venezuela en Colombia. Vanuit de Bovenwinden
was
de trek vooral naar het noorden, o.a. naar de Verenigde Staten,
gericht. Vrij veel Sabaanse mannen bijvoorbeeld monsterden als
schepeling op Amerikaanse koopvaardijschepen, sommige van hen
brachten het zelfs tot stuurman of kapitein.
Het is vanzelfsprekend niet zo dat deze
toestand met de vestiging van de Shell-raffinaderij op
Curaçao in 1916 op slag veranderde. Door de
oorlogsomstandigheden
konden de werkzaamheden trouwens pas na 1918 goed op gang komen.
Tot
het jaar 1921 bestond er nog een vertrekoverschot op Curaçao
maar
van het jaar 1922 af verandert dit in een vestigingsoverschot.
Het
keerpunt voor Aruba ligt in het jaar 1926 toen zich op dit
eiland de
Lago Oil and Transport Company
vestigde. Het grote landelijke vertrekoverschot
van
1931 weerspiegelt de algemene wereldcrisis van die dagen,
waarvan
het effect nog versterkt werd door de beëindiging van de eerste
opbouwfase in de olie-industrieën. Het is bovendien niet
onwaarschijnlijk dat hier een corrigerende invloed aanwezig is
van
de volkstelling 1930, waardoor onjuistheden in de
bevolkingsboekhouding van de Nederlandse Antillen op rekening
van
het jaar 1931 zijn weggewerkt. Het landelijk migratiesaldo
blijft
vervolgens positief tot 1950, waarbij de oorlogsomstandigheden
met
hun voorspel en nawerking het beeld nogal ‘springerig’ maken. In
1953 zet een definitieve teruggang in, gevolg van de snelle
inkrimping van de werkgelegenheid in de aardolie-industrie door
automatisering en verdere rationalisering van het
produktieproces,
zonder dat van vervangende werkgelegenheid vooralsnog sprake is.
Het
zijn allereerst de vele buitenlandse arbeiders die dan bijdragen
tot
het vertreksaldo, in veel mindere mate en op een veel later
tijdstip
gevolgd door emigrerende Nederlands-Antillianen.
Gedurende een dertigtal jaren vormden
Curaçao en Aruba aldus krachtige aantrekkingsgebieden (concentratiegebieden)
voor
buitenlandse arbeidskrachten. Daarbij moet niet uitsluitend
gedacht
worden aan de directe werkgelegenheid die het gevolg is van een
stijgende economische conjunctuur en de daarmee gepaard gaande
toenemende koopkracht. Belangrijk in dit opzicht waren ook de
vele
uitbreidingen in de verschillende overheidsdiensten en bij het
onderwijs, waarvoor aanvankelijk in grote mate een beroep moest
worden gedaan op buitenlandse (voornamelijk Nederlandse en
Surinaamse) deskundigen.
Een derde deel van de gezamenlijke
bevolking
van deze eilanden bestond volgens de tabel Bevolking naar
nationaliteit (1947) uit niet-Antillianen; op Curaçao bedroeg
het
aandeel van de buitenlanders in de bevolking 26%, op Aruba zelfs
44%. De grootste groep niet-Antillianen op dit eiland werd
destijds
gevormd door personen met een Engelse nationaliteit; deze waren
in
hoofdzaak afkomstig van de toenmalige Brits West-Indische
eilanden
en van (Brits) Guyana. In de volksmond werden ze allen bidgie genoemd (met de
eerste "i" van wip en een samentrekking tussen de "d" en de "g"
naar
een "ch" klank toe) op grond van de Engelse uitspraak van de
beginletters van Brits Guyana. Hun aantal werd op Curaçao
overtroffen door dat van de Europese Nederlanders; dit ligt voor
de
hand daar de Shell-raffinaderij vele Europese Nederlanders als
employés in dienst had. Bovendien werden vele Europese
Nederlanders
aangewezen om werkzaam te zijn als midden- en hoger
kaderpersoneel
in welhaast alle sectoren van de zich snel ontwikkelende
Antilliaanse samenleving. Viel de grote instroming van de
Europese
Nederlanders vooral na de Tweede Wereldoorlog, die van de
Surinaamse
Nederlanders begon reeds voor 1940, om rond de 1950er jaren
geleidelijk tot stilstand te komen.
Vele Surinamers zijn thans
reeds
tientallen jaren in de Nederlandse Antillen gevestigd en vooral
de
tweede generatie is geheel met land en volk vergroeid. Meer dan
de
Europese Nederlander is de Surinamer een ‘blijver’ in de
Antilliaanse samenleving.
De Portugezen op Curaçao
waren
vooral werkzaam als arbeiders in de olie-industrie; het
overgrote
deel van hen liet zijn gezin achter en verbleef op het eiland
met de
vooropgezette bedoeling na verloop van tijd weer terug te keren
naar
Madeira of de Azoren. De tijdelijkheid van hun aanwezigheid toen
werd onderstreept door de huisvesting in een speciaal kamp in de
wijk Suffisant.
In de laatste twee oorlogsjaren kwam er
een
nieuwe immigratiegolf van Portugezen, van wie velen zich
blijvend
hebben gevestigd. Momenteel spelen de Portugezen een vrij
belangrijke rol in o.m. de levensmiddelendetailhandel en de
tuinbouw. Ook deze groep kan als ‘blijvers’ worden
beschouwd.
Het grote aandeel van de
Noord-Amerikanen in
de buitenlandse bevolking van Aruba was uiteraard een gevolg van
de
aanwezigheid van de Lago-raffinaderij.
Uit de tabel Bevolking naar
nationaliteit
(1947) blijkt duidelijk de aanzienlijke Europees-Surinaamse
component in de niet-Antilliaanse bevolking van Curaçao,
tegenover
de omvangrijke Amerikaans-Engelse instroming op Aruba; eveneens
de
grotere aantrekkingskracht van Aruba als vestigingsplaats voor
Zuid-Amerikanen. Onder het hoofd overige nationaliteiten worden
aangetroffen personen uit de meest uiteenlopende gebieden van de
aarde, samengestroomd om op enigerlei wijze een plaats te
bezetten
in het toentertijd expanderende produktieapparaat van de
Nederlandse
Antillen. Men registreerde meer dan veertig nationaliteiten
zowel op
Curaçao als op Aruba. Hieronder bevonden zich o.m. de vooral
sinds
de 1930ger jaren geïmmigreerde, overwegend van Roemeense afkomst
zijnde Ashkenazische
Joden, niet te verwarren met de oude
joods-Curaçaosche families van Zuid-Europese herkomst. Vindt men
de
laatste groep vooral in de grote, vanouds gevestigde
zakenwereld,
eerstgenoemden legden zich vooral toe op de detailhandel, die
zij -
aanvankelijk klein begonnen - dikwijls tot bloeiende zaken
wisten
uit te bouwen. Tot de kringen van de handeldrijvende middenstand
en
winkeliers behoren voorts o.a. Syriërs, Libanezen, Indiërs en
Chinezen.
Het jaar 1953 betekende, zoals boven
reeds
is vermeld, een keerpunt in de migratie: het verzadigingspunt
was
bereikt en zelfs verkeerden de beide eilanden Curaçao en Aruba
in
zogenaamde afstotingsgebieden (expulsiegebieden) met een
sindsdien
bijna constant negatief migratiesaldo, waardoor het landelijk
migratiebeeld vrijwel volkomen wordt bepaald. Vanaf ongeveer
1965
tot het begin van de 1980er jaren ontstaat er ook een
geleidelijk
toenemende emigratie naar Nederland onder invloed van de
verslechterende economische situatie in de Nederlandse Antillen
en
betere mogelijkheden tot arbeidsontplooiing in Nederland. Anno
1983
was het aantal Antillianen in Nederland 34.900. De tabel
Bevolking
van Aruba en Curaçao naar nationaliteit (per 31 december 1966 en
per
1 februari 1981) geeft een overzicht van het aantal
buitenlanders in
die jaren. Het aandeel van de niet-Antillianen in de
gezamenlijke
bevolking van Curaçao en Aruba is nu teruggelopen tot minder dan
1,9
deel; het aantal niet-Antillianen op Curaçao bedroeg in 1981 nog
slechts 10%, op Aruba ca. 12% van de bevolking. Er is dus
duidelijk
een daling te zien van het aantal mensen met de Nederlandse
nationaliteit niet op de Antillen geboren en ook van het aantal
vreemdelingen. De daling van het aantal niet-Antillianen op
Curaçao
en Aruba in de laatste decennia is vooral veroorzaakt door
verdergaande rationalisering binnen de aardolieverwerkende
industrie
(en hiermee deels samenhangend de grote groei van de
werkloosheid
vooral op Curaçao) en door het Antillianiseringsproces.
Uit de tabel Geboortenoverschot en
migratiesaldo Nederlandse Antillen 1920-1981 blijkt de grote
betekenis die aan de buitenlandse migratie moet worden toegekend
met
betrekking tot de groeisnelheid van de bevolking in de
Nederlandse
Antillen; de samenhang tussen beide is evident.
- Sectie 3: Binnenlandse of
interinsulaire migratie
De binnenlandse migratie - dat wil dus
hier
zeggen: de interinsulaire migratie binnen de Nederlandse
Antillen -
is evenals de buitenlandse migratie in de afgelopen 60 jaar
geactiveerd door de industriële ontwikkeling van Curaçao en
Aruba.
De recente toeristische ontwikkeling van St. Maarten drukt haar
stempel op het migratiebeeld.
Het ligt voor de hand dat na de
vestiging
van de olieraffinaderijen op deze eilanden een krachtige
toestroming
vanuit de minder bedeelde gebieden van de Nederlandse Antillen
plaatsvond. De betekenis van de binnenlandse migratie naar
Curaçao
en Aruba blijkt o.a. uit een in 1954 op Aruba door Tjon Sie Fat ondernomen
telling, die uitwees, dat het aantal kiesgerechtigde
Bovenwinders op
Aruba groter was dan het totaal aantal personen boven de 20 jaar
op
de Bovenwinden zelf. Voorts bleek uit de volkstelling van 1960
dat
van de totale bevolking van Curaçao ruim 5500 personen, dit is
4.5%
van de toenmalige eilandbevolking, was geboren op Bonaire of op
de
Bovenwinden. Zuiver kwantitatief vormde de binnenlandse migratie
slechts een bescheiden onderdeel van de totale migratie. Dit
wordt
geïllustreerd door het feit dat in de periode 1920-1960 slechts
13%
van de totale mobiliteit (dit is het totaalcijfer van vestiging
plus
vertrek) in de Nederlandse Antillen voor rekening kwam van
Bonaire
en de Bovenwinden. Dit neemt overigens niet weg dat in vele
andere
opzichten de binnenlandse migratie wel degelijk van grote
betekenis
was: als voorbeeld diene de geringe omvang van de Bonairiaanse
en
Bovenwindse bevolking, waardoor deze qua aantal en samenstelling
zeer sterk door de migratie werd beïnvloed, aan de achteruitgang
van
de agrarische sector op deze eilanden door het wegtrekken van
een
belangrijk deel van de mannelijke beroepsbevolking, en voorts -
niet
minder belangrijk - aan het doorbreken van het ruimtelijk en
sociaal
isolement van de eilanden.
Uiteraard dient bij de binnenlandse
migratie
eveneens gedacht te worden aan de wederkerige vestiging op en
vertrek van Curaçao en Aruba; in demografisch opzicht is de
migratiestroom tussen Bonaire en de Bovenwinden enerzijds, en
Curaçao en Aruba anderzijds echter veel belangrijker geweest.
Het is mogelijk om twee perioden in dit
migratieverloop te onderscheiden, namelijk de eerste periode van
1920-1960, gekenmerkt door een sterke maar na 1950 verminderde
aantrekking van Curaçao en Aruba; de tweede periode, na 1960,
wordt
gekenmerkt door afstoting van Curaçao en Aruba met gelijktijdige
remigratie naar Bonaire en vooral naar de Bovenwinden, met name
Sint
Maarten, onder invloed van de sterke opbloei binnen de
toeristensector de afgelopen vijftien jaar.
Reeds werd opgemerkt dat het jaar 1953,
dat
voor de totale migratie in de Nederlandse Antillen een keerpunt
betekende, dit nog niet was ten aanzien van de binnenlandse
migratie. De afvloeiing van buitenlandse arbeidskrachten werkte
voorlopig als een buffer voor de Antilliaanse migranten.
- Sectie 4: Migratie op de
Bovenwindse eilanden
Pas sinds 1960 is er in mindere mate op
Bonaire dan op de Bovenwinden sprake van een voortdurend
jaarlijks
vestigingsoverschot, veroorzaakt door remigratie vanuit Curaçao
en
Aruba. Het meer recente vestigingsoverschot op de Bovenwinden
komt
totaal voor rekening van St. Maarten ten gevolge van de sterke
uitbreiding van de toeristische ontwikkeling.
Bij nadere beschouwing van de eerste
periode
vertoont het migratiesaldo van de Bovenwinden tussen 1920 en
1929
een negatief beeld, was gedurende enkele daarop volgende jaren
positief (wereldcrisis!) en vervolgens tot 1950 weer
uitgesproken
negatief. Daarna is het vertrekoverschot van de Bovenwinden
onbetekenend klein tot het na 1960 omslaat in een
vestigingsoverschot. Dit bedraagt in dat jaar het betrekkelijk
hoge
aantal van 1358 personen; vermoedelijk gaat het hier
gedeeltelijk om
personen die reeds langer op de Bovenwinden gevestigd waren,
maar
van wie het bestaan administratief pas bekend werd door de
volkstelling 1960.
Het totale vertrekoverschot van de
Bovenwinden in de periode 1920-1950 bedroeg 3590 personen, van
1920
tot 1960 2946 personen. Het waren overwegend personen in de
produktieve leeftijdsklassen die van de eilanden wegtrokken,
waardoor belangrijke verschuivingen in de leeftijdsopbouw van de
bevolking optraden: relatief werden immers de oudere
leeftijdsklassen zwaarder bezet. Hierdoor werd het sterftecijfer
van
de Bovenwinden in ongunstige zin beïnvloed.
Op een merkwaardige omstandigheid moet
hier
nog de aandacht worden gevestigd. Het bleek namelijk dat
gedurende
een aantal jaren de Bovenwinden, die zelf zo sterk de
aantrekking
van Curaçao en Aruba ondergingen, op hun beurt
concentratiepunten
werden voor nabijgelegen buitenlandse eilanden. De reden van de
-
dikwijls illegale - vestiging was gelegen in de omstandigheid
dat de
Bovenwinden meedeelden in de welvaart van de ‘olie-eilanden’ en
daardoor voor de omliggende armere gebieden aantrekkelijke
vestigingsplaatsen werden. De geldmiddelen van de overheid namen
immers aanzienlijk toe, waarvan ook de Bovenwinden profiteerden
(denk aan openbare werken, sociale voorzieningen, enz.), terwijl
ook
privé de welstand toenam o.a. als gevolg van de zogenaamde
‘postwisselindustrie’, d.w.z. de regelmatige geldovermakingen
van
Bovenwinders op Curaçao en Aruba naar familieleden op het
geboorte-eiland, waardoor jaarlijks grote bedragen naar de
Bovenwinden toevloeiden. In 1960 bedroeg het aantal
vreemdelingen op
Saba 4% van de bevolking, op Sint Eustatius 13% en op Sint
Maarten
zelfs 39%. Volgens de gegevens van de Census 1981 blijkt het
percentage vreemdelingen op St. Maarten gelijk gebleven te zijn.
Er
zijn echter sterke vermoedens dat het aantal vreemdelingen in
werkelijkheid beduidend hoger moet zijn. Dit als gevolg van het
toegenomen aantal illegalen onder de vreemdelingen. De
verklaring
voor de mogelijke stijging van het percentage illegalen is te
vinden
in het feit dat de behoefte aan laaggeschoolden in een korte
tijd
sterk is gestegen. Door het kleine en niet altijd even efficiënt
werkend overheidsapparaat, zowel voor wat betreft de registratie
als
ook de naleving van bepalingen op het gebied van de arbeidsmarkt
en
de immigratie, is het fenomeen van de illegaliteit sterk
toegenomen.
- Sectie 5: Migratie
Bonaire
Voor het eiland Bonaire gold tot 1960 in
grote lijnen (met uitzondering van hetgeen hierboven geschreven
werd
omtrent de instroming van de vreemdelingen) hetzelfde als voor
de
Bovenwinden. Het vertrekoverschot was op dit eiland het grootst
in
1926 toen ca. 2000 personen Bonaire verlieten, een aantal dat
zich
sindsdien nimmer meer heeft voorgedaan. Het totale
vertrekoverschot
van Bonaire in de periode 1920-1960 bedroeg 5655 personen. Het
is
duidelijk dat ook hier de gevolgen voor de leeftijdsopbouw en de
samenstelling van de bevolking groot waren. Het grootste deel
van de
Bonairiaanse migranten trok naar Curaçao, terwijl de van huis
uit
Engelssprekende Bovenwinders zich overwegend op Aruba vestigden,
waar de voertaal in de olie-industrie Engels is. In de 1960ger
jaren
vond een zeer sterke groei van de bevolking in Bonaire plaats
waarbij de re-immigratie een belangrijke factor vormde terwijl
in de
1970ger jaren de bevolking zich stabiliseerde en de migratie
weer
negatief werd.
- Sectie 6: Forensisme op Aruba
en
Curaçao
Op enige bijzondere aspecten van de
migratie
in de Nederlandse AntilIen moge nog in het kort worden gewezen.
Dit
betreft dan in de eerste plaats de betekenis van het verborgen
forensisme op de eilanden Curaçao en Aruba. Onder forensisme
verstaat men het heen en weer trekken van de beroepsbeoefenaars
tussen woon- en werkgemeente. Aangezien er geen gemeenten zijn
op
Curaçao en Aruba (men zou ook kunnen zeggen dat de
‘gemeentegrenzen’
samenvaIlen met de eilandsgrenzen), kan er weliswaar in formele
zin
niet gesproken worden van forensisme op deze eilanden, maar dat
neemt niet weg dat er in feite een belangrijke pendel bestaat
tussen
woon- en werkplaats.
Uiteraard was het aIlereerst de
vestiging
van de aardolieraffinaderijen die tot het verborgen forensisme
heeft
geleid. De autochtone bevolking was weinig geneigd te verhuizen
naar
de onmiddellijke nabijheid van de raffinaderijen. Openbaar en
particulier busvervoer, daarnaast ook in belangrijke mate eigen
vervoer, verschaften voldoende transportmogelijkheden om in de
eigen
vertrouwde omgeving te blijven wonen. Het laat zich aanzien dat
de
gebondenheid aan eigen woonmilieu op Aruba sterker is dan op
Curaçao
en dat het pendelverkeer op eerstgenoemd eiland daardoor
relatief
van groter omvang is dan op laatstgenoemd. Door het ontbreken
van
exacte gegevens dienaangaande kan hier echter niet nader op
worden
ingegaan. Duidelijk is evenwel dat van een waarlijk
grootscheepse
trek naar de stad, zo kenmerkend voor vele industriestreken in
de
wereld, binnen de eilandsgrenzen van Curaçao noch van Aruba
sprake
is geweest. Het verschijnsel was uiteraard niet geheel afwezig,
met
name in de oorlogsjaren was bijvoorbeeld de trek van het
Curaçaosche
platteland naar Willemstad vrij groot als gevolg van de toen
bestaande vervoersmoeilijkheden; de groei van de steden
Willemstad
op Curaçao, Oranjestad en San Nicolas op Aruba moet echter
allereerst worden toegeschreven aan vestiging vanuit de overige
eilanden van de Nederlandse Antillen en vanuit het buitenland.
Willemstad - vanouds een stad met belangrijke handels-,
verkeers- en
bestuursfuncties - telde in het jaar 1915 14.084 inwoners op een
totale eilandbevolking van 33.361 personen; er waren dus
ongeveer
42% stadsbewoners, in 1981 was dit ongeveer 21,6% en bij
medeberekening van de naaste omgeving van Willemstad, stijgt het
percentage tot 56,2% van de totale eilandbevolking van Curaçao.
Van een dermate sterke samentrekking van
de
bevolking als op Curaçao kan op Aruba niet gesproken worden,
hetgeen
wel een gevolg is van de geringere afmetingen van het eiland,
die
een meer verspreide bewoning toestonden. Ongeveer 50% van de
bevolking van Aruba is woonachtig in de beide grootste
woonkernen
Oranjestad en San Nicolas. De laatste plaats dankt zijn bloei
geheel
aan de vestiging van de olieraffinaderij van de Lago.
- Sectie 7: Enige aantekeningen
bevolkingsspreiding Bonaire / Bovenwinden
De spreiding van de bevolking van het
eiland
Bonaire beschouwend, blijkt het grootste deel van de inwoners
woonachtig te zijn in de plaatsjes Kralendijk, Nikiboco, Antriol
en
Rincon. Aangezien hier geen economische structuurwijziging als
op
Aruba en Curaçao heeft plaatsgevonden, mag de concentratie van
het
merendeel van de Bonairiaanse bevolking in deze vier genoemde
woonkernen als min of meer traditioneel beschouwd worden.
Ongetwijfeld heeft het feit dat Bonaire lange tijd uitgestrekte
gouvernements- en particuliere plantagegronden heeft (gehad), op
deze toestand zijn invloed doen gelden. Van de Bovenwinden wordt
met
name het eiland Sint Eustatius gekenmerkt door een uitermate
sterke
concentratie van de bevolking in het plaatsje Oranjestad. Deze
is
secundair: oorspronkelijk woonde men meer verspreid over het
eiland
maar het verdwijnen van de plantages, gevoegd bij de geringe
mogelijkheden om land in eigendom te verwerven, dreef de
bevolking
aIlengs te zamen in Oranjestad.
Hoofdstuk 6: Samenstelling en
leeftijdsopbouw van de bevolking
Een uitermate belangrijke invloed heeft
de
buitenlandse en binnenlandse migratie gehad op de samensteIling
en
leeftijdsopbouw van de verschiIlende eilandbevolkingen. In vele
opzichten vormden tot kort geleden Curaçao en Aruba als
(voormalige)
aantrekkingsgebieden enerzijds, en Bonaire en de Bovenwinden als
afstotingsgebieden anderzijds elkaars tegenpolen. St. Maarten
heeft
dit patroon echter verbroken. Vanaf een ver verleden is Curaçao
een
eiland geweest waar mensen van velerlei herkomst een tijdelijk
of
blijvend bestaan vonden: de Curaçaosche samenleving werd dan ook
vanouds gekenmerkt door een grote verscheidenheid naar ras,
herkomst, nationaliteit, taal, godsdienst, zeden en gewoonten.
Sinds
de jaren twintig van de 20ste eeuw werd deze verscheidenheid wel
zeer vergroot door de sterke instroming van
‘buiten-eilandelijke’
arbeidskrachten. Niet alleen op de strikt demografische maar op
bijna alle terreinen van de samenleving had dit zijn gevolgen.
De in
het begin van deze eeuw zoveel kleinere en meer homogene
Arubaanse
bevolking zag zich eveneens gesteld voor de opgave in enkele
jaren
tijds een enorme toestroming van mensen op te vangen, waardoor
niet
alleen het demografische patroon maar het gehele
maatschappijbeeld
zich sterk wijzigde.
- Sectie 9:
Leeftijdsopbouw
De leeftijdsopbouw van de bevolking
wordt
verkregen door het totaal aantal inwoners van de Nederlandse
Antillen uit te splitsen in leeftijdsklassen van een of meer
jaren.
Uiteraard is deze leeftijdsopbouw in sterke mate beïnvloed door
de
wijzigingen op demografisch terrein, welke in het voorgaande
zijn
beschreven. De omvangrijke immigratie, vooral van personen in de
produktieve leeftijdsklassen gevoegd bij de daling van de
sterftecijfers, resulteerde in een aanzienlijke verjonging van
de
bevolking en een toename van het groeitempo. Het percentage 0-14
jarigen nam van 1930 tot 1960 aanzienlijk toe. Van 1960 tot 1981
is
in dit verband een verschuiving opgetreden. De jeugdige
bevolking
van 0-14 jaar is enorm afgenomen en wel van 41,4% in 1960 tot
28,8%
in 1981. Daarentegen is de bevolking van 65 jaar en ouder
gestegen
van 4,3% in 1960 tot 6,6% in 1981. In het laatste decennium is
vooral het percentage produktieven zeer sterk toegenomen in de
Nederlandse Antillen, vooral ten gevolge van de opgetreden
gezinsverdunning in het afgelopen decennium. Deze sterke groei
van
het percentage actieven brengt vooral op Curaçao grote
sociaal-economische problemen met zich mee, vooral op het gebied
van
de werkgelegenheid.
Grote verschillen in leeftijdsopbouw
bestaan
er momenteel tussen de eilanden St. Maarten, Aruba en Curaçao
enerzijds en de drie overige eilanden anderzijds. Bonaire, St.
Eustatius en Saba hebben de hoogste percentages 65-jarigen en
ouder,
resp. 10,2%, 22,1% en 19,3%. Daarentegen is het percentage
65-plussers op St. Maarten 4,5%, op Aruba 6,7% en op Curaçao
6,5%.
Gelet op het aandeel van de produktieve bevolking kan gesteld
worden
dat dit op St. Maarten, Curaçao en Aruba duidelijk groter is dan
op
de drie overige eilanden.
- Sectie 10: Gemiddelde en
mediane
leeftijd
Een indruk van de leeftijdsopbouw van de
bevolking kan o.m. verkregen worden aan de hand van de
gemiddelde
leeftijd. De gemiddelde leeftijd wordt bepaald door alle
leeftijden
te enumereren en vervolgens te delen door het aantal inwoners.
Naarmate de jongere leeftijdsklassen sterker bezet zijn, zal de
gemiddelde leeftijd van de bevolking uiteraard dalen. Verjonging
en
veroudering van een bevolking kunnen derhalve met behulp van de
gemiddelde leeftijd zichtbaar worden. In de volkstelling 1960 op
Aruba werd een ander gegeven gehanteerd, nl. de leeftijdsmediaan
van
de bevolking. Deze bedroeg in dat jaar 18,4 jaar, hetgeen
betekent
dat 50% van de bevolking destijds ouder was dan deze leeftijd en
50%
jonger.
- Sectie 11: Getalsmatige
verhouding tussen de seksen: vrouwen- of
mannenoverschot
Een belangrijk gegeven in de demografie is de getalsmatige verhouding
tussen de seksen, meestal uitgedrukt als het aantal vrouwen per
duizend
mannen in de bevolking. Is dit aantal groter dan 1000, dan spreekt
men
van een vrouwenoverschot, in het omgekeerde geval van een
mannenoverschot.
In het algemeen kon men in de jeugdige
leeftijdsklassen een mannenoverschot waarnemen, omdat er
normaliter
meer jongens dan meisjes worden geboren. Deze zogenaamde
masculiniteit van de geborenen bedroeg in de Nederlandse
Antillen in
1980 per 100 meisjes 104 jongens. Bij gelijke sterftekansen voor
de
mannelijke en vrouwelijke bevolking, en bij overigens
gelijkblijvende omstandigheden zou deze masculiniteit moeten
resulteren in een mannenoverschot in de totale bevolking. Dat
dit
niet het geval is, is in de eerste plaats een gevolg van het
feit
dat de sterfte onder de mannelijke bevolking in het algemeen
groter
is dan onder de vrouwelijke bevolking. Zodoende ontstaat een met
de
leeftijd toenemend vrouwensurplus resulterende in een kleiner of
groter vrouwenoverschot voor de bevolking als geheel. Behalve
deze
algemeen geldende regel hebben echter in de Nederlandse Antillen
vestiging en vertrek hun invloed op het
geslachtsverhoudingscijfer
doen gelden. In de jaren van grote immigratie op Curaçao was het
aantal toestromende mannen veel groter dan het aantal
vrouwelijke
immigranten. Hierdoor ontstond op deze beide eilanden een voor
een
industrieel vestigingsgebied karakteristiek mannenoverschot,
hetgeen
pas in de periode 1957-1960 geleidelijk verdween. Omgekeerd
vertoonden de afstotingsgebieden Bonaire en de Bovenwinden in
dezelfde tijd een versterkt vrouwenoverschot, gevolg van de
omstandigheid dat veel meer mannen dan vrouwen van deze eilanden
vertrokken. Sinds de Tweede Wereldoorlog vertoonde de totale
bevolking van het Land een mannenoverschot, maar in 1958
veranderde
dit in een sindsdien stijgend vrouwenoverschot. Dit is een
ontwikkeling waarvoor in de eerste plaats migratiebewegingen in
de
mannelijke bevolking verantwoordelijk gesteld moeten worden. Een
tweede factor is de reeds vermelde grotere levenskans voor
vrouwen,
waardoor vooral in de oudere leeftijdsklassen een sterk
vrouwenoverschot zal optreden, dat thans niet meer gecompenseerd
wordt door een groot mannenoverschot in de economisch
produktieve
leeftijdsklassen. Ten slotte is op het bestaande vrouwensurplus
van
invloed de nog steeds aanwezige aantrekkingskracht van met name
Curaçao, Aruba en Sint Maarten voor vrouwelijke migranten van
omliggende Caribische eilanden zoals Grenada, Dominica, Sint
Vincent, Guadeloupe en de Dominicaanse Republiek, die met
achterlating van hun gezin waarvoor zij als kostwinster
optreden,
een werkkring vinden als dienstbode bij particulieren en in
toenemende mate ook bij het hotelbedrijf.
Sectie
12: Bevolkingspiramiden
Leeftijdsopbouw en
geslachtsverhoudingscijfers van de Nederlands-Antilliaanse
bevolking
kunnen grafisch worden voorgesteld door de zogenaamde
bevolkingspiramide. Zo’n piramide wordt opgebouwd uit
horizontale
balkjes, voor iedere leeftijdsgroep één, waarvan de lengte
afhankelijk is van het aantal personen in deze leeftijdsgroep.
De as
van de piramide vormt de scheiding tussen het mannelijk en het
vrouwelijk deel van de bevolking. Men onderscheidt een drietal
grondvormen:
a. de werkelijke piramide, spits
toelopend vanaf een brede basis. Deze vorm is kenmerkend voor
een
groeiende bevolking en ontstaat dan ook, wanneer men de
leeftijdsopbouw van de Antilliaanse bevolking in beeld
brengt;
b. de bijenkorf- of granaatvorm,
kenmerkend voor een stationaire, d.w.z. in aantal
gelijkblijvende
bevolking;
c. de ui- of urnvorm, welke
karakteristiek is voor een bevolking met gedurende een reeks van
jaren dalende geboortencijfers. Door wijzigingen in de factoren
die
de groei van de bevolking beinvloeden, kunnen tal van variaties
op
bovengenoemde grondvormen ontstaan
Terwijl de leeftijdsopbouw van de
gezamenlijke bevolking van Curaçao en Aruba ultimo 1966 nog maar
weinig van de piramidevorm afweek, vertoont de leeftijdsopbouw
in
1981 al duidelijk een ommekeer waarbij geconstateerd kan worden,
dat
de smalle basis van de leeftijdsgroep van 0-5 jaar zich verder
heeft
versneld waarbij zelfs van een zich ontwikkelende ui-vorm
gesproken
kan worden. Deze ui-vormige leeftijdsopbouw kan verklaard worden
uit
het feit dat er een groeivertraging is opgetreden, veroorzaakt
door
de daling van het geboortencijfer in de afgelopen twee decennia.
Het
ligt voor de hand dat deze trend zich zal voortzetten.
Deze daling van het geboortencijfer
wordt
vooral veroorzaakt door het toenemend gebruik van
voorbehoedsmiddelen en een algemene wens tot gezinsverdunning.
Bij
de zeer jonge moeders daalt de geboorte het minst. Op Curaçao
waren
in 1982 van de 3104 kinderen die geboren zijn 388 (12.5%) van
moeders van 15-19 jaar. Van deze 388 kinderen waren er 329
(84.8%)
onwettig. Van het totaal aantal geborenen was in 1982 48%
onwettig.
Dit percentage is de laatste jaren sterk toegenomen: de afname
van
de onwettige kinderen is duidelijk niet zo snel verlopen als de
daling van het aantal wettige kinderen.
Sectie 13: Burgerlijke
staat
Wat betreft de burgerlijke staat kan men
op
de Antillen naast ongehuwden, gehuwden, weduwnaars en weduwen en
gescheidenen van echt, nog een categorie onderscheiden namelijk
zij
die niet wettig zijn gehuwd maar in concubinaat leven
(kompañá). Men duidt
deze
staat in de statistiek aan met de term ‘samenwoning’, in de
Engelse literatuur ook wel als common-law marriage of
consensually married.
Deze samenwoningsvorm komt in het Caribisch gebied zeer veel
voor.
In deze huwelijksvorm zien verschillende
schrijvers een historisch relict; anderen daarentegen beschouwen
de
samenwoning als een antwoord van het individu op bepaalde
sociale en
economische omstandigheden die hij vooralsnog niet vermag te
wijzigen. Uiteraard spelen bij een classificatie naar
burgerlijke
staat, de leeftijdsopbouw en het geslachtsverhoudingscijfer van
de
bevolking een belangrijke rol. Het aantal ongehuwden zal immers
groter zijn naarmate de jeugdige leeftijdsklassen sterker bezet
zijn, met name de groep van 0 t/m 14 jaar. Deze omvat momenteel
29%
in tegenstelling tot 1960 toen dit 42% bedroeg. In
overeenstemming
hiermee bedroeg het percentage ongehuwden in de bevolking ca. 65
%
in 1960, terwijl dit in 1981 62,5% bedroeg. Een juister inzicht
in
de verhouding ongehuwden en anderen, verkrijgt men door
eliminatie
van de groep 0 t/m 14-jarigen. Dusdoende bleek in het jaar 1960
van
de Curaçaosche bevolking van 15 jaar en ouder 43% ongehuwd te
zijn,
op Bonaire 41% en op de Bovenwinden 44%, terwijl dit in 1981
resp.
50%, 43% en 46% bedroeg. Opvallend is de grote stijging van het
percentage ongehuwden van 15 jaar en ouder op Curaçao.
Ten aanzien van deze tabel kan nog het
volgende worden opgemerkt. Het percentage ongehuwde vrouwen
neemt
aanvankelijk sneller af dan het percentage ongehuwde mannen; tot
30
jaar overheerst het percentage ongehuwde mannen. Dit wijst erop
dat
de huwelijksleeftijd voor vrouwen lager ligt dan voor mannen. De
volkstelling 1960 berekende deze voor Curaçao op 28,6 jaar voor
de
mannen en 23,9 jaar voor de vrouwen. Ook op de overige bij deze
volkstelling betrokken eilanden was de gemiddelde
huwelijksleeftijd
van de mannen hoger dan die van de vrouwen. In verband met het
geringe aantal waarnemingen werd hiervan evenwel geen gemiddelde
afgetrokken. Vanaf 30 jaar en ouder is het percentage ongehuwde
vrouwen groter dan het percentage ongehuwde mannen. Dit wijst op
een
in de oudere leeftijdsklassen groter wordend vrouwenoverschot.
Het
is opmerkelijk dat in de gegevens van 1960 de leeftijdsklassen
van
50 jaar en ouder, het percentage ongehuwde vrouwen hoger was dan
in
de voorgaande leeftijdsklassen, terwijl her percentage ongehuwde
mannen een normaal neergaande lijn vertoonde. De volkstelling
1960
merkte dienaangaande op dat ‘de verklaring hiervoor ten dele zal
moeten worden gezocht in het feit dat de relatieve
huwelijksfrequentie in de loop der jaren is gestegen’. Dit
opmerkelijke gegeven wordt echter in 1981 niet meer
teruggevonden:
het percentage ongehuwden van 50 jaar en ouder is bijna over de
gehele linie gedaald. Het huwelijkscijjer of de nuptialiteit,
d.w.z.
het aantal huwelijken per jaar per duizend van de bevolking,
vertoont in het afgelopen decennium een dalende tendens.
Ten aanzien van de gescheidenen kan
opgemerkt worden dat het percentage scheidingen in de
Nederlandse
Antillen tussen 1960 en 1981 verdrievoudigd is. Het aantal
gescheiden vrouwen op de Nederlandse Antillen is duidelijk veel
groter dan het aantal gescheiden mannen.
- Sectie 14:
Beroepsbevolking
Een economisch belangrijke plaats in het
geheel van de bevolking wordt ingenomen door de beroepsbevolking
van
een land. Hieronder verstaat men dat deel van de bevolking dat
actief deelneemt aan het maatschappelijk produktieproces, maar
ook
diegenen die daarvan door bijzondere omstandigheden in principe
tijdelijk zijn uitgesloten. Het is moeilijk de leeftijdsgrenzen
van
de beroepsbevolking nauwkeurig aan te geven, aangezien niet
ieder op
dezelfde leeftijd aan het produktieproces gaat deelnemen of zich
daaruit terugtrekt. Men zou de leeftijdsgrenzen van de
beroepsbevolking bij benadering kunnen stellen tussen 15 en 65
jaar.
In de Nederlandse Antillen is in het
afgelopen decennium het percentage van de bevolking dat tot de
jeugdigen behoort drastisch afgenomen. Daarentegen is de groep
van
de bevolking behorende tot de groep potentieel werkzamen zeer
sterk
gestegen. Aruba heeft deze stijging het best opgevangen zoals
uit de
werkloosheidspercentages per eiland blijkt. Van de totale
Nederlands-Antilliaanse bevolking van 231.932 .mensen werken er
80.731 en zijn 15.462 werkzoekend (16,1 % van de
beroepsbevolking is
derhalve werkzoekend vergeleken met 14,6% in 1972). De stijging
van
het Antilliaanse werkloosheidspercentage komt geheel voor
rekening
van Curaccao. Daar steeg het werkloosheidspercentage van 13,8%
naar
20,3%, terwijl het op de andere eilanden afnam; het sterkst op
Aruba.
Onder 15-24-jarigen is de werkloosheid
zeer
hoog: 31,9% voor de Antillen en zelfs 39,3% voor Curaçao. Het
percentage werkzoekenden is voor vrouwen veel hoger dan voor
mannen:
van de vrouwen is 22,6% werkzoekend en van de mannen 11,8%.
Vooral
op de Bovenwindse Eilanden zijn er relatief veel meer vrouwen
werkzoekend dan mannen.
De relatieve omvang van de
beroepsbevolking
is uiteraard zeer sterk afhankelijk van de leeftijdsopbouw van
de
totale bevolking. In de Nederlandse Antillen kan alleen al op
deze
grond geen omvangrijke beroepsbevolking verwacht worden.
Daarnaast
kunnen ook andere factoren de omvang van de beroepsbevolking
beïnvloeden: de aanwezige onderwijsfaciliteiten en de mate
waarin
daarvan gebruik wordt gemaakt; zo worden de verschillende vormen
van
voortgezet dagonderwijs door een hoog percentage van de
jeugdigen
bezocht. Deze omstandigheid draagt ertoe bij de gemiddelde
leeftijd
waarop de jeugdigen in de beroepsbevolking worden opgenomen, te
verhogen. Omgekeerd worden hierdoor echter de lasten voor de
economisch produktieven in aanzienlijke mate verzwaard.
Als tweede factor moet genoemd worden de
omstandigheid dat velen, vooral onder degenen die werkzaam zijn
bij
de overheid of in de industrie, op betrekkelijk jonge leeftijd
hun
werkzaamheden beeindigen.
Sectie 15:
Beroepsbevolking en pensioengerechtigde
leeftijd
In de Nederlandse Antillen varieert de
pensioengerechtigde leeftijd van 50 tot 60 jaar. Hierbij komt
nog
dat vooral onder invloed van de opgetreden rationalisatie van de
olie-industrie in de afgelopen decennia veel werknemers vóór hun
pensioengerechtigde leeftijd vervroegd konden uittreden. Na 1981
werd bij de Shell op Curaçao en de Lago op Aruba, onder invloed
van
de opgekomen economische malaise, gebruik gemaakt van een
vervroegde
uittreding. Door twee omstandigheden werd het aandeel van de
werklozen in de beroepsbevolking snel groter, namelijk enerzijds
door het toenemend aanbod van jeugdige arbeidskrachten,
anderzijds
de afnemende vraag in de industrie door rationalisering en
automatisering zonder voldoende aanvullende c.q. vervangende
werkgelegenheid. Als gevolg hiervan neemt de economische last
van de
actuele beroepsbevolking, die toch altijd reeds groot was,
momenteel
in zorgwekkende mate toe. De sociale voorzieningen die hierdoor
noodzakelijk worden, zijn van grote invloed op de
financieel-economische structuur van de Nederlandse Antillen.
(Voor
godsdienstige groeperingen zie Nederlandse Antillen).
Hoofdstuk 7: Literatuur
Literatuur:
- Bureau voor de Statistiek te
Curaçao,
Statistisch Jaarboek 1961, 1965, 1966, 1974 en 1981;
- De ontwikkeling van het inwonertal
in
het recente verleden en in de naaste toekomst (1967);
- Documented Paper on the Netherlands
Antilles for the Conference on Demographic Problems of the
Area
served by the Caribbean Commission (1957);
- Gegevens Bevolkingsregister;
- J. Hartog, Geschiedenis van de
Nederlandse Antillen, deel I t/m V (1953-1981);
- A. H. Hawley, The Population of
Aruba
(A report based on the Census of 1960);
- Heron House Associates, Onze wereld
in
cijfers (1979);
- Jaarverslagen van de verschillende
Eilandgebieden sinds 1960;
- J. Y. Keur en D. L. Keur, Windward
Children, a study in human ecology of the three Dutch
Windward
Islands in the Caribbean (1960);
- M. Kok, Nederlandse Antillen,
Landendocumentatie 1977 nr. 3 Koninklijk Instituut voor de
Tropen (1978);
- Tweede Algemene Volks- en
Woningtelling
N.A. (1981);
- L. P. Vermeulen, De
Bevolkingsstructuur
der Nederlandse Antillen (Tijdschrift Kon. Ned.
Aardrijkskundig
Genootschap 1962);
- Volkstelling 1960 van Curaçao,
Bonaire,
Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Uitgave van het
Statistiek- en Planbureau Ned. Antillen (1961).
@: Beyísima
(Antigonon leptopus) of kolorita, koralita, of
coral vine,
plantesoort
uit de familie der Polygonaceae. Klimplant met ranken; bladeren
hart- of deltavormig, langgesteeld; bloemen rozerood (of in
gekweekte vorm wit), in grote rijkbloemige trossen, die vaak
uitlopen in ranken; noot driehoekig. Afkomstig uit Centraal
Amerika;
op de eilanden gekweekt en verwilderd. Beneden- en Bovenwindse
Eilanden.
@: Bibá
zie @: Concubinaat.
@: Bibliotheekwezen
Het Algemeen Nederlands Verbond, dat
reeds
in 1904 op alle eilanden verte¬genwoordigers had, is voor het
biblio¬theekwezen van de Nederlandse Antil¬len van grote
betekenis
geweest: Als eer¬ste is het begonnen met het inrichten van
Nederlandstalige boekerijen op Aruba en Bonaire. Rond de
eeuwwisse¬ling waren er op Curaçao geen openbare bibliotheken,
wel
enkele belangrijke particuliere boekerijen, te weten de
bi¬bliotheek
van sociëteit ‘de Gezelligheid’ - alleen voor leden toegankelijk
-
die na 85 jaar in 1957 aan de Openbare Bi¬bliotheek werd
overgedragen en de be¬sloten boekerij van de paters
Dominica¬nen,
die in 1982 in de Universiteitsbi¬bliotheek is geïncorporeerd.
Van
recen¬tere datum was de Katholieke Biblio¬theek, die -
aanvankelijk
als parochie¬bibliotheek van de St. Anna-kathedraal opgezet -
tot
1967 als openbare boeke¬rij van Otrobanda heeft gefungeerd. Op
Aruba
en Curaçao ressorteren thans de openbare bibliotheken onder de
afdeling of de dienst Cultuur van het eiland¬gebied, dat de
exploitatie geheel voor zijn rekening neemt.
@: Bibliotheekwezen Aruba
Ter vervanging van de in 1949 tot stand
gekomen Openbare Leeszaal en Boeke¬rij te Oranjestad is op 1
september 1982 een moderne bibliotheek geopend: Bi¬blioteca
Publico
Aruba, met een boe¬kenbezit van 150.000 banden waarvan 80.000
romans
in Nederlands, Engels, Frans, Spaans en Papiamentu en 70.000
informatieve boeken; aan tijdschriften een collectie van 364. In
1949 bedroeg het aantal volwassen leden 275 en het aantal
jeugdleden
73; in 1983 respectie¬velijk 6000 en 8000.
De bibliotheek heeft een filiaal in San
Nicolas, een buurtbibliotheek in Centro di Bario Dakota (900
leden)
en beschikt over 2 bibliobussen, die de lagere scho¬len in de
buitenwijken eenmaal per twee weken bezoeken. Voorts verzorgt
zij
een patiëntenbibliotheekje in het Dr. Horacio Oduber Hospitaal,
de
gevange¬nisbibliotheek en de schoolbibliotheken van het Colegio
Arubano en van de M.T.S. Cesar Terzano. In een audio¬visuele
afdeling kunnen lokale educatie¬ve videoprogramma’s worden
gemaakt,
kan naar de dagelijkse nieuwsberichten worden gekeken en
geluisterd
en kun¬nen tieners met koptelefoons hun hart ophalen aan de top
30
melodieën. De exploitatiekosten worden gedragen door het
Eilandgebied. Overige biblio¬theken, die niet onvermeld mogen
blij¬ven, zijn die van het Departement van Onderwijs, Esso Club,
Lago Communi¬ty School en Universiteit van de Neder¬landse
Antillen
(afdeling Aruba).
@: Bibliotheekwezen Bonaire
De openbare bibliotheek, ressorterende
onder
het Cultureel Centrum Bonaire,
heeft een boekenbezit van ca. 4000
ban¬den
terwijl 103 tijdschriften geraad¬pleegd kunnen worden. Sinds
1960
heeft de bibliotheek ook de beschikking over een door Sticusa
geschonken bi¬bliobus, die aanvankelijk naar sommige wijken ging
maar later alleen naar de scholen buiten Kralendijk. De Sticusa
heeft ook een belangrijk aandeel in de uitbreiding van het
boekenbezit. In te¬genstelling tot de andere eilanden is het
gebouw,
waarin de bibliotheek is onder¬gebracht, bij lange na niet
toereikend; er is bovendien geen uitzicht op verbete¬ring omdat
het
eilandgebied niet over fi¬nanciële middelen beschikt om de
bi¬bliotheek van het C.C.B. over te ne¬men. Het aantal leden
bedroeg
eind 1982 602 volwassenen (waarvan 474 An¬tillianen) en 1336
kinderen (incl. biblio¬bus).
@: Bibliotheekwezen Curaçao
De Openbare Leeszaal en Bibliotheek, die
in
1922 in Fort Amsterdam werd ge¬opend, verhuisde in 1945 naar het
Jo¬han van Walbeeckplein. Naast de cen¬trale bibliotheek zijn er
2
filialen (Bar¬ber, Mundo Nobo), een jeugdbiblio¬theek en een
schoolmediatheek. Boe¬kenbezit: 120.000 banden. De speciale
collectie Antilliana, met oude kaarten en prenten, neemt een
belangrijke plaats in. Men verwacht, dat in 1985 een nieuw
gebouw
van ca. 5000 m2 zal kun¬nen worden betrokken.
Naast de openbare bibliotheek is er nog
een
20-tal particuliere bibliotheken, waarvan enkele speciale
vermelding
ver¬dienen.
De Universiteitsbibliotheek heeft bij
haar
oprichting de collectie overgeno¬men van de Wetenschappelijke
Biblio¬theek, die van 1950-1978 voorzien had in de vraag naar
wetenschappelijke lectuur. Boekenbezit: 70.000 banden;
tijd¬schriften: 470. Ook voor niet-studenten is de bibliotheek
toegankelijk.
De bibliotheek van de stichting S. A. L.
(‘Mongui’) Maduro, gehuisvest in het landhuis Rooi Catootje
bezit
naast een collectie boeken (45.000 banden), tijd¬schriften,
pamfletten, brieven en knip¬sels ook een collectie oude
meubelen.
Reeds op jeugdige leeftijd verzamelde wijlen Mongui Maduro
materiaal
be¬treffende.de Antillen. Om deze kostbare collectie Antilliana
en
Judalca te behou¬den, werd op 5 maart 1974 een stichting in het
leven geroepen. *Carmabi en het St. Elisabeth Hospitaal hebben
een
spe¬cialistische bibliotheek terwijl de *Shell en de Bank van de
Nederlandse Antillen over een bedrijfsbibliotheek beschik¬ken.
Niet
onvermeld mogen blijven de bibliotheken van Loge ‘De
Vergenoe¬ging’,
het Curaçaosch Museum, de mu¬ziekacademie en de Kamara
Sindikal.
@: Bibliotheekwezen Bovenwindse Eilanden
De bibliotheken op de Bovenwindse
Ei¬landen
zijn particuliere instellingen die van overheidswege
gesubsidieërd
wor¬den. Ook de Sticusa ondersteunt de bi¬bliotheken financieel
met
name voor wat betreft boeken, tijdschriften en uit¬gezonden
krachten. De bibliotheek op St. Eustatius is met ingang van 1983
gehuisvest in een nieuw gebouw, terwijl ook de bibliotheek op
St.
Maarten in 1984 een nieuw gebouw in gebruik heeft genomen. Op
Saba
is het bestuur van de Queen Wilhelmina Library belast met het
bibliotheekwerk. Er zijn vestigingen in The Bottom, Windwardside
en
er is een kleine collec¬tie in Hell’s Gate.
De drie Sabaanse bibliotheken samen
hebben
een boekenbezit van tiendui¬zend banden, waarvan duizend in de
Nederlandse taal en de rest in het En¬gels. De circulatie van
boeken
en tijd¬schriften zou zeshonderd stuks per maand bedragen. De
Queen
Wilhelmina bibliotheek werd opgericht in 1923, het jaar waarin
het
zilveren regeringsjubi¬leum van koningin Wilhelmina gevierd
werd. In
datzelfde jaar werd ook de Philipsburg Jubilee Library op St.
Maarten opgericht, die ook haar naam te danken heeft aan dat
regeringsjubi¬leum. De Gertrude Judson Library op St. Eustatius
bestond een jaar eerder en dankt haar naam aan een Amerikaanse
dame
die destijds een collectie boeken schonk. In 1976 werd de
Bicentennial Library opgericht, die echter samen ge¬gaan is met
de
Gertrude Judson Library in 1983 toen de nieuwe bibliotheek
ge¬realiseerd werd.
Het gesaneerde en gecatalogiseerde
boe¬ken
bezit bedroeg in 1983 drieduizend banden, het merendeel in de
Engelse taal. De Philipsburg Jubileum Biblio¬theek op St.
Maarten
had begin 1983 een gesaneerde collectie van 23.000 ban¬den,
waarvan
46% in de Nederlandse en 55% in de Engelse taal, terwijl het
ove¬rige percentage een kleine collectie Franse boeken omvat.
De Philipsburg Jubileum Bibliotheek
heeft
een door Sticusa geschonken bi¬bliobus die dagelijks de scholen
be¬zoekt. Alle leerlingen van de basisscho¬len en van de
huishoudschool worden door de bibliotheek van boeken voor¬zien,
gedeeltelijk door middel van de bi¬bliobus en gedeeltelijk door
middel van wekelijkse klassikale bezoeken aan de bibliotheek.
Lit. H. E. Coomans, Het bibliotheekwezen
op
de Nederlandse Antillen. In: Bibliotheekleven, jrg. 46 no. 12,
biz.
564-568 (1961); J. Hartog, Bibliothe¬ken en leesgewoonten. In:
Cultureel Mozaiëk van de Nederlandse Antillen (1977); V.J.M.
Kessels, De openbare bibliotheekvoorziening op Curaçao (1974);
Openbaar bibliotheekwerk in de Nederland¬se Antillen in
stroomversnelling, In: Sticusa Jour¬naal, jrg. 12 no. 86 (1982);
W.
M. Renes, De nieu¬we openbare bibliotheek op Sint Maarten en
Sint
Eustatius (1978); D. Reumer, De openbare biblio¬theken op de
Antillen. Verslag van een werkbezoek (1980); idem, De openbare
bibliotheken op de An¬tillen II. Evaluatie per 1mei 1981
(1981).
@: Bichi
Verzamelnaam voor wormen en voor larven
en
rupsen die bladeren en sten¬gels eten of gangen boren in starn
en
vruchten (zie ook Diergeneeskunde; Vlinders).
@: Bichikandela
of firefly is de naam voor de larve en
het
volwassen stadium van een klein grijs¬bruin kevertje met
langwerpige, gele vlekjes op de dekschilden. Zowel kever als
larve
kan aan enkele dicht bij het eind gelegen achterlijfsegmenten
een
geelgroenig licht produceren. Op som¬mige avonden ziet men
tientallen van zulke signaallichtjes tussen de boom¬kruinen
zweven
en ‘aan- en uitgaan’.
@: Biënal de Sāo Paulo
is een tweejaarlijkse manifestatie van
beeldende kunst, waaraan vele landen in Midden- en Zuid-Amerika
deelne¬men. Sedert de 3de Bienal, in 1955, heb¬ben ook de
Nederlandse Antillen gevolg gegeven aan een uitnodiging tot
deelna¬me, onder andere met werken van Chris en Lucila *Engels,
W.
C. Dieleman, Wouter van *Romondt en Jubi *Kirin¬dongo.
@: Bima
(Centropomus undecimalis)
of snook zit vooral in de binnenbaaien
tussen de mangroves. Vaak ziet men en¬kele exemplaren bij
elkaar.
Zij leven van veel kleinere prooi dan de *Baraku¬da.
@: Biná
(Odocoileus virginianus curassavicus)
(hert), bereikt de grootte van een ree (ongeveer 1 meter lang,
schouderhoogte ongeveer 70 cm); het mannetje heeft een gewei met
maximaal 5 paar spitsen, waarvan het onderste paar naar binnen
gericht is. De rugzijde is bruingrijs met fijne zwarte
stippeling,
de buikzijde lichter, de kin, de binnenzijde van de poten en de
onderkant van de staart zijn wit. Het Curac;aose hert is nauw
ver¬want met het white-tailed deer van de Verenigde Staten en
soms
bijna niet te onderscheiden van herten van het nabu¬rige
vasteland.
Aangenomen mag worden dat dit dier reeds in pre-columbi¬aanse
tijd
is ingevoerd. De biná komt op de andere eilanden niet voor.
Sinds
1931 is het hert een beschermde soort, die zich desondanks maar
moeilijk schijnt te handhaven, vooral in droge jaren met schaars
voedsel; door inkrim¬ping van het geschikte milieu zijn de
vooruitzichten op voortbestaan somber. Vroeger schijnt het hert
ook
op Ronde Klip, Fuik en Santa Barbara geleefd te hebben; nu
worden
nog van Malpaïs, Santa Cruz en het Christoffelgebied
waarnemingen
gemeld. Een schatting van in totaal 100 exemplaren schijnt reeds
aan
de hoge kant te zijn. Het *Carmabi verricht onderzoek met het
oog op
het behoud van deze soort.
Lit.: W. Legemaat, De biná, een ze1dzame
ver¬schijning in de Curaçaosche mondi, in: Sticusa Jour¬naal,
jrg.
14, nr. 97 (1984).
@: Binckes (of Benckes), Jacob
(gest. Tobago 12 december 1677)
Ne¬derlands
vlootvoogd, kapitein-ter-zee bij de Admiraliteit van Amsterdam,
nam
deel aan de Tweedaagse Zeeslag en de tocht naar Chatham. In 1673
werd hij als commandeur van vier schepen naar West-Indië
gezonden,
waar hij sa¬men met Cornelis Evertsen de Jongste het eiland St.
Eustatius op de Engelsen veroverde. Vervolgens hernamen beide
bevelhebbers het voormalige Nieuw¬ Nederland, toen een Britse
kolonie, waarbij zij New York in Nieuw-Oranje herdoopten. In
1676
vertrok Binckes opnieuw naar de West aan het hoofd van een
expeditie, waarmee hij het Franse Cayenne, Marie Galante en St.
Maarten veroverde en een koopvaardij¬vloot bij Haïti
overmeesterde.
Daarna werd de voormalige Zeeuwse kolonie Tobago heroverd. Hier
werden in maart 1677 zijn schepen en versterkingen aan¬gevallen
door
een grote overmacht on¬der admiraal d’Estrees, op wie Binckes
evenwel een schitterende zege behaalde, zij het ten koste van
zijn
zwakke strijd¬krachten. Versterkingen bleven uit en toen
d’Estrees
in december met een nieuwe vloot terugkwam, sneuvelde Binckes
bij de
hopeloze verdediging, door een treffer in zijn kruitmagazijn.
(Zie
ook Nieuw Walcheren).
Lit. J. C. de Jonge, Gesch. v.h. Ned.
zeewezen, II (1859); J. C. Mollema, Gesch. v. Nederland ter zee
(4
din., 1939-42); C. Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and
on
the Wild Coast 1580-1680 (1971).
@: Binnenbaaien
van Aruba, Bonaire en Curaçao zijn in
het
Jong-Quartair verdronken dalstelsels (zie Geologie).
@: Biologisch onderzoek in de
Nederlandse
Antillen
In de 19de eeuw verschenen enkele
planten-
en dierenlijsten, onder andere in de werken van M.D. Teenstra (1836),
en
van G.J. Simons
(1868).
Een der eersten die uitgebreid verzamelden, was de arts H.E. van Rijgersma, die
van
1863 tot 1877 op de Bovenwindse Eilanden werkte; zijn materiaal
van
dieren en fossielen werd in de Verenigde Staten bewerkt.
Tijdens een expeditie naar de
Nederlandse
Antillen in 1884-1885 verzamelde W.F.R. Suringar
melocactussen, en J.H.R.
Neervoort
van de Poll insekten en spinnen. In de jaren
vóór
1880 had Pater A.
Jansen
reeds vlinders verzameld. Al dit materiaal vond later in
Nederland
bewerkers.
In 1905 bracht J. Boeke een
belangrijke
collectie vissen bijeen, die naderhand door J. Metzelaar werd
bewerkt.
I. Boldingh bezocht
in
hetzelfde jaar de Bovenwindse Ei!anden, waar hij intensief
planten
verzamelde; vier jaar later deed hij dit op de Benedenwindse
Eilanden; de eerste Flora van de
Nederlandse Antillen was daarvan het
resultaat.
Een goede weergave van de kennis in de periode tot 1914 vindt
men
verspreid neergelegd in de Encyclopaedie van Ned.
West-Indië waaraan een vijftiental biologen
meewerkte.
In 1920 verzamelde H.B. Baker tijdens een
oponthoud van slechts enkele uren nabij Fleur de Marie
(Curaçao)
een aantal landslakken, waarbij hij dadelijk het unieke karakter
van
de slakkenfauna inzag: een deel der soorten is endemisch, dat wi!
zeggen
zij nergens anders voor komen. In hetzelfde jaar verzamelde
C.J. van der Horst
gedurende een verblijf van twee maanden op
Curaçao,
met als basis het Quarantainegebouw
aan de Caracasbaai, een zeer groot aantal
zeedieren,
die naderhand door vele specialisten bewerkt werden.
Een nieuwe periode van onderzoek werd
ingeluid door P. Wagenaar
Hummelinck, die sedert 1930 vele malen de
Nederlandse Antillen bezocht. Hij verzamelde talloze diersoorten
zowel op het land als in het zoete water en in zee. Daarnaast
beijverde hij zich voor het tot stand komen van een instituut
voor
zeeonderzoek, wat in 1955 gerealiseerd werd: het Carmabi, dat
sedertdien als centrum van veldonderzoek fungeert. Voorts
trachtte
Wagenaar Hummelinck overal in de Nederlandse Antillen interesse
voor
flora en fauna te kweken, onder andere resulterend in de
oprichting
(in 1948) van de Natuurwetenschappelijke Werkgroep
Nederlandse Antillen, die een serie
publikaties
uitgaf. Reeds eerder (in 1945) was in Nederland opgericht de
Natuurwetenschappelijke
Studiekring
voor Suriname en de Nederlandse Antillen,
waarvan
de veelzijdige activiteiten vooral op het gebied van de biologie
en
geologie liggen. Het centrum voor het bewerken der floristische
gegevens der Nederlandse Antillen is het Instituut voor Systematische
Plantkunde te Utrecht, dat voor faunistische
gegevens het laboratorium voor Zoölogische Oecologie en Taxonomie
te Utrecht. Wagenaar Hummelinck redigeert
verscheidene series wetenschappelijke en
populair-wetenschappelijke
publikaties, vooral op het gebied van fauna, flora, geologie en
archeologie van de Nederlandse Antillen en omgeving (zie ook @:
Natuurbescherming).
Literatuur:
- Twintig jaren Studiekring. Nieuwe
West-Indische Gids, vol. 46 (1967);
- Uitgaven ‘Natuurwetenschappelijke
Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen’ (in
1982
ruim 100), waaronder ressorterend: Studies on the Fauna of
Curaçao and other Caribbean Islands (ruim 60);
- Studies on the Flora of Curaçao and
other Caribbean Islands (2 delen);
- Flora of the Netherlands Antilles
(3
delen);
- Uitgaven ‘NatuurwetenschappeIijke
Werkgroep Nederlandse Antillen’ (een twintigtal), deels
overdrukken uit de (N.)W.I. Oids.
- zie ook Stinapa.
@: Bioscoopverordening
Op Curaçao dateert deze van 1952; in
1969
voor de laatste maal gewijzigd; geeft de voorwaarden waaronder
bio¬scoopvoorstellingen kunnen worden ge¬geven. Een van deze
voorwaarden is, dat slechts films vertoond mogen wor¬den, die
door
een keuringscommissie te¬laatbaar worden geacht voor
respectie¬velijk alle leeftijden, personen boven de 14 jaar of
personen boven de 18 jaar. De commissie kan de voorwaarde
stel¬len
dat films voor elke kunne afzonder¬lijk dienen te worden
gedraaid.
Op an¬dere eilanden kwamen bioscoopveror¬deningen met gelijke
strekking in de¬zelfde periode tot stand.
@: Bioscoopwezen

Reeds in de prille jeugd van de film
werden
in de Nederlandse Antillen voorstellingen gegeven. Rond 1900
vonden
op Curaçao vertoningen plaats onder andere georganiseerd door de
Venezolaan Alfredo Pellicer
Hernandez, die later ook het eerste echte
bioscooptheater op Curaçao bouwde: Salon Habana. Dit
theater
werd in 1916 geopend, is als Cinelandia tweemaal
afgebrand en heeft tot 1983 bestaan; op 28 juli werd de laatste
film
vertoond: ondanks een face-lifting van NAfl 50.000,- begin 1983
trok
het toch te weinig bezoekers. Grote concurrentie werd
ondervonden
van de video-cassette. De
andere theaters uit de 1920er jaren, Cine Guillermina aan de
Frederiksstraat en Rialto
op het Brionplein, zijn veel
eerder gesloten. Het op de plaats van Rialto geopende West-End moest ook in
1983
zijn deuren sluiten. Het uit 1871 daterende Teatro Naar werd in
1920
voor filmvoorstellingen ingericht en omgedoopt tot Teatro Americano en
later,
zij het naast de oorspronkelijke plaats, als Stadsschouwburg en
Roxy verder
geëxploiteerd;
in 1982 werd het een prooi der vlammen. Teatro Ideal aan de
Abraham de Veerstraat
komt
de eer toe als eerste bioscoop in de Nederlandse Antillen een
geluidsfilm te hebben vertoond: Cuban Love-song met
Lupe Velez en Laurence Tibett. In het
gebouw is thans een kerk gehuisvest.

Kort na de oorlog nam het aantal
bioscopen
op Curaçao toe, zodat er op een gegeven ogenblik 10 in
exploitatie
waren. Thans is er maar een drive-in
over.
Aruba
In 1930 werd op Aruba door E. de Veer het eerste
bioscooptheater in gebruik genomen: Teatro Gloria (eerste
film:
All quiet on the Western
front). Nadat het in 1935 in vlammen opging,
werd
het herbouwd. De brand van 1947 maakte voorgoed een einde aan
Teatro
Gloria. De directie van De Veer
Chain Theaters met vier bioscopen, Boulevard Theater, Drive-in,
Rialto en Principal, besloot in
1983,
door de concurrentie van de video-cassettes gedwongen, alle vier
te
sluiten.
Bonaire
Het bioscoopwezen op Bonaire toont
wellicht
nog meer dan elders een geschiedenis van vallen en opstaan. In
1934
werd er het eerste theater geopend, Theater Alhambra.
Hoewel
officieel blijkbaar nooit opgeheven, vermelden de verslagen dat
het
in 1939 bij gebrek aan belangstelling gesloten werd. Thans zijn
er
drie bioscopen, één in Kralendijk, één in Antriol en één in
Rincon.
Bovenwinden
Op de Bovenwinden was in 1928 pas voor
het
eerst sprake van openbare filmvoorstellingen. In dat jaar werd
een
speciale commissie in het leven geroepen om films te keuren, die
een
Franse onderneming met draagbare machinerieën op alle drie de
eilanden vertoonde. Een jaar later begon het Algemeen Nederlands
Verbond
met filmvoorstellingen, waarna het Bovenwindse bioscoopwezen
insluimerde tot 1944, in welk jaar vergunning gegeven werd tot
geregelde commerciële filmvoorstellingen (op 16 mm). Begin 1968
kreeg St. Maarten in Philipsburg een geheel nieuwe bioscoop en
in
1970 een drive-in.
Op Saba en St. Eustatius vonden en
vinden
ongeregeld 16 mm voorstellingen plaats, al dan niet in de open
lucht
en al dan niet tegen betaling. Tot een echte bioscoop is men tot
dusver op deze eilanden niet gekomen.
De meeste theater-exploitanten in de
Nederlandse Antillen waren grote handelszaken van wie de
belangen
geenszins uitsluitend in de bioscoopbranche lagen. Als regel
importeerden zij zelf films. Deze films waren tot ca. 1955
voornamelijk van Noord-Amerikaanse origine, later werden ook
Europese films vertoond. Op de voorstellingen heeft nimmer
vermakelijkheidsbelasting gedrukt.
@: Bisdom Willemstad

Foto: De kathedraal van
Pietermaai,
anno 2008 het hoofdgebouw van het bisdom van de
Nederlandse
Antillen en Aruba
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Geschiedenis
Hoofdstuk 2: Huidige organisatie
Hoofdstuk 3: Publikaties
Hoofdstuk 4: Geloofsleven
Hoofdstuk 5: Literatuur
Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Bisdom Willemstad -
Hoofdstuk 1: Geschiedenis
Vanaf 1526 zijn namen bekend van paters
dominicanen, jezuïten en augustijnen die, afkomstig uit Spanje
of
Spaans Amerika, zich op ongeregelde wijze met de zielzorg op de
Benedenwindse Eilanden bezighielden. Reeds vroeg werd ook gewag
gemaakt van aalmoezeniers op St. Maarten. In het begin van de
16de
eeuw begonnen de bisschoppen van Coro en Caracas zich tevens
bisschop van Curaçao, Aruba en Bonaire te noemen, maar van
intensieve bemoeiing met deze eilanden was geen sprake. Behalve
een
stenen kerk op Santa Barbara
(waarvan tekening in Archivo de Indias te
Sevilla)
was er op Curaçao in de Spaanse tijd een houten vluchtkerk, de
Santa Ana, achter het
Schottegat. Ook in Ascencion stond een kerkje. Bij de verovering
van
het eiland door de West-Indische
Compagnie werd een premie uitgeloofd voor het
gevangen nemen van de pastoor; de kerk van Santa Ana ging in
vlammen
op en de katholieke zielzorg nam voorlopig een einde.
In 1677 bepaalde de bisschop van Caracas
dat
iedere op Curaçao verblijvende priester ipso facto de
godsdienstige
jurisdictie over het eiland van hem zou ontvangen; deze
aanmoediging
leidde in de volgende zestig jaren tot het verblijf - meest van
korte duur - van een vijftigtal priesters. Zo doopte Juan Gomez Manzo,
pastoor
van Coro, enkele honderden Curaçaosche indianen. Bij gebrek aan
een
kerkgebouw werden aanvankelijk particuliere huizen
(Keukenstraat,
Kuiperstraat, Havenkant) voor godsdienstoefeningen gebruikt.
Onder
deze priester-passanten waren er die om politieke redenen het
Spaans-Amerikaanse vasteland waren ontweken; zo werkten de Franse kapucijn Victor de Dole, de
Duitse Jezuïet Michael Schabel
en de Colombiaanse
Augustijn Augustinus de Caysedo voor de
Oostenrijkse kandidaat in de Spaanse Successieoorlog; zij
steunden
agenten die vanuit Curaçao een invasie in Venezuela
voorbereidden.
Schabel vestigde zich in 1698 op Curaçao en was ook actief op
Bonaire. Caysedo, vanaf 1715 als prefect van de missie op
Curac;ao
werkzaam, stichtte een kerkgemeente (met kerkmeester), die als
rechtspersoon werd erkend en bouwde een Mariakerk op Otrobanda
die
tot 1830 heeft bestaan. Hij liet een bisschop overkomen, die
tijdens
zijn bezoek 4000 mensen ‘vormde’. Ook de Bovenwindse Eilanden
werden
door Caysedo bezocht. Zijn invloed zou directeur Du Fay tot
het
katholicisme hebben gebracht. De Jezuïeten, die reeds tijdens
Caysedo’s leven op het eiland actief waren geweest, gaven in
1740 -
Caysedo stierf in 1738 - hun missie op. Er volgt dan weer een
dertigtal jaren zonder veel priesterlijke activiteit; slechts de
uit
Nederland afkomstige pater Ten Oever trok de
aandacht door zijn militante hulp aan slaven die wilden
vluchten. Ook kwam in deze tijd (1752) een nieuwe Santa Anakerk op
Otrobanda gereed. Van 1776 tot 1820 was de missie aan de
Nederlandse
Franciscanen opgedragen van wie figuren als Schink, Brands, Piravano
en
Stoppel bekendheid
kregen, de laatste vooral door zijn arbeid onder de slaven. Daar
de
regering vasthield aan de eis dat een burgerlijk aan een
kerkelijk
huwelijk diende vooraf te gaan, werden gewetenshuwelijken
(‘stèmpel kueru’, zie
@:
Huwelijk) onder slaven door de pastoors erkend.
Was tijdens de Engelse interventie de
vader
van (Pedro Luis)
Brion
kerkmeester geworden - een indirecte verbinding met de
Venezolaanse
onafhankelijkheidsstrijd was hierdoor gelegd - in de jaren
1820-1824
kwamen veertig priesters, directe slachtoffers van deze strijd,
naar
Curaçao gevlucht; met hun vaak groe eruditie verrijkten zij het
geestelijk en godsdienstig leven.
Reeds in 1768 waren de Benedenwindse
Eilanden officieel een apostolische prefectuur geworden; in 1827
werden de Bovenwindse Eilanden hieraan toegevoegd. In de
priesterbezetting was op Aruba, Bonaire en de Bovenwinden geen
onderbreking meer voorgekomen sedert respectievelijk 1824, 1827
en
1841. De zes eilanden werden in 1842 tot apostolisch vicariaat
verheven (het eerste jaar samen met Suriname). Als eerste is
mgr. Joannes Michael Holterman
O.P. op 18 oktober 1958 benoemd tot bisschop
van
het diocees Willemstad, waaronder alle Nederlandse Antillen
ressorteren. De op Curaçao geboren Willem Michel Ellis
(orde
wereldheren) die op 25 november 1973 werd gewijd, volgde hem op.
Niewindt
en
Kistemaker waren
seculier
priester. Na het vertrek van de laatste in 1866, werd de
bisschopszetel tot 1973 door priester dominicanen bezet (Van der Veen Zeppenfeldt
(1948-1956) was de eerste uit de Nederlandse
Antillen
afkomstige apostolisch vicaris). Aan de Nederlandse provincie
van
deze orde werd de missie in de kolonie Curaçao in 1870
opgedragen.
Om de vorming van een Antilliaanse clerus te bevorderen werd in
1955
een klein seminarie opgericht. Hoewel het vicariaat van de
Nederlandse Antillen in 1958 tot bisdom is verheven, blijft er
toch
een zekere afhankelijkheid van de Congregatie De Propaganda Fide
in Rome bestaan zolang het bisdom in een
groeistadium
verkeert. De betrekkingen van het bisdom met Rome lopen via de
apostolisch nuntius te Trinidad. Sedert kort is het bisdom lid
van
de Caribische
Bisschoppenconferentie, die veertien
bisdommen
omvat. (Zie ook @: Geschiedenis).
Bisdom Willemstad
- Hoofdstuk 2: Huidige organisatie

Foto: De Misa Santa Familia op
Otrobanda, met zijn twee torens, die van een behoorlijke
afstand zichtbaar zijn is een van de meest karaktervolle
kerkgebouwen op Curacao.
Het bisdom telt thans 36 parochies, waarvan 22 op Curaçao, 8 op
Aruba, 3 op Bonaire en 1 op ieder van de Bovenwindse Eilanden.
In
1983 zijn er 4 Antilliaanse wereldgeestelijken werkzaam in het
bisdom, 35 paters dominicanen (waarvan twee van Antilliaanse
origine), 2 lazaristen, 7 priesters afkomstig uit Colombia, 3
salesianen uit Venezuela, 3 priestersreligieuzen uit Nederland.
De bezoldiging van de priesters - voor
het
eerst in 1824 geregeld - wordt thans voor 45 van hen, inclusief
de
bisschop, rechtstreeks door de overheid gedragen. Als
‘lekenreligieuzen’ werken in het bisdom de zusters
franciscanessen
van Roosendaal (sinds 1842), die onder meer het onderwijs in het
beroemde internaat Habai (1853) verzorgden; hun 39 leden zijn
thans
in onderwijs, ziekenverpleging en bejaardenzorg werkzaam; de
zusters
franciscanessen van Breda (sinds 1855) hebben zich van de
aanvang
met ziekenzorg beziggehouden; hun huidige aantal is 13; de
fraters
van Tilburg (sinds 1886), die sedert het jaar van hun komst
onderwijs aan het bekende Sint- Thomas College gaven, leiden ook
thans nog een groot aantal scholen op Curaçao en Bonaire; hun
aantal
bedraagt 24; de zusters van Voorschoten (sinds 1910, aantal
thans
13) werken op Aruba en de Bovenwindse Eilanden in onderwijs,
zieken-
en bejaardenzorg; de zusters van Schijndel (sinds 1920, hun
aantal
is 19) arbeiden voornamelijk in het onderwijs, evenals de frêres
de
la Salle (sinds 1937, aantal thans 8) wier arbeidsveld echter
tot
Aruba beperkt is. De kruisvaarders van Sint Jan hebben de
leiding
gehad van Jongensstad Brakkeput en scholen voor eenvoudig
technisch
onderwijs; er zijn nu nog maar twee kruisvaarders op Curaçao,
van
wie er één rustend is en één als journalist bij de Amigoe werkt.
De broeders van Dongen (sinds 1948,
aantal
thans 14) geven onderwijs en verplegen bejaarden; op Curaçao
werken
tenslotte sinds 1950 de zusters van de Dominicus-stichting voor
sociaal apostolaat, waarvan nog slechts één zuster op Curaçao
aanwezig is en op Aruba de zusters dominicanessen van Bethanie
(sinds 1952, aantal thans 14: kinderverzorging), de zusters van
Steyl (sinds 1955, maar hebben zich van Aruba teruggetrokken in
1978), de zusters van Asten sinds 1957: ziekenzorg en onderwijs;
aantal thans 15. (Zie ook @: Geneeskunde; @: Jeugdbewegingen; @:
Onderwijs; @: Voogdij- en Wezenzorg, R.K.; voor cijfers
kerkelijke
gezindten, zie @: Nederlandse Antillen). Vier Colombiaanse
zusters
van de Presentación dragen de verantwoordelijkheid voor een
parochie
op Curaçao. Sinds 1975 is er een klooster van slotzusters
gevestigd
te Curaçao, waarin thans 15 monialen verblijven. Sinds het jaar
1970
deed zich meer en meer het tekort aan priesters en religieuzen
voelen. Het aantal priesters werd kleiner en er waren geen
jongere
krachten die de gelederen der ouder wordende priesters kwamen
versterken. Dit tekort aan priesters is zeer zeker de directe
aanleiding om in het midden der 1970er jaren een cursus te
beginnen
om pastorale medewerkers (Koöperador
Pastoral) op te leiden. Op Curaçao namen ongeveer
dertig
kandidaten deel aan deze twee-jarige cursus. Tegelijkertijd werd
op
Aruba een meer praktische opleiding georganiseerd om leken te
leren
hoe zij instructie kunnen geven ter voorbereiding van het
doopsel,
het vormsel en de eerste communie. Op Aruba wordt sinds 1978 een
cursus van twee weekeinden gegeven ter voorbereiding op het
huwelijk; deze kurso prematrimonial wordt bijna geheel door
leken
geleid.
In 1979 werd opnieuw een tweejarige
cursus
opgezet, waaraan op Curaçao 41 cursisten deelnamen, op Aruba 25
en
op Bonaire 5. Ter afsluiting van de cursus ontvingen de
deelnemers
uit de handen van de bisschop de ‘zending’ om actief
mede-verantwoordelijkheid te dragen voor de gang van zaken
binnen de
lokale kerkgemeenschap. Leken helpen hun pastoor bij het geven
van
instructies op het ontvangen van de sacramenten. Zij helpen de
pastoor door huisbezoeken af te leggen, vooral bij oudere en
zieke
parochianen. Zij assisteren bij liturgische plechtigheden en
verzorgen eventueel gebedsdiensten wanneer geen priester
aanwezig
is.
Was de directe aanleiding tot het
aantrekken
van pastorale medewerkers het tekort aan priesters, mede onder
invloed van de ideëen van het Tweede Vaticaanse Concilie is men
zich
steeds meer bewust geworden van de eigen verantwoordelijkheid
van de
leek op basis van zijn doopsel en vormsel in het leven van de
plaatselijke christelijke gemeente.
Met het naar voren komen van de
pastorale
medewerker wordt een oude traditie van de Rooms-Katholieke Kerk
op
de Nederlandse Antillen in ere hersteld, de traditie van Papa Comes, sakristan Senior, de
mannen
en vrouwen die op Aruba en op de Bovenwindse Eilanden het
kerkelijk
leven gedragen hebben in tijden dat geen priesters aanwezig
waren.
Bisdom Willemstad
- Hoofdstuk 3:
Publikaties

Foto: Misa di Bonam in de
gelijkgenaamde woonwijk; Bonam ligt ongeveer 15km
ten
noordoosten van het stadscentrum van Willemstad
(Punda)
Al in 1826 gaf Niewindt een Papiamentse catechismus uit, het
eerste
boekje in een taal waarvan het gebruik steeds door de R-K clerus
werd verdedigd en bevorderd. Van veel recenter datum is een
volledige Papiamentse vertaling van het Nieuwe Testament. Voor
de
uitgave van godsdienstige publikaties stichtte het bisdom in
1953 de
boekcentrale Aquinas
(zie
verder @: Pers).
Bisdom Willemstad
- Hoofdstuk
4: Geloofsleven
Het geloofsleven wordt gestimuleerd door
een
groot aantal godsdienstige verenigingen, vrijwel alle in
navolging
van buitenlandse initiatieven opgericht (Legioen van Maria, Cursillos de
Cristianidad, Renobashon Karismatiko enz.).
Ook
verschillende charitatieve verenigingen op Rooms-Katholieke
grondslag hebben bindende kracht. Kenmerkend voor de
godsdienstige
beleving is de intense heiligenverering. Zo wordt op het feest
van
San Pedro in Westpunt
en
Sint Michielsbaai de zee gezegend; ook de apostel San Hudas Tadeo (Judas
Thaddeus) heeft vele vereerders, evenals San Martin de Porres, Antonio M.
Claret en de nog niet eerbiedwaardig
verklaarde
Venezolaan Jose Gregorio
Hernandez. Spaans-Amerikaanse trekken zijn
verder
te onderkennen in de vele afbeeldingen van Gods almachtige hand,
het
ocho dia-gebruik, de
huisaltaren met beelden van San
Expedito, San Miguel, San Peregrino, en
andere,
het geven van heiligennamen aan plantages, huizen, bootjes en
vrachtauto’s, de Mariavereringen afkomstig uit omliggende
landen,
zoals die voor de Birgen di
Coromoto
en Chinquinquira
(respectievelijk Venezuela en Colombia) en de Birgen di Altagracia
(Dominicaanse Republiek). Op Aruba wordt
daarnaast de
Birgen di Alto Vista
vereerd, genoemd naar de plaats waar de eerste
parochiekerk stond en waar in 1952 een kleine kapèl werd
gebouwd. De
gelovigen vinden het niet steeds vanzelfsprekend dat het bij
deze
vereringen om dezelfde Mariafiguur gaat.
Bisdom Willemstad
- Hoofdstuk
5: Literatuur
Bronnen:
- voornaamste archieven:
- Congregatie De Propaganda Fide en
generalaten der Jezuïeten en Augustijnen te Rome;
- curie bisdom Willemstad;
- parochiële archieven. m.o. Santa
Ana-kerk vicari¬aat paters Dominicanen, Curaçao.
Literatuur:
- W.M. Brada, o.p. Inleiding tot de
kerkgeschiedenis van de Ned. Antillen 1492-1700 (1956);
- idem, Kerkgeschiedenis Ned.
Antillen
(1951);
- idem, Paters Franciscanen op
Curaçao,
1776-1820 (1950);
- C.Ch. Goslinga, Emancipatie en
emancipator (1956);
- B.A.J. Gijlswijk e.a., Gouden
Jubileum
der Dominicaner Missie op Curaçao, W.I. 1870-1920 (1920);
- M.D. Latour, o.p., Geschiedenis der
missie van Curaçao (1945);
- idem, De parochie van Pietermaai
(1950);
- Roosendaal, Congregatie van,
Gedenkboek
honderdjarig bestaan in de missie van Curaçao (1942);
Tilburg,
Fraters van, Na vijftig jaar (1936);
- verder vele artt. van A. Euwens,
o.p.,
Dahlhaus o.p., W.M. Brada o.p. en M.D. Latour o.p.
@: Bishita
zie @: Spiritu.
@: Bisschoppen
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Bivalves
zie @: Tweekleppigen.
@: Black eye Susan
(hunbergia alata) of black eyed susy, yellow bell,
plantesoort
uit de familie der Acanthaceae. Viltig behaarde klimplant;
bladeren
tegenoverstaand, driehoekig tot hartvormig, met duidelijk
gevleugelde bladsteel. Bloemen alleenstaand in bladoksel met 2
grote
schutbladen, donker geel-oranje met donkere vlek in de keel;
kroon
met 5-lobbige, vlak uitgespreide zoom. Afkomstig uit
Zuid-Afrika.
Gekweekt en verwilderd op Saba.
@: Blas
zie @: Ballonvissen.
@: Blasini, Jules François
(Curaçao 2 februari 1847-26 december
1887)
pianist en componist, ontving zijn eerste muziekonderricht van
Jan Gerard
Palm en
zette naderhand zijn studies voort aan het conservatorium te
Parijs.
Blasini schreef korte romantische pianostukken en liederen. Ook
zijn
danzas en walsen zijn romantisch van inslag. Harmonisch wijken
zij
door het gebruik van chromatiek sterk af van de ongecompliceerde
diatonische formules die de Antilliaanse dansmuziek mede
typeren.
Ter zijne ere is een straatnaam op de
grote
woonwijk Brievengat,
inzonderheid het gedeelte bekend staande als Brievengat Nobo, het
tweede
gedeelte van dit dichtbevolkte dorp, genoemd. Brievengat staat
ook
bekend als de woonwijk met de naar musici vernoemde
straatnamen.
@: Blenchi
zie @: Kolibri.
@: Blindenzorg
op Aruba en Curaçao is in nauwelijks
tien
jaar uitgegroeid tot een professionele dienstverlening aan blinden en
slechtzienden van jong tot oud. Vóór 1973 ontbrak in de
Nederlandse
Antillen elke vorm van blindenverzorging: op kosten van de
overheid
werden sinds de jaren 1950’s enkele blinde en zeer slechtziende
kinderen naar instellingen in Nederland gestuurd. Bij zijn
bezoek
aan de Antillen in 1972 wist Cor
van
den Brink, toenmaals algemeen secretaris van
de
Nederlandse
Blindenbond,
een aantal mensen te interesseren voor een eerste opzet van een
vorm
van blindenzorg.
@: Blindenzorg Aruba
De eerste activiteiten van de Stichting Blindenzorg Aruba
bestonden uit het organiseren van bijeenkomsten
met
visueel gehandicapten onder leiding van onder andere Frans Wernet en Ramon Quijada, een
visueel
gehandicapte die als kind naar Nederland uitgezonden is geweest.
Op
14 mei 1975 is de naam van de stichting gewijzigd in Fundashon Arubano di esnan
Visualmente
Incapacitá (Favi = Stichting van visueel
gehandicapten Aruba) een naam, die zowel op Aruba als ver
daarbuiten
een begrip is geworden. Het Tweede
Internationale Symposium over visueel
gehandicapte peuters en kleuters, dat van 22 t/m 27 mei 1983 op
Aruba werd gehouden, heeft zeker hiertoe bijgedragen.
Aanvankelijk
werd door een groep vrijwilligsters gewerkt aan een programma
voor
mobiliteitstraining en handenarbeid aan volwassen en bejaarde
blinden, later is ook een opvang van peuters en kleuters tot
stand
gekomen, wederom door vrijwilligsters. De FAVI kreeg per 1
februari
1976 de beschikking over de eerste door het Bestuurscollege
volledig
betaalde maatschappelijk werkster. Van meet af aan was het
bestuur
van de FAVI zich ervan bewust dat de enige effectieve vorm van
bewustmaking van visueel gehandicapten - het aantal wordt
geschat op
tussen de 3 tot 4 promille -bestond in het verschaffen van
gesproken
lectuur. In 1978 werd daartoe opgericht Fundashan Arubano pa Lektura Papiá
y
Adaptá (Falpa = Arubaanse stichting voor
gesproken en aangepaste lectuur), die vier gesproken
tijdschriften
op geluidscassettes verzorgt. Deze gesproken tijdschriften
worden
verspreid op Aruba, Curaçao, Bonaire en Sint Maarten. Met de
aanmaak
van Papiamentstalige gesproken boeken is een aanvang gemaakt. De
FAVI, die thans vier volledig betaalde krachten in dienst heeft,
beschikt over een eigen activiteitencentrum; de FALPA is gehuisvest in
een
moderne studioruimte in de openbare bibliotheek.
@: Blindenzorg Curaçao
Ook op Curaçao werd in 1972 opgericht de
vereniging nationale blindenzorg Sociedad Nacional pa
Siegunan, die zich volgens art. 3
van
haar statuten ten doel stelt met eerbiediging van ieders levens-
en
wereldbeschouwing, de zo volledig mogelijke integratie van de
blinden in het maatschappelijk en cultureel leven en het
scheppen
van bevredigende levensomstandigheden, evenzeer voor werkende
als
voor niet meer werkkrachtige blinden. De activiteiten vinden
plaats
in het Blindencentrum,
Corrieweg 16, dat de beschikking heeft over onder andere een
braille-bibliotheek en een gesproken-boekenbibliotheek (boeken
en
tijdschriften op cassette-banden) en een instructiekeuken voor
revalidatie van visueel-gehandicapte huisvrouwen en
alleenstaanden.
Naar schatting circa 450 blinden en slechtzienden in de
Curaçaosche
samenleving worden door de vereniging bereikt.
@: Blinder, Oda

Pseudoniem van Yolanda Corsen (Curaçao
10
november 1918 - 30 juli 1969) kleindochter van Joseph Sickman Corsen,
behoort met haar broer Charles
tot de belangrijkste exponenten van de
Antilliaanse
generatie, die in het tijdschrift De Stoep
heeft
gepubliceerd. Uit haar gedichten spreekt vaak een zoekend
verlangen
naar een geliefde en een hartstochtelijke passie (Een handvol
leegten, Antilliaanse Cahiers I, 1956,2). (Zie ook @:
Letterkunde in
de Nederlandse Antillen).
Werken:
- Brieven van een Curacaosche Blinde en andere gedichten
(1968);
- Incognito (postuum 1973);
- Verzamelde Stilte (postuum 1981).
@: Bloedzuiger
zie @: Wormen.
@: B’nai B’rith
Internationale, charitatieve en
broederlijke
orde van Joodse mannen en vrouwen met hoofdkwartier te
Washington
D.C., de hoofdstad van de U.S.A. De internationale organisate
werd
gesticht in 1843 en de lôge op Curaçao in 1962. Zij telt in onze
omstreken momenteel (1983) 140 leden op Curaçao en 12 leden op
Aruba. Rondom dezelfde tijd telde de internationale organisatie
zo’n
410.000 leden. B’nai B’rith International promoveert
hulpprogramma’s
in een verscheidenheid van disciplines, zoals jeugdwerk, opkomst
ten
gunste van rechten van Joden, onderwijs en onderricht ten
behoeve
van volwassenen, behandeling van burgerrechten, speciale
projecten
ten behoeve van Israël en verschillende andere filantropische en
sociale activiteiten. Vanaf 1970 kent de lôge op Curaçao een
vooral
op cultureel gebied actieve jeugdgroep. Van de charitatieve en
culturele activiteiten op ons eiland kunnen genoemd worden:
- het zonder veel publiciteit
consequent opkomen tegen schendingen van de mensenrechten;
- het sponsorship van
jeugdconcerten
waarvoor een speciaal fonds in het leven geroepen werd;
- een wekelijks radioprogramma;
- het jaarlijkse Caribbean Speakers
Circuit .
@: Boca Prins
zie @: Aruba.
@: Bodemerosie en -conservatie
Waar het plantendek ernstig vernield is,
vond en vindt bodemerosie plaats, zowel door windverstuiving als
door afspoeling. Bij de korte maar vaak hevige regenbuien kan
het
water daardoor niet of nauwelijks meer in de bodem dringen maar
stroomt het, met slib beladen, naar de binnenbaaien en naar zee.
Dammen dwars in de rooien der Benedenwindse Eilanden (dat zijn
de
meestentijds droge stroombeddingen) voorkomen het water- en
grondverlies slechts ten dele, waarbij de bovendamse
waterreservoirs
echter meestal snel dichtslibben. Door sterke wateronttrekking
aan
de ondergrond, voor menselijk gebruik, vooral op Curaçao, is op
vele
plaatsen verdroging en verzilting opgetreden, zodat in
verscheidene
oorspronkelijk mooie hofjes de meeste vruchtbomen zijn
afgestorven;
verwaarlozing van irrigatiewerken heeft hierbij soms ook een rol
gespeeld.
@: Boeke, Jan
(Hengelo 23 oktober 1874-Bandung 12
september 1956) vertoefde van februari tot september 1905 in de
Nederlandse Antillen voor een onderzoek naar de mogelijkheden
van de
visserij. Zijn rapport is bijzonder goed gedocumenteerd en nog
steeds van grote waarde bij het vergelijken van de visserij van
toen
en nu. Tijdens zijn verblijf bracht hij een grote collectie
zeedieren bijeen, voornamelijk vissen, die door J. Metzelaar bewerkt
werden. Naderhand verwierf Boeke grote bekendheid op het gebied
van
anatomie, weefselleer, embryologie en evolutie. Ook had hij een
groot aandeel in de organisatie van de medische opleiding op
Java.
- Werken: Rapport betreffende een
voorloopig onderzoek naar den toestand van de Visscherij en
de
Industrie van Zeeproducten in de Kolonie Curaao, deel I
(1907)
en deel 2 (1919).
@: Boeman
Ook in de Antillen werd vroeger bij de
opvoeding royaal gebruik gemaakt van een denkbeeldig wezen
waarmee
kinderen gedreigd werden als zij niet wilden gehoorzamen. Op
Curaçao
waren onder andere bekend: Ba(s)
Pipi, Ba Wan, Cha Malenchi, Chiku Dudunchi en
Chiku Manachi. Op
Aruba
kende men onder andere Concon
en Mandinga, op Bonaire
onder
andere Buchi Wan, Chawawa,
Sanuca
en Sawachi. Op de
Bovenwindse
Eilanden bediende men zich van onder andere Knuckle, Old Hoof en Maka jumbie. Naast deze
denkbeeldige wezens konden ook bestaande personen de rol van
boeman
vervullen: de surveillerende politieagent, een notoire
dronkaard,
een sjofel uitziend persoon en soms zelfs de vader wanneer deze
in
het gezin een marginale positie innam.
@: Boka
Papiaments woord voor mond, baai of
opening.
@: Boka largu
zie @: Halfbek.
@: Boldingh, Isaac
(Purmerend 1879-Amersfoort 1938)
Nederlands
botanicus, bestudeerde flora en vegetatie van de Bovenwindse
(1905/06) en Benedenwindse Eilanden (1909/10) en legde een
herbariumcollectie van Boven- en Benedenwindse Eilanden en van
Anguilla aan. Promoveerde te Utrecht in 1909, werd assistent en
conservator bij de afdeling Plantkunde, Rijksuniversiteit te
Utrecht. Boldingh vertrok in 1914 naar het herbarium te
Buitenzorg
en kwam in 1917 bij het Landbouwproefstation aldaar;
repatrieerde in
1932.
Werken:
- The flora of St. Eustatius, Saba
and
St. Martin (1909);
- Flora voor de Nederlandsch
West-Indische Eilanden (1913);
- The Flora of Curaçao, Aruba and
Bonaire
(1914).
@: Bolivar, Simon

(Caracas 24 juli 1783 - Santa Marta 17
december 1830), generaal en Zuid-Amerikaanse staatsman,
aangeduid
als El Libertador (de
bevrijder) omdat onder zijn leiding de tegenwoordige republieken
Venezuela (zijn vaderland), Colombia, Panama en Ecuador van de
Spaanse overheersing zijn bevrijd. Opgevoed in Europa sloot hij
zich
bij zijn terugkeer in Venezuela aan bij de patriotten, die in
1810
in opstand kwamen onder Francisco de
Miranda, bekend als El Precursor (de
voorloper). Na de mislukking van deze bevrijdingspoging nam
Bolivar
de wijk naar Curaçao (1811-1812). Dank zij zijn militaire
talenten
had hij in de dienst van de revolutionairen snel carriëre
gemaakt,
wat hem te stade kwam bij zijn terugkeer naar Venezuela waar hij
de
Spanjaarden herhaaldelijk versloeg en in 1913 Caracas innam.
Bekleed
met het hoogste civiele en militaire gezag zette hij met
wisselend
krijgsgeluk de strijd tegen de Spanjaarden voort, bevrijdde
Nieuw
Granada (het huidige Colombia), werd in 1815 door de Spanjaarden
verslagen en vluchtte naar Jamaica, later naar Haïti vanwaar hij
in
december 1816 naar zijn vaderland terugkeerde. In de jaren
1819-1824
bevrijdde hij geheel Colombia, Ecuador, Peru en Opper-Peru (dat
zich
de naam Bolivia toe-eigende). Bolivar ondervond hierbij grote
steun
van o.a. generaal Antonio Jose
de
Sucre. Zeer bekend zijn de veldslagen bij
Boyaca
(1819), Carabobo (1821), Junin en Ayacucho (1824).
Hoewel Bolivar doorgaans geroemd wordt
om
zijn militaire talenten heeft hij ook wetgevende arbeid verricht
en
had hij als staatsman een brede visie zowel nationaal als
internationaal. Zijn pogingen de huidige republieken Venezuela,
Colombia, Panama en Ecuador tot een republiek te verenigen,
mislukten door de naijver tussen de politici van die
verschillende
landen. In 1830, de politieke intriges moe, diende hij zijn
ontslag
als president van Groot-Colombia in en ging in vrijwillige
ballingschap naar Santa Marta, een havenstadje aan de Caribische
Zee, waar hij in december stierf. Zijn plannen voor een
wereldorganisatie van landen (Congres Panama 1824) zijn in een
bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties in 1976 erkend en herdacht. (Zie ook @: Brion; @: Piar;
voor
verblijf op Curaçao zie Joodse Gemeenten.)
Literatuur:
- C. F. A . .van Dam, Brieven van
Simon
Bolivar en van Louis Brion in het Algemeen Rijksarchief
te’s-Gravenhage. Nieuwe West-Indische Gids nr. 1-2 (1965);
- J. Descola, Les libertadors (1957),
in
het Spaans vertaald door Consuelo Berges onder de titel Los
libertadores, la lucha por la independencia de America
(1960,
1978);
- W. Frank, Birth of a world, Bolivar
in
terms of his peoples (1952);
- W. M. Hoyer, El libertador Simon
Bolivar (1952);
- S. de Madariaga, Bolivar (1952);
- Ministerio de las relaciones
exteriores, Bolivar en la ONU (1978);
- Th. Rourke, Bolivar (1941);
- J.L. Salcedo-Bastardo, Bolivar: un
continente y un destino (1972, 1977);
- idem, Vision y revision de Bolivar
(1981);
- J.B. Trend, Bolivar (1947);
- Unesco, International Simon Bolivar
prize (1979).
@: Bolivariana
zie @: Sociedad Bolivariana.
@: Bolo pretu
zie @: Voedingsgewoonten.
@: Bomba
Opzichter over een groep slaven. De
bomba was soms een
vrij
man, maar heel dikwijls ook een slaaf, die dan het voorrecht
genoot
niet geslagen te mogen worden. De voorman belast met het geven
van
lijfstraffen heette bomba
sutadó, de vervanger van de bomba bastian.
@: Bonaire

Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Geografische en geologische
beschrijvingen
Sectie 1:
Klein
Bonaire
Hoofdstuk 2: Flora en fauna
Hoofdstuk 3: Bevolking
Sectie 2:
Algemeen
Sectie 3:
Spreiding van de bevolking
Sectie 4:
Bestuur
Hoofdstuk 4: Economische
activiteiten
Sectie 5:
Landbouw, veeteelt en visserij
Paragraaf 1:
Akkerbouw
Paragraaf 2:
Aloë
Paragraaf 3:
Veeteelt
Paragraaf 4:
Visserij
Paragraaf 5:
Zoutwinning
Paragraaf 6:
Industrie
Paragraaf 7:
Olieterminal
Paragraaf 8:
Toerisme
Hoofdstuk 5: Communicatie en
transport
Hoofdstuk 6: Natuurbeheer
Hoofdstuk 7: Literatuur
Hoofdtsuk 8: Referenties

Nu volgt de behandeling van het
onderwerp:
Bonaire Hoofdstuk 1: Geografische en
geologische
beschrijvingen
Het eiland (hoofdstad Kralendijk) is het
meest
oostelijk gelegen van de groep van de Benedenwindse Eilanden van
de
Nederlandse Antillen, en ligt tussen 68°11’ en 68°25’ W.L., en
tussen 12°2’ en 12°19’ N.Br. Het eiland heeft een enigszins
haakse
vorm (denk aan een boemerang), waarvan de holle zijde naar het
westen is gekeerd. De oppervlakte bedraagt 288 km2; de breedte
wisselt tussen 5 en 12 km, de lengte - gerekend langs de
lengte-as
bedraagt vanaf Malmok in het uiterste noordwesten tot aan Lacre
Punt
in het uiterste zuiden, ca. 40 km.
Wat vorm en opbouw betreft, vertoont
Bonaire
vrij grote tegenstellingen tussen het heuvelachtige noordwesten,
het
terrassenlandschap in het midden, en het zeer lage en vlakke
zuiden
van het eiland. In het noordwesten vindt men de hoogste toppen
van
Bonaire, allereerst de 240,8m hoge Brandaris; voorts vanaf
Malmok in zuidoostelijke richting onder andere de Seru Mangel (148,3m),
Ser’i Kamina (158m),
Hobao (182,2m), Seru Largu (184,2m),
Curaçao (159m), Yuwana (203,3m), La Sana (173m) en Baron (163,6m).
Zuidelijk
van deze heuvelrij ligt langs de kust een tweede, welke om het
Gotomeer landinwaarts
buigt; hoogste verheffing in deze rug is de 160,5m hoge Seru Wekúa. Het
heuvelland
gaat ter hoogte van het dorp Rincon
vrij plotseling over in een depressie, die in het
zuiden wordt afgegrensd door de ca. 100m hoge steilrand van het
kalksteen-terrassenlandschap van midden-Bonaire. In noordelijke
en
oostelijke richting nemen de terrassen trapsgewijs in hoogte af;
kenmerkend voor dit deel van Bonaire zijn de vele steile
rotswanden
en de talloze nissen en grotten. Het hoogterras van
Midden-Bonaire
eindigt in de steilrand van Kibra di
Montaña (138m), ten zuiden waarvan het eiland
snel lager en vlakker wordt en ten slotte overgaat in de
nauwelijks
boven de zeespiegel liggende zoutpannen en natte gronden ten
zuiden
van Punt
Vierkant.

Evenals dit op de beide andere
Benedenwindse
Eilanden het geval is, heeft ook Bonaire in hoofdzaak een
opgeheven
koraalkust, aan de noord- en oostzijde van het eiland hoger en
woester dan aan de zuid- en westzijde en op tal van plaatsen
door de
kracht van de branding onderbroken door grotere of kleinere
inhammen, de zogenaamde boka’s, zoals aan de
oostkust onder andere Boka Onima
(in de omgeving waarvan indiaanse rotstekeningen
werden aangetroffen), Boka
Spelonk
met de gelijknamige grot, Boka Canoa en Boka Washikemba. Hier
en
daar werden smalle zandstrandjes gevormd - de playa’s - zoals onder
andere Playa Lechi
aan de
westkust op korte afstand ten noorden van Kralendijk, waar het
Hotel
Bonaire werd gebouwd. In het Postglaciaal verdronken
dalstelsels,
waarvan het Schottegat met de Sint
Annabaai op Curaçao wel het bekendste voorbeeld
is,
komen ook op Bonaire voor. In tegenstelling echter met de
uitstekende havengelegenheid welke met name het Schottegat
biedt,
zijn de Bonairiaanse dalstelsels door latere koraalvorming
geheel of
nagenoeg geheel van de zee afgesloten en in zoutwatermeren
veranderd. Hiertoe behoren onder andere de Boka Bartol aan de voet
van
de Seru Mangel, het
aan
natuurschoon rijke Gotomeer
met de befaamde kolonie van roze flamingo's, en de Slagbaai waarvan de
naam
een verbastering is van Slachtbaai
omdat hier eertijds geiten werden geslacht,
waarvan
het gezouten vlees werd uitgevoerd naar Curaçao. Voor het
benodigde
zout behoefde men niet ver te gaan, want in deze baai werden ook
zoutpannen geexploiteerd.
U leest: Bonaire Hoofdstuk
1
Rijk aan natuurschoon is ook het Lac, een door
koraalriffen
gedeeltelijk van de zee afgesloten uitgestrekte lagune aan de
oostkust, toegankelijk voor kleine vaartuigen. Men vindt hier
reusachtige hoeveelheden lege schelpen (karko’s), die door de
vissers werden achtergelaten. De noordzijde van deze lagune is
dicht
begroeid met een fraaie mangrove-vegetatie, waarin veel reigers
voorkomen; de zuidzijde wordt gevormd door een betrekkelijk
breed
zandstrand. Hier ligt sedert jaren het nooit afgebouwde hotel Sorobon. De lage
vlakte in het zuiden van Bonaire wordt voor een deel ingenomen
door
zoutwatermeren van wisselende omvang. Het langwerpige Pekelmeer staat in
verbinding met de zee en was vroeger bekend door de daarin
voorkomende kolonies van roze flamingo’s. In deze
omgeving vond in de vorige eeuwen hoofdzakelijk de zoutwinning
plaats. Zout was een van de belangrijkste drijfveren voor de
verovering van Bonaire door de West-Indische Compagnie
en
is tot in de 19de eeuw een van de belangrijkste produkten van
Bonaire geweest. Vanaf 1966 is het wederom belangrijk als
winningsgebied van de Antilles
International Salt Co. N.V.
Bonaire Hoofdstuk
1
Sectie 1: Klein
Bonaire
Aan de westzijde van Bonaire ligt op ca.
2
km afstand voor de kust bij Kralendijk het lage koraaleilandje
Klein Bonaire; het
heeft
een oppervlakte van ongeveer 6 km2, is met schraal struikgewas
begroeid en onbewoond.
Bonaire
Hoofdstuk 2: Flora en fauna
De natuurlijke vegetatie van Bonaire
wordt,
zoals dit op alle drie Benedenwinden het geval is, bepaald door
de
heersende semi-aride klimaatsomstandigheden (de totale regenval
in
1981 was 702 mm). Zij bestaat in hoofdzaak uit al dan niet
gedoornde
struikbegroeiing, laag geboomte en cactusplanten. Bij
binnenbaaien
vinden wij een mangrove-vegetatie en aan de kusten laaggroeiende
zoutminnende planten. Het uiterste zuiden bestaat voornamelijk
uit
deze vegetatie-typen. De vroeger zo belangrijke sabana’s (weiden)
hebben
een duidelijk seizoenskarakter en zijn, voornamelijk door
verzilting, bijna geheel verdwenen. Natuurlijke bronnen vindt
men
bij Dos Pos, Pos di
Rincon en Fontein; voorts ook in
het
lage kalksteengebied van het zuiden. Elders trachtte men de
watervoorraad te vergroten door het slaan van putten en het
bouwen
van aarden dammen op daartoe geschikte plaatsen in de rooien,
waardoor de zogenaamde tanki’s worden gevormd.
De
noordelijke helft van Bonaire is aanzienlijk meer bebost dan de
zuidelijke helft. Dit bosbestand is overigens slechts de
schamele
rest van een vroeger veel dichtere en zwaardere boomgroei. Vanaf
de
ontdekking van het eiland tot aan het begin der 20ste eeuw werd
hier
op grote schaal het begeerde Brazilhout en Wayaka (pokhout)
gekapt,
dat oudtijds grondstoffen moest leveren voor respectievelijk de
kleurstoffenbereiding en voor timmerdoeleinden. Deze houtsoorten
zijn weliswaar niet geheel uitgeroeid maar de tegenwoordige
exemplaren van deze soort zijn meestal jong en klein. Grote
schade
werd ook aan de boomgroei toegebracht door het vele
houtskoolbranden, onder andere voor de export van dit artikel
naar
Curaçao, en door de extensief bedreven geitenteelt. Pogingen om
aan
deze vormen van roofbouw paal en perk te stellen hebben nimmer
veel
effect gesorteerd. Een moeilijkheid in dit opzicht was, dat de
in
het verleden hiertoe uitgevaardigde verordeningen slechts golden
voor de gouvernementsgronden en niet voor particulier
grondbezit. In
de loop van de 19de eeuw geraakten echter grote delen van
Bonaire in
particuliere handen, het ging hierbij vooral om grote plantages
als
Washington, Slagbaai, Brasil
en Carpata
in het noordwesten; Bolivia, Colombia, Santa Barbara,
Guatemala en Washikemba in
Midden-Bonaire; Bacuna
en
Lima in het zuidelijk
deel van het eiland. Verscheidene van deze plantages trokken een
belangrijk deel van hun inkomsten uit de veeteeIt, het
houtskoolbranden en, waar mogelijk, de zoutwinning. Vooral de
eerste
twee genoemde activiteiten hebben bijgedragen tot ernstige
aantasting van bodem en vegetatie. De export van geiten en
schapen
heeft geen enkele betekenis meer, in het jaar 1981 werd nog
bijna
17.000 kg houtskool geëxporteerd, voornamelijk naar
Curaçao.
Bonaire Hoofdstuk
3: Bevolking
Sectie 2: Algemeen
Per 1 februari 1981 bestond de bevolking
van
Bonaire uit 8.753 personen en hiervan was 31,9% jonger dan 15
jaar en 10,2% ouder dan 65 jaar. Het verloop van de
bevolking
over de laatste 10 jaren geeft duidelijk aan dat de migratie een
grote rol speelt. Van 1970 tot 1979, met uitzondering van 1974
en
1975 toen de Bopec zich op Bonaire vestigde, zijn er jaarlijks
meer
mensen uit Bonaire vertrokken dan andersom. Dit duidt op een
duidelijk tekort aan voldoende en geschikte werkgelegenheid. De
werkloosheid bedroeg in 1981 11,5%. Bij bestudering van de
bevolkingsopbouw blijkt voorts hoe in het recente verleden, tot
in
de jaren 60, Bonaire een relatief kleine actieve bevolking had
met
bovendien een vrouwenoverschot in de actieve leeftijdsklasse.
Dit
was het directe gevolg van het wegtrekken van een groot deel van
de
werkende bevolking op zoek naar betere werkgelegenheid elders,
voornamelijk op Curaçao en Aruba. De overheid is nog steeds de
grootste werkgever. De tertiaire sector neemt 75% van het aantal
arbeidsplaatsen voor haar rekening. De onderwijsmogelijkheden
zijn
minder uitgebreid dan op Curaçao en Aruba. De laatste tijd zijn
de
onderwijsmogelijkheden ter plaatse aanzienlijk verruimd (zie @:
Onderwijs).
Sectie 3: Spreiding van de bevolking

In 1981 telde Bonaire 8.753 inwoners; de
bevolking woont vrij sterk geconcentreerd in de nederzettingen
Kralendijk, Antriol, Noord’i Saliña, Rincon,
Nikiboko en Tera
Corá. Kralendijk, gelegen aan
de
westkust tegenover Klein-Bonaire, is de
hoofdstad van het eiland; het telt 1.270 inwoners (1981). Men
vindt
hier verreweg de meeste overheidsgebouwen en kantoren van
particuliere bedrijven en instellingen. Voorts worden
aangetroffen
het belangrijkste winkelcentrum, filialen van banken, een aantal
hotels, scholen, culturele instellingen en kerken. De naam
Kralendijk is pas in zwang sedert ca. 1835 en wijst op het hoge
rif
van koraalstenen waarop de plaats is gebouwd; voordien sprak men
van
de Rheede of de Baay. De lokale
bevolking spreekt echter van Playa. Tot ca. 1840
diende
het daar gebouwde Fort Oranje
als woonplaats voor de commandeur van het eiland.
Dank zij de beschermde ligging en voldoende diepte is de rede
van
Kralendijk toegankelijk voor grote zeeschepen.
Even ten noorden van Kralendijk liggen
de
dorpen Antriol en
Noord’i Saliña, die
te
zamen 3.237 inwoners (1981) tellen. Rincon, in het
noordelijk
deel van Bonaire, telt 1.977 inwoners (1981). Als gevolg van de
relatief gunstige natuurlijke omstandigheden schijnt in deze
omgeving reeds in precolumbiaanse tijden een
indianennederzetting te
zijn geweest. Sporen van voormalige indiaanse nederzettingen
vinden
we echter over heel Bonaire, met name ook bij Antriol en bij
Lac. In
de 18de en 19de eeuw was Rincon een slavendorp; vele slaven
werkten
toentertijd in de zoutpannen, zowel in Noord- als Zuid-Bonaire.
Degenen die in de zoutpannen bij het Pekelmeer werkten,
moesten
wekelijks te voet de grote afstand tussen woon- en werkgebied
afleggen. Om verbetering te brengen in deze toestand werd
omstreeks
1850 een nieuwe vestigingsplaats voor de zoutslaven aangewezen:
het
tegenwoordige dorp Tera
Corá, ten zuiden van Kralendijk.
Verschillende
schrijvers noemen Rincon wel het enige ‘echte’ dorp van de
Nederlandse Antilllen, omdat het, in tegenstelling tot de meeste
andere landelijke nederzettingen, een duidelijke kern en
komvorming
vertoont. Naast kerk en lagere scholen heeft het plaatsje in
verband
met de grote afstand tot Kralendijk onder meer een
hulp-bestuurskantoor, politiepost en postkantoor. Nikiboco en Tera Corá groeiden
langzamerhand aaneen met Kralendijk. In 1981 bedroeg hun
inwonertal
2.269 personen.
Bonaire Hoofdstuk 3
- Sectie
4: Bestuur
De bepalingen betreffende het bestuur
van
Aruba en Curaçao gelden in het algemeen ook voor Bonaire,
behoudens
enkele afwijkingen: de Eilandsraad bestaat uit zeven leden en
kan
bij eilandsverordening op negen gesteld worden; het Bestuurscollege bestaat
uit
de gezaghebber en twee gedeputeerden, bijgestaan door de
secretaris.
Bonaire probeert de laatste tijd in politiek opzicht een meer
onafhankelijke positie in te nemen. Zij heeft wel gekozen om in
Antilliaans verband te blijven na uittreding van Aruba. Bonaire
heeft ook haar eigen vlag.
Bonaire
Hoofdstuk 4:
Economische activiteiten
Bonaire heeft een zeer afhankelijke
economie. Niet alleen voor wat betreft de afzet en grondstoffen,
maar ook voor wat betreft kapitaal. De belangrijkste bedrijven
met
name in de stuwende sectoren zijn in handen van
niet-Bonairianen.
Naast kapitaalgroepen uit Curaçao en Aruba domineren hier vooral
Amerikaanse, Venezolaanse en Nederlandse belangen.
Bonaire
Hoofdstuk 4
- Sectie
5 Landbouw, veeteelt en visserij
Paragraaf 1: Akkerbouw
Klimaat en bodemgesteldheid stellen zeer
nauwe grenzen aan de akkerbouw op Bonaire, zowel wat betreft de
omvang van het areaal als de keuze der gewassen. Het meest
verbouwd
wordt de zogenaamde kleine maïs (sorghum), en zelfs van
dit
zo weinig eisen stellende gewas kan door droogte niet ieder jaar
in
voldoende mate worden geoogst. De droogte veroorzaakt ook vrij
sterke fluctuaties in de omvang van het beplante areaal: na
jaren
met meer neerslag neemt dit toe, na drogere jaren neemt dit af.
De
maïsbouw geschiedt voornamelijk op de kleine kunuku’s, welke vooral
gelegen zijn in Midden-Bonaire, onder andere rondom Nikiboko en Antriol en langs de
oostrand van het kalksteenterras aldaar, alsmede op de
betrekkelijk
vruchtbare gronden van Rincon.
Paragraaf 2: Aloë
Van de eens zo belangrijke aloëteelt is
tegenwoordig weinig meer over. Sedert 1973 wordt dit produkt ook
niet meer uitgevoerd. De nog veelvuldig voorkomende
dividivi-boom
heeft op Bonaire evenals op de andere Benedenwindse Eilanden
zijn
betekenis als leverancier van peulen verloren. Hofjes zoals op
Curaçao, waar groenten en fruit voor de verkoop worden verbouwd,
vindt men op Bonaire vrijwel niet. Van de vroegere fruitteelt
bij
Fontein is niets meer over; slechts op de overheidsplantage
Ambwana
/ Aruba in de nabijheid van Kralendijk en de iets meer naar het
noorden gelegen Santa Barbara vindt enige ,teelt van groenten en
vruchten op commerciële basis plaats.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
3: Veeteelt
Op het extensieve karakter van de
veeteelt
werd reeds gewezen; de loslopende geiten en schapen vormen niet
alleen een probleem voor de reeds schaarse vegetatie, maar ook
een
last op de openbare weg en in de bebouwde kom.
De omvang van de veestapel is ook
afhankelijk van de neerslag. In droge jaren krimpt deze vaak
aanzienlijk in. Uit deze beschrijving blijkt dat de landbouw en
veeteelt nog voornamelijk in de traditionele sfeer beoefend
worden.
De Dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.) tracht via
voorlichting, onderzoek, opzet van coöperaties, aanleg en
onderhoud
van dammen en materiële steun de landbouw en veeteelt op een
hoger
peil te krijgen. Zij beheert voor dit doel de plantage Ambwana /
Aruba. Door het lage rendement en vooral de onzekere inkomsten
van
de landbouw is men er tot nu toe niet in geslaagd de lokale
markt te
voorzien van de basis behoeften van groenten, fruit en kleinvee.
Het
reeds genoemde tekort aan neerslag wordt in belangrijke mate
verergerd door de steeds verder toenemende verzilting van het
grondwater. In 1978 wees een onderzoek naar de kwaliteit van het
water in de 43 op Bonaire voorkomende putten en bronnen dat
slechts
7 voldoende zoet water bevatten voor landbouwdoeleinden. Door
het
recentelijk uitgraven van een grote geul ten behoeve van een
jachthaven voor een nieuw hotelpraject (Flamingo Paradise) even
ten
noorden van het vliegveld heeft het zoute zeewater ook kans
gekregen
verder in het omringende gebied door te dringen.
In het geheel van de sociaal-economische
structuur van Bonaire nemen landbouw en visserij een bijzonder
kleine plaats in. Was bij de volkstelling in 1960 nog 15% van de
bevolking werkzaam in deze sectoren, in 1981 bleek dat slechts
0,5%
van de werkende bevolking hierin haar dagelijkse brood
verdiende.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
4: Visserij
De visserij wordt op Bonaire zowel voor
de
lokale behoefte als voor uitvoer naar Curaçao bedreven. Dit
bestaansmiddel is nog ruimschoots voor uitbreiding vatbaar en de
eilandsoverheid tracht deze onder andere te bevorderen door het
verstrekken van voorschotten voor de aankoop van boten en
motoren.
Van een moderne en goed georganiseerde aanpak is voorlopig nog
geen
sprake. Het in 1981 gestarte karko-project belooft
een
belangrijke bijdrage te leveren aan de karko-visserij. Het
project
is echter ook uit wetenschappelijk oogpunt en met name voor de
instandhouding van de karko zelf van belang.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
5: Zoutwinning
De Antilles
International Salt Cy (A.I.S.C.O.), een
dochter
van het AKZO-concern,
is
in 1966 opgericht. Dit bedrijf richt zich op de produktie van
zout
uit zeewater volgens het natuurlijk proces van indamping. Het
bedrijf heeft hiervoor een terrein van 3.587 ha in het zuidelijk
gedeelte van Bonaire, waar van oudsher zout gewonnen wordt. Het
is
een modern ingericht bedrijf met een lopende-bandsysteem voor
het
transport van zout en een verlaadpier. Gedurende 1981 werd
216.701
ton zout geoogst terwijl de export 252.790 ton bedroeg. Hierdoor
is
de zoutwinning wederom een belangrijke pijler geworden van de
Bonairiaanse economie. Hoewel men er tot nu toe redelijk in
geslaagd
is de schade aan het milieu zodanig te beperken dat met name de
flamingo-populatie geen onoverkomelijke hinder ondervindt van de
zoutexploitatie, is het toch van groot belang om steeds hoge
eisen
te blijven stellen met betrekking tot het milieu. Het is echter
wel
zo dat de flamingokolonie van het Pekelmeer welke door de
zoutwinningsactiviteiten te weinig zout ging bevatten, gedwongen
werd naar een iets noordelijker gelegen zoutmeer te
verhuizen.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
6: Industrie
De industriesector is op Bonaire slechts
zeer matig ontwikkeld. Naast de water- en energieproduktie is
slechts de textiel produktie van enige betekenis. In 1981 was
slechts 4.5% van de economisch actieve bevolking werkzaam in de
industrie. De textielfabriek Texport
N.V. legt zich vooral toe op de produktie van
uniformen en bedrijfskleding en richt zich voornamelijk op de
lokale
markt met name van Curaçao en Aruba. Haar winkels dragen de naam
van
de voormalige onderneming: Cambes. De fabriek telt
in
1983 een 80-tal werknemers, overwegend vrouwen. Haar nieuwe
afdeling, Unitex, is
in
1984 begonnen met de produktie van anderssoortige kleding zoals
overhemden, dameskleding en dergelijke. Deze industrietak is van
belang voor Bonaire, met name voor de werkgelegenheid.
Sedert 1962 beschikt Bonaire over een
waterdistillatie-inrichting waardoor het gehele eiland van
leidingwater voorzien kan worden. Door technische problemen en
tekort aan investeringen in het bedrijf functioneert de
watervoorziening echter nog steeds niet bevredigend. De
elektriciteits-voorziening wordt in combinatie met het
waterbedrijf
verzorgd door het W.E.B.: Water
en
Elektriciteitsbedrijf.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
7: Olieterminal
@: Bonaire: olieterminal / @: Bonaire
oilterminal
De Bonaire
Petroleum Corporation N.V. (Bopec), een
gezamenlijke dochter van Northville
Industries Inc. en Paktank (Rotterdam) is
in
1975 gestart met haar activiteiten als olie-op- en
-overslagstation,
een zo genoemde olieterminal. Zij ontvangt olie uit supertankers
(V.L.C.C.’s en U.L.C.C's: Very
Large
c.q. Ultra Large Crude Carriers) en laadt
deze
weer over in kleine tankers met als hoofdbestemming de oost- en
zuidkust van de V.S. Dit bedrijf is aan zee gevestigd ten westen
van
het Goto-meer. Bonaire is als vestigingsplaats gekozen vanwege
haar
gunstige ligging, het diepe water, de ligging buiten de
orkaanzone
en het, voor de investeerders gunstige, politieke klimaat. Het
bedrijf kan schepen tot 500.000 dwt behandelen en heeft een
opslagcapaciteit van ruim 9 miljoen vaten verdeeld over 20
tanks.
Samen met haar dochter, de Bonaire
Marine Services N.V. (Bomas) die de zorg
heeft
over de sleepboten, had deze olieterminal 242 man in dienst in
1981
en levert aldus een belangrijk aandeel in de werkgelegenheid.
Het is
echter vooral een kapitaalintensief bedrijf met naar verhouding
weinig werknemers.
Bonaire
Hoofdstuk 4;
Sectie 5 - Paragraaf
8: Toerisme

Het toerisme beweegt zich ondanks een
aantal
tegenslagen in stijgende lijn. Ter wille van het toerisme heeft
men
op Bonaire een aantal wegen aangelegd, waardoor fraaie of
karakteristieke hoekjes van het eiland werden ontsloten. Zo kwam
langs de westkust een schilderachtige weg naar het Goto-meer tot
stand, legde men bij Kibrá di
Montaña op ca. 125 meter hoogte een circuit
aan
vanwaar men een bijzonder mooi uitzicht heeft op een groot deel
van
Bonaire en is in 1968 een weg voltooid van Kralendijk langs de
kust
naar Sorobon, de
zogenaamde ‘weg om de zuid’. Deze weg geeft de bezoeker van het
eiland volop gelegenheid kennis te maken met dit typische
landschap
van zoutpannen en flamingo’s, met zijn herinneringen uit het
verleden in de vorm van slavenhutjes, vervallen zoutmagazijnen
en
kleurige pyramiden die eertijds als bakens dienden voor de
zoutschepen, alsmede de moderne installaties van de
zoutonderneming.
Het wegennet is hierdoor goed ontwikkeld. Ook de toename van het
aantal hotelkamers en de betere bereikbaarheid via het
luchtverkeer
hebben sterk bijgedragen tot de ontwikkeling van het toerisme.
Het
vliegveld de Flamingo Airport
heeft in het kader van de bevordering van het
toerisme belangrijke uitbreiding ondergaan waardoor het in staat
is
directe vluchten uit het buitenland te ontvangen.
Het cruise-toerisme heeft zich nog niet
zo
sterk kunnen ontwikkelen. Dit is voornamelijk te wijten aan de
minder uitgebreide mogelijkheden voor het kooptoerisme en de
concurrentie van de andere eilanden. De in 1973 gebouwde
havenpier
waar de grootste toeristenschepen ter wereld aan kunnen leggen,
heeft de mogelijkheden voor het cruisetoerisme sterk uitgebreid.
Het duiktoerisme is de meest belovende
tak
van het toerisme op het eiland. Bonaire wordt beschouwd als een
van
de top-duikbestemmingen in de wereld en de markt van duikers in
de
V.S. is zeer groot. De jaarlijks terugkerende zeilregatta oefent
een
enorme aantrekkingskracht uit op liefhebbers van de zeilsport.
Het
toerisme kent echter ook haar problemen. Behalve de afwisseling
tussen hoog- en laagseizoen kunnen crisisperioden een gevoelige
slag
betekenen. De financiële en economische moeilijkheden in
Venezuela
(1983) hebben bijvoorbeeld ongetwijfeld het beeld van het
Venezolaanse toerisme naar Bonaire beinvloed.
Bonaire
Hoofdstuk
5: Communicatie en transport
In 1963 koos de Trans World Radio, een
op
godsdienstige grondslag werkende Amerikaanse onderneming,
Bonaire
als plaats voor de bouw van haar studio’s en zenderpark. Kort
daarna
besloot ook Radio Nederland
Wereldomroep tot vestiging van een
relaystation
op dit eiland. Hierdoor beschikt Bonaire thans over een aantal
van
de sterkste korte- en middengolfzenders ter wereld. Deze zenders
geven de mogelijkheid tot culturele beïnvloeding en overdracht
voornamelijk vanuit Noord-Amerika en Nederland. Bonaire kent ook
een
eigen lokaal radiostation, de Voz di
Boneiru. Het telefoonverkeer is in een N.V.
ondergebracht: Telbo
N.V.
Het radioverkeer is in handen van de L.R.D. (Lands Radio
Dienst).
Bonaire
Hoofdstuk
6: Natuurbeheer
Zowel uit ecologisch als uit toeristisch
oogpunt is het natuurbeheer van groot belang. Het natuurpark
Nationaal Park
Washington/Slagbaai
in het noordwesten beslaat een aanzienlijk deel
van
het eiland. In het Goto-meer vinden wij een flamingo-reservaat.
Het
Nationaal Park trok in 1981 meer dan 10.000 bezoekers. Voorts is
er
een flamingo-reservaat in het zoutpannengebied en een
uitgestrekt
onderwaterpark langs de gehele kust ter behoud van het rif. De
Stinapa vervult bij het natuurbehoud een belangrijke rol. Men
heeft
ook een aanvang gemaakt met de zo belangrijke
natuurbeschermingseducatie op de verschillende scholen.
Bonaire
Hoofdstuk
7: Literatuur
Literatuur:
- Jaarverslagen Eilandgebied Bonaire;
- J.H. Westermann en J.I.S.
Zonneveld,
Photogeological observations and landcapability and land-use
survey of the island of Bonaire (1956);
- Tweede algemene volks- en
woningtelling
Nederlandse Antillen 1981 (Serie B);
- Bedrijven enquete 1982, van:
Interdepartementale Werkgroep voor sociaal- en
financieel-economische vraagstukken.
- Voor overige literatuur zie
literatuur
bij Nederlandse Antillen: Benedenwindse Eilanden.
Bonaire
Hoofdtsuk
8: Referenties
(Zie verder @: Archeologie; @:
Eilandenregeling; @: Geologie; @: Geschiedenis van de
Nederlandse
Antillen).
@: Bonaire Marine Services N.V. (Bomas)
zie @: Bonaire: olieterminal. /
@:
Bonaire oilterminal.
@: Bonaire Petroleum Corporation N. V.
(Bopec)
zie @: Bonaire: olieterminal. /
@:
Bonaire oilterminal.
@: Bonaire Weekly
zie @: Pers.
@: Bonchi
Onder de verzamelnaam bonchi worden in de
Nederlandse AntiIIen vele tropische bonensoorten aangeduid, die
als
droogte-resistente erfgewassen en in groentetuinen worden
geteeld.
Algemeen bekend zijn de volgende soorten: bonchi wowo pretu,
bonofe
of hyacinth bean
(Dolichos lablab); bonchi lima of lima bean (Phaseolus
lunatus); bonchi koni largu
(Phaseolus vulgaris); bonchi yangado, black eye
pea of cow
pea
(Vigna unguiculata) wordt op de A.B.C.-eilanden
voor
menselijke consumptie benut en als groenvoer voor het vee; bonchi kousebant of
yard bean
(Vigna
unguiculata var. sesquipedalis), waarvan de onrijpe 90 cm lange
peulen als groente gekookt worden gegeten; bonchi oyada, jack bean
of
sword bean (Canavalia
ensiformis), een windend kruid met eetbare peulen en zaden, dat
op
Curaçao veel voorkomt.
@: Bonchi di kabai
(Erythrina velutina) of bonch’i kabai, bonchi di karta,
bonchi
di palu, plantesoort uit de familie der
Fabaceae.
Boom met kegelvormige stekels op starn en takken; bladeren
langgesteeld, 3-tallig met grote, ruitvormige blaadjes; bloemen
in
een tros; een kroonblad zeer sterk ontwikkeld en oranje, de
overige
4 kroonbladeren klein, bruinig; kelk scheurt aan een zijde open;
peul lang met rode zaden. Tamelijk zeldzaam. Benedenwindse
Eilanden.
@: Bonefish
(Albula vulpes) banana of hèrmanchi, is
vooral in de binnenbaaien een der meest voorkomende witvissen.
Lengte meestal tot 75 cm. De glasaalachtige larven zijn soms in
grote aantallen in zoete delen van de binnenbaaien te vinden.
Zij
eten vooral schelpdieren, krabben en garnalen. Wegens hun
snelheid
en springcapaciteiten zijn ze geliefd als sportvis, hoewel hun
vlees
van geen waarde is vanwege de vele graten.
@: Booi, Hubert
(Bonaire 25 juli 1919) heeft
voornamelijk
bekendheid verkregen door zijn Papiamentse poëzie (zie @:
Letterkunde in de Nederlandse Antillen). De tekst van het
Bonairiaanse volkslied is van zijn hand.
Werken:
- Golgotha, drama religioso (Tres
piesa
di teatro, Antilliaanse Cahiers, V, 1967, 4);
- Muchila (1969).
@: Bordewijk, Hugo Willem Constantijn
(‘s-Gravenhage 15 december
1879-¬Groningen 4
januari 1939) promoveer¬de na studie te Leiden op proefschrift:
Rechtspersoonlijkheid der Nederland¬sche koloniën. Schreef
historische wer¬ken over het staatsrecht van Curaçao, werkte mee
aan
de Encyclopaedie van Ned. West-Indië en maakte deel uit van een
commissie tot herziening van de West-Indische
regeringsreglementen.
Wrk.: Handelingen over de reglementen op
het
be¬leid der regering in de koloniën Suriname en Curaçao (1914);
Ontstaan en ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao
(1911).
@: Bosch, graaf Johannes van den
(Herwijnen 2 februari 1780-
‘s-Graven¬hage
28 januari 1844)
Nederlands staatsman en filantroop. Werd
na
een militaire carriëre in Nederlands-Indië en Nederland in 1827
als
commissaris-ge¬neraal voor de Nederlandse West-Indi¬sche
bezittingen
naar Suriname en de Nederlandse Antillen gezonden ter
be¬hartiging
van ‘de groote aangelegenhe¬den van het bestuur der koloniën ...
in
verband tot de handel en nijverheid van het moederland’.
Ontwierp in
1828 on¬der meer een ‘Reglement op het beleid der regeering van
de
Nederlands West-Indi¬sche Bezittingen’, waarbij een eenhoof¬dig
bestuur over de West-Indische kolo¬niën werd ingesteld dat door
behoefte aan bezuiniging was ingegeven. Hij ver¬eenvoudigde
verder
de Curaçaosche han¬delswetgeving en stichtte de eerste cen¬trale
bank in de Nederlandse Antillen, de Curaçaosche Bank (zie Bank-,
Geld¬en Kredietwezen), om onder andere de verstrekking van
handelskredieten te vergemakkelijken. Was later onder meer
gouverneur-generaal en commis¬saris-generaal van Nederlands
Oost-¬Indië, en minister van Koloniën. (Zie ook
Bestuursregeling:
geschiedenis.)
Wrk.: Nederlandsche Bezittingen in Azie,
Amerika en Afrika, 2 din. met atlas (1818); B. de Gaay Fort¬man
(ed.), Brieven van de Commissaris-Generaal voor de Nederlandse
West-Indische bezittingen J. van den Bosch aan den Minister voor
de
marine en koloniën (1827-1829), Bijdragen en Mededelingen van
het
Historisch Genootschap 51 (1930), p. 189-335.
Lit.: Th. P. M. de Jong, De krimpende
horizon van de Hollandse kooplieden: Hollands welvaren in het
Caribisch Zeegebied 1780-1830 (1966); J. J. van Soest, Trustee
of
the Netherlands Antilles, a histo¬ry of money, banking and
economy,
with special reference to the central Bank van de Nederlandse
Amillen 1828-February 1978 (1978); J. J. Westen¬dorp Boerma, Een
geestdriftig Nederlander, J. v.d. Bosch (1950).
@: Boskaljon, Johannes Petrus (Janchi)
(Curaçao 17 april 1863-5 maart 1936) was
behalve beroepsmilitair ook nog componist en dirigent. Hoewel
autodi¬dact wist hij zich, gedreven door zijn liefde voor de
muziek,
toch grote be¬kwaamheid te veroveren. Was kapel¬meester van het
garnizoen en oprichter van het harmoniekorps ‘Santa Cecilia’. Na
zijn dood is een bedrag bijeenge¬bracht waardoor op het
Brionplein
een muziekpaviljoen kon worden opgericht, dat inmiddels voor het
verkeer heeft moeten wijken. In het Curaçaosch Mu¬seum bevindt
zich
nog de gedenkplaat: Ter nagedachtenis aan den Curaçao¬schen
musicus
J. P. Boskaljon heeft de bevolking van Curaçao dit monument
opgericht, anno 1936.
@: Boskaljon, Rudolf Frederik Willem
(‘Dodo’)
(Curaçao 28 maart 1887-1 januari 1970)
zoon
van Johannes Petrus, evenals zijn vader amateurmusicus,
dirigent,
instru¬mentalist en componist. Van huis uit vi¬olist bekwaamde
hij
zich door zelfstudie op de cello en verschillende
blaasinstru¬menten, hetgeen hem te stade kwam bij het opleiden
van
amateurs voor het door hem in 1939 opgerichte Curaçaosch
Philharmonisch Orkest, dat zijn levens¬werk werd nadat een in
1912
door hem opgericht gelijknamig orkest vijf jaar had bestaan. Hij
leidde en bezielde het C.P.O. gedurende 25 jaar, componeer¬de en
arrangeerde er vele werken voor, componeerde onder meer de
symphonie
‘Curaçao’ met thematisch materiaal ontleend aan Curaçaosche
volksliedjes, een orkestsuite en een cantate. Het C.P.O. bestaat
inmiddels niet meer. Was jarenlang voorzitter van de Curaçaosche
Kunstkring en bevorderde dat Curaçao pleisterplaats werd van
vele
inter¬nationale artiesten op hun Zuidameri¬kaanse tournees.
Wrk.: Honderd jaar muziekleven op
Curaçao
(1958).
@: Bottom, The / @: The Bottom
Hoofdplaats van *Saba (zie @:
Architec¬tuur).
@: Bougainvillea
zie @: Trinitaria.
@: Boulevard
zie @: Pers.
@: Boutique
zie @: Handel: binnenlandse
handel.
@: Bovenwindse Eilanden (bestuur)
Het dagelijks bestuur van de
Boven¬windse
Eilanden (*Saba, *St. Eustatius en *St. Maarten) werd tot 1
april
1983 uitgeoefend door het *bestuurscollege, dat aan enigszins
andere
bepalingen was onderworpen dan dat van de andere Ei¬landgebieden
(artt. 119-121 Erna; ver¬vallen bij P.B. 1983, no. 21). leder
der
drie kleine eilanden vormde een afde¬ling van het Eilandgebied,
met
een eigen afdeling van de Eilandsraad en een ei¬gen afdeling van
het
bestuurscollege. Bij Landsverordening van 11 februari 1983 (P.B.
1983, no. 20) - inwerking getreden per 1 april 1983 - tot
wijzi¬ging
van de Staatsregeling werd een splitsing van het Eilandgebied de
Bo¬venwindse Eilanden in drie afzonderlij¬ke eilandgebieden
Saba,
Sint Eustatius en Sint Maarten tot stand gebracht. Bij een
wijziging
van de Eilandenregeling opgenomen in P.B. 1983, no. 21, werd
eveneens per 1 april 1983 bepaald dat de eilandsraad van Sint
Maarten uit zeven leden bestaat (per 2 juli 1987 uit negen
leden) en
de eilandsraden van Saba en Sint Eustatius elk uit vijf leden.
Het
be¬stuurscollege van ieder eilandgebied be¬staat uit de
gezaghebber
en twee gede¬puteerden. De benaming administrateur is komen te
vervallen.
@: Brakkeput
(Brakapoti), uiteengevallen Curaçaosche
plantage nabij het Spaanse Water. Van de drie hierop staande
landhuizen heeft het best bewaarde, Brakkeput-Abou (be¬neden),
van
18de-eeuws karakter voor zover oud, een hoger T-vormig gedeelte
tussen voluut- en puntgevels met lagere stukken in de hoeken.
Brakkeput-Ariba (boven) en Brakkeput¬
Mei-Mei (midden), sterk gemoderni¬seerd, tonen eveneens
varianten op
het gangbare type. Brakkeput-Ariba huis¬vest de technische
school
Jan Ruimers terwijl in Brakkeput-Mei-Mei een club¬gebouw voor
Shell-employes gevestigd is bij de jachthaven.
@: Brandaris
Hoogste top van Bonaire, gelegen in het
noordelijk deel van het eiland in het Na¬tionaal Park
Washington/Slagbaai. De 240,8 m hoge heuvel bestaat uit
resisten¬te
gesteenten van vulkanische oor¬sprong (Zie Geologie.)
@: Brandweer
Organisatie belast met het voorkomen,
beperken, bestrijden van brand, het be¬perken van brandgevaar,
het
voorko¬men en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen
daarmede verband houdt.
Op de Nederlandse Antillen is de zorg
voor
de Brandweer en het toezicht op al hetgeen brandgevaar zou
kunnen
ople¬veren opgedragen aan de respectievelij¬ke eilandgebieden
(artikel 1, lid 1 van de Overdrachtlandsverordening V:
Brand¬weer
P.B. 1952/81).
De eilandgebieden kunnen voor de
uit¬oefening van de op hen rustende taak als bedoeld in
voorgaande
alinea ge¬bruik maken van de diensten van het politieapparaat
van de
Nederlandse An¬tillen (art. 2 van genoemd P .B.). In ver¬band
hiermede werd in de Politierege¬ling 1962 vastgelegd: ‘De
Politie
heeft tot taak…… te zorgen voor de handha¬ving van de open bare
orde
en de be¬scherming van personen en goederen, alsmede de
brandbestrijding’.
Met de komst van de beroepsbrandweer op
verschillende eilandgebieden (Curaçao, Aruba en Bonaire) in de
jaren
‘70, geheel bestaande uit personen die in vaste eilandsdienst
bij de
brandweer werkzaam zijn, werd de Politieregeling 1962 in dier
voege
gewijzigd, dat de zorg voor de brandbestrijding uit het
ta¬kenpakket
van de politie werd gelicht (wijziging Politieregeling 1962 P.B.
1982/349) en aan de beroepsbrandweer van de respectievelijke
eilandgebieden opgedragen. De gezaghebber van ieder eilandgebied
is
het hoofd van de brandweer. In geval van brand berust bij hem
het
opperbe¬vel. Bij de beroepskorpsen is een brand¬weerofficier
belast
met de functie van Commandant van de Brandweer; daar waar de
politie
met de brandbestrijding belast is, is de plaatselijke
politiechef
aangewezen als commandant.
Teneinde aan de moderne richtlijnen van
de
*I.C.A.O. te kunnen voldoen, een internationale organisatie op
het
ge¬bied van de burgerluchtvaart, werd een goed geoutilleerde
luchthavenbrand¬weer in 1976 gerealiseerd door de bouw van een
moderne brandweerkazerne op de luchthaven.
@: Brant
is de verzamelnaam voor een zeer groot
aantal kleine, onopvallende grondel¬achtige bodemvissen,
merendeels
beho¬rend tot de gobies (fam. Gobiidae) en de blennies (fam.
Blenniidae). Men moet de brant niet verwisselen met de
*brant¬fes,
die veel groter wordt. Eén van de mooiste gobies is de neongoby
(Elaeati¬nus spec.), die een felle gele en blauwe streep van kop
tot
staart heeft lopen; zij zitten op bolvormige koralen en spon¬zen
en
zodra een grote vis hen opmerkt en hen benadert, springen ze op
zijn
kop en beginnen hem te ’poetsen’, zoals ook van een aantal
andere
vissen en gar¬nalen bekend is. Tot de blennies beho¬ren de
merkwaardige banner blennies (Emblemaria spec.), die smalle
holletjes in het koraal bewonen, waaruit ze tel¬kens met hun kop
tevoorschijn komen; als een mannetje een rivaal of een wijfje
ontdekt, komt hij verder naar buiten, spreidt zijn enorme zwarte
rugvin om¬hoog, en maakt dan de indruk meer dan dubbel zo groot
te
zijn als hij in feite is. De meeste brant-soorten komen in
ondiep
water voor, tot in de brandings¬zone zoals de pega
(Ophioblennius
at¬lantieus) of rocks kipper. Zij leven van kleine garnaaltjes,
enz.
Vele soorten zijn goed in het aquarium te houden.
@: Brantfes
Brandhorives of scorpionfish (familie
Scorpaenidae) is de naam voor een groep bodemvissen, die door
hun
grilli¬ge vorm en hun onregelmatige vlekken¬tekening als het
ware
wegvallen tegen de bodemgrond. Het zijn geweldige rovers die
verscholen wachten tot een vis dicht genoeg genaderd is om die
met
een snelle uitval in een hap te verzwelgen. In¬dien men ze
nadert,
houden ze zich lang onbeweeglijk stil. Grijpt men ze dan zullen
ze
met een snelle vlucht trachten te ontkomen. Indien men een prik
van
een van hun vele stekels oploopt is dat uitermate pijnlijk omdat
de
huidklieren een zeer giftig slijm afscheiden.
De naam brantfes moet niet verward
worden
met de naam *brant, die gege¬yen wordt aan een andere groep
bodem¬vissen, die veel kleiner, niet roofzuchtig en ook niet
giftig
zijn.
@: Brasía
(1) (Haematoxylon brasiletto) of
bra¬zil, kampeshi, logwood, stokvishout, plantesoort uit de
familie
der Caesalpi¬niaceae. Gedoornde, loofverliezende boom; starn
meestal
zeer grillig van vorm, met diepe overlangse groeven; blader en
veervormig samengesteld; bloemen geel, in korte trossen; peul
plat;
lichtbruin. Bloeit vooral tussen fe¬bruari en april na enige
regen.
De bloe¬men worden vaak verward met die van de *kibrahacha, die
slechts een paar da¬gen per jaar bloeit, maar brazil¬bloemen
zijn
kleiner en donkerder, en ze bloeien ook veel langer achtereen.
(2) Orgaan van de Universiteit van
de
Nederlandse Antillen.
@: Brazil
zie @: Brasia.
@: Brazilië
zie @: West-Indische Compagnie,
Eerste.
@: Bread fruit tree
(Artoearpus incisa) of palu di frut’i
pan,
plantesoort uit de familie der Moraceae. Melksap bevat¬tende,
hoge
boom, met grote, lang¬gesteelde, 3-9 delig ingesneden blade¬ren;
mannelijke bloemen in bolvormig hoofdje, dat door vlezig worden
van
bloemgestel met de schutblaadjes uit¬groeit tot een, tot 25 cm
lange, groene, vaak bolvormige schijnvrucht. Afkom¬stig uit
Oost-Indië, veel gekweekt in de tropen; in 1793 in West-Indië
ingevoerd op Jamaica en St. Vincent door de Pro¬vidence, nadat
een
eerste poging met de Bounty door de muiterij mislukt was; de
grote
zaden (frut’i pan) worden ge¬kookt en gegeten; het witte
vruchtvlees
gekookt als groente opgediend, maar ook geroosterd of in de soep
verwerkt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Brenneker, pater Paul Hubert Frans /
@:
Pater Brenneker
(Venlo 7 mei 1912) kenner van oudhe¬den,
volksgebruiken en volksgeloof heeft een indrukwekkend aantal
publi¬katies (± 70) op zijn naam staan (1945¬-1983). Bekend als
pionier van onderwa¬terfotografie heeft hij onder de
pseudo¬niemen
Paul/Frans van Venlo ook ge¬publiceerd: Vis met de vissen (1946,
1953); Met de camera op de zeebodem van Curaçao (1950) en
Papiamentse vis¬namen afgeleid van het Nederlands (1954).
Zie ook @: Drecha Kas, @: Kas pa nos
tur, @:
Pam pa mi ruman.
Wrk.: 60 conseho pa hendo casá (1946);
Volksge¬neeskunde Bonaire (1947); Curaçaoensia;-
folklo¬ristische
aantekeningen over Curaçao (1961); Pro¬verbio. Een duizendtal
spreekwoorden van de Ne¬derlandse Antillen, met Nederlandse
vertaling (1963); Sambumbu, 10 dln. (1969-1975); Kredo (1980);
Gedichten van een pater (1983).
@: Brievengat
zie @: Landhuizen.
@: Bringamosa
(1) (Cnidoseolus urens) Plantesoort
uit
de familie der Euphorbiaceae. Krui¬dachtige, vaak hoge plant, op
alle delen voorzien van stekelvormige brandha¬ren; bladeren
langgesteeld, 5-lobbig tot 5-delig; bloemen in schermachtige,
dik
vertakte trossen, helder wit. Eenslach¬tig; vrucht met 3 zaden.
Vrij
algemeen onkruid. Benedenwindse Eilanden. (Zie ook:
Geneeskrachtige
kruiden en giftige planten.)
(2) Woonwijk ten oosten van Santa
Cruz
(Aruba).
(3) Welzijnsstichting voor
Antillianen
in Groningen en omstreken (zie Antilli¬aanse Organisaties in
Nederland).
@: Brion, Luis / @: Luis Brion
Eigenlijk: Brion, Philippus Lodovicus
(Curaçao 6 juli 1782 - 27 september 1821), telg uit een
bemiddelde
koop¬mansfamilie van Belgische huize. Staatsman, militair en
zakenman heeft door zijn persoonlijke inzet en fortuin de
vrijheidsstrijd van * Simon Bolivar mogelijk gemaakt. Ook de
bijdrage van Brion als militair mag niet worden on¬derschat:
organisator van de vloot van Groot Colombia, opgebouwd uit
voor¬namelijk zijn eigen schepen. Als de eer¬ste admiraal van
Groot
Colombia en kapitein-generaal van het leger heeft hij knappe
staaltjes van militair inzicht, vernuft en doortastendheid
geleverd
om de veldtochten van Bolivar en zijn gene¬raals op het land
mogelijk te maken (de blokkade van verschillende havens, de
zeeslag
op de Orinoco, de bezetting van Carthagena). Ook de zgn.
Expedities
van Cayes zijn mogelijk geweest dank zij de invloed die Brion
had in
Haïti waar hij zakelijk bindingen had.
Brion had op zeer jeugdige leeftijd,
tij¬dens zijn stage in Nederland bij de fir¬ma Turri & Co te
Amsterdam, die zijn vader op Curaçao vertegenwoordigde, al met
roem
deelgenomen aan een veld¬tocht in Noord-Holland met de
Bataafsche
Jagers (1799). Terug op Curaçao werd hij kapitein der Schutterij
en
com¬mandant van Fort Beekenburg aan de Caracasbaai. In de slag
bij
de Kabrie¬ten berg versloeg hij de Engelsen, die on¬der Murray
Curaçao wilden bezetten. Het jaar daarvoor was hij de moeilijk
toegankelijke St. Jorisbaai binnengeva¬ren, daarmee de Engelsen
verschalkend die de zuidkust hadden geblokkeerd. Zijn zakelijke
relaties met Venezuela brachten hem in contact met Bolivar en de
vrijheidsstrijders tegen Spanje. Ten onrechte heeft men wel eens
gemeend dat zucht naar avontuur of naar finan¬cieel gewin Brion
ertoe gedreven heeft zich in de vrijheidsstrijd van Venezuela te
storten. Brion heeft, en dit is thans aan de hand van geschreven
documen¬ten (bronnenonderzoek) komen vast te staan, de vrijheid
willen dienen, de vrij¬heid van de mens, allereerst in
Neder¬land,
nadien op zijn geboorte-eiland en, later, in heel het Caribisch
Bekken en in Venezuela en Colombia. Door het on¬baatzuchtig
ondersteunen van de zaak der vrijheid had hij zijn hele vermogen
verloren. Na een conflict met Bolivar is hij ziek en ontgoocheld
in
august us 1821 teruggekeerd naar Curaao waar hij een maand
nadien
overleed.
Nadat hij een zestigtal jaren op Curaçao
begraven is geweest, is zijn stoffelijk overschot, op verzoek
van de
Venezo¬laanse overheid, naar Caracas overge¬bracht en daar
bijgezet
in het Panteon Nacional. Op het Vrijheidsmonument (1956) aan de
Avenida de los Proceres, te Caracas, zijn Luis Brion (admiraal)
en
Manuel *Piar (generaal) de twee eni¬ge niet-geboren Venezolanen
die
daar staan afgebeeld. In Willemstad staat op het plein dat zijn
naam
draagt - in de volksmond Awasá - een standbeeld van Brion,
ontworpen
door de Italiaan¬se beeldhouwer Renzo Bianchini. In de tuin van
het
Curaçaosch Museum staan een bronzen borstbeeld van Brion
(ont¬werp
van * John de Pool) en een stand¬beeld van Brion in zittende
houding, ontworpen door Gabriëlle de St. Denis. Tijdens de
Tweede
Wereldoorlog heeft Bonaire Luis Brion geëerd door aan een
kazerne
zijn naam te geven. Venezuela heeft een oorlogsbodem en de
*ferry
naar hem genoemd. In 1984 is opgericht de stichting Pedro Luis
Brion
met het oogmerk zich in te spannen om Brion de plaats in de
geschiedenis te geven die hij verdient. (Zie ook Geschiedenis:
Nederlandse periode).
Lit.: M. Diaz Ugueto, Documentos del
Almirante Brion. 2 din. (1982); J. Hartog, Luis Brion, de
Admiraal-Financiër (1968). Hiervan is een verta¬ling in het
Spaans
verschenen van Luis H. Daal on¬der de titel: Biografia del
Almirante
Luis Brion (1983).
@: Brits-West-Indiërs
In verband met de onafhankelijkheid van
verschillende eilanden in het *Cari¬bisch gebied is deze
benaming
niet correct. Zij werd gebruikt voor de belang¬rijke groep
arbeiders, die, afkomstig van de toenmalige Britse eilanden,
door de
*Shell op Curaçao en de *Lago op Aruba werden aangetrokken. Een
grote groep vrouwelijk huishoudelijk perso¬neel werd ook uit de
bewoners van deze eilanden gerekruteerd. Gescheiden van de
arbeidersklasse op Aruba en Curaçao door sub-culturele en
godsdienstige verschillen en door de taalbarriëre is hun
assimilatie
aan de maatschappij lange tijd gering geweest. Hoewel zij
aanvankelijk vrij geïsoleerd van de lo¬kale bevolking leefden
(op
Aruba in The Village op *San Nicolas) hebben zij zich op Curaçao
zodanig weten te inte¬greren, dat de jongere generatie nage¬noeg
geheel is opgegaan in de samenle¬ving.
*St. Maarten kent vanaf de 1960ger
jaren,
door de ontwikkeling van de welvaart, ook een grote instroming
van
de omrin¬gende Engelssprekende eilanden.
@: Brouwers, Theodorus
(Rotterdam 1733- Verenigde Staten (?) 29
oktober 1790) eerste prefect der pa¬ters franciscanen die ‘de
missie
van Curaçao’ in 1776 overnamen. Vergezeld van twee franciscanen
kon
hij het apos¬tolaat op de drie Benedenwindse Eilan¬den opzetten.
Krachtig kwam hij op voor de mogelijkheid van een huwelijk voor
de
slaven. Wegens een conflict met het kerkbestuur over
woningtoestanden vertrok hij na tien jaar naar
Noord-¬Amerika.
@: Brouwerij N.V., Antilliaanse / @:
Antilliaanse Brouwerij N.V. / @: Amstel
Opgericht 2 April 1958 op Curaçao door
J.A.J. Sprock N.V. en de Amstel Brouwerij N.V. te Amsterdam.
Brou¬wen en bottelen geschiedt onder supervisie van Amstel
Brouwerij
N.V.; bier en malta worden geleverd onder het Amstelmerk; shandy
onder het merk Green Sands. De brouwerij besloeg oorspronkelijk
een
bebouwde oppervlakte van 2.920 m2. In de loop der jaren werd
totaal
voor 5.840 m2 bijgebouwd. In 1978 werd een nieuwe bottellijn in
gebruik genomen met een capaciteit van 40.000 flessen per uur.
De jaaromzet bedroeg in 1982 130.000 hl,
waarvan een gering deel export. In februari 1983 werd het feit
herdacht dat er 500 miljoen flessen bier waren gepro¬duceerd.
Midden
1983 had het bedrijf 135 werknemers in dienst. Gouden medailles
werden door het An¬tilliaanse Amstelbier verworven in juli 1960
op
het bierconcours Grand Prix de Paris 1960 voor brouwerijen
gelegen
op het Westelijk Halfrond; eveneens voor Amerikaanse bieren in
september 1961 in Brussel; voor brouwerijen over de ge¬hele
wereld
in oktober 1972 in Genève op het bierconcours 11e selection
Mon¬diale de la Bière.
@: Brúa / @: Brua
is een verzamelnaam voor alle mogelij¬ke
magische praktijken die de grenzen van het natuurlijke
overschrijden. Het woord is waarschijnlijk afgeleid van het
Spaanse
bruja (heks). Bij liefdesperi¬kelen of in tegenspoed wordt de
hulp
in¬geroepen van de hasidó di brúa, die er min of meer zijn
beroep
van maakt mensen in dergelijke omstandigheden te helpen. Hij
speculeert in feite op bijge¬loof of vrees van zijn medemensen,
die
in hem een persoon zien, die over occul¬te krachten beschikt om
ziekten te gene¬zen, welvaart of armoede te brengen, het hart
van de
beminde te winnen of zelfs een rechter tot mildheid te stem¬men.
Uiteraard laat de hasidó di brúa zich voor zijn consult goed
betalen. Ge¬luksmiddelen en liefdespoeders worden vaak
voorgeschreven. Tegen de mogelij¬ke kwade invloeden van de brúa
kan
men zich laten pantseren (jura) waarbij men dan een beschermende
amulet (kontra) meekrijgt.
Brúa wordt ook in verband gebracht met
de
armasol of almasola, een dienst¬knecht van de duivel (of
wellicht de
dui¬vel zelf). Deze bizarre vorm van contact met de
geesten-wereld
leeft nog. Zeer nauw verwant aan de brúa en dik¬wijls door één
en
dezelfde persoon in de praktijk gebracht is de genezing: de
ku¬rada,
die vergeleken kan worden met de Europese belezer, wordt
geconsulteerd om van hardnekkige ziekten bevrijd te worden (zie
Volksgeneeswijzen). Op de Bovenwindse Eilanden spreekt men van
faith-healing. De brúa wordt aangeduid met obeah. Opmerkelijk
is,
dat de prak¬tijken van de obeahman overeenko¬men met die op de
Benedenwindse Ei¬landen. Zo wordt bijvoorbeeld ter behoeding van
het
huis en zijn bewoners tegen obeah een black, barenecked, fizzle
hen
(zwarte kip met gedraaide ve¬ren en kale nek) op het erf
gehouden,
een gebruik, dat minder algemeen, ook op de Benedenwindse
Eilanden
voor¬komt (galiña plumá birá, garganta pelá (sunú) (zie ook
Montamentu).
Lit.: H. van Kol, Naar de Antillen en
Venezuela (1904); N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947,
1977); C. Streefkerk, Godsdienstige gebrui¬ken en opvattingen,
in:
Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977).
@: Bruggen
Inleiding
De eerste brug die Curaçao heeft
ge¬kend,
was de Van den Brandhofbrug, die op 7 juli 1883 het Jojo
Correaplein
verbond met Scharloo (Van den Brand¬hofstraat). De huidige
ophaalbrug ¬Koningin Wilhelminabrug - tussen I.H. ‘Sha’
Caprileskade
en Scharloo da¬teert van 1928. Voor voetgangers heeft zij sterk
aan
belang ingeboet, nu men bij de nieuwe markt naar Scharloo kan
oversteken, maar het autoverkeer die Punda uitrijdt heeft haar
nog
steeds dringend nodig en zijn is bovendien van grote historische
waar¬de. Ook op Otrobanda had men vroeger bruggen. In 1888 kwam
een
ijzeren brug gereed, die Molenplein met het Riffort verbond.
Deze is
in 1931 vervangen door een betonnen brug - iets ten oos¬ten van
Theater West-End - die ten prooi is gevallen aan de eisen van
het
toenemende autoverkeer. Een verbin¬ding tussen de Rifwaterstraat
en
het Rif kwam in 1906 tot stand door een hou¬ten, smalle brug,
die in
de volksmond Korta Grea werd genoemd. Een zelfde type brug
verbond
in 1910 Sabasteeg met het Rif. De naam Pasa kontrami (lett. ‘kom
mij
ontmoeten’) zinspeelt op het feit, dat zich daar menig
rendez¬vous
afspeelde.
@: Koningin Emmabrug / @: Emmabrug
De belangrijkste bruggen zijn de
Konin¬gin
Emmabrug en de Koningin Juliana¬brug. De Koningin Emmabrug, de
eerste drijvende draaibrug over de St. An¬nabaai, die de
stadsdelen
Punda en Otro¬banda verbindt, dateert van 8 mei 1888.
Aanvankelijk
was deze brug een parti¬culiere onderneming. De Amerikaanse
consul
L. B. Smith, die de brug had la¬ten bouwen, verkreeg een
concessie
voor 30 jaar. In 1901 kwam deze echter in handen van de
Curaçaosche
Handel Mij. Er werd tol geheven; degenen, die barrevoets de brug
overgingen, waren hiervan vrijgesteld. De draaibrug werd in 1930
door het gouvernement overge¬nomen, dat in 1934 het tolrecht
afschaf¬te. Nadat er in de loop der jaren ver¬schillende
reparaties
en veranderingen waren uitgevoerd, begon men in 1937 met de bouw
van
een geheel nieuwe brug. Dit werk kwam onder leiding van ir. G.
Schoorl in twee jaar gereed. Op 19 april 1939 is de huidige
schipbrug in gebruik genomen. Het beweegbare ge¬deelte ervan is
168
m lang. Het wegdek rust op 15 drijvende pontons. Op de
ui¬tersten
daarvan zijn twee krachtige scheepsmotoren geplaatst, zodat de
brug
binnen twee minuten open of dicht kan draaien. Daar het aantal
binnenva¬rende schepen groot is en het scheep¬vaartverkeer
voorrang
heeft, is de brug zeer vaak ‘fout’, zoals de uitdrukking in het
Curaaosch-Nederlands luidt. Voet¬gangers kunnen dan gebruik
maken
van de ‘Havendienst’, een pont, die de over¬steek van de St.
Annabaai verzorgt. Aangezien de brug gemiddeld 24 maal per dag
open
gedraaid wordt voor het scheepvaartverkeer en gemiddeld 20
mi¬nuten
open blijft, komt het erop neer, dat de brug ongeveer 8 uur per
etmaal voor het landverkeer gesloten is.
De Koningin Emmabrug, die be¬schouwd
wordt
als een handelsmerk van Curaçao, wordt - mede als toeristische
attractie - alleen voor voet¬gangers in stand gehouden. Op
hoogtij¬dagen wordt zij feeëriek verlicht.
@: Koningin Julianabrug / @:
Julianabrug
Reeds in de dertiger jaren werden
plan¬nen
gemaakt de draaibrug te vervangen door een tunnel of door een
(hoge)
vaste oeververbinding, waar de schepen zon¬der oponthoud
onderdoor
kunnen va¬ren. Deze plannen werden in verband met de hoge
bouwkosten
nimmer uitge¬voerd. Toen, dank zij financiële hulp van Nederland
en
het E.O.F. (Europees Ontwikkelingsfonds) de bouw van een vaste
oeververbinding mogelijk werd gemaakt, werd in 1960 aangevangen
met
het ontwerpen van een brug en het daarbij behorende wegennet.
Door
Rijkswaterstaat en Dienst Openbare Werken werd gekozen voor een
brugty¬pe bestaande uit een stalen kokervormi¬ge
portaalconstructie
met hooggelegen rijvloer en schuine poten. In 1962 werd
aangevangen
met de grondwerken en in 1964 begon men in Nederland met de
constructie van de brug, verdeeld in 50 secties, die per schip
naar
Curaçao wer¬den vervoerd. In 1966 waren de brug¬landhoofden
afgebouwd en werd aange¬vangen met de montage van de 25 sec¬ties
van
de oostelijke helft van de brug, die stuk voor stuk werden
aangebracht vanaf het oostelijke brughoofd. Toen de bouw van de
oostelijke brug¬helft haar voltooiïng naderde en men aanving met
het
aanbrengen van de 23ste sectie, brak op 6 november 1967 om 8 uur
in
de ochtend de verankerde ophanging van deze brughelft en stortte
de
brug met donderend geraas naar be¬neden. Hierbij kwam 1600 ton
staal
voor een deel terecht op het onderlig¬gende land en voor een
deel in
de Sint Annabaai, die hierdoor voor de helft werd versperd. Bij
deze
ramp verloren 15 brugbouwers het leven. Dank zij de grote
inspanningen van de loodsen kon de scheepvaart door de
gedeeltelijk
ver¬sperde Sint Annabaai gaande worden gehouden en hoefde de
haven
niet te worden gesloten.
Door een commissie van deskundigen werd
een
onderzaek ingesteld naar de oorzaak van de brugramp. Het bleek
dat
de ophanging van de brug aan het bruggehoofd, die bestond uit 4
groepen van 7 hoogwaardig stalen trekstaven, elk met een
breeksterkte van 90 ton, verankerd in een gewapend betonnen
verankeringsblok in de bruggehoofdbe¬dijking, was afgebroken
toen de
be¬lasting gemiddeld niet meer dan 20 ton per staaf bedroeg.
Diverse
mogelijke oorzaken van deze aanzienlijke vermin¬dering van de
breeksterkte werden op¬gegeven, onder andere het aanbrengen van
hechtlassen op de trekstaven toen zij werden ingebed, waardoor
de
mole¬culaire structuur van het staal plaatse¬lijk werd
gewijzigd.
Nadat in beide bruggehoofden een nieu¬we
verankering was aangebracht, werd in 1969 de montage van de brug
hervat. Deze keer werd aangevangen met de westelijke brughelft
aan
de Otrobanda¬zijde, gevolgd door hernieuwde monta¬ge van de
oostelijke helft. In 1972 was de brug afgebouwd. Hierna werd de
aanleg van de toevoerwegen afgerond, verlichting geïnstalleerd
en
werden vangrailconstructies aangebracht.
De brug werd op 2 maart 1974
open¬gesteld
voor het autoverkeer. Op Ko¬ninginnedag, 30 april 1974, werd de
Koningin Julianabrug door gezagheb¬ber A.E. Kibbelaar geopend.
Zij
bleek direct al aan een grote behoefte te vol¬doen. Er werden
per
dag 19.000 passe¬rende auto’s geteld. (Het aantal auto’s dat
gebruik
maakte van de oude pon¬tonbrug nam hierbij af van 12.000 tot
6.500
per dag.) In 1983 passeren 40.000 auto's per dag de vaste brug.
In verband met de opening van de
Ko¬ningin
Julianabrug werden de verplichte sluitingstijden van de Koningin
Emma¬brug afgeschaft en werd ertoe overge¬gaan deze brug
telkenmale
zo lang als nodig was open te draaien om de scheepvaart zonder
oponthoud de ha¬ven te laten in- en uitvaren. In augustus 1974
werd
de Koningin Emmabrug defi¬nitief gesloten voor het rijverkeer.
De lengte van de Koningin Julianabrug is
495
meter, de breedte 17 meter met twee rijbanen, elk verdeeld in
twee
rijstroken. De brugkoker is 7,5 meter breed en 3,5 meter hoog.
Het
gewicht aan staal bedraagt 3400 ton, aan verf 50 ton. De
grootste doorvaarthoogte (in het midden) is 55,8 meter boven de
wa¬terspiegel bij hoogwaterspringniveau. Deze doorvaarthoogte is
zo
groot dat er maar weinig schepen op de wereld zijn, die niet
onder
deze brug door kunnen varen.
Prince Bernhard Bridge, Sint Maarten.
In 1949 werd een nieuwe brug over de
Fresh
Pond gebouwd, die door Prins Bernhard op 25 januari 1950 werd
geopend. Van de brug, die nog steeds vol¬op in gebruik is, zijn
de
stenen muurtjes vervangen door een rood-wit geblokt
buizenstelsel,
onder andere ter bescher¬ming van de voetgangers.
John Sainsbury Lejuez Bridge, Sint
Maarten.
In 1970 werd de zandbank aan de
zuidzijde
van het Simpson Bay Lagoon doorgegraven om deze toegan¬kelijk te
maken voor jachten. Over dit kanaaltje werd een tweedehands
draai¬brug gebouwd. Hij werd vernoemd naar een Anguilliaan die
op
jeugdige leeftijd naar Sint Maarten kwam, zich in Simp¬son Bay
Village vestigde en beroemd werd als schoenerkapitein. De brug
ligt
op de weg naar het vliegveld. De snelle toename van het weg-
zowel
als het wa¬terverkeer maakt een nieuwe, grotere brug
noodzakelijk.
Een moderne op¬haalbrug uit Nederland zal in 1984 ge¬bouwd
worden.
@: Bruyn, Alphons de
(Ravenstein 1863-Curaçao 1901) pater
dominicaan, missionaris. Kwam in 1890 op Curaçao aan, waar hij
tien
jaren werkte. Bouwde een kerk op Westpunt, en legde naar deze
plaats
een weg aan (kaminda di pastor). Hij voerde de ‘zee¬wijding’
voor de
vissers in, en boorde putten aan.
@: Bruyn, Arnoldus de
(Waspik-Curaçao 1775) priester
missio¬naris.
Na universitaire studies werd hij door de pauselijk nuntius in
Brussel naar de Missie van Curaçao gezonden (1773). Hij droeg de
titel praefectus. Ten onrechte heeft men wel gemeend dat hij de
eerste prefect was. Dit was echter Caysedo, sinds 1715. Hij zou
twee
medearbeiders krijgen, doch er kwam slechts de dominicaan *
Jacobs.
@: Bubi
(Sula leucogaster) of booby, bruine
zeevogel
met witte borst en buik, die laag over de golven vliegt en onder
een
geringe hoek het wa¬ter induikt, meters verder weer opduikt en
meteen weer doorvliegt. Hij leeft van kleinere vissen en
inktvissen.
Rondom de Benedenwindse Eilanden is de soort niet algemeen; de
bruine bubi broedt misschien op de kleine eilandjes bij Sa¬ba en
St.
Maarten. Soortgelijke vogels zorgen grotendeels voor de enorme
gua¬noafzettingen die van Chili en Peru be¬kend zijn. Misschien
was
de eertijds op Klein Curaçao geëxploiteerde *guano van bubi’s
afkomstig.
@: Bubi chikitu
zie @: Meeuwen en Sterns.
@: Buchi Fil
Legendarische figuur uit de slaventijd,
die
nooit slaag zou hebben gehad, om¬dat niemand hem aankon. Hij is
de
ver¬zinnebeelding van waardig verzet van de slaven tegen
allerlei
regels waaraan zij gebonden waren. Volgens de overleve¬ring zou
hij
nooit een hoed gedragen hebben omdat hij liever de felle zon
ver¬droeg dan dat hij zijn onderdanigheid aan de *shon betoonde
door
zijn hoed af te nemen. Zijn geliefde in de verhalen ging door
het
leven Mosa Nena genaamd.
@: Bucuti
Deel van het langgestrekte koraalrif
voor de
zuidkust van Aruba, dicht bij de haven van Oranjestad, bekend
als
broedplaats van de rogans (pelikaan).
@: Buitengewone Raad van Advies
was een bij K.B. van 21 maart 1942 Stbl.
nr.
C.26, P.B. nr. 101, van 1942, te Londen ingestelde Raad van
Advies
tot bijstand van de regering. De raad bestond uit 13 leden, van
wie
een lid uit Suriname en een lid uit Curaçao. De raad had een
adviserende taak ten aan¬zien van ontwerp-besluiten waarin
alge¬meen
bindende regelingen werden vast¬gesteld, die verplichtingen en
verboden oplegden aan• Nederlanders of Neder¬landse onderdanen
en
dezulke welke nadere regelingen bevatten ten aanzien van door de
wet
gewaarborgde rechten van Nederlanders of Nederlandse
on¬derdanen.
Bij K.B. van 5 juni 1942 nr. 1 werd M. F. da Costa *Gomez
be¬noemd
tot lid van de raad. De raad is opgeheven bij K.B. van 21
september
1944 (Stbl. E 139) toen te verwachten was dat de regering zeer
binnenkort naar Nederland zou terugkeren.
@: Buitenlandse betrekkingen
Voor wat het Koninkrijk der Nederlan¬den
betreft behoren de buitenlandse be¬trekkingen krachtens art. 3,
lid
1, sub b, van het *Statuut tot aangelegenheden van het
Koninkrijk.
Zij worden mits¬dien in samenwerking van Nederland en de
Nederlandse
Antillen behartigd (art. 6 van het Statuut). Wanneer belangen
van de
Nederlandse Antillen in het bij¬zonder daarbij betrokken zijn,
worden de buitenlandse betrekkingen geacht de Nederlandse
Antillen
te raken (art. 11, lid 3 van het Statuut) dat wil zeggen dat de
*Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen te Den Haag
dan
deelneemt aan het overleg terzake in de vergaderingen van de
Raad
van Minis¬ters van het Koninkrijk (art. 10 van het Statuut).
In 1973 heeft de Regering van de
Neder¬landse Antillen een Bureau Buitenland¬se Betrekkingen
ingesteld (zie P .B. 1973, 18), dat ressorteert onder de
Mi¬nister
van Algemene Zaken tevens Minister-President van de Nederlandse
Antillen, en dat tot taak heeft alle aan¬gelegenheden
betreffende de
buiten¬landse betrekkingen te coördineren en advies uit te
brengen
aan de Centrale Regering. De correspondentie inzake buitenlandse
betrekkingen tussen de Nederlandse Re¬gering (meestal Ministerie
van
Buiten¬landse Zaken) en de Minister van Alge¬mene Zaken van de
Nederlandse Antil¬len verloopt via de Gevolmachtigde Mi¬nister
van
de Nederlandse Antillen te Den Haag. De betreffende stukken
wor¬den
door de Minister van Algemene Za¬ken gezonden naar het Bureau
Buiten¬landse Betrekkingen ter doorgeleiding naar de diverse
vakdepartementen en/of de overige Eilandgebieden.
Het Bureau Buitenlandse Betrekkingen
heeft
voorts de volgende taken:
- het behandelen van consulaire
aan¬gelegenheden en het contact met buiten¬landse
vertegenwoordigers
in de Neder¬landse Antillen;
- het onderhouden van betrekkingen
met
vertegenwoordigers van het Ko¬ninkrijk in het buitenland;
- de interdepartementale
coordinatie
van alle aangelegenheden betreffende buitenlandse betrekkingen,
in
het bij¬zonder zaken aangaande internationale overeenkomsten,
internationale organi¬saties en buitenlandse economie;
- de coordinatie van werkzaamheden
ten
aanzien van een Caribische samen¬werking;
- organisatie en uitvoering van
proto¬collaire aangelegenheden voorzover in verband met
buitenlandse
regeringsver¬tegenwoordigingen.
Meer in het algemeen kan met betrek¬king
tot
de rol van de Nederlandse An¬tillen bij de behartiging der
buitenland¬se betrekkingen het volgende worden gesteld.
Reeds vele jaren wordt een optimaal
ge¬bruik
nagestreefd van de mogelijkheden die de bestaande
Koninkrijksverhoudin¬gen bieden voor de inschakeling van de
Nederlandse Antillen bij het buiten¬lands beleid en de
buitenlandse
betrek¬kingen. De Nederlandse Antillen wor¬den bij de
totstandkoming
en uitvoering van het buitenlands beleid van het Ko¬ninkrijk,
waar
de eigen belangen dan wel hun positie als deel van het
Konink¬rijk
daarbij (mede) zijn betrokken, steeds in de meest ruime zin
ingescha¬keld, door middel van informatie, amb¬telijk of
ministerieel overleg, deelname in Koninkrijksdelegaties en
decisievor¬ming in de Rijksministerraad. Buiten¬landse
besprekingen,
onderhandelingen e.d. die in de eerste plaats voor de
Ne¬derlandse
Antillen van belang zijn, wor¬den veelal namens het Koninkrijk
ge¬voerd door delegaties die voor een be¬langrijk deel of zelfs
geheel door de Ne¬derlandse Antillen zijn afgevaardigd. De
eenheid
van het Koninkrijksbeleid wordt daarbij, waar nodig,
gewaar¬borgd,
door intern Koninkrijksoverleg over de na te streven doeleinden
en
de te volgen gedragslijnen, en met behulp van de
Koninkrijksvertegenwoordiging (am¬bassade) ter plaatse.
Antilliaanse Nederlanders die aan de
gestelde eisen voldoen, kunnen worden benoemd op diplomatieke en
consulaire posten in de buitenlandse dienst, vooral in landen
waar
de Nederlandse Antillen grote belangen hebben. Zo heeft de
An¬tilliaanse Regering een ambtenaar in de rang van
Gevolmachtigde
Minister op de Koninkrijksambassade te Washing¬ton en een
ambtenaar
in de rang van Eerste Ambassadesecretaris op de Per¬manente
Vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties te New York.
De attaché-opleiding, onder auspiciën
van
het Ministerie van Buitenlandse Za¬ken, leidt personen op tot
beroepsdiplo¬maat; verschillende Antillianen hebben reeds met
goed
gevolg het attaché¬examen afgelegd. Antillianen die op
ambassadeursniveau het Koninkrijk der Nederlanden hebben
vertegenwoordigd zijn mr. I. C. Debrot, oud-minister van
Cultuur,
Opvoeding en Volksgezond¬heid (1959-1962); M. P. Gorsira, eerste
gezaghebber van het eilandgebied Curaçao (1951-1968); dr. E.
Jonckheer, oud minister-president van de Nederlandse Antillen
(1954-1968) en oud-Gevol¬machtigde Minister. van de Nederlandse
Antillen (1968-1970). In 1979 werd E. G. Maduro,
oud-Gevolmachtigde
Minister van de Nederlandse Antillen (1975-1979) tot ambassadeur
van
Trini¬dad & Tobago benoemd.
De Ronde Tafel Conferentie, die van 7
tot en
met 12 maart 1983 te Den Haag werd gehouden heeft ten aanzien
van de
buitenlandse betrekkingen bij de verkrijging van de status
aparte
voor Aruba echter besloten, dat de hoofdlijnen van het
buitenlands
beleid binnen de marges van het Statuut tot aange¬legenheid van
de
Unie gerekend zullen worden (consensuspunt 22.7 RTC
83/17).
@: Buitenlandse schuld
Zie @: Overheidsschuld
@: Buladó
Zie @: Vliegende Vissen
@: Bulado di bénewater
(Dactylopterus volitans)of flying
gurnard.
Uit hun naam zou men opmaken dat zij een soort vliegen¬de vissen
zijn, maar zij zijn niet verwant met die groep en kunnen ook
niet
vlie¬gen of zweven, hun grote borstvinnen ten spijt. Het zijn
bodemdieren, die met hun vingerachtig aandoende buikvin¬stralen,
die
vol smaakpapillen zitten, de bodem naar iets eetbaars
aftasten.
@: Bullenbaai

Grote inham aan de zuidkust van Curaçao,
ongeveer halverwege het eiland, waar zij het smalst is; in
noordoostelijke richting voortgaande bereikt men na ongeveer 4
km de
noordkust. Aan deze baai bevindt zich een uitgestrekt tankpark
van
de Curaçao Oil Terminal
(C.O.T.). Hierdoor is de Bullenbaai de tweede
haven van Curaçao geworden (zie @: Curaçao Oil Terminal;
Havens).
@: Bull-fight
Op de Bovenwindse Eilanden de benaming
van
uitgelaten dansfestijnen, gewoonlijk op zaterdagavond gehouden.
De
originele bull-fights
komen na het einde van de 1960er jaren niet meer
voor. Zij werden gehouden op particuliere terreinen of erven en
de
organisatoren, die een bijzondere vergunning moesten aanvragen
voor
de verkoop van sterke drank, mobiliseerden hun netwerk van
vrienden
en kennissen om het feest te bezoeken.
@: Bulpés
(bullepees) werd vroeger gebruikt voor
lijfstraffen. Om zo’n bullepees werd soms een slurfje van touw
gebreid; deze werd dan een bulpes
furá (gevoerde bullepees) genoemd. Thans als
‘wapen’ gehanteerd om zich te verweren.
@: Bunitesa di jonkuman
(Cassia alata) of brigida, balor di
jonkuman,
plantesoort uit de familie der Fabaceae. Heester met lange,
veervormig samengestelde bladeren; blaadjes tot 16 cm lang, met
zeer
scheve voet; bloemen goudgeel, in rechtopstaande, eindelingse
trossen, met 7 fertiele en 3 steriele meeldraden; peul lang, met
vier vleugels. Afkomstig uit tropisch continentaal Amerika.
Gekweekt
op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Burgerlijke rechtsvordering
Per 1
mei
1869 trad met de ‘nieuwe wetgeving’ in
werking
het Wetboek van burgerlijke
rechtsvordering voor de kolonie Curaçao en
het
Reglement op de inrichting en
samenstelling van de rechterlijke macht in de
kolonie Curacao. Genoemd wetboek sloot, voorzover mogelijk was,
gezien de plaatselijke omstandigheden, aan bij het Nederlandse Wetboek. In
1919 leidden de ernstige bezwaren die het gevolg waren van de
rechterlijke organisatie in de plaatselijke omstandigheden, tot
ingrijpende wijzigingen in de rechterlijke organisatie, alsook
in de
procesvoering bij een nieuw reglement op de rechterlijke
organisatie
(K.B. 1918 nr. 72 P.B. 1918 nr. 61 in werking getreden 1
november
1919). Voor wat de procesvoering betreft is aansluiting gezocht
aan
de procesvoering voor de residentie-gerechten op Java en Madura,
zoals geregeld in het Reglement op
de
Rechtsvordering (N.I. Stbl. 1901 nr. 15). Het oude
wetboek werd inmiddels gehandhaafd naast de nieuwe Rechterlijke Organisatie
(R.O.), waarin een bepaling was opgenomen ter
voorkoming van tegenstrijdigheden. In 1927 kreeg het oud-lid van
het
Hof van Justitie, J. A. Schagen
van
Leeuwen, opdracht op de grondslagen van de
nieuwe
R.O. en het oude wetboek een geldende tekst samen te stellen.
Dit
heeft geleid tot het K.B. van 16 April 1931 nr. 50 (P.B. 1931
nr.
45) tot vaststelling van het huidige wetboek.
Essentie van het huidige wetboek, zoals
sedertdien gewijzigd: geen verplichte rechtsbijstand; alleen
pleiten
in appél door een advocaat; rechtsingang vangt aan met een
verzoekschrift; behandeling in beginsel mondeling. Daarnaast
erkent
de wet mogelijkheid van schriftelijke behandeling, hetgeen -
behoudens zeer eenvoudige gevallen - praktijk is geworden. Hoger
beroep wordt ingesteld door het afleggen van een daartoe
strekkende
verklaring ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, waar
desgewenst ook Memorie van
Grieven
en Memorie van
Antwoord, benevens vragen van pleidooi worden
ingediend. De griffier zendt ambtshalve de stukken aan het Hof.
Hoger beroep van vonnissen en beschikkingen, die aan het
eindvonnis
voorafgaan, kan slechts geschieden tegelijk met hoger beroep van
het
eindvonnis, behoudens vergunning van het Hof van Justitie.
Lit.: E. Monte, Antilliaans Procesrecht
(met
lit. aldaar; 1954).
@: Burgerlijke stand
- In het Papiamentu ook met Kranshi aangeduid - is
de
boekhouding van feiten omtrent de staat van personen.
Bevolkingsregisters van geboorten, huwelijken, echtscheidingen
en
overlijden worden plaatselijk door ambtenaren van de burgerlijke
stand bijgehouden, krachtens voorschriften in het Antilliaans
burgerlijk wetboek. Die registers zijn openbaar; één ieder kan
er
inzage van nemen en afschriften of uittreksels daarvan
verkrijgen.
Bij vele rechtshandelingen is overlegging van een dergelijk
bewijsmiddel voorgeschreven. (Zie ook @: Archieven).
@: Burgerlijk recht
Het burgerlijk recht is in hoofdzaak in
overeenstemming met het Nederlandse
Burgerlijk Wetboek geregeld in het Burgerlijk Wetboek van de
Nederlandse
Antillen dat is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 4 september
1868 nr. 18 (P.B. 1868 nr. 76). Sedertdien
zijn
daarin vele wijzigingen aangebracht, waarvan de belangrijkste
uit de
laatste tijd zijn: de aan het Nederlandse Wetboek ontleende
bepalingen omtrent het ontslag bij arbeidsovereenkomsten
(Landsverordening van de 25ste september 1961 nr. 171), de
nieuwe
regeling van het kinderrecht bij Landsverordening van de 21ste
februari 1966 (P.B. 1966 nr. 26), alsmede de opheffing van de
handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw (Landsverordening
van 7
mei 1975, P.B. 1975, nr. 70). Bij Landsbesluit van 7 maart 1983
werd
een commissie ingesteld die, mede in verband met de invoering
van
het Nieuw Burgerlijk Wetboek in Nederland, zal moeten
onderzoeken in
hoeverre het gecodificeerde materiële burgerlijke en
handelsrecht in
de Nederlandse Antillen vernieuwing behoort te ondergaan.
Literatuur:
- B. de Gaay Fortman, ‘Het Burgerlijk
Wetboek in Suriname en Curaçao’, in: Gedenkboek Burgerlijk
Wetboek 1838-1938;
- W.Ch. de la Try Ellis,
Civielrechtelijke Beschouwingen, in: Oranje en de zes
Caraïbische Parelen (1948); Gedenkboek ‘Honderd Jaar
Codificatie
in de Nederlandse Antillen’ (1969).
@: Burgers
In de 18de en 19de eeuw behoorden de
vrije
neger en mulat niet tot de burgerij, wel echter de mesties die, hoewel ook
van
gemengde afkomst, vanwege zijn somatische gelijkenis met de
blanke,
als burger werd getolereerd (zie @: Slavernij).
@: Buriku
Ezel, werd door de Spanjaarden uit
Zuid-Europa ingevoerd. Tegen het einde van de 18de eeuw liepen
er
grote kudden half verwilderde ezels rond op Bonaire, Aruba en
Curaçao. De ezels werden tot voor kort door de
plattelandsbevolking
als last- en rijdier gebruikt.
@: Bursalen
zie @: Studiebeurzen.
@: Bursalen, Centraal Bureau Toezicht
Curaçaosche
is een Dienst, door het Bestuurscollege van Curaçao
op 1 januari 1959 in het leven geroepen, om
toezicht
te houden op de bursalen aan wie door het eilandgebied een
studiebeurs of studielening is toegekend. Dit toezicht draagt
een
gedecentraliseerd karakter: de kleine staf van het bureau in Den
Haag wordt bijgestaan door mentoren / mentrices, die de bursalen
begeleiden in de gemeenten waar zij hun studie volgen. Mentoren
en
mentrices werden aanvankelijk gerekruteerd op voordracht van B.
en
W. van de desbetreffende gemeente, maar van lieverlee is
overgegaan
tot het benoemen van Antillianen, in Nederland gevestigd, van
wie
verwacht kan worden, dat zij qua opleiding, ervaring en kennis
van
Nederlandse zeden en gewoonten in staat zijn de
aanpassingsmoeilijkheden van hun pupillen op te lossen. Deze
functie
is onbezoldigd; de mentoren / mentrices ontvangen een bescheiden
vergoeding voor ondeclareerbare kosten. Op 1 augustus 1982
ressorteerden onder het C.B.T.C.B.
289 bursalen. (Zie ook @: Studiecommissie
Nederlandse
Antillen, Stichting; Icetex; O.C.T.).
@: Busá
(Spaans bozal) een pas uit
Afrika
aangekomen slaaf, die binnen een oudere slavengroep nog niet
voor
vol werd aangezien en met die groep nauwelijks kon communiceren.
Bekend is de uitdrukking ‘si bo
fòrsa busá, busá ta papia latin’ (letterlijk:
als
je de busá tot iets prest, spreekt hij latijn) in de betekenis
van
‘een kat in ‘t nauw maakt rare sprongen’. Voor de andere
betekenis
van het Spaanse bozal
(muilband) gebruikt het Papiamentu bosa.
@: Bushiribana
Deel van de noordkust van Aruba. Hier
werd
in 1872 een goudsmelterij gebouwd door de Aruba Island Goldmining
Co.
Het goud was vooral afkomstig van de groeven op en rondom de
Ceru Cristal. De
smelterij
bleef in bedrijf tot 1882; thans is zij geheel vervallen, doch
de
massieve ruïne geldt als bezienswaardigheid, daar men bij de
bouw op
ruime schaal gebruik maakte van de omstandigheden van het
terrein en
van zeer grote natuursteenblokken.
@: Bute Ruby
Schilder geboren op Aruba (Januari 13,
1943)
maar sinds 1967 wonende op Sint Maarten.
Dit artikel is nog in opbouw
@: Buurtcentra
zie @: Welzijnswerk.
@: Bijbel Comité, Stichting Antilliaans
Nadat Het
Nederlands Bijbelgenootschap reeds vele jaren
een
afdeling op Curaçao had, werd op hun initiatief in 1966 het
Antilliaans Bijbel Comité
gesticht, als zelfstandige dochterorganisatie.
Het is
samengesteld uit vertegenwoordigers van verscheidene
Protestantse
Kerken. Zij vestigt de aandacht op en verzorgt de verspreiding
van
bestaande en nieuw te verschijnen uitgaven van Het Nederlands
Bijbelgenootschap. Het comité heeft in 1968 besloten tot een
herziening van de bestaande Papiamentse vertaling van het Nieuwe
Testament, waarop veel kritiek was uitgebracht. De plannen om
tot
een nationale vertaling van de Bijbel in het Papiamentu te
komen, in
samenwerking met de Rooms-Katholieke Kerk en de Joodse Gemeente,
zijn niet realiseerbaar gebleken. Wel bestaat er momenteel
(1983)
binnen de Stichting een vertaalgroep van rooms-katholieken en
protestanten die bezig is met een vertaling van de hele Bijbel.
Men
hoopt in vijftien jaar klaar te zijn. Het boek Salmonan pa hende
di
awor van pater Bernardinus van Baars o.p. is in 1983 uitgekomen.
Verder wordt gewerkt aan een Papiamentse vertaling van een
kinderbijbel, die men in 1984 hoopt uit te geven.
@: Bijbelvertaling
In 1844 werd het Evangelie naar
Mattheiis en
in 1865 het Evangelie naar Marcus in het Papiamentu vertaald en
uitgegeven. In 1916 werd onder leiding van G. J. Eybers door een
aantal Arubaanse dames het gehele Nieuwe Testament vertaald en
uitgegeven door Het Nederlands Bijbelgenootschap. In 1933
verscheen
hiervan een ongewijzigde herdruk en in 1952 een enigszins
herziene
tekst.
Naast deze vertalingen bestaan nog
enkele
andere van gedeelten van het Nieuwe Testament door en ten
behoeve
van de kerkgenootschappen, die na 1920 evangelisatiearbeid
verrichtten onder de Papiamentu-sprekende bevolking. (Zie ook
Stichting Antilliaans Bijbel Comité; Bisdom Willemstad:
publikaties).
@: Bijen
Onder de vele soorten bijen is het
bekendst
de honingbij (Apis mellifera). Sedert dit insekt in 1939 werd
ingevoerd en door imkers werd gecultiveerd, zijn vele zwermen
ontsnapt, zodat nu overal in holle bomen en in rotsspleten, soms
in
de open lucht, bijennesten zijn te vinden. Van de inheemse,
wilde
bijensoorten valt speciaal op een prachtig staalblauw glanzende
houtbij (Xylocopa) of black bee, carpenter bee, met aan
weerskanten
een witte vlek achter de ogen, die zwevend allerlei bloemen
bezoekt.
Ook ziet men diverse soorten behangersbijen (Megachilidae) in
razend
tempo om bloeiende struiken en bomen vliegen. Zij zijn het die
uit
diverse bladsoorten ovale of ronde stukjes wegknippen voor hun
nestbouw.
@: Bijenteelt
Op de Nederlandse Antillen wordt
bijenteelt
maar zelden professioneel beoefend. In de jaren na 1945 trachtte
men
- deels met succes - de honingopbrengst te vergroten door jonge
koninginnen van produktievere rassen uit het buitenland te
importeren. De bijen leven op de Nederlandse Antillen vooral van
onkruidbloemen zoals de beyísima. Ze worden hier nimmer
bijgevoerd.
Wel moet men ze te drinken geven als er geen water in de
omgeving
is. De bijenvolken worden door vele dieren belaagd: vogels,
hagedissen, muizen en ratten, maar het ergst zijn de mieren, die
men
bestrijdt door de poten, waarop de kasten staan, in blikken met
afgewerkte olie te zetten. Als men de larven van de wasmot in de
honingraat ontdekt, is totale ontsmetting van de kast geboden.
Verwilderde bijenvolken treft men aan op
beschaduwde plaatsen, zoals tegen de gewelven van grotten en in
holle bomen. De bijen kunnen zich agressief gedragen indien men
zich
enige tijd in de aanvliegroute van het volk ophoudt
De
letter
C
c
is de derde letter van het Nederlandse alphabet. De Hebreeuwse
naam
van het teken die uiteindelijk in zowel de letter c als g
resulteerde was gimel en is
mogelijk
gebaseerd op de Egyptische hyrogliefe voor ‘slinger’. Volgens
andere
onderzoekers is het teken echter gebaseerd op de hyrogliefe voor
‘kameel’; zij baseren zich hierbij op het Hebreeuwse woord voor
kameel (gamal) en wijzen verder op de Griekse vertaling van de
naam
(gamma). De Griekse c leek overigens meer op een op zijn kop
staande
l dan op een c. De c kwam bij het Romeinse Latijns terecht via
de
Etruskische beschaving, die het teken niet in hun alphabet
kenden,
maar deze van de Grieken overnamen, als letter k. Zo kwam het,
dat
de Romeinen het c-teken aanvankelijk als k gebruikten maar ook
als
g, totdat zij in de derde eeuw voor Christus, een aparte letter
voor
de g ontwikkelden en de c alleen voor de k-klank reserveerden.
Het
Oud-Latijns schreef de c overigens als een v op zijn kant.
Toen het Latijns op Brits grondgebied
werd
geïntroduceerd, was dat met de k-klank en als zodanig is de c
met
een k-klank steeds blijven voortbestaan in de oer Engelse
(Celtische) talen als het Wels (van Wales), het Iers en het
Keltisch
(van Schotland). Ook de Anglo-Saxen (de sprekers van het
zogenaamde
Oud Engels), die het schrijven van hun taal mogelijkerwijs
voornamelijk van de Ierse Celten overnamen, handhaafden de
k-klank
voor de c. Op grond daarvan schreven zij cyn in plaats van
kin (familie), brecan in plaats van
break (breuk),
brocen i.p.v.
broken (breken) en
seoc i.p.v. seek (zoeken). Tegen de
10de eeuw A.D. (Anno
Domini; na Christus) echter hadden de Oud
Engelsen de uitspraak van de c vóór de klinkers e en i tot een
"tj"-klank omgevormd, evenals de Italianen omstreeks dezelfde
tijdstip. Onder invloed van de verovering van Engeland door
Willem de Veroveraar
van
Normandië in 1066, onderging de Engelse gemeenschap en dus ook
de
taal grote veranderingen. Het Normandisch oud-Frans zou
gedurende
bijna 300 jaar de gezaghebbende taal worden in Engeland en op
grond
van die overheersing en het feit, dat deze taal veel gebruik
maakte
van zowel de Griekse k (kappa) als de c voor de
k-klank, leidde tot de herschrijving van veel Engelse woorden,
terwijl evenzoveel anderen gelijk bleven.
Maar hoe komt de c aan haar s-klank? De
Fransen hebben op een gegeven ogenblik voor sommige woorden de
Latijnse c verbasterd tot een ch-klank (bijvoorbeeld champ i.p.v. het
Latijnse
campum) en voor
anderen
tot een ts-klank. Onder invloed van de Franse veroveraars
ondergingen verschillende Oud-Engelse woorden ook deze
modificatie.
Dit was rond het einde van de 12de eeuw A.D. Tegen het einde van
de
13de eeuw verbasterde de ts-klank langzamerhand naar de s-klank
en
werd een woord als cent
niet meer als tsent
uitgesproken maar als sent.
Hierdoor is de moderne c een bijzondere
letter, de enige letter in het alphabet zonder een eigen klank,
maar
één die op grote schaal zelfs drie andere letters
emuleert: De k en de s. De c wordt als een k uitgesproken als
het
geschreven wordt vóór de klinkers a (cacao; Caracas), o
(commissie;
cordaat) en u (cultuur; Curaçao). Het woord Curaçao geeft al een
uitzonderingsregel hierbij aan: Wordt de c vóór de a met een
cédille (het kleine
haakje
deronder geappendiceerd) geschreven dan wordt die c alsnog met
een
s-klank uitgesproken. De c wordt ook als k uitgesproken bij de
klinker combinaties ai (caisson), au (causaal), oi (coifferen),
ou
(coupon) - woorden van Franse oorsprong dus - en verder vóór l
(club), r (creatie), en t (defect). Als een s verwordt de c bij
een
e (ceder; oceaan), i (citer), ij (cijfer) en y (Cyprus, de oude
naam
van het huidige Srilanka). Bij de ch, meestal voorkomende bij
woorden die aan de Franse taal ontleend zijn wordt de uitspraak
van
de combinatie een sj-klank (chique).
En de derde personificering dan? Hoe zit
het
daarmee? Dat vindt plaats in het op Curacao niet zo gangbare
Italiaans, waar de enkele "c" in sommige gevallen ook een ch
klank
krijgt.
Het Curaçaosche Papiamentu (Aruba
hanteert
een andere spelling) kent de c bijna niet meer; in onze taal
worden
c-woorden in het algemeen naargelang de uitspraak van het woord
en
enige uitzonderingen daarbij gelaten met een k of een s
geschreven.
Zo verkrijgt men dus kas
(Spaans: casa; huis),
konstrukshon (Spaans:
construccion; bouwsel
of
het bouwen) en zelfs Kòrsou
(Curaçao).
Aan de andere kant sivil
(Spaans: civil; burgerlijk).
Uitzonderingen zijn meestentijds namen terwijl er nog geen
eenduidig
beleid is ten aanzien van nieuwe woorden als computer (komputer?).
De c is uiteraard een belangrijke letter
in
deze encyclopedie (let hierbij op de c die vóór de y wordt
geschreven en dus een s-klank heeft); het is de beginletter van
het
hoofdonderwerp ervan: Curaçao. Namen
van
een aantal andere hier te lande bekende landen die met een c
beginnen zijn China, Chile, Colombia en natuurlijk Cuba, het
grootste eiland in onze Caribische zee.
@: Cactussen
(Cactaceae) Plantenfamilie met
gewoonlijk
vlezige, vaak geribde stengels, sterk aan de droogte aangepast
door
een dikke waslaag aan het stengeloppervlak; stengel kan veel
water
opslaan dat na regenbuien zeer snel wordt opgenomen; bij
beginnende
droogte verdrogen de wortelharen en wordt een kurklaagje
gevormd,
zodat de plant als het ware in de droge tijd van de buitenwereld
is
afgesloten. Er zijn enige groepen te onderscheiden:
Zuil- of kandelabercactussen
(kadushi
of night
lilies): boomvormig met cilindervormige stam;
bladeren gereduceerd tot doornen; datu (Lemaireocereus
griseus) of yatu, op
Aruba cadushi, met
donkergroene stam, meest zonder insnoeringen, doornen witachtig
met
donkere top; vrucht bolvormig met donkerrood vruchtvlees.
Algemeen
Benedenwindse Eilanden; kadushi
(Cereus repandus) of breba (Aruba), met
grijsgroene takken meestal met insnoeringen, doornen
grijsachtig,
vrucht langwerpig, rood, violet of lichtgroen. Algemeen
Benedenwindse Eilanden; kadush’i
pushi (Cephalocereus lanuginosus) of breba di pushi, fono, funfun,
doodledoo, weinig vertakt, takken groen tot
zeegroen, met gele doornen, vrucht niet gedoornd,
rond-peervormig,
zeegroen tot rood-paars aangelopen, roodachtig vruchtvlees.
Algemeen: Benedenwindse Eilanden; kadushi di kolebra
(Acanthocereus tetragonus), slingercactus met meterslange leden,
talrijk vooral in het Christoffelgebied;
dama di anochi
(Cereus
hexagonu) of lady of the
night, met grijs-blauwgroene, meest
diepgesleufde
takken met smalle ribben; vrucht komt op de eilanden niet tot
rijpheid. Gekweekt: Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

Schijfcactussen
met afgeplatte, schijfvormige
stengelleden:
tuna (Opuntia
elatior) of
shan¬gran, sterk vertakte, vaak zeer hoge plant, met zeegroene,
glimmende schijven met bruine doornen; bloemen donkergeel tot
rood;
vrucht bolvormig, donkerrood. Algemeen Benedenwindse Eilanden;
infrou (Opuntia
wentiazza)
of Spaanse juffer, prickly
pear, hoge plant met grijsgroene schijven met
grijze tot witte doornen; bloemen geel; vrucht peervormig, rood.
Algemeen: Benedenwindse Eilanden; tuna spano (Opuntia
jicusindica), hoge plant zonder doornen, met zeer grote
schijven;
gele bloemen en cilindervormige vrucht. Aftreksel wordt gebruikt
als
geneesmiddel tegen zweren en puisten. Vrucht eetbaar. Gekweekt;
libra (Opuntia curassavica) of infrou, neerliggende
cactus
waarvan de langwerpige stengelleden gemakkelijk loslaten,
doornen
(wit) 2 tot 10 bijeen; bloemen geel. Plaatselijk zeer algemeen;
Spanish lady (Opuntia
triacantha) of loose prickly
pear, neerliggende cactus met platte, dikke,
langwerpige leden, stekels 2-3 bijeen, bloemen geel. Plaatselijk
algemeen: Bovenwindse Eilanden. Nopalcactus zie
Cochenilletuin.
Bolcactussen
milon di seru (Melocactus spec.) of bushi, kabes di indjan,
of
popehead, bolvormige
plant, zeer variabel met betrekking tot aantal ribben, aantal en
kleur van de doornen, de areolen met doornen op de ribben; aan
de
top ontstaat een ‘cefalium’ waaraan de bloemen ontstaan tussen
een
dichte massa witwollige haren; bloemen klein, roze. Algemeen,
vooral
op de kalkplateaus. Beneden- en Bovenwindse Eilanden; Mammillaria
mammillaris,
een klein bolvormig plantje met in een spiraal staande kegel tot
knobbelvormige verhevenheden waarop de areolen met rood-bruine
doornen; bloemen witachtig in de oksel van de knobbels.
Zeldzaam, op
steilranden van kalkplateaus.
Boomvormige cactussen
guamacho (Peireskia guamacho), loofverliezende
boom
met elliptische dikvlezige bladeren, aan de voet waarvan enige
donkerbruine doornen staan; bloemen geel. Uit bladeren wordt een
middel bereid tegen astma. Door R.
Berck ca. 1850 in Curaçao ingevoerd op de
plantage
Kanga.
@: Calico flower
zie @: Dutchman’s pipe.
@: Calypso
Een volksdans afkomstig van de
Engelstalige
Caribische eilanden, waaronder ook de Nederlands-Antilliaanse
Bovenwinden. De calypso
behoort tot de zogenaamde topical ballads, waarin
de
dingen van de dag worden bezongen. De dans is in tweekwarts maat
en
wordt gekarakteriseerd door een strakke begeleidingsfiguur,
waartegen in de melodie een syncope wordt geplaatst in de vorm
van
een vervroegde geaccentueerde tweede tel. De calypso is steelbandmuziek bij
uitstek, maar wordt vooral op de Benedenwindse Eilanden, waar de
steelband niet
inheems
is, ook met conventionele instrumentatie gebracht. Vooral op
Aruba
zeer populair; wordt als road-march gebruikt
door de
zogenaamde brassbands
gedurende de jaarlijkse carnavaloptocht.
@: Cambes Textiles N.V.
(Bonaire) opgericht 26 juni 1961 ter
voortzetting van de Bonaire
Confectie Fabriek N.V. Het bedrijf is
opgericht
als overheidsbedrijf. De financiering geschiedde door Nederland
in
het kader van het driejarenplan voor de ontwikkeling van Bonaire
en
de Bovenwinden (zie Meerjarenplan). Het bedrijf werd op 2
januari
1963 in werking gesteld en fabriceert werkkleding, dienstkleding
e.d. De produkten worden lokaal afgezet. Het bedrijf is
oorspronkelijk opgezet als werkverschaffingsproject. De activa
zijn
per 1 oktober 1982 verkocht. De activiteiten werden per die
datum
voortgezet door Texport
N.V., een bedrijf waarvan de aandelen in
particuliere handen zijn. Midden 1983 had het bedrijf ca. 75
werknemers.
@: Camera Club
Ter stimulering van de amateurfotografie
zijn op Curaçao en Aruba Camera Clubs opgericht. Deze clubs
stellen
o.a. donkere-kamerfaciliteiten ter beschikking van hun leden en
organiseren cursussen en lezingen over fotografische
onderwerpen.
(Cursussen over fotografie werden ook georganiseerd door de
voormalige Volksuniversiteit van Curaçao). De Curaçaosche club
werd,
vooral op initiatief van wijlen fotograaf F. Fischer in 1950
opgericht.
@: Campo Alegre
(lett. vrolijk veld, terrein of
kamp). (lett. vrolijk veld, terrein of kamp). Ter wering
van de
prostitutie uit Willemstad werd na de Tweede Wereldoorlog aan
een
particulier de concessie verleend om nabij het vliegveld Hato
een
terrein af te zetten en te bebouwen met barakken en een café. De
top
van de Rooms-Katholieke kerk schijnt zijn steun aan de vestiging
van
dit bordeel te hebben gegeven, maar ook de Shell, de Nederlandse
overheid en het Amerikaanse leger waren voorstander van de
oprichting ervan ten einde het “kwaad” van de prostitutie, de
geslachtsziekten die daarvan het gevolg waren onder de bevolking
van
het eiland en de sociale implicaties van het feit, dat de
Curaçaosche vrouw zich in hoge mate met dit soort werkzaamheden
bemoeide, in te dammen. Nederland kende in die tijd een
bordeelverbod en de kerk wees de prostitutie officieel vierkant
af.
In het kamp mochten geen meisjes van
Curaçao
werken. Uitsluitend buitenlandse prostituees (Venezolaanse,
Colombiaanse, Dominicaanse, Haïtiaanse en vrouwen van nog andere
nationaliteiten) werden en worden hier voor een bepaalde periode
toegelaten, om onder regelmatige côntrôle van een arts hun
beroep
uit te oefenen. Een wacht moet er voor zorgdragen dat zij het
kamp
niet zonder kennisgeving verlaten en dat er geen minderjarigen
hun
vertier komen zoeken. Zodoende is er een gelegaliseerde,
côntroleerbare prostitutie ontstaan, die echter de stedelijke
prostitutie niet geheel heeft doen verdwijnen. In tegenstelling:
In
de praktijk ontwikkelden zich na verloop van tijd onwettige
prostitutieoorden in de achterbuurten of minder bekende straten
van
Willemstad of elders op het eiland, waar vaak vrouwen die het
eiland
via de Campo Alegre hadden leren kennen, neerstreken om hun
beroep
uit te oefenen. In deze gelegenheden was er doorgaans geen
medische
toezicht en ook geen toezicht van de autoriteiten, waardoor het
voor
de klandizie mogelijk was om hun bezoek anoniem te houden; een
belangrijk voordeel voor mannen die hun bezoek aan een dame van
lichte zeden het liefst onder bedekte omstandigheden
realiseerden.
@: CAO / @: C.A.O.
Collectieve Arbeidsovereenkomst zie @:
Arbeidsovereenkomst.
@: Capparis
Geslacht van de familie der
Capparidaceae,
met een 7-tal soorten in de Nederlandse Antillen
vertegenwoordigd;
bomen of heesters; bloemen met 4-slippige kelk en 4-bladige
kroon,
groot aantal meeldraden en bovenstandig, I-hokkig
vruchtbeginsel.
Oliba (Capparis odoratissima) of caper
tree,
boom met leerachtige bladeren, aan bovenzijde donkergroen
glanzend,
onderzijde met grijzige schubben bedekt, lange rolronde vrucht
die
aan binnenzijde oranje-rood is. Beneden- en Bovenwindse
Eilanden.
Algemeen. Palu pretu (Capparis indica) of yerba di mostert,
oliba
machu, raba, mustard tree, met leerachtige bladeren, aan
bovenzijde
niet glanzend donkergroen, meeldraden zeer lang, rolronde,
rozenkransachtig ingesnoerde vrucht. Beneden- en Bovenwindse
Eilanden.
Kedebeshi (Capparis linearis), kleine
boom
met lijnvormige bladeren; vruchtbeginsel op steel; vrucht
rolrand,
klein, aan binnenzijde oranjegeel. Curaçao en Aruba, vooral in
heuvelgebied.
Stòki (Capparis flexuosa) of hurihuri,
yerba
di mostert, raba, mustard tree, klimmende heester met
leerachtige
bladeren, bloemen groen met teruggeslagen kroonbladeren en lange
witte meeldraden; vrucht rond ingesnoerd, buitenzijde glad. Vrij
algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Palu di lora (Capparis hastata) of palu
di
tambu, boom met overhang en de takken, groene bloem, vrucht
rolrond,
lang, buitenzijde grof, binnenzijde wijnrood. Bonaire. Vrij
zeldzaam.
@: Capricorne, Jose Maria / @:
Jose
Maria Capricorne
(Curaçao 25 december 1932),
oorspronkelijk
uit de sfeer van de kunstnijverheid, studeert aan de Amsterdamse
Grafische School (1955-1958) waarna hij in Amersfoort als
grafisch
ontwerper en stedebouwkundig tekenaar werkt. Na een Curaçaosche
periode (1969-1977) bij de Planologische Dienst vestigt hij zich
in
Nederland. In 1983 benoemd tot directeur van de Academie van
Beeldende Kunsten op Curaçao (zie Kunstonderwijs). Capricornes
stijl
is niet-naturalistisch figuratief, gekenmerkt door een eigen
vormtaal, krachtig en trefzeker van lijn. Exposities: Curaçao
(1970,
1971, 1974, 1977, 1980 en 1983) en van 1972-1981 nagenoeg
jaarlijks
in Nederland. Zijn werk is onder meer vertegenwoordigd in de
collecties van het Curaicaosch Museum, van Sticusa, van de
Gemeente
Den Helder en van het Kabinet Nederlands-Antilliaanse Zaken in
Den
Haag.
@: Capriles, David Ricardo 
(Curaçao 17 november 1837 - 3 mei 1902),
Curaçaosch medicus, met voor zijn tijd grote kennis en interesse
voor de psychiatrie. Na de voltooiing van zijn studie in de
Verenigde Staten in 1858 heeft hij op Curaçao praktijk
uitgeoefend.
Van 1882-1900 is hij geneesheer-directeur geweest van het
krankzinnigengesticht ‘Monte
Cristo’. Hij heeft ook een belangrijke rol
gespeeld op verschillende gebieden van het culturele leven. Zijn
persoonlijke belevenissen en medische ervaringen heeft hij voor
een
belangrijk gedeelte in een journaal op schrift gesteld (deels in
het
Engels, deels in het Nederlands). Zijn tijdschriftartikelen en
ziektegeschiedenissen geven duidelijk blijk van zijn
artisticiteit
en schrijverstalent; ‘s Lands psychiatrische inrichting is naar
hem
genoemd.
Literatuur:
- Baez Lavastida, El Doctor David
Ricardo
Capriles (1898) - in handschrift bewaard. De Franse
vertaling
luidt: ‘Biographie du Docteur David Ricardo Capriles’ -
Prafil
Antillenois, ‘traduit de l’espagnol par le docteur J. Peres
(1898);
- G. E. van Zanen, David Ricardo
Capriles. Student-geneesheer-schrijver (1969). Deze uitgave
bevat, naast een biografische inleiding van Van Zanen, het
volledige dagboek van Capriles geschreven tijdens zijn
studentenjaren Diary or Daybook, zijn proefschrift
Physiology of
Fecundation, medische en andere publikaties, gedichten en
een
essay van Cola Debrot Dr. David Ricardo Capriles in het
perspectief der koloniale geschiedenis.
@: Caquetíos / @: Caiquetios
Indiaanse bewoners van de Benedenwindse
Eilanden, zie @: Archeologie; @: Geschiedenis: Spaanse
periode.
@: Caracasbaai

Grote baai aan de zuidkust van Curaçao,
in
het zuidoostelijk deel van het eiland. Aldaar vindt afscheep
plaats
van olieprodukten, die via een pijpleiding over een afstand van
ongeveer 15 km vanuit de Shell-raffinaderij aan het Schottegat
worden aangevoerd. De baai is door zijn diepte, ruime ingang en
beschutte ligging bij uitstek geschikt als ligplaats voor grote
schepen (bunkerhaven).
@: Caraïbisch Mariën-Biologisch
Instituut
zie @: Carmabi.
@: Caraïbische Lucht Transport
Maatschappij
N.V. (C.L.T.M. Airlines)
is op 26 november 1962 door wijlen Johan Victor Kusters en
zijn broer André Johan Pièrre
opgericht voor geregelde en ongeregelde
internationale en nationale vluchten. De maatschappij is thans
uitsluitend vrachtmaatschappij, die met DC-6 vliegtuigen (met
een
vrachtcapaciteit van 16 ton of 36.000 lbs) tussen al de eilanden
en
het vasteland general cargo vervoert; daarnaast charters met
o.a.
paarden, dolfijnen, bevroren vlees, bloemen en lading en voor
olieraffinaderijen en voor de Curaicaosche Dok Maatschappij
N.V.
@: Caribbean Basin Initiative
(Caribisch Bekken Initiatief).
Initiatief
van Canada, Mexico, USA en Venezuela, gelanceerd in juli 1981
tijdens een bijeenkomst van de ministers van buitenlandse zaken
van
genoemde landen te Nassau (Bahama’s), om bij te dragen aan de
economische en sociale ontwikkeling van de landen van Centraal
Amerika en het Caribisch gebied. Wat de USA betreft heeft het
Congres in 1983 de Caribbean
Basin
Economic Recovery Act aangenomen die vooral
ten
doel heeft de economie van de Caribische landen, welke daarvoor
in
aanmerking komen, te stimuleren door preferentieel toegang te
bieden
voor een groot aantal produkten uit die landen tot de
Amerikaanse
markt.
Op 30 november 1983 heeft de President
van
de USA aan het Congres van de USA kenbaar gemaakt dat het in het
voornemen ligt de Nederlandse Antillen aan te wijzen als beneficiary
country.
@: Caribbean Development and Cooperation
Committee (C.D.C.C.)
In 1975 opgericht op initiatief van
Eric Williams, in
leven
premier van Trinidad & Tobago, aangezien de Caribische
sub-regio
meende dat zij door haar specifieke behoeften en doelstellingen
een
eigen sub-orgaan nodig had binnen het E.C.L.A.-systeem (Economic
Commission
for Latin America) van de Verenigde Naties.
C.D.C.C. is de enige regionale organisatie waarin uitsluitend
Caribische landen, Guyana, Suriname en Belize zitting hebben om
allerlei kwesties, die voor het Caribisch gebied van belang
zijn,
aan de orde te stellen.
@: Caribbean Mercantile Bank N.V.
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Cariben
zie @: Archeologie; Geschiedenis:
Spaanse
periode.
@: Caribische Organisatie
Opgericht 6 september 1961, ontbonden 30
juni 1965. Gedurende de gehele periode van haar bestaan zijn de
Nederlandse Antillen lid geweest van deze instelling, waarbij
voorts
waren aangesloten: de Amerikaanse en de Britse Maagdeneilanden
(Virgin Islands), Frankrijk (voor de departementen Frans Guyana,
Guadeloupe en Martinique), Guyana, Puerto Rico, Suriname en tot
1
januari 1963 de toenmalige West-Indische
Federatie,
vertegenwoordigende Jamaica, Trinidad & Tobago, Antigua,
Barbados, Dominica, Grenada, Montserrat, St.
Kitts-Nevis-Anguilla,
St. Lucia en St. Vincent. De Caribische Organisatie
kwam
voort uit de in de Tweede Wereldoorlog opgerichte Caribische Commissie.
Hadden in deze commissie de toenmalige moederlanden een
doorslaggevende stem, in de Caribische Organisatie, waarvan de
totstandkoming door de Nederlandse Antillen krachtig werd
bevorderd,
traden de verschillende Caribische gebieden zelf op de
voorgrond.
Het doel van de Caribische Organisatie was het dienen van advies
en
het plegen van overleg inzake gemeenschappelijke economische en
sociale belangen alsmede omtrent culturele aangelegenheden.
Getracht
werd dit te verwezenlijken in de opstelling en uitvoering van
een
Caribbean Plan voor
economische, sociale en culturele ontwikkeling van de
ledenlanden.
Daartoe werden besprekingen gehouden in werkcomités, onder
andere op
het gebied van handel en verkeer, land- en tuinbouw, visserij,
volksgezondheid en cooperatiewezen. Van veel praktisch belang
zijn
de werkzaamheden op het gebied van de bevordering van het
toerisme
geweest. In dit kader werd een informatiebureau opgericht voor
handel en toerisme voor het Caribisch gebied. De bibliotheek van de Caribische
Organisatie werd na de ontbinding in beheer
gegeven van de Regering van Puerto Rico en staat nog steeds open
voor belangstellenden.
@: Caribiton, Stichting Toneelgroep
Opgericht 2 november 1961 met het doel
het
in Nederland ten tonele brengen van toneelstukken uit de
wereldliteratuur, die op grond van hun rolbezetting in
overwegende
mate de medewerking van spelers van Caribische afkomst vereisen
alsmede het organiseren van andere artistieke manifestaties die
geschikt zijn om de Nederlandse toeschouwers een inzicht te
geven in
de leef- en denkwereld van de volkeren in het Caribisch gebied
en
omgeving. Thans reeds zeer geruime tijd niet meer actief.
@: Carillon
Zie @: Beiaard
@: Carmabi (Stichting Carabisch Mariën
Biologisch Instituut)
Opgericht in 1955 op Curaçao. Tot 1982
had
zij als taak het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek,
inclusief visserijonderzoek. In 1982 werd de opzet van Carmabi
gewijzigd,
met als taak het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ten
behoeve van natuurbeheer op de Nederlandse Antillen, zowel op
het
land als in zee. Carmabi
houdt zich niet met het natuurbeheer bezig, dat
is de
taak van Stinapa,
die zich in dat beheer zoveel mogelijk laat leiden door de
onderzoeksresultaten van Carmabi. Er bestaat dan ook een nauwe
samenwerking tussen deze twee stichtingen, met name bij het
beleid
inzake land- en onderwaterparken. Beide stichtingen adviseren de
overheden inzake natuurbeheer.
Carmabi heeft een kleine
wetenschappelijke
staf, die in het onderzoek wordt bijgestaan door veel
gastonderzoekers. Wanneer er ruimte is, huisvest het instituut
ook
onderzoekers die een onderwerp bewerken dat buiten het
Carmabi-programma valt. In de eerste 28 jaar werkten er 165
onderzoekers. Dank zij alle gastonderzoekers is de
produktiviteit
veel groter dan het aantal stafleden zou doen vermoeden: 300 á
400
bladzijden aan wetenschappelijke publikaties per jaar. Daarnaast
geeft Carmabi ook bijdragen aan populaire publikaties of
programma’s, vooral waar dit de groei van het natuurbewustzijn
op de
Nederlandse Antillen helpt bevorderen.
@: Cas Corá
Plantage op Curaçao, waar thans de Plantentuin annex Dierentuin
is gevestigd. Tevens bevindt zich hier de Dienst Landbouw, Veeteelt en
Visserij
(L.V.V.), ressorterend onder het Eilandgebied
Curaçao. Voorts treft men aan een jeugdverkeerspark en
een
katholieke middelbare school (het Radulphuscollege). In
de
directe omgeving van het landhuis
Cas Cora wordt nog steeds agrarische
activiteit
ontplooid.
@: Cas di Cultura
zie @: Cultureel Centrum Aruba.
@: Cas di Paloma
Deel van de zuidkust van Aruba
halverwege
Oranjestad-Spaans
Lagoen.
Hier mondt een rooi uit die zijn oorsprong vindt in de circa 70
meter hoge heuvelrug waarvan onder andere de Santa Lucia en de Ceru Pretu deel
uitmaken.
Een tak van de rooi begint nabij de Hooiberg. In de
regentijd
kan deze rooi betrekkelijk veel water bevatten. Hierop wijzen de
typische steilwanden in de omgeving van Santa Rosa en het feit,
dat
het meegevoerde verweringsmateriaal bij de rooiuitmonding in
zulke
hoeveelheden is neergelegd, dat de kust ter plaatse een
deltavorm
vertoont.
@: Casibari
In de nabijheid van Paradera op Aruba
gelegen en bekend om de aldaar voorkomende blokhopen (zie @:
Aruba).
@: Cassatie
is de vernietiging van arresten of
vonnissen
door het opperste rechtscollege (zie @: Hoge Raad).
Lit.: W.R. Boom, De Cassatieregeling
voor de
Nederlandse Antillen, Justicia I (1965); B. Wachter, De Rijkswet
van
20 juli 1961 houdende Cassatieregeling voor de Nederlandse
Antillen
en de hercodificatie van het Nederlands Burgerlijk Recht,
Tijdschrift voar Antilliaans Recht 2 (1981).
@: Castellanos, Juan de
De eerste dichter en geschiedschrijver
van
het Caribisch gebied die omstreeks 1850 de Benedenwindse
Eilanden
bezocht en er in zijn enorme Elegías
de Varones Ilustres de Indias een twintigtal
coupletten aan wijdde (zie ook @: Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
Lit.: Juan de Castellanos, Elegias (vele
uitgaven). Cultureel mozaïek van de Nederlandse Antillen,
Hoofdstuk
V (1977).
@: Castor oil plant
zie @: Karpata.
@: Catochi
zie @: Loterij.
@: C.D.C.Co
zie @: Caribbean Development and Cooperation Committee.
@: Censuur
zie @: Persvrijheid.
@: Centraal Arbeids Advies Bureau
is een afdeling van het Departement van Arbeid en Sociale
Zaken die tot taak heeft de openbare
arbeidsbemiddeling tussen werkgevers en werkzoekenden die
woonachtig
zijn in de verschillende eilandgebieden alsmede tussen
werkgevers
binnen de Nederlandse Antillen en werkzoekenden in het
buitenland en
omgekeerd (P.B. 1946 nr. 109). In het algemeen houdt zij
toezicht op
de juiste naleving van de wettelijke regelingen die betrekking
hebben op de arbeidsbemiddeling. Ook verzamelt en verstrekt zij
gegevens omtrent de arbeidsmarkt in de Nederlandse Antillen en
in
het buitenland. Tevens brengt zij advies uit omtrent het al of
niet
toelaten van buitenlandse arbeidskrachten op de Antilliaanse
arbeidsmarkt (Landsverordening
toelating en uitzetting van vreemdelingen
P.B.
1966 nr. 17).
@: Centro Bolivar y Bello
Instelling die ervoor zorg draagt dat in
Venezuela en in (vooral Caribische) landen waarmede Venezuela
betrekkingen heeft, op geïnstitutionaliseerde wijze
cultuuruitstraling en -uitwisseling plaatsvinden. In de
naamgeving
beoogt men in Venezuela en daarbuiten twee grote nationale en
internationale figuren te eren, namelijk Simon Bolivar, de
Bevrijder, en Andres
Bello, erudiet, filosoof en taalwetenschapper
van
Venezolaanse huize die (vanuit Londen en Santiago de Chile) veel
gedaan, heeft voor de culturele emancipatie van Spaanstalig
Amerika.
In de Nederlandse Antillen is er op de eilanden Curaçao en
Aruba,
als gevolg van een Cultureel
Akkoord
tussen Venezuela en de Nederlandse Antillen, een
dergelijk centrum dat ressorteert onder het Venezolaanse
ministerie
van Onderwijs en Wetenschappen in interdepartementale
samenwerking
met dat van Buitenlandse Zaken.
In het Caribisch gebied zijn, naast die
van
Curaçao en Aruba, ook Centra
Bolivar
y Bello gevestigd in Suriname, te Trinidad
&
Tobago, St. Lucia en Grenada.
@: Centro Cultural Arubano
zie @: Cultureel Centrum Aruba.
@: Centro Juventud Rincon (C.J.R.),
Stichting
In 1956 te Rincon (Bonaire)
opgericht;
beoogt de jeugd van de straat te houden door haar te helpen op
het
gebied van recreatie en algemene vorming. Organiseert in
clubverband
vormingscursussen (o.a. handenarbeid en koken), lezingen,
debatavonden en uitstapjes. Daarnaast is er een jeugdbibliotheek
opgericht.
@: Centro pa desaroyo di Antiyas,
Stichting
/ @: Cede Antiyas / @: Stichting Cede Antiyas
opgericht op 7 juli 1980, is een
voortzetting van Cebemo-Antillen. Zij
wil
meewerken aan activiteiten ten dienste van de Nederlandse
Antillen
door te bemiddelen bij de financiëring van
ontwikkelingsprojecten en
–programma’s van groepen, organisaties en/of instellingen en
tevens
de begeleiding ervan verzorgen. Voor haar functioneren ontvangt
de
stichting vergoeding van de apparaatskosten vanwege de
Nederlandse
regering, die het bestuur binnen bepaalde regels een grote mate
van
beslissingsbevoegdheid toekent voor wat betreft het toewijzen
van
mini-projecten (maximaal bedrag f 33.500) en kleine
medefinancieringsprojecten (maximaal bedrag f 100.000). De
Stichting
heeft afdelingen op alle zes eilanden; Cede Aruba en Cede Korsou zijn
dochterstichtingen.
@: Centro Pro Arte, Schouwburg

In 1964 gaf de Adviesraad voor culturele
samenwerking tussen de landen van het
Koninkrijk
de Nederlandse regering in overweging fondsen ter beschikking te
stellen voor de bouw van een schouwburg op Curaçao. Tevoren had
de
Stichting Schouwburg
Curaçao de architect F. Zingel
opdracht voor een ontwerp gegeven. Door de Nederlandse regering
werd
een subsidiebedrag toegekend ad NAf 1.500.000,-. Op 28 september
1965 onthulde H.M. de Koningin (Juliana) een gedenkplaat op de
plaats waar de schouwburg zou verrijzen. Kort daarop nam de bouw
aan
de Rijkseenheidboulevard een aanvang. Bouwgrond en
parkeerterrein
(350 auto's) zijn door het Eilandgebied Curaçao aan de Stichting
aangeboden. Diverse bijdragen in geld van overheid en
particulieren
in de Nederlandse Antillen en de bovengenoemde door tussenkomst
van
de Sticusa
verstrekte Nederlandse bijdrage maakten
bouw
en inrichting mogelijk; de theaterdeskundige Wim Vesseur
trad op als adviseur.
De schouwburg telt 750 zitplaatsen, is
volgens de modernste inzichten uitgerust met o.a. een orkestlift
en
is berekend op vrijwel elke soort manifestaties (toneel, ballet,
concerten, congressen, shows enz.). De opening vond plaats
september
1968. De bevolking is door deze schouwburg gestimuleerd de
verschillende op- en uitvoeringen vaker te bezoeken.
@: Ceru Canashitu
Vlakke kalksteenheuvel aan de zuidzijde
van
Aruba van 74 m hoogte. De heuvel werd vroeger afgegraven ten
behoeve
van materiaal voor wegenaanleg. De afgraving is stopgezet zodat
de
kalkgrotten met hun indianentekeningen zijn behouden.
@: Ceru Colorado
30 m hoge kalksteenheuvel aan de
oostpunt
van Aruba, voorzien van een lichtbaken voor de scheepvaart. De
naam
is een gevolg van de geelbruine kleur der kalkgesteenten, die in
deze omgeving sterk gefosfatiseerd zijn. In 1874 werd hier
fosfaat
ontdekt, hetgeen leidde tot ontginning, die in 1915 beëindigd
werd.
Thans is dit gebied een deel van de Lago-concessie.
@: Ceru Cristal
68 m hoge heuvel aan de noordzijde van
Aruba. De naam van de heuvel duidt op het in deze omgeving
veelvuldig voorkomen van kwartsgangen, in enkele waarvan in de
vorige eeuw enig goud werd gewonnen.
@: Ceru Plat
96 m hoge heuvel op Aruba met resten van
kalksteenformaties.
@: Cessantia-uitkering
zie @:Sociale
voorzieningen.
@: Chamba
zie @: Vlindervissen.
@: Chaperonage
zie @:
Maagdelijkheidscomplex.
@: Chapi
Ten eerste een landbouwgereedschap: Een
ijzeren hak die gebruikt wordt om de aarde om te ploegen bij het
zaaien of ter verwijdering van het onkruid rondom het
geplantte. Werd en wordt ook heden ten dage nog rond het
woonhuis
gebruikt voor het wegkrabben van dit onkruid. De chapi dient echter ook
- en
zijn bekendheid is met name daardoor ontstaan - als
slaginstrument
ter begeleiding van de tambu, wordt met een
ijzeren staafje bespeeld. De chapi-speler steekt
zijn
duim door het gat van de chapi
en laat deze op de vier vingertoppen rusten. De
tambu-liedjes hebben
de
call and response
-structuur en staan in Y-maat. Tijdens het
response-gedeelte wordt er met het staafje voor iedere kwart
noot in
de Y-maat een triool gespeeld. De klankkleur wordt enigszins
veranderd door de vier vingers tegen de chapi aan te drukken of
deze
los te laten. Het gebruik van de hak als slaginstrument vindt
men
terug in bijna alle landbouwculturen van Afrika. De functie is
er
identiek, namelijk ritmische begeleiding van ensembles die voor
het
merendeel uit slaginstrumenten bestaan. De hak geeft het
basisritme
aan binnen maatsoorten.
@: Chapi di plata
zie @: Fundashon Pierre
Lauffer.
@: Cha Tiger
zie @: Nanzi.
@: Charuba
zie @: Uitgeverijen.
@: Chase Manhatten Bank N.A., The
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Chimichimi
(Argemone mexicana) of polbu shimaron,
thistle,
plantesoort uit de familie der Papaveraceae. Kruid met geel
melksap;
bladeren gemarmerd, veervormig, ingesneden, bladrand getand;
elke
tand uitlopend in stekel, stekels ook op de nerven aanwezig;
bloemen
alleenstaand, groot, geel. Doosvrucht, met veel kleine zaadjes.
Algemeen onkruid op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
@: Chinezen

Foto: Chinezen op Curacao,
gedurende
lange tijd een kleine bevolkingsgroep, actief in het
zogenaamde "dry-cleaning"- (chemisch reinigen van
kledingstukken) en restaurantwezen, zijn nu zowat in
aantal
verdubbeld en ook te vinden in de verkoop van
levensmiddelen
met hun zogenaamde "mini-markets", hebben het
"snack"gebeuren goeddeels van de Dominicanen overgenomen
en
spreken zelfs als arbeider in de bouw, een hartig
woordje
mee.
Van de drie basisrassen zijn de Chinezen, van Mongoolse
afstamming, in aantal verreweg de grootste groep en
stichters
van de oudste menselijke civilisatie. Hun fysieke
karakteristieken
zijn in het algemeen kleine gestalten, met lichte, geelachtige
huidskleur, zwart sluikend haar en ogen die de illusie opwekken
schuin in het hoofd geplaatst te zijn. Zijn in het algemeen
lichter
van kleur dan de Japanner en overige geelachtigen van zuid /
oost
Azie en in het algemeen tenger dan de moderne Mongool. Op
Curaçao is
een relatief kleine kolonie Chinezen aanwezig, werkzaam als
restauranthouders en koks, in wasserijen en de kleinhandel.
Enkelen
van hen zijn tot grote welstand gekomen. Ook op Aruba hebben
zich
Chinezen gevestigd waar zij restaurants en wasserijen
exploiteren.
Bij de volkstelling in 1981 werden er 301 personen als van
Chinese
nationaliteit geregistreerd (zie @: Bevolking).
@: Chonchorogai
(Zonotrichia capensis insularis) is een
op
een mus gelijkend vogeltje, dat vooral opvalt door een kuifje op
de
zwart en wit gestreepte kop. De eenvoudige zang is duidelijk
herkenbaar, eindigt met een triller en is ook wel ‘s nachts te
horen. Het nestje wordt gemaakt in lage struiken en bevat 2
eieren.
Het is een op Curaçao (op Aruba minder) algemene soort, tot in
de
stadsplantsoenen toe. De soort ontbreekt op Bonaire.
@: Christen Vrouwengroep Curaçao
Opgericht 1 september 1965, wenst
sociale en
geestelijke verdieping in protestantse zin. Ledental ongeveer
50.
@: Chubatu
Geitebok, zie @:
Veeteelt.
@: Chuchu
zie @: Roggen.
@: Chuchubi
(Mimus gilvus) is één van de meest
voorkomende vogels van de Benedenwindse Eilanden; hij valt op
door
zijn luide gevarieerde zang (spotlijster), maar ook door zijn
onverschrokken gedrag en zijn geringe schuwheid voor de mens.
Zijn
voedsel omvat zo ongeveer alles wat eetbaar is: sappige
vruchten,
insekten, en zelfs volwassen zangvogeltjes. Het nest is een open
kom, gemaakt van takjes en van binnen bekleed met zachte
plantedelen. Het hele jaar door zijn eieren van deze soort te
vinden, maar het meest in de regenperioden. De chuchubi is bij de wet
beschermd, maar lijkt het ook zonder maatregelen best te kunnen
stellen.
@: Chumaceiro, Abraham Mendes Azn.
Nederlandse advocaat en pamflettist in
het
laat-negentiende-eeuwse Curaçao (zie @: Letterkunde in de
Nederlandse Antillen; @: Pers).
Werken: o.a.
- Is Curaçao te koop? (1879);
- Een gevaar voor de koloniale begroting (1882);
- De proef op de som (1884);
- Eene te haastige tenuitvoerlegging van een strafvonnis
(1891);
- Zal het kiesrecht Curaçao tot het kannibalisme voeren?
(1895).
@: Chumaceiro, Aron Mendes
zie @: Joodse gemeenten.
@: Chumaceiro, David Mendes
(Curaçao 10 maart 1877 - Bogota,
Colombia 30
april 1922), Curaçaosch dichter, behorend tot de zogenaamde
romantische Spaanse school (zie @: Letterkunde in de Nederlandse
Antillen).
Werken:
- Crisalidas (1898);
- Adelfas (1902).
Literatuur:
- Benjamin A. Jesurun, Proloog voor
Crisalidas; J. Terlingen, Lengua y literatura españolas en
las
Antillas Neerlandesas (1961).
@: Chupachupa
zie @: Koffervissen.
@: Church of God
Deze kerk maakt deel uit van een
nondenominational Holiness
Church. Op Curaçao zijn twee kerken met
tezamen
een paar honderd gelovigen. Op Aruba bcvindt zich een verwante
groep, de Pentecostal Assembly
Apostolic Church, voornamelijk in San
Nicolas,
van ongeveer gelijke grootte. Ook op de Bovenwindse Eilanden
zijn
enkele kleine verwante groepen.
@: Cicade
zie @: Zangcicade.
@: C.I.C.A.R. / @: CICAR
De Coöperative Investigations of the
Caribbean and Adjacent Regions (C.I.C.A.R.)
was
een internationaal programma van oceanografisch onderzoek in het
Caribisch gebied, geïnitieerd door Nederland en uitgevoerd van
1970
tot 1976 door 15 landen van binnen en buiten de regio, onder
auspiciën van de Intergovernmental
Oceanographic Commission (L.O.C.) van Unesco.
De
dagelijkse coordinatie geschiedde vanuit Curaçao. De voornaamste
verdienste van C.I.C.A.R. was de stimulerende werking op de
ontwikkeling van het zeeonderzoek in de regio. Na afloop, in
1976,
werd een nieuw samenwerkingsverband gecreëerd (zie @:
Iocaribe).
@: Ciguatera
zie @:
Voedselvergiftiging.
@: Cinetruck
Een in 1956 door de Rotary Club Curaçao
aan
de bevolking van het eiland geschonken vrachtauto met apparatuur
voor smalfilmvoorstellingen in de verspreide wooncentra. Sinds
1958
berust de exploitatie ervan bij het Cultureel Centrum
Curaçao. Jaarlijks worden ongeveer
300
voorstellingen gegeven. De programma’s worden samengesteld
uit
films aanwezig in de Filmotheek
Nederlandse Antillen (zie @:
Filmotheken).
@: Citibank N.V.
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Citro
(Citizens
Rescue Organization), stichting op de
Benedenwindse Eilanden die o.a. hulp biedt bij vermissing op zee
van
vissers, zeilers, windsurfers en zwemmers door middel van
sportvliegtuigen, reddingsboten, haven-sleepboten en
particuliere
jachten. Door voorlichting aan vissers en watersporters tracht
men
preventief te werk te gaan. De Bovenwinden kennen Antillean Sea Rescue
Foundation.
@: Civilisado
Eerste weekblad in het Papiamentu op
Curaçao
(1871) (zie @: Pers).
@: Claude Wathey / @: Claude Wathey
pier
zie Wathey Albert Claudius / zie
ook
@: St. Maarten haven
@: Club Union
Een in 1932 door de Ashkenazim opgericht
centrum voor culturele activiteiten (zie @: Joodse
gemeenten).
@: Cochenilletuin
of nopaltuin. In 1836 deed
op
Curaçao, Bonaire en Aruba de teelt van de nopalcactus (Nopalea
cochenillifera) of French
prickle zijn entree. Op deze cactus leeft de
cochenilleschildluis
(Dactylopius coccus), die een karmijnrode
kleurstof
levert. Na 1856 gingen de ‘nopalerieën’ sterk achteruit en
verdwenen
tenslotte geheel (omstreeks 1867). Op alle eilanden komt de
nopalcactus nog hier en daar voor.
@: Coco, Julian Basilico / @: Julian
Coco
(Curaçao 9 januari 1924), behaalde aan
het
Amsterdams conservatorium het solistendiploma gitaar en diploma
C2
contrabas. Is als bassist verbonden aan het Utrechts Symfonie
Orkest.
Als een zeer gewaardeerde gitarist is hij vaak opgetreden voor
de
Nederlandse televisie en op tournee in het Caribisch gebied en
wist
hij nauwe banden te kweken met onder anderen Bruno Maderna,
Dizzy
Gillespie en Stan Kenton.
Coco is een zogenaamde much'i (mucha di) Otrobanda
(letterlijk: kind van Otrobanda: iemand geboren
en
getogen in de desbetreffende stadsgedeelte) en op grond daarvan
eert
de bevolking van dit stadsdeel in het bijzonder hem met een
buste
bij Colon, het onderdeel van Otrobanda waar heden ten dage een
groot
winkelcentrum, het winkelcentrum Colon, is gebouwd.
@: Cola Debrotprijs
Een in 1968 door het Bestuurscollege van het
Eilandgebied
Curaçao ingestelde culturele prijs, die in
beginsel ieder jaar wordt toegekend op 4 mei, de geboortedag van
wijlen Cola Debrot,
meester in de rechten, medicus, schrijver en ex gouverneur van
de
Nederlandse Antillen (zie @: Debrot Nicolaas). De prijs,
die
verleend wordt voor een prestatie op cultureel gebied, bestaat
uit
een gouden speldje met rozèt (flor
di laraha) op een groen lint en een bedrag
van
NAf 1500,-.
@: Colegio Arubano
School voor havo/vwo op Aruba voor zowel
jongens als meisjes, die onder de Stichting Middelbaar Onderwijs
Aruba
ressorteert. De grondslag van de school is
rooms-katholiek, maar hij staat open voor alle gezindten. Er
zijn
godsdienstleraren voor zowel katholieke als protestantse
leerlingen
(zie verder @: Onderwijs).
@: Coleus
Plantengeslacht uit de familie der
Labiatae.
Kruiden met vierkante stengel en kruisgewijs tegenoverstaande
bladeren; bloemen in schijnaren, met lepelvormige onderlip
waarin de
meeldraden vaak verborgen. Hoofdpijnblad (Coleus amboinicus)
heeft
dichtviltig behaarde bladeren en stengels; schijnaar, uit
kegelvormige, viltige schijnkransen; bloemen klein, bleekpaars,
onderlip veel korter dan de meeldraden. Op Bovenwindse Eilanden
onkruid op vochtige bodem en daar ook bloeiend. Benedenwindse
Eilanden gekweekt, niet bloeiend.
Sagrado kurasón
(Coleus
scutellaroides) of cowsleaf,
velvet,
Joseph's coat, heeft kale, bontgekleurde
bladeren; langs de nerven donker paarsbruin gekleurd; schijnaar
uit
vlakke, kale schijnkransen. Beneden- en Bovenwind¬se Eilanden.
Gekweekt.
@: Collectieve Arbeidsovereenkomst
zie @:
Arbeidsovereenkomst.
@: College van Algemeen Bestuur
is de naam van een bij de Staatsregeling van 1948
in
het leven geroepen college dat met de Gouverneur meewerkte bij
de
uitoefening van diens algemeen bestuur. De uitoefening van de
bij de
Gouverneur berustende uitvoerende macht werd als regel aan de
leden
van het college opgedragen, met behoud door de Gouverneur van
zijn
verantwoordelijkheid. De leden van het College werden benoemd
door
de Gouverneur, na overleg met de Staten en de Raad van Advies, voor
dezelfde periode als de statenleden zitting hebben. Tussentijds
ontslag door de Gouverneur was mogelijk wanneer bleek dat een
lid
van het college niet langer het vertrouwen van de Staten bezat.
Bij
de Staatsregeling van 1950 werd de naam van het college
gewijzigd in
‘Re¬geringsraad’. Bij de Staatsregeling van 1955
groeide deze raad uit tot de @:
Ministerraad.

Illustratie: Schilderij "Jean's
House"
(1973 Pastels; 39 a 49cm) van de artieste Wendy
Collins
@: Collins Wendy J.
Amerikaanse schilderes, geboren aldaar
op
December 7, 1949, maar wonende op Sint Eustatius sinds 1973.
Woonde
echter tussen 1974-1975 op Sint Maarten, waar zij werkte als
portretschilderes. Zij is lid van de Pastel Society of America,
de
Artist Equity en lid voor het leven van de Art Students Leaque.
(Gedeeltelijke) enumeratie van
haarpresentaties:
- Solo
exposities:
- 1975: Wendy Collins Portraits &
Drawings in de Litle Bay Beach Hotel - Phillipsburg (Sint
Maarten)
- 1975: Grand Opening Sint Eustatius
Museum - Oranjestad (Sint Eustatius)
- 1981: Portraits & Landscapes in
de
Chappagua Library - New York City (USA)
- 1982: Procter Square Gallery te New
England College - New England (USA)
- Groeps
exposities:
- 1973: Salmagundi Club - New York
City
(USA)
- 1979: New York Artists Equity
Exhibition - New York City (USA)
- 1980: Pastel Society of America
Members
Show - New York City (USA)
- 1981: New Artists at Madison - New
York
(USA)
- 1982: Exhibition White Plains van
Hudson Valley Art Association - New York City (USA)
- 1991 - 1993: Statia Art Show at The
Park Place Gallery - Oranjestad (Sint Eustatius)
- Uit: Carib Art: Contemporary Art of
the
Caribbean handbook - 1993
@: Combo
zie @: Konhunto.
@: Commandeurs
zie @: Bestuursregeling; @:
Geschiedenis: bestuurders van de eilanden.
@: Commandeursbaai
Ongeveer 4 km lange, 2 á 300 m brede,
door
koraalriffen gedeeltelijk afgesloten baai aan de zuidkust van
Aruba
bij de plaats Sabaneta. Voor naamsverklaring, zie @:
Sabaneta.
@: Commerciële banken
zie @: Bank-, Geld- en
Kredietwezen.
@: Commissievaarders
Particuliere kapiteins van schepen die
met
een commissie, of speciale opdracht, en verlof van één der vijf
Kamers van de West-Indische
Compagnie binnen de limieten van haar octrooi
handel en smokkel bedreven, terwijl zij bovendien, daar zij
gewapend
waren, de vijand - Spaans, Frans, Engels of Portugees - zoveel
mogelijk schade toebrachten. De opdrachten, ‘commissiebrieven’
geheten,
werden uitgegeven door de Staten-Generaal via een
Kamer van de W.I.C. en moesten altijd ondertekend worden door de
Prins van Oranje als admiraal-generaal van de Unie.
@: Communie
zie @: Risibimentu.
@: Community Hebrew School
In 1963 door de drie Curaçaosche Joodse
gemeenten in het leven geroepen; wordt door 90 á 100 kinderen
tweemaal per week bezocht voor het volgen van Hebreeuws en
algemeen
godsdienstonderwijs.
@: Compagnie francaise des cables
telegraphiques
kortweg ‘Franse kabel’ of Kabelfranses genoemd,
exploiteerde van 1895 tot 1929 de telegraafkabels en -kantoren
op
Curaçao en Aruba. In 1929 deed zij haar bedrijf over aan All America Cables and Radio
Inc.
@: Compagniesplantages
zie @: Plantages.
@: Compagnie, West-Indische
zie @: West-Indische
Compagnie.
@: Companía Venezolana de Television
(C.V.T.V.)
Overheids-t.v.-station in Caracas dat
via
een relaisstation in de nabijheid van Coro, Venezuela, op
Curaçao en
Aruba wordt ontvangen en via een lokale repeater op
Bonaire.
@: Comptabiliteitsvoorschriften
omvattende de regelen inzake het beheer
en
de verantwoording van geldmiddelen en goederen van de overheid,
zijn
in hoofdzaak opgenomen voor wat betreft het Land in de Comptabiliteitslandsverordening
(P.B. 1953 no. 1, zoals gewijzigd) en het Comptabiliteitslandsbesluit
(P.B. 1957 no. 58, zoals gewijzigd). Deze
voorschriften zijn voor de Eilandgebieden opgenomen in de Comptabiliteitsvoorschriften
Eilandgebieden (P .B. 1953 no. 174, zoals
gewijzigd). De modellen zoals voor de inrichting van de
begroting
van de Eilandgebieden, zijn opgenomen in P.B. 1953 no. 184.
Aanvullende voorschriften zijn voor Curaçao vastgesteld in de
Eilandsverordening Financieel
Beheer
(A.B. 1953 no. 6) en voor Aruba in het Besluit
Comptabiliteitsvoorschriften
(A. B. Aruba 1956 no. 14).
@: Concessierechten
zie @: Mijnverordening.
@: Concordantiebeginsel
Krachtens artikel 98 van de
Staatsregeling
worden het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke
rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het
auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede
bepalingen omtrent maten en gewichten, bij landsverordening
zoveel
mogelijk overeenkomstig de in Nederland bestaande regelingen
geregeld.
Lit.: C.E. Dip, Kent de Staatsregeling
het
Codificatiebeginsel?, in Honderd Jaar Codificatie in de
Nederlandse
Antillen (1969).
@: Concordia, Verdrag van
zie @: Verdelingsverdrag van
Sint
Maarten.
@: Concordiaproject
zie @: Sint Eustatius.
@: Concubinaat
In het oud-Romeins recht werd het
concubinaat aangeduid als een tweederangs huwelijk. De man was
gerechtigd naast of in plaats van zijn wettige echtgenote een
concubine te nemen.
In alle
samenlevingen komt de figuur van de concubine voor, maar haar
status
varieert van cultuur tot cultuur. In Nederland is in de 1970er
en
1980er jaren door vele jongeren bewust gekozen voor het
con¬cubinaat
als een alternatief voor het ‘boterbriefje’, een vorm, die in de
volksmond ‘hokken’ wordt genoemd. Vroeger hadden adellijke
lieden
veelal concubines onder het lagere volk. In de Nederlandse
Antillen
was het gebruikelijk, dat blanke heren concubines hadden onder
de
negriöde volksvrouwen met wie zij vaak zeer langdurige en
affectiefgeladen betrekkingen onderhielden. Van hun wettige
echtgenoten werd verwacht, dat zij deze verhoudingen
stilzwijgend
accepteerden. De minnares van een gehuwde man is de kombles (Spaans
combleza)
van zijn wettige echtgenote. Hoewel er in het algemeen sprake is
van
rivaliteit, die bij voor het huwelijk niet-destructieve
ontwikkelingen tot uiting komt in een patroon van avoidance,
wordt
van de minnares verwacht, dat zij uit respect voor de gehuwde
vrouw
het huis van de laatste mijdt en geen verdere ruchtbaarheid aan
de
verhouding geeft. In lagere strata van de bevolking wordt de
verdraagzaamheid van de señora
veelal bepaald door de mate waarin de
buitenechtelijke verhouding van haar man invloed heeft op zijn
vervulling van de onderhoudsplicht. Het is aannemelijk dat dit
gedrag het patroon in de lage strata van de bevolking tot model
heeft gediend. Vóór de emancipatie van de slaven (1863) mochten
deze
geen legaal huwelijk aangaan. Na de emancipatie werd dit wel
mogelijk, maar het oude patroon bleef veel van zijn kracht
behouden.
Er ontstond in de lagere strata een waarderingsschaal ten
aanzien
van man-vrouw-verhoudingen, waardoor men kon spreken van
verhoudingen van diferente
kalidat
(verschillende kwaliteit). Het huwelijk werd
geassocieerd met de hogere blanke of lichtgekleurde kringen,
waartoe
de negriöde mens zichzelf niet rekende. Huwde men als lid van de
donkergekleurde strata toch dan volgde men heel dikwijls het
oude
gedragspatroon van de neven-concubinaten, aangeduid als kompañá. Ook de
co-residentiële samenleving van man en vrouw zonder legale
bevestiging noemt men kompañá. De term bibá wordt ook gebruikt
als
een zekere rechtvaardiging van illegitimiteit op grond van de
lage
sociale status of gebrekkige middelen of simpel de
onmogelijkheid
tot huwen wegens het reeds gehuwd zijn van één van de partners.
Kompañá (of bibá) mag niet verward worden met de maîtresse of de
muhé di afó, die een
gehuwde man erop na kan houden: zij is in geen geval
co-residentieel. Een neologisme in het Curaçaosche Papiamentu is
baisait, voor het
eerst
gebruikt in een televisie-programma door de zich Gordito de oro (gouden
dikkertje) noemende zakenman Angel
Job.
In overeenstemming met de regels van het
manbaarheids- en
maagdelijkheidscomplex
geniet de man grote pre- en extramaritale
vrijheden
terwijl de vrouw strikte kuisheid vóór en exclusieve trouw in
het
huwelijk verschuldigd is. In sommige gevallen wordt de ontrouw
van
de vrouw in mindere mate aangerekend, wanneer de man
bijvoorbeeld
haar en haar kinderen economisch schromelijk verwaarloosd heeft
en
zij gedwongen wordt ten behoeve van het levensonderhoud andere
mannen haar gunsten te verlenen. De gehuwde vrouw is echter
altijd
minder vrij in deze kwesties dan de ongehuwde. Kòrta oréa is dan ook
een
uitdrukking die uitsluitend gebruikt kan worden voor de seksuele
ontrouw van de vrouw aan de man. Het is mogelijk dat de
oorsprong
van dit gezegde, dat letterlijk het oor of de oren snijden
betekent,
gezocht moet worden in het Iberisch stierenvechten waar de doder
van
de machtige stier (Spaans toro, dat ook wel voor zeer viriele
mannen
wordt gebruikt) bij goede actie één of beide oren ontvangt. Het
is
buitengewoon vernederend voor een Antilliaanse man wanneer zijn
vrouw hem ‘de oren snijdt’ en de strikte exclusiviteit van zijn
seksueel bezit doorbreekt. Noch in een huwelijksverhouding, noch
in
een concubinaat is zulks voor hem tolerabel, hoewel de
gemeenschap
de ontrouw van een gehuwde vrouw, een señora, haar en hem
relatief zwaarder aanrekent. Een man, die de ontrouw van zijn
vrouw
tolereert, wordt met het aan het Spaans ontleende woord kabrón aangeduid .
In de uitdrukking drecha bida (het leven
beteren), die betrekking heeft op het huwen na een lange tijd
van
concubinaat zit duidelijk een veroordeling van deze
samenlevingsvorm. Vaak werd hiertoe besloten door toenemende
druk
van vooral kinderen en familieleden, die het als een schande
beschouwen indien de ouders (of familieleden) in ongewijde aarde
zouden worden begraven.
@: Conrad, Jacobo Onario
(Curaçao 20 september 1879-25 mei 1918)
pseudoniem van Elias
Martinus, stond bekend als Koko Le Pol omdat hij
was
grootgebracht door Leopoldo
Ibarra (Koko di Leopol werd Koko Le Pol). Hij
was
een populaire componist van Antilliaanse muziek. Hij heeft de
driedelige Curaçaose wals populair gemaakt in een periode dat de
tweedelige wals zeer in zwang was. Men componeerde in die tijd
namelijk veel tweedelige walsen die bijzonder geschikt waren
voor de
Ka’i oru, dat in het
begin van deze eeuw een grote bloeitijd meemaakte.
@: Consumentenbelangen
Reeds in 1966 werd op initiatief van de
toenmalige Nederlands-Antilliaanse
Ambtenarenbond een vereniging
opgericht
ter behartiging van consumentenbelangen. Vrijwel alle vakbonden
waren bij de oprichting betrokken. Deze vereniging leidde echter
een
sluimerend bestaan tot in 1976 wederom een aantal personen het
initiatief nam om een Stichting
Consumentenbelangen op te richten: Fundashan pa Konsumidó.
Reële belangenbehartiging kwam echter pas goed van de grond in
1980,
toen met steun van de Curaçaose
Federatie van Werknemers (C.F.W.) en de Sindikato di Trahadó den Enseñansa
na
Korsou (S.I.T.E.K.) een door de Eilandelijke
Overheid gesubsidieerd bureau werd ingesteld van waaruit een
bureauleidster met behulp van vrijwilligers de volgende
activiteiten
organiseert:
- behandeling van ongeveer 40
klachten
per maand van benadeelde consumenten waarbij bemiddeld wordt en
zonodig een advocaat wordt ingeschakeld. Gedurende het eerste
halfjaar van 1983 werden reeds 15 rechtszaken aangespannen;
- uitgifte van een kwartaalblad dat
verspreid wordt onder min. 300 abonnees en dat verkrijgbaar is
in de
boekhandels;
- het verzorgen van een wekelijks
radioprogramma;
- het houden van lezingen en
cursussen
ten behoeve van shopstewards en vakbondsleden.
@: Containerhaven
.
Haveninrichting, specifiek aangelegd
voor de
overslag, opslag en het in- en uitpakken en de doorvoer van
contai¬ners. Een containerhaven wordt veelal afgescheiden van
andere
havenfacilitei¬ten met het oog op de veiligheid en de specifieke
côntrôle van douanewege. Een container haven beschikt in
principe
over een groot terrein voor opslag van containers met speciale
faciliteiten zoals aansluitingen voor koelcontainers (reefers).
Voorts wordt dikwijls gebruik gemaakt van speciale portaalkranen
(containerkranen) die een capaciteit hebben van ca. 30 containers per uur. Op een
containerterminal wordt een speciale loods (Container Freight
Station) gebruikt voor het in- en uitpakken van containers
(stuffen
en strippen). De havens van Willemstad en Oranjestad beschikken
sinds 1984 beide over een containerhaven.
@: Continental Milling Company N.A. N.V.
is op 31 maart 1972 opgericht door Continental Milling Corporation
te New York. Er is participatie van lokale
bakkerijen. De produktie van tarwebloem, maïsmeel en veevoeder
voorziet in de totale behoefte van de Benedenwindse Eilanden.
Momenteel is er 56 man personeel in dienst.
@: Contingentering
zie @: Economie van de
Nederlandse
Antillen: Economische politiek.
@: Contraseign
is de benaming van de medeondertekening
van
een wettelijke regeling (incl. landsverordeningen) of een
landsbesluit door de minister(s), die tegenover het
volksvertegenwoordigend lichaam (parlement) verantwoordelijk is
(zijn) (artikel 27 van de Antilliaanse Staatsregeling).
Coöperatieve Vereeniging en Nijverheid
Werd in 1905 opgericht door pater Stephanus van de
Pavert. De
winkels van deze coöperatie stonden daardoor bekend als wenkel di pader.
Statutaire
doelstelling van de C.V. en N.: de leden door onderlinge
samenwerking op liefdadige wijze in hun zedelijke en tijdelijke
behoeften te hulp te komen en te steunen; zij trachtte dit doel
te
bereiken door de leden zoveel mogelijk behulpzaam te zijn in het
aanleren en uitoefenen van verschillende takken van handel en
nijverheid, en door onderlingesteun het mogelijk te maken van
hun
arbeid goede vruchten te trekken.
De produktie van alpargata’s is een
groot
succes geworden. De in 1907 begonnen touwslagerij ‘De Ruyter’, die
aanvankelijk sisalvezel uit Venezuela verwerkte en later met
lokaal
geproduceerde vezel werkte, bleek een minder gelukkige keuze te
zijn. Ook een bedrijf voor Curaçao-likeur en een ander waar
aletria
(= vermicelli) werd gemaakt, konden het succes van de
vervaardiging
van alpargata’s bij lange na niet evenaren. In de voorgevel van
het
pand Breedestraat 47 te Otrobanda, waar de hoofdwinkel van de
C.V.
en N. gehuisvest is geweest, treft men een medaillon van pater
Van
de Pavert aan (‘Hulde en dankbaarheid’).
Lit.: J. van Soest, Olie als water
(1976).
@: Cordia
Plantengeslacht uit de familie der
Boraginaceae, waarvan een aantal soorten op de eilanden gevonden
worden.
1. Karawara spaño (Cordia
sebestena) of scarlet
flower. Kleine boom met grote, ruwe bladeren;
bloemen groot, trompetvormig rood of oranje/geel in
schermvormige
bloeiwijzen. Beneden- en & Bovenwindse Eilanden. Gekweekt.
Bladaftreksel als pijnstillend middel gebruikt.
2. Cordia alba of karawara, karawara di mondi,
coara. Boom of heester met onregelmatig
getande,
grote ruwe bladeren; bloemen wit, ca. 1,5 cm in doorsnede in
grote
tuilen; vrucht een witte steenvrucht. Benedenwindse Eilanden.
Algemeen vooral aan de rand van dichtere begroeiingen.
3. Cordia curassavica of
basora pretu,
karishuri.
Heester met zeer donkere twijgen; blader en aromatisch; bloemen
wit,
klein, in eindstandige aren; rode steenvrucht. Benedenwindse
Eilanden. Belangrijke soort in de lage heestervegetaties
(croton-Iantana-cordiavegetatie) vooral van de
kalksteengebieden.
4. Cordia globosa of oregano. Heester met
ruwe,
vaak steunzoekende twijgen; bladeren ruw groot, grof getand;
bloemen
wit, klein, in bolvormige bloeiwijzen; rode steenvrucht, op
Curaçao
algemeen, op Aruba en Bonaire minder algemeen; vooral op
kalksteen.
5. Cordia sulcata of manjack. Boom met
afwisselend grote en kleinere bladeren, bovenzijde ruw,
onderzijde
viltig; bloemen klein, wittig, in pluimvormige bloeiwijzen. Op
Saba
en St. Eustatius in vochtige bossen tussen 200 en 500 m
hoogte.
Het volgende artikel is in het
Papiamentu. De Nederlandse vertaling komt eraan:
@: Cordilia Sharline (Mimi)

....mi ta skirbi pa mi expresa un
kos
ku ta brota di paden....
Nase na Korsou riba Oktober 13, 1959. Un
eskritora di un huki onverwacht. Mimi ta jufrouw di skol pa e
nivel
sekundario VSBO
(ensenansa preparatorio pa formashon profeshonal)
ku
spesialisashon den Papiamentu i miembro di Grupo Trinchera. Su
ansiedad pa skirbi ta presente for di edad hopi hoben: Ku 12 ana
e
ta kuminsa skirbi poesia den entre otro su diario. Su poemanan
ta
trata tur sorto di topiko i situashonnan personal di hende i di
komunidad. Na 2001 Mimi ta dal su prome stap den publikashon di
un
obra. Den e ana ei e ta pone tur poemanan ku e tin den computer
i e
ta reskata un kolekshon di poemanan di su nines den un
manuskrito,
kual ta realmente un diario, den kual e ta plak e obranan ku
sinta
di plak elektriko ("tape" pretu).
Durante Siman di Kultura 2007, Kas di Kultura
den nan intenshon pa duna
autornan
deskonosi un chens, ta publika e prome kolekshon di poesia pa
Mimi:
Mulina di Bida.
Faltando
un agensia publisitario dedika na esei na Korsou, Mimi ta skoge
pa
huza un medio apart i kreativo pa publikashon di su poesianan
nobo:
E ta publika nan riba targeta, kualnan ta obtenibel entre otro
den
boekhandel. Mimi ta skirbi tambe kuenta kombina ku rima pa
mucha.
Huntu ku Enigma, su
di
dos manuskripto di poema, tur e obranan aki ta den e wea di
kreashon, sperando publikashon.
@: Cordon di Francisco
Arubaanse benaming voor palu di
lechi.
@: Cornèt, Paulita
Curaçaosche naïeve schilderes, die zich
bekendheid heeft verworven door schil¬deringen op glas (zie @:
Beeldende kun¬sten).
@: Corporashon pa desarollo di Corsow
(Codeco) / @: Codeco
Een ontwikkelingscorporatie, opgericht
in
1971 op Curaçao met als doelstelling het bevorderen van lokale
industrieën. De corporatie (in 1983 835 aandeelhouders) heeft
kans
gezien ruim 400 arbeidsplaatsen te creëren.
@: Corsen, Charles (‘Chal’) Sickman / @:
Chal Corsen / @: Charles Corsen
(Curaçao 13 maart 1927) Curaçaosch
dichter,
kleinzoon van Joseph Sickman
Corsen. Behoort met zijn zuster Oda Blinder tot de
belangrijkste exponenten van de generatie, die in het
tijdschrift
De Stoep heeft
gepubliceerd: Eerste gedichten (1948); Con Sordino (1949);
De wrat op de wang van de Duivel
(1950); Carmina
de
Aurora y sus 15 lagrimas (1951) (zie @:
Beeldende
kunsten; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).
- Werken: Verzamelde gedichten
1948-1961
(1977).
@: Corsen, Joseph Sickman
(Curaçao 13 december 1853 - 8 oktober
1911),
bekend Curaçaosch dichter, behoort tot de zogenaamde romantische
Spaanse school, maar dankt zijn populariteit in de Nederlandse
Antillen voornamelijk aan de enkele gedichten die hij in het
Papiamentu heeft geschreven, in het bijzonder Atardi (Schemer) met
zijn
heineaanse melancholiek aandoende beginregels (zie @:
Letterkunde in
de Nederlandse Antillen).
Literatuur:
- Benjamin A. Jesurun, Inleiding tot
het
werk van J. S. Corsen (1914);
- J. Terlingen, Lengua y literatura
Españolas en las Antillas Neerlandesas (1961);
- A. M. G. Rutten, Leven en
muziekwerken
van de dichter-musicus J. S. Corsen (1983).
@: Corsen, Yolanda
zie @: Blinder, Oda.
@: C.O.T. / @: COT
zie @: Curaçao Oil
Terminal.
@: Covalli
zie @: Horsmakrelen.
@: Credit Unions
Coöperatieve spaar- en
kredietvereniging,
begonnen in 1958 onder leiding van dr. Amado Römer, pr.,
groeide
snel uit over de Benedenwindse Eilanden. Van de 34 zijn er 19
die op
professionele basis werken. De grootste is de ambtenaren-credit-union
(A.C.U.).
Zij verstrekken persoonlijke leningen aan hun leden. De 19
credit
unions hadden eind 1982 8700 leden met een totale inleg van NAf
12,6
miljoen terwijl de 15 niet-professionele buurtverenigingen 2.750
leden tellen met een gezamenlijke inleg van NAf 750.000. Het
totaal
van de bijeengebrachte middelen bepaalt het maximaal uit te
lenen
bedrag aan de leden.
@: Creolen
Oorspronkelijk zij die in de Spaanse
kolonieën zijn geboren als afstammelingen van personen afkomstig
uit
het moederland. In Suriname worden echter de leden van het
negröide
volksdeel als creolen aangeduid. In deze betekenis begint het
woord
steeds meer veld te winnen.
@: Creolisering
De cultuuroverdracht die door het
contact
tussen de Europeanen en de negers op gang kwam, was geen
eenrichtingsverkeer; ook de Europese cultuurerfenis onderging
veranderingen die onder de term creolisering kunnen
worden
samengevat. Het feit overigens, dat bij cultuuroverdracht geen
sprake is van eenrichtingsverkeer, houdt geen gelijkwaardigheid
van
de betrokken groepen in het proces van cultuurcontact in (zie @:
Acculturatie; Creolen).
@: Creoolse talen
Indien twee of meer groepen die
onderling
onverstaanbare talen spreken in regelmatig contact met elkaar
staan
- men denke aan handel, kolonisatie, slavernij - kan een nieuw
communicatiemiddel ontstaan: een nieuwe taal die in zijn
structuur -
lexicon, fonologie, syntaxis - trekken kan vertonen van elk van
de
moedertalen van de desbetreffende bevolkingsgroepen, maar die
vooral
ook opvalt door trekken die in geen van de moedertalen zijn
terug te
vinden. Een oppervlakkige beschouwing leidt tot de conclusie:
dit is
een mengelmoes van talen, wat de benaming mengtaal verklaart.
Niet
minder oppervlakkig is de indruk die men krijgt van een taal die
als
‘gebroken’ Engels (Spaans, Frans, Nederlands, Portugees)
gekarakteriseerd moet worden. Zolang de pas ontstane taal door
alle
sprekers ervan slechts wordt gebruikt als lingua franca, d.w.z.
voor
de contacten tussen de verschillende groepen, terwijl daarnaast
de
oorspronkeIijke moedertalen hun functie binnen elke groep
onverminderd blijven vervullen, zal het nieuwe taalmateriaal
beperkt
blijven tot datgene wat bij de onderlinge contacten
onontbeerlijk
is, waarbij in vergelijking met de oorspronkelijke talen
aanzienlijke reductie plaats kan vinden. In deze gevallen
spreekt
men van pidgintalen.
Als
de contacten gedurende een langere periode gehandhaafd blijven,
doet
zich vaak het verschijnsel voor dat een moedertaal gaat wijken
voor
de nieuwe pidgintaal, die daardoor de status van moedertaal
verkrijgt, hetgeen aangeduid wordt met de term creoolse taal. De
functie
die deze taal daardoor in de maatschappij gaat vervuIlen wordt
in
belangrijke mate uitgebouwd en gediversificeerd, en alnaargelang
tengevolge van deze taakuitbreiding daaraan behoefte ontstaat,
wordt
het taalmateriaal aangevuld, waarmee het verschijnsel expansie
zijn
intrede doet. Ook indien de pidgintaal geen moedertaalfunctie
krijgt, terwijl toch de onderlinge contacten steeds
gecompliceerder
en veelomvattender worden, kan het pidgin een belangrijke
expansie
ondergaan.
In veel gevallen is het lexicon van een
pidgin- of creoolse taal hoofdzakelijk van één van de
oorspronkelijke talen afgeleid; de talen die ontstaan tengevolge
van
de contacten tussen koloniserende en/of slavenhoudende
Europeanen en
de gekoloniseerde en/of tot slaven gereduceerde onderworpenen,
hebben over het algemeen een lexicon dat in hoofdzaak teruggaat
op
de taal van de Europese machthebbers. In gevallen van
machtswisseling - in de 17de en 18de eeuw geen zeldzaamheid -
krijgt
men vaak dat het lexicon van het pidgin vernieuwd wordt: Bijna
alle
oorspronkelijke woorden worden vervangen door ontleningen aan de
taal van de nieuwe machthebbers, waarmee re-lexificatie heeft
plaatsgevonden. Dit is echter geen onvermijdelijke ontwikkeling;
het
oorspronkelijke lexicon kan gehandhaafd worden, terwijl de
uitbreidingen die onder het nieuwe regime plaatsvinden aan de
taal
van de nieuwe prestigegroep ontleend kunnen worden, maar ook -
indien de taalcontacten met de onttroonde heersers niet geheel
wegvallen - aan die van de vorige meesters. Dit is het geval
geweest
op de Benedenwindse EiIanden, waar vrij spoedig na de verovering
door de West-Indische
Compagnie Spaanssprekende missionarissen
werden
toegelaten (zie @: Papiamentu: oorsprong; geschiedenis).
Twee wijdverbreide verschijnselen in
pidgintalen en creoolse talen moeten hier nog worden belicht.
In de eerste plaats is het zo dat in
veel
van deze talen in allerlei delen van de wereld enkele woorden
voorkomen die waarschijnlijk van het Portugees zijn afgeleid:
bijvoorbeeld sabi
(weten,
kunnen); palaver
(gepraat, overleg). Dit is een van de
overwegingen
die tot de theorie van de monogenese hebben geleid, waarbij men
ervan uitgaat dat de meeste, zoniet alle, pidgins oorspronkeIijk
een
van het Portugees afgeleide woordenschat hebben gehad, waarna in
veel gevallen re-lexificatie zou hebben plaatsgevonden. In zijn
algemeenheid is deze theorie moeilijk in voldoende mate te
onderbouwen, maar in sommige gevallen is re-lexificatie van een
oorspronkeIijk Portugese basis niet onwaarschijnlijk (zie @:
Papiamentu: oorsprong; geschiedenis).
Het tweede opvallende verschijnsel is
dat
die structuurelementen van de pidgins en creoolse talen die niet
zijn terug te brengen tot die van de oorspronkelijke
moedertalen,
grote overeenkomsten vertonen, ook in gevaIlen waar in de loop
der
historie geen contacten aan te wijzen zijn. Vanuit het standpunt
van
de theorie van de universele grammatica neemt men aan dat
wanneer
mensen op natuurIijke wijze een nieuwe taal ‘ontwerpen’, zij
daarbij
uitgaan van algemene structuren die voor alle mensen gelijk
zijn.
Deze theorie wijst ook op verschijnselen als het opzettelijk
‘vereenvoudigen’ van de moedertaal in contacten met
buitenlanders
die slechts een zeer gebrekkige kennis van deze taal hebben. Ook
hier zijn weer frappante overeenkomsten van taal tot taal waar
te
nemen.
Ten aanzien van de structuren die zijn
afgeleid van de West-Europese talen, valt op, dat aanvankelijk simplificatie
optreedt,
met als een van de opvallende kenmerken: het aanbrengen van
regelmatigheden waar in de oorspronkelijke taal
onregelmatigheden of
zogenoemde ‘uitzonderingen’ bestaan. (Dit is trouwens ook in de
ontwikkelingsgeschiedenis van de Indo-Europese talen een bekend
verschijnsel). In latere perioden komt dan bij de expansie
complicatie voor, waarbij onregelmatigheden ontstaan.
Als een creoolse taal wordt gebruikt in
een
maatschappij met:
a. een zekere sociale mobiliteit en
een
ontwikkelingsscala bij de bevolking van zeer laag tot zeer hoog,
terwijl
b. de officiële taal één van de
belangrijke bronnen van de creoolse taal is geweest,
kan een zogenoemd creools continuum
ontstaan
met aan de kant van de minst ontwikkelden de creoolse taal in
‘zuivere’ vorm en aan de andere kant de officiële West-Europese
taal, met daar tussenin allerlei varianten die meer of minder
dicht
bij één van de uiteinden liggen, zonder dat tussen dicht bij
elkaar
liggende varianten duidelijke scheidingslijnen zijn aan te
brengen.
In zo’n maatschappij is het mogelijk dat, als gevolg van
voortschrijdende scholing, op den duur de verschuiving in de
richting van de officiële taal leidt tot verdwijning van de
creoolse
taal, waarmee een post-creoolse periode zijn intrede zou doen.
Een
klassiek voorbeeld van een creools continuum is de taalsituatie
op
het eiland Jamaica. Op de Benedenwindse Eilanden is uiteraard
geen
sprake van een continuum, aangezien aan de hierboven genoemde
voorwaarde b niet wordt voldaan.
Literatuur:
- D. Bickerton, Language acquisition
and
lan¬guage universals, in: Pidgin and Creole linguistics, A.
Valdman red. (1977);
- Idem, Roots of language (1981);
- C. N. Boretzky, Kreolsprachen,
Substrate und Sprachwandel (1983);
- I.F. Hancock (ed.), Readings in
creole
studies (1979);
- D. Hymes (ed.), Pidginization and
creolization of languages (1971);
- W. A. Stewart, Creole languages in
the
Caribbean, in: Study of the role of second languages, F. A.
Rice
(ed.) (1962);
- A. Valdman en A. Highfield (eds.).
Theoretical orientations in creole studies (1980);
- J. V oorhoeve, Historical and
linguistic evidence in favour of the relexification theory
in
the information of Creoles, Language in Society II (1973);
- E. Woolford en W. Washabaugh
(red.),
The social context of creolization (1983).
bazuur
@: Criminaliteit
Er schijnt zich in de oorspronkelijke
Encyclopedie Nederlandse Antillen een fout te zijn gemaakt. Men
schijnt de tekst van dit artikel te hebben weggelaten,
hoogstwaarschijnlijk per ongeluk. Alleen de bij het artikel
horende
tabel is meegenomen. Te zijner tijd, als de informatie wordt
geactualiseerd en uitgebreid zal ook een nieuw artikel over dit
onderwerp verschijnen. Tot zo lang dient de onderzoeker het
helaas
met slechts de tabel te doen.
@: Croes, Gilberto François (Betico) /
@:
Betico Croes / @: Gilberto François “Betico”
Croes

(Aruba 25 januari 1938 - 26
november 1986: onderwijzer, politicus, staatsman)
Gilberto François
“Betico”
Croes werd geboren te Santa Cruz op
25
januari 1938. Hij ging na het voortgezet onderwijs op
Aruba naar Nederland om een studie te volgen aan de
Pedagogische
Academie in Hilversum. In 1959 behaalde hij zijn hoofdakte
als
onderwijzer. Terug op Aruba ging hij les geven aan de Sint
Jozef
School en het Antonius College in Santa
Cruz.
In 1967 begon de politieke
loopbaan van Betico Croes, aanvankelijk als lid van de
Arubaanse
Volks Partij (AVP). Hij maakte deel uit van het eerste
Arubaanse
Bestuurscollege als gedeputeerde van Onderwijs. In 1967 kwam
de
toenmalige leider van de AVP, Cornelis Albert (Shon A) Eman,
te
overlijden. Korte tijd daarvoor (in 1962) was ook Juan
Enrique
(Juancho) Yrausquin overleden en met het overlijden van deze
twee patriarchen, was de oude garde die aan het Arubaanse
streven voor separacion
betekenis had gegeven, heengegaan. Met het heengaan van Shon
A
Eman kwam de AVP in een machtsvacuum terecht en Betico deed
een
poging het leiderschap van de partij over te nemen. De AVP
was
in die tijd een sterk verzwakte partij, maar toch gelukte
het
Betico niet om leider van de partij te worden. Hij was
immers
geen Eman, zo werd er beweerd.
Toen het hem niet lukte het
leiderschap van de AVP over te nemen, scheidde hij zich af.
In
1971 - op februari 9 - richtte hij (samen met Watty Vos,
Daniel
Leo en Efrem de Kort) de Movimiento
Electoral
di Pueblo (MEP) op. Sinds de oprichting van
die
partij is hij tot aan zijn overlijden voorzitter en
partijleider
geweest. Hij heeft echter nooit voor de MEP als gedeputeerde
in
het Arubaans Bestuurscollege gezeten en ook was hij nooit
een
minister in het Antilliaans Kabinet. Wel had hij grote
politieke
invloed als ‘consegero
general’ (algemeen adviseur) van de
Arubaanse
coalities waar de MEP deel van
uitmaakte.
Betico Croes en de MEP hadden
meteen
na oprichting een doorslaggevende invloed op het Arubaanse en
het
Antilliaanse politieke toneel. Bij de eilandsverkiezingen van
mei
1971 behaalde de MEP 7 van de 21 raadszetels. Zo’n twee en een
half
jaar later verhief de MEP haar invloed op landsniveau: Op 29
september 1973 werd Betico Croes ook lid van de Staten van
de
Nederlandse Antillen.
Betico
Croes
heeft zich als politicus vooral ingezet voor het
zelfbeschikkingsrecht van het Arubaanse volk. Hij en
de
MEP ijverden voor een aparte status voor Aruba
binnen
het Koninkrijk der Nederlanden, los van de
Nederlandse
Antillen. Dit Arubaans streven gaat heel erg diep en
dateert alreeds van de 1930er jaren. In die tijd was
Henny Eman de grote voorvechter, van hetgeen toen
als de
separacion-gedachte
bekend stond. Betico begon zijn strijd ter
verkrijging
van een aparte status voor Aruba binnen
Koninkrijksverband in de 1970er jaren. Een van de
eerste
feiten, die hij in dit opzicht volbracht was in
1976. In
dat jaar werd op zijn voorstel een Arubaanse vlag en
het
eigen volkslied aangenomen: Aruba
Dushi
Tera. Hij verkoos als datum voor
deze
instelling 18 maart vanwege de historische betekenis
van
die datum voor de Arubaanse
afzonderlijke-status-beweging. 18 maart is namelijk
de
datum waarop Henny Eman, de allereerste Arubaan, die
de
separacion-gedachte
presenteerde tijdens de eerste Ronde Tafel
Conferentie
ter vorming van de Nederlandse Antillen in 1948, een
motie presenteerde, waarbij hij de wens van Aruba
voor
een afzondelijke status in het nieuw te vormen
Koninkrijk, naar voren bracht. 18 maart wordt
hierdoor
als de Dia di
Hymno
y Bandera (Dag van Vlag en
Volkslied)
als officiële feestdag gevierd.
Het belangrijkste
mijlpaal
kwam ruim een jaar na de vestiging van de Dag van Vlag en
Volkslied. Op 25 maart 1977 werd
op
het initiatief van Betico een referendum gehouden
ten
einde de steun voor het zelfstandigheidsstreven van
de
Arubaanse bevolking formeel te peilen. De opkomst
was
enorm; maar liefst 82% van de Arubaanse bevolking
toog
naar de stembus en een meerderheid van 57% sprak
zich
uit vóór onafhankelijkheid, in welke vorm dan ook.
Anders dan de meeste Antilliaanse politici was
Betico
Croes er namelijk niet bang voor om het woord
onafhankelijkheid te gebruiken als een van de
mogelijke
eindpunten van het Arubaanse streven. Sommige
Arubanen
zijn er zelfs heilig van overtuigd, dat Betico het
eiland naar de onafhankelijkheid zou hebben geleid,
ware
het niet voor het feit, dat hij kwam te overlijden
voor
de feitelijke voltrekking van de zelfstandigheid van
Aruba waar hij zo intensief voor had gestreden. De
onafhankelijkheid waar de Arubaanse bevolking
tijdens
het referendum voor koos, zou later de status aparte
worden, eerst als een tussenliggende fase en met
ingang
van 1993 als de definitieve vorm waarin Aruba in het
vervolg in Koninkrijksverband zou
meedoen.
Betico Croes leidde de
Arubaanse delegatie gedurende de beslissende Ronde Tafel
Conferenties in februari 1981 en in maart 1983,
waarin hij de status aparte wist af te spreken per 1 januari
1986.
Een voorwaarde van Nederlandse zijde was dat Aruba tien jaar
later,
op 1 januari 1996, volledig onafhankelijk zou worden. Sommige
Arubanen beweren dat Betico Croes zelf helemaal geen
onafhankelijk
Aruba wilde, desalniettemin ging hij toch akkoord, in de hoop de
onafhankelijkheid later te kunnen tegenhouden. Andere Arubanen
hebben, zoals hierboven beschreven een andere mening ten aanzien
van
Betico’s houding ten opzichte van de onafhankelijkheid.
Belangrijk
en feitelijk is in dit verband echter, dat die clausule in
de
status aparte-regeling inderdaad in 1993 werd geschrapt.
In zijn retorische
redevoeringen verklaarde Croes meermalen, dat hij
het
martelaarschap niet zou schuwen om de causa
sagrado (heilige doel) van het
Arubaanse volk te bereiken. Het gebeurde in dit
verband
inderdaad dat Betico eens in de gevangenis belandde
toen
een wapen in zijn auto werd aangetroffen; een
complot
naar eigen zeggen. Ook werd hij tijdens een
verkiezingsoptocht beschoten door een politieman.
Maar
of deze incidenten stappen op weg naar zijn
martelaarsschap waren, valt te betwijfelen.
Het voorval dat naar de
onsterfelijkheid van Betico Croes zou leiden was in feite
een
geheel onverwachte gebeurtenis. Op 31 december 1985, aan de
vooravond van het ingaan van “zíjn” status aparte, raakte
Betico
Croes op bijzonder tragische wijze betrokken bij een zwaar
verkeersongeluk. Hij belandde hierdoor in een coma, waaruit
hij
niet meer zou ontwaken. Bijna elf maanden later, op 26
november
1986, stierf hij. Geheel Aruba leefde intens mee met de
tragedie
en het is met name dit voorval dat ertoe geleid heeft dat
Gilberto
François
Croes, hoog door zijn volk zou worden
verheven.
Hoe hoog?
Betico Croes wordt beschouwd
als
de Arubaanse Vader des Vaderlands en wordt door zijn
aanhangers
aangeduid als Libertador di
Aruba (Bevrijder van Aruba). Zoals eerder
gezegd
is de datum, die Croes verkoos om de Arubaanse vlag en
volkslied
Aruba Dushi
Tera, in te stellen als officiële feestdag
ingesteld: Dia di Hymno y
Bandera (Dag van Vlag en Volkslied). Ook de
geboortedag van Betico, 25 januari, is een officiële
feestdag,
Dia di
Betico (Beticodag). De Nassaustraat, de
hoofdstraat in het centrum van Oranjestad, is na zijn dood
omgedoopt tot Caya Gilberto
François (Betico) Croes, kortweg de Caya Betico
Croes. Het plein achter het Cas di
Cultura (Cultureel Centrum) aan de
Vondellaan is
naar hem genoemd: Plaza Libertador
Betico Croes. Daar staat ook een standbeeld
van
hem, evenals op de voorporch van zijn geboortehuis in Santa
Cruz. Dit standbeeld zal binnenkort een centrale plaats
krijgen
naast het in aanbouw zijnde Betico Croes Museum, direct
naast
zijn geboortehuis, aan het centrale kruispunt van Santa
Cruz. In
dat museum zal ook een dodenmasker van Betico te bewonderen
zijn, gemaakt door Maritza Erasmus. Van de hand van
diezelfde kunstenares is ook een bas-relief plaquette van
Betico
dat naast twee andere grote Arubaanse staatslieden te vinden
is
aan de achterzijde van de tribune van het amphitheater in
winkelcentrum Paseo Herencia te Palm
Beach.
Tenslotte staat er ook in de
tuin
van het Arubahuis te Den Haag een Betico-monument, een
borstbeeld dat in 2003 werd onthuld ter gelegenheid van de
herdenking van twintig jaar Ronde Tafel Conferentie 1983,
toen
tot de status aparte werd besloten.
Het beroemdste citaat van
Betico
Croes is ongetwijfeld: Si mi cai na
caminda, gara e bandera y sigui cu e lucha.
(Als
ik onderweg bezwijk, grijp dan de vlag en ga door met de
strijd). (zie ook @: Zelfstandigheidsstreven van
Aruba).
@: Crossley, Moses Leverock
(Saba 3 juli 1883 - Hagerstown 1971) heeft als hoogleraar aan de
Rutgers University in Amerika grote bekendheid gekregen door
zijn
onderzoeken op chemisch-biologisch terrein en op het gebied van
de
chemotherapie in verband met de kankerbestrijding. Voor zijn
vele
werken en zijn wetenschappelijke publi¬katies is hij zowel door
de
Brown Uni¬versity als door de Wesleyan University
onderscheiden.
@: Croton
Plantengeslacht uit de familie der Eu¬phorbiaceae, waarvan een
aantal soor¬ten op de eilanden voorkomen. Krui¬den, heesters of
bomen met eenslachtige bloemen; bovenste bloemen in bloeiwij¬ze
mannelijk, onderste bloemen vrou¬welijk; mannelijke bloemen 10
of
meer meeldraden, 5-4 kroonbladeren; vrou¬welijke bloem geen
bloembekleedselen, 3-hokkig vruchtbeginsel met tweedelige
stijlen.
1. Croton flavens of welisali ook wel welensali (Bonaire
wilisali), marrow, yellow balsem. Drieviltig. Grijsbehaar¬de
heester; aan basis bladschijf kleine bruine kliertjes. Beneden-
en
Boven¬windse Eilanden. Zeer algemeen, be¬langrijkste soort in
croton-lantana¬cordia-vegetatie. Voor gebruik als ge¬neesmiddel
en
reinigingsmiddel zie Ge¬neeskrachtige kruiden en giftige
plan¬ten.
2. Croton glandulosus of yerba kareta. Kruid met stijve,
stervormige haren; aan top bladsteel 2 gesteelde klieren;
plaatselijk op Bonaire en Curaiao.
3. Croton lobatus of yerba krabo, lilac bush. Kruid met
diep
3-delig ingesneden bladeren; bloemkroon met mannelijke bloemen
is
iets rood aangelopen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Op
vochtige
tot natte plaatsen.
4. Croton niveus of bara blanku, kiviti, lumbra blanku.
Hoge
heester of boom; bladeren aan onderzijde met zilverglan¬zende
schubben; planten tweehuizig. Benedenwindse Eilanden. Tamelijk
al¬gemeen, vooral in de heuvelgebieden en de dicht begroeide
kalksteengebieden.
5. Croton ovalifolius of yerba di seru, yerba di chubatu.
Heestertje met drie¬maal zo lange als brede bladeren.
Bene¬denwindse
Eilanden. Verspreid in open vegetaties.
@: Cruz, La / @: La Cruz
zie @: Pers.
@: Crijnssen, Abraham
zie @: Nieuw-Wa1cheren.
@: C.S.C. / @: CSC
Curaçaosche Sportclub, opgericht in 1919 op initiatief van Ph.
de
Haseth Moller, W.H. Winkel en Manrique Capriles. De club,
oorspronkelijk gehuisvest op Scharloo, betrok in 1966 een nieuw
ge¬bouw aan de Chuchubiweg (Cas Còra), waar o.m. jaarlijks de
internationale tennistoer¬nooien worden gehouden. De leden
be¬schikken ook over bowling-faciliteiten.
@: Cultureel Accoord
De Nederlandse Antillen hebben, onder de paraplu van een formele
raamover¬eenkomst van het Koninkrijk met de betrokken landen,
zelfstandig een cultu¬reel accoord gesloten met België in 1975
en
met Venezuela in 1977. De culturele samenwerking tussen België
en de
Ne¬derlandse Antillen verloopt goed: een project Creatieve
Expressie, dat ¬dank zij de technische hulp van Belgi¬sche zijde
-
door een gemengd Bel¬gisch/ Antilliaanse ploeg werd voorbe¬reid,
is
een aanzet geweest tot een reeks activiteiten op dit gebied.
Half
juni 1978 is een aanvang gemaakt met uit¬wisseling op cultureel
gebied tussen Ve¬nezuela en de Nederlandse Antillen. Evenals met
België wordt tweejaarlijks een werkprogramma door een Gemeng¬de
Commissie opgesteld.
@: Cultureel Centrum Aruba (C.C.A.)
1. Stichting die tot doel heeft culturele activiteiten op
Aruba
te coördineren. Het C.C.A. werd in 1949 opgericht, aanvankelijk
uitsluitend bedoeld als coördinerend orgaan maar allengs met
eigen
afdelingen, die ieder een bepaald terrein bestrijken en die
onderling met elkaar samenwerken, zoals de muziek¬school, de
balletschool, de cursus beel¬dende kunsten, de afdeling
tentoonstel¬lingen, de toneelafdeling en de schouw¬burg. Het
C.C.A.
beheert voorts de filmotheek van de Nederlandse Antil¬len, die
alle
eilanden van films voorziet. Het C.C.A. ontvangt ook subsidie
van
het eilandgebied, dat daarnaast bepaal¬de afdelingen
afzonderlijk
subsidieert.
2. De schouwburg, ook genoemd Cas di Cultura, werd in 1958
geopend en is met zijn bijna 500 zitplaatsen en kleine¬re zalen
o.m.
voor de muziek- en de bal¬letschool en voor exposities het
belang¬rijkste culturele ontmoetingspunt op het eiland. In 1968
is
een verbouwing uitge¬voerd: airconditioning van de grote zaal en
verbetering van de toneelfaciliteiten; uitbreiding van de
muziek- en
de ballet¬school.
Zonder anderen tekort te willen doen,
moet
hier toch Jan H. Beaujon worden vermeld, die als voorzitter van
het
C.C.A., ook wel genoemd Centro Cul¬tural Arubano nu meer dan
dertig
jaar onvermoeibaar strijdt om het culturele leven op Aruba tot
grotere bloei te bren¬gen (zie ook Culturele Centra).
@: Cultureel Centrum Bonaire (C.C.B.)
Opgericht in 1956. Het C.C.B. streeft ernaar niet alleen de
Nederlandsspre¬kende gemeenschap te bereiken maar vooral ook de
eigen Bonairiaanse bevol¬king. Het C.C.B. exploiteert de
centrale
bibliotheek van Bonaire, organiseert di¬verse cursussen
(speciale
vermelding verdient de Akademia di Musika Bonai¬re onder de
bezielende leiding van Rudy Bedacht) en maakt ook gebruik van
door
de *Sticusa naar de centrale filmo¬theek gezonden films alsmede
van
de tournees, die de Sticusa naar de Neder¬landse Antillen
organiseert. Tezamen met het eilandsbestuur van Bonaire en
de.Stichting Buurtcentra Bonaire vormt het C.C.B. de
Sociaal-Culturele Raad van Bonaire, die alle culturele
activitei¬ten
op het eiland coördineert (zie ook Culturele Centra).
@: Cultureel Centrum Curaçao (C.C.C.) /
@:
CCC
Opgericht in 1950. Van de aanvang af was de werkwijze van het
C.C.C.
an¬ders gericht dan die van het Cultureel Centrum Aruba, dat
immers
samenbun¬delend optreedt, met behoud overigens van de
zelfstandigheid van de bestaande culturele organisaties. Het
C.C.C.
streeft vooral naar het stimuleren van de zelfwerkzaamheid op
cultureel ge¬bied; het tracht verder nog bestaande la¬cunes op
te
vullen. Sedert de oprichting heeft het C.C.C. o.m. het volgende
tot
stand gebracht of helpen brengen:
• de filmliga Curaçao,
• de Wetenschappelijke Bibliotheek (inmiddels opgegaan in
de
Universiteitsbibliotheek)
• en de Stichting Muziekschool Curaçao.
Diverse instel¬lingen samenwerkend met
het
C.C.C. houden zich o.m. bezig met toneel, bal¬let en
tentoonstellingen. Het C.C.C. verzorgt o.m. filmvoorstellingen
met
de *cinetruck en werkt samen met andere organisaties voor het
organiseren van uitvoeringen zowel door lokale als door
bezoekende
kunstenaars uit Nederland en andere landen (zie ook Culturele
Centra).
@: Culturele Adviesraad voor Curaçao, De
werd in 1968 ingesteld op initiatief van het Bestuurscollege van
Curaçao. De raad zal het Bestuurscollege op verzoek of uit eigen
beweging van advies dienen over alle culturele aangelegenheden
van
het Eilandgebied en over de toekenning van de *Cola
Debrot-prijs.
@: Culturele Centra
De totstandkoming van de *Sticusa in 1948 wierp de vraag op hoe
de
culturele samenwerking tussen de drie landen van het Koninkrijk
op
basis van gelijkwaar¬digheid zou kunnen worden na¬gestreefd.
Besloten werd de oprichting te bevorderen van autonome
zusteror¬ganisaties in Suriname en de Nederland¬se Antillen, die
in
deze landen organisatiekernen zouden vormen ten behoeve van
activiteiten op cultureel gebied. Achtereenvolgens werden
culturele
cen¬tra op elk van de zes eilanden gesticht. Een belangrijke
bron
van inkomsten voor deze culturele centra vormen de jaarlijks
door de
Sticusa toegekende subsidies, terwijl de laatstgenoemde
in¬stelling
deze centra ook terzijde staat door het zenden van goederen en
het
ter beschikking stellen van deskundigen op o.a. het gebied van
toneel, ballet en mu¬ziek.
• Aruba: @: Cultureel Centrum Aruba
(C.C.A.).
• Bonaire: @: Cultureel Centrum Bonaire (C.C.B.).
• Curaçao: @: Cultureel Centrum Curaçao (C.C.C.) ook
genoemd:
Sentro Kultural Korsou (S.K.K.).
• St. Maarten: *St. Maarten’s Council on the Arts.
• St.Eustatius: *St. Eustatius Social and Welfare Work
Organization (S.S.W.W.O.).
• Saba: *Saba Foundation for Culture and Art.
@: Cultuur
De cultuur van de eilanden van de Ne¬derlandse Antillen is,
evenals
dat elders in het Caribisch gebied het geval is, ont¬staan uit
een
samenspel van West-Euro¬pese, West-Afrikaanse en
Caribisch-In¬diaanse elementen. In dit verband wordt er dikwijls
gesproken van een Creoolse cultuur. Een typisch voorbeeld
hiervan is
het *Papiamentu, de volks¬taal die op de Benedenwindse Eilanden
gesproken wordt. Tussen de Beneden¬windse en de Bovenwindse
Eilanden
bestaat er met betrekking tot de heer¬sende cultuur dit verschil
dat
de eerste groep nogal aan Latijns-Amerikaanse invloeden, onder
andere uit Venezuela en Colombia onderhevig is geweest. De
Bovenwindse Eilanden aan de andere kant liggen omringd door
(ex-)
kolonies van Groot-Brittannië, waardoor de cul¬tuur op deze
eilanden
een Anglo¬Saksische signatuur draagt. De volks¬taal op de
Bovenwindse Eilanden is het Engels.
@: Cultuurvlakte
De noordwestelijke vlakke voet van de Quill-vulkaan, St.
.Eustatius.
@: Cumulonimbus
zie @: Neerslag.
@: Curaçao
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Geografische en geologische beschrijvingen
Sectie 1: Ligging en grootte
Sectie 2: Geologie
Sectie 3: Waterhuishouding en -voorziening
Hoofdstuk 2: Flora en fauna
Hoofdstuk 3: Plantages en kleine
landbouw
Sectie 1: Plantages
Sectie 2: Kleine landbouw
Hoofdstuk 7: Referenties en
literatuur
Nu volgt de behandeling van het onderwerp:
Hoofdstuk 1: Geografische en geologische beschrijvingen
Sectie 1: Ligging en grootte
Curaçao (hoofdstad: @: Willemstad) is niet alleen de naam van
het
grootste ei¬land van de @: Nederlandse Antillen: vóór de
Staatsregeling van 1955 werd onder Curaçao tevens het gehele
grond¬gebied van de Nederlandse Antillen be¬grepen. In deze
Staatsregeling werd on¬der meer bepaald dat voortaan voor het
gehele
grondgebied de naam Nederland¬se Antillen zou worden gebruikt.
Het
bestuur van het *Eilandgebied Curaçao is in hoofdzaak geregeld
in de
Tweede titel van de Eilandenregeling Neder¬landse Antillen
(artt.
4-104) j ° artt. 88-¬93 van de Staatsregeling en artt. 29, 30,
41,
50, 51 en 52 Statuut.
De oppervlakte van het eiland bedraagt 444 km2, dat is ongeveer
de
helft van de totale oppervlakte van de Nederlandse Antillen.
Curaçao
is gelegen tussen 68°44’ en 69°10’ W.L. en tussen 12°2’ en
12°23’
N.Br. Het ligt voor de kust van Venezuela en is daarvan
gescheiden
door een zeestrook met een minimale breedte van 70 km. Bij
helder
weer is vanuit de zuidflank van het eiland Curaçao het
Venezolaanse
kustgebergte te zien. De zee rondom het eiland bereikt reeds op
korte afstand van de Curaçao¬sche kust de 1000 m dieptelijn. Het
eiland is langgerekt van vorm; de lengte-as ver¬loopt met een
flauwe
zuidelijke bocht tussen Oostpunt in het uiterste zuid¬oosten, en
Noordpunt in het noord¬westen; de afstand tussen beide punt en
bedraagt 61 km. De breedte van Curaçao wisselt sterk: in het
midden
ver¬toont het eiland een insnoering van slechts 5 km breedte,
aan
weerszijden daarvan neemt de breedte toe tot maxi¬maal ongeveer
14
km.
Sectie 2: Geologie
Curaçao bestaat uit een kern van oude stollings- en sedimentaire
gesteenten, omringd en gedeeltelijk overdekt door rifkalken van
hoofdzakelijk quartaire ouderdom (zie Geologie). Vooral deze
kalksteenformaties geven het eiland op vele plaatsen een
plateaukarakter van wisselende hoogten. Slechts het
noord¬westelijk
deel van Curaçao vormt een uitgesproken heuvelland; hier vindt
men
vele toppen, waaronder de hoogste top de Sint Christoffelberg
(375,4
m) welke omringd is door een verzameling heuveltoppen (massief),
met
onder an¬dere Seru Gracia (297 m), de Ser’i Pali¬bandera (246 m)
en
de Ser’i Palomba (222 m); voorts de Tafelberg van San Hironimo
(230
m), de Seru Male (184 m), de Seru Cortape (178 m), de Sint
Antonieberg (172 m), de Seru Comman¬dant (134 m) en vele andere.
Het smalle middendeel en het zuid¬oostelijk deel van Curaçao
zijn
veel vlakker en lager. Het middendeel wordt voor een groot deel
ingenomen door de Vlakte van Hato, waar de elders niet af¬wezige
doch door de geologische krach¬ten dikwijls verhulde
terrasvorming
dui¬delijk zichtbaar is. In de richting van de noordkust dalen
drie
kalksteenterrassen, het Hoog-, Midden- en Laagterras,
trapsgewijs
naar zee.
De hoogste heuveltop in het zuidooste¬lijk deel van Curaçao
wordt
gevormd door de Tafelberg van Santa Barbara, die vóór de
fosfaatwinning een hoogte had van 197 m; door de ingrijpende
vorm
van dagbouw is dit deel van het Curaçaosche landschap flink
aangetast; voorts de Ronde Klip (131 m), en de zo¬genaamde Drie
Gebroeders: de Seru Pretu (138 m), de Veerisberg (132 m) en de
Jack
Evertszberg (119 m) die op kor¬te afstand van elkaar in een lijn
langs de zuidkust liggen ter weerszijden van de Piscaderabaai.
Thans zijn uit het geologische verleden van Curaçao, waarbij
zich
o.m. land¬en/ of zeespiegelstijgingen of -dalingen hebben
voorgedaan, verschillende ver¬schijnselen af te lezen, zoals
oude
strandlijnen, opgeheven kalksteenter¬rassen (abrasieterrassen)
en
door de zee overstroomde dalstelsels (ook wel be¬kend als
verdronken
dalstelsels). Deze laatste, in de gedaante van handvormige
binnenbaaien, hebben hun ontstaan te danken aan de pleistocene
ijstijden. In die perioden lag het zeeniveau enige tientallen
meters
lager dan thans en was het klimaat waarschijnlijk vochtiger dan
nu
het geval is op de Benedenwind¬se Eilanden. Daardoor waren de
erode¬rende krachten sterker dan thans en werden er langs de
kust
van Curaçao diepe bekkenvormige dalen uitgeslepen, die door een
smalle uitmonding in ver¬binding stonden met de zee. De
zeespie¬gelrijzing na de ijstijden deed deze dalstelsels
overstromen
waardoor de grote binnenbaaien ontstonden, zoals aan de zuidkust
van
Curaçao de prach¬tige natuurlijke haven van het *Schottegat met
de
Sint Annabaai, voorts eveneens aan de zuidkust het Spaanse Water
met
de Spaanse Baai, en aan de noordkust de Sint Jorisbaai.
Aangezien de
kust van Curaçao vele in¬hammen kent, is het ondoenlijk hier een
volledige opsomming der baaien te geven; volstaan moge worden
met de
ver¬melding van de Bartolbaai, Playa Gran¬di en Boka Tabla (met
zijn
bekende brandingsnissen) aan de noordkust; voorts aan de
zuidkust
van noord naar zuid: Westpuntbaai, Knipbaai, Boka Santa Cruz,
Santa
Martabaai, San Juanbaai, Valentijnsbaai, Daaibooibaai,
Bullenbaai,
Vaersenbaai, Sint Michiels¬baai met de Saliña Sint Michiel,
Pisca¬derabaai, Cornelisbaai en Caracasbaai. Aan de zuidkust
komen
enkele lagunen voor die door koraalriffen geheel of
ge¬deeltelijk
van de zee zijn afgescheiden, zoals de Saliña Sint Marie, het
Lagun
Jan Thiel, de Fuikbaai, het Lagun Blan¬ku, Awa Blanku en ten
slotte
Aw’e Oostpunt.
Door de aanlandige passaatwind, die in hoofdzaak uit het oosten
waait en de daardoor veroorzaakte sterke branding, is de
noordkust
van Curaçao voor sche¬pen zeer ontoegankelijk, in tegenstelling
tot
de in de luwte van het eiland liggen¬de zuidkust. Hier kon dan
ook
de be¬langrijke haven- en handelsstad Willem¬stad ontstaan aan
de
Sint Annabaai.
Sectie 3: Waterhuishouding en
-voorziening
Door de geringe afmetingen van het eiland, de lage gemiddelde
neerslag (ge¬middeld 567,2 mm per jaar over de peri¬ode 1905 tot
en
met 1980) en de grote verdamping (potentieel gemiddeld 2.866 mm
op
jaarbasis) zijn er geen perma¬nente rivieren op Curaçao. Slechts
na
hevige regenbuien stroomt er korte tijd water door de droge
dalen,
die men op de Benedenwindse Eilanden met de naam rooien
aanduidt. In
het verleden werden op daartoe geschikte plaatsen in de rooien
*dammen aangelegd om een zoetwaterreservoir te vormen dan wel
het
water in de bodem te doen indringen en de grondwaterstand achter
de
dam te verhogen. Dit waren bij uitstek de plaatsen waar de
Curaçaosche *hofjes, de groenten- en vruchtentuinen, werden
geexploïteerd.
De functie die het Curaçaosche hofje vroeger had als leverancier
van
groente en fruit was gering als gevolg van de klimatologische
omstandigheden, het ont¬breken van goede werkmethoden en
on¬dernemingszin in de tuinbouw in de 17de tot en met 19de eeuw.
De
opkomst van alternatieve bestaansmiddelen - in eerste instantie
de
olie-industrie en later de dienstensector - heeft de verdere
uitbouw
van de tuinbouw sterk geremd. Ondanks de zojuist genoemde
proces¬sen
is in de afgelopen 10 jaar de tuin¬bouw toch sterk opgekomen.
Mede
door bovengenoemde gevolgen werd het aanleggen en onderhouden
van
dam¬men een halve eeuw sterk verwaarloosd alhoewel er de laatste
tijd weer meer be¬langstelling is voor het herstel van oude
dammen.
De waterbehoefte van mens en dier werd voorts eeuwenlang met
moeite
ge¬dekt door natuurlijke bronnen, gegra¬ven putten en gemetselde
regenbakken, die het water van de daken opvingen en bewaarden.
De
voorheen zo typisch Curaçaosche wa¬terplantages - waar men rond
de
eeuw¬wisseling met behulp van Amerikaanse windmolens zoetwater
oppompte ¬zijn voor een groot deel verdwenen. Waar thans op
Curaçao
op ‘grote’ schaal tuinbouw wordt beoefend wordt nog steeds
gebruik
gemaakt van deze goedkope windmolens waarna het grondwater in
hooggelegen opvangbak¬ken wordt verzameld. Was de waterbalans
van
Curaçao tot ongeveer de 19de eeuw min of meer positief te
noemen,
vooral na de komst van de Shell in 1916 en daarna mede door het
toegenomen gebruik van windmolens werd overma¬tig veel
grondwater
opgepompt waar¬door het grondwaterpeil sterk werd ver¬laagd.
Ecologisch gezien heeft het grondwaterpeil een kritische waarde
be¬reikt, waarbij in steeds toenemende ma¬te - vooral nabij de
kust
- sprake is van verzilting terwijl in de meer centrale delen van
het
eiland het grondwaterpeil schrikbarend gedaald is. Sinds de
stichting in 1910 van een water¬fabriek, waar men in 1911
zeewater
be¬gon te destilleren, is de *watervoorzie¬ning van de bevolking
geleidelijk zeer verbeterd.
Hoofdstuk 2: Flora en fauna
Als gevolg van de semi-aride klimatologische omstandigheden is
de
begroeiïng van Curaçao schaars en heeft een overwegend
xerofytisch
ka¬rakter, dat is een droogtebestendige ve¬getatie, waarbij de
planten door het ontwikkelen van onder andere dikke wasachtige
bladeren hun sterke verdam¬ping beperken; dit ongunstige beeld
wordt
nog versterkt door de aanwezig¬heid van harde kalksteengronden.
In
het algemeen zou men het Curaçaosche landschap kunnen
omschrijven
als een doornstruiksavanne waarin permanente grasweiden
ontbreken,
cacteeën echter in allerlei vormen en soorten rijkelijk
voorhanden
zijn. Onder de hogere be¬groeiing neemt de *divi-diviboom met
zijn
van de wind af groeiende langge¬rekte kruin een karakteristieke
plaats in.
De bodemontwikkeling is gering door het semi-aride karakter van
het
eiland; vooral door toedoen van mens en dier (de loslopende
geit) in
combinatie met de soms optredende zware stortregens is het
proces
van bodemerosie op Curaçao sterk bevorderd. Rijkere plantengroei
vindt men slechts daar waar zich grond¬water kan verzamelen en
dat
is voorna¬melijk het geval in de diepere rooidalen, (waar meer
sedimentatiemateriaal is af¬gezet) in de nabijheid van de kust.
Langs de lagere delen van de kust, rond¬om baaien en saliñas,
vindt
men veel¬vuldig een dichte mangrove-vegetatie.
Hoofdstuk 3: Plantages en kleine
landbouw
Het is begrijpelijk, dat o.a. door de heersende omstandigheden
van
klimaat en bodem, de landbouw op Curaçao zich nooit zoals in de
andere delen van het Caribisch gebied heeft kunnen ont¬wikkelen
alhoewel bepaalde vormen van landbouw (bijvoorbeeld tuinbouw)
goed
mogelijk zijn.
Sectie 1: Plantages
Reeds spoedig na haar komst in deze ge¬westen ondernam de
*West-Indische Compagnie pogingen om begeerde han¬delsgewassen
als
tabak, indigo, citrus¬vruchten, suikerriet en dergelijke op het
eiland te verbouwen. Deze pogingen hebben echter nimmer tot
agrarische ex¬port van enige betekenis geleid, en dit was
evenmin
het geval toen aan het einde der 17de eeuw de particuliere
planter
meer op de voorgrond ging treden. Het begrip *plantage kreeg op
Curaçao een geheel eigen inhoud: men ging eronder verstaan ieder
enigermate uitgestrekt grondbezit, waarvan de huurder of
eige¬naar
zich met akkerbouw (overwegend de verbouw van kleine maïs) en
(soms
ook uitsluitend) met extensieve veeteelt, verder met houtkap,
kalkbranden, groenten- en vruchtenteelt in de hofjes,
zoutwinning
langs de kust en zelfs de zoetwaterwinning en -verkoop
bezig¬hield.
Van echte plantages in de zin van grote landbouwondernemingen,
die
zich toeleggen op de uitsluitende ver¬bouw van tropische
gewassen
voor de wereldmarkt, zoals de plantage¬economieën in de rest van
het
Caribisch gebied, was geen sprake. Voar vele Curaçaosche
‘planters’
kreeg de plantage meer een sociale dan een economische
betekenis:
zij gaf immers haar eigenaar het aureool van de
grootgrondbezitter,
gaf hem het voorrecht zich te doen gel¬den als lid van de
‘voornaamste maat¬schappelijke klasse’ in een samenleving die
voor
deze status gevoelig was. Meermalen werden in de 19de eeuw
pogingen
ondernomen om handelsgewas¬sen als indigo, suikerriet, tabak,
katoen
en verfhout op grote schaal te verbou¬wen. Door het gebrek aan
vernieu¬wingsdrang en inzet van de plantage-¬eigenaar bleven
successen echter uit. Al¬hoewel de slavernij in 1863 werd
afge¬schaft, bleven de ex-slaven op de plan¬tages door het
paga-terasysteem (letter¬lijk betekent dit: het betalen van de
grond). Het paga-terasysteem hield in een geheel van bepalingen
waarin o.a. de ex-slaaf zijn hut op de plantage mocht behouden
en
daar tevens maïs voar eigen consumptie mocht verbou¬wen. In ruil
hiervoor mocht de planta¬ge-eigenaar een hoeveelheid dagen per
jaar,
wel of niet tegen betaling, de ex¬-slaaf voor arbeid op de
plantage
oproe¬pen. Slechts de vele Curaçaosche *land¬huizen, waaronder
verscheidene die uit architectonisch en landschappelijk oog¬punt
bijzonder fraai zijn, bewaren de herinnering aan de voormalige
planta¬ges. Vooral deze Curaçaosche landhuizen, die
historisch-geografisch gezien erg be¬langrijk zijn, zullen voor
de
toekomsti¬ge generatie behouden moeten worden
(zie Architectuur).
Sectie 2: Kleine landbouw
Naast de plantagebouw is de kleine landbouw van geringe
betekenis
geweest voor de Curaçaosche economie. De orga¬nisatiestructuur
van
het Curapos agra¬risch kleinbedrijf kan vergeleken wor¬den met
een
klein boerenbedrijf met een gemengd karakter waar de boer zich
toelegde op het verbouwen van voe¬dingsgewassen. Hierbij ging
het in
hoofdzaak om kleine maïs (sorghum) en bonen met daarbij een zeer
arbeids- en kapitaalsextensief bedreven veeteelt. Alhoewel bij
velen
de vrees werd ge¬deeld, dat bij de jongere generaties lief¬de en
kennis voor het agrarisch bestaan ontbrak, kan de laatste tijd
een
positie¬ve herwaardering voar het agrarisch bestaan op Curaçao
geconstateerd wor¬den (zie Landbouw; Tuinbouw; Vee¬teelt).
De belangrijkste knelpunten binnen de Curaçaosche landbouw
blijven
van struc¬turele aard: o.a. de negatieve waterba¬lans is van
grote
invloed op het rendabel en goed functioneren van het agrarisch
kleinbedrijf. De kleinschaligheid van het agrarisch bedrijf is
er
mede de oor¬zaak van dat de Curaçaosche landbouwer minder
makkelijk
tegen buitenlandse gewassen kan concurreren, al zijn er
pe¬rioden
waarin overproduktie optreedt. Dit alles maakt het agrarisch
klein
be¬drijf, economisch gezien, erg kwets¬baar. Door de verruiming
van
de werk¬gelegenheid sinds de vestiging van de petroleumindustrie
op
Curaçao, zijn akkerbouw en veeteelt sterk verwaar¬loosd. Hoewel
in
het algemeen het agra¬risch kleinbedrijf een marginale positie
in
het verleden heeft gekend, is met na¬me de tuinbouw, gericht op
de
produk¬tie van groenten als o.a. komkommer, pompoenen,
kalebassen,
paprika en guiambo (okra), recent sterk in opbloei gekomen (zie
voorts Economie; Mijnbouw; Visserij).
Hoofdstuk 7: Referenties en
literatuur
Voor gegevens omtrent de Curaçaosche bevolking zie Bevolking;
Nederlandse Antillen; voor verdere informatie zie Archeologie;
Architectuur; Economie; Eilandenregeling; Geneeskunde;
Geolo¬gie;
Geschiedenis; Kiesrecht; Letterkun¬de.
Lit.: H. Hoetink, Het patroon van de oude Cura¬c;aose
samenleving
(1958-1971); Jaarverslagen Ei¬landgebied Curaçao; voor overige
literatuur zie Nederlandse Antillen, Benedenwindse
Eilanden.
@: Curaçao Aerea Control Center
onderhoudt op de luchthaven van Curaçao - Aeropuerto Hato - de
internati¬onale radioverbindingen ten behoeve van de luchtvaart
van
en naar de Neder¬landse Antillen.
@: Curaçao Gazette, The
zie @: Pers.
@: Curaçao Ladies’ Hebrew Benevolent
Society
heeft ten doel het verlenen van daad¬werkelijke en/of financiële
hulp en bijstand aan behoeftige Joodse vrouwen en Joodse
kinderen.
De vereniging is op¬gericht in 1866.
@: Curaçao lava-formatie
Een op Curaçao voorkomende serie on¬derzees uitgevloeide lava’s
van
basalt die dateren uit het Krijt. Synoniem: dia¬baas (zie
Geologie).
@: Curaçao-likeur
wordt gedistilleerd uit de schillen van de op Curaçao groeiende
groene vrucht¬boom laraha (Citrus Aurantium Curas¬suviensis) met
toevoeging van kruiden naar een eeuwenoud geheim recept ter
verhoging van het bijzondere bouquet.. Een toevallige samenloop
van
natuurlijke omstandigheden (bodemgesteldheid, klimaat) bezorgt
uitsluitend de op Curaçao geteelde vruchten hun eigen smaak en
aroma. De vrucht moet groen wor¬den geplukt daar anders tijdens
het
rij¬pingsproces de etherische olie evapo¬reert; de schil wordt
zongedroogd om de etherische aromatische olie te conser¬veren.
De
door de Spanjaarden in 1527 ingevoerde sinaasappel uit Valencia
is
op Curaçao laraha geworden. Tegen het begin van de 18de eeuw
ging
men de ge¬droogde schil gebruiken als grondstof voor de Europese
likeurstokerijen. La¬ter maakte men ook angosturabitter van deze
schilletjes. Omstreeks 1914 werd jaarlijks ca. 17.900 kg schil
naar
Am¬sterdam uitgevoerd. Thans vindt praktisch geen uitvoer meer
plaats. Een goede boomgaard levert in twee oogsten per jaar ca.
3.350 kg/ha aan gedroogde schillen. De firm a Senior & Co.
is de
enige onderneming waar de¬ze likeur sinds 1896 nog wordt
gemaakt;
zij betrekt haar schillen voornamelijk van kleine landbouwers.
De
likeur mag niet verward worden met elders gepro¬duceerde dranken
van
‘gewone’ sinaa¬sappelschil of synthetische essence, die ook
onder de
naam ‘Curaçao’ in de handel worden gebracht. Aangezien de naam
van
een land niet geregistreerd kan worden als handelsmerk, kan de
naam
‘Curaçao’ voor deze unieke likeur helaas niet worden
beschermd.
@: Curaçao Oil Terminal / @: C.O.T. / @:
COT
is een olie-overscheephaven, gelegen te Bullenbaai, aan de
zuidkust
van Curaçao, 13 kilometer noordwestelijk van Willemstad. Deze
haven
werd op 6 juni 1974 in ge¬bruik genomen. Zij is voor tweederde
deel
het eigendom van Koninklijke Olie middels Shell Petroleum N.V.
(S.P.N.V.) en voor een derde deel van Shell Oil Company (U.S.A.)
middels Pecten Curaçao N.V. (P.C.N.V.). Het is een naamloze
vennootschap, goedgekeurd onder de Nederlands-An¬tilliaanse
wetgeving. Zij vormt een es¬sentiële schakel in het economische
transport van ruwe olie van de Perzi¬sche Golf en laadhavens in
West-Afrika naar de oostkust en Mexico Golfkust van de U.S.A.,
waar
de havens niet ge¬schikt zijn om V.L.C.C.’s (very large crude
carriers -mammoettankers) te ontvangen. De ruwe olie, die in
V.L.C.C.’s wordt aangevoerd, wordt gelost en opgeslagen bij de
C.O.T. en daarna overgeladen in kleinere L.R.’s (large range
tankers) voor doorvoer naar de U.S.A. Evenzo wordt ruwe olie uit
landen in Latijns Amerika, die thans weinig diepe havens hebben,
in
kleinere tankers aangevoerd naar Curaçao voor overscheping in
V.L.C.C.’s met bestemming Europa en het Verre Oos¬ten. De
faciliteiten van de C.O.T. voor het overschepen van ruwe olie
stellen de klanten in staat om voor het grootste gedeelte van de
transportweg V.L.C.C.’s te gebruiken, die economi¬scher varen
dan
kleinere tankers. Deze faciliteiten bestaan uit 3 steigers,
waar¬aan
zowel V.L.C.C.’s als de kleinere L.Ro’s kunnen afmeren en 3
steigers, uitsluitend bestemd voor L.Ro’s. De fa¬ciliteiten
voorzien
in een capaciteit voor het overschepen van ruim 1,2 miljoen
barrels
(van 159 liter) per dag naar an¬dere havens in de wereld, zomede
het
verpompen door pijpleidingen van 250.000 barrels per dag naar de
raffina¬derij van Shell Curaçao te Emmastad. Voorts zijn er
bunkerfaciliteiten voor alle soorten scheepsbrandstof.
Door het installeren van moderne ver¬warmde opslagfaciliteiten,
werden in 1982 de mogelijkheden van deze over¬scheephaven
vergroot,
zodat ook de op¬slag en het vermengen van ruwe olie en
stookoliesoorten, die niet op de gebrui¬kelijke manier kunnen
worden
behan¬deld bij de heersende omgevingstemperatuur, mogelijk zijn
geworden. De opslagcapaciteit voor verwarmde olie bedraagt thans
ruim 1 miljoen bar¬rels.
De Bullenbay Marine Services N. V. (B.M.S.) is een
zustermaatschappij van C.O.T. Zij verzorgt de ‘ship to ship
operation’, die onder de kust van Curaçao op open zee
plaatsvindt.
De ladin¬gen van de V.L.C.C’s kunnen met deze ship to ship
methode
op open zee wor¬den overgepompt in kleinere tankers, die varende
langszij de V.L.C.C. wor¬den vastgemaakt. Het is echter
gebrui¬kelijk om V.L.C.C’s slechts gedeelte¬lijk op zee te
lossen.
Het overige deel wordt daarna gelost langszij een van de
steigers
van de C.O.T. Voorts zorgt de B.M.S. voor de benodigde
sleepboten,
loodsen en andere dienstverleningen te Bullenbaai. De ideale
weersomstandig¬heden het gehele jaar door zijn een groot
voordeel
van deze vestiging op Curaçao. B.M.S. exploiteert ook, zon¬der
winstoogmerk, de Bullenbay Sea¬men's Club, een
ontspanningsfaciliteit ten behoeve van officieren en
schepelin¬gen
van de schepen die Bullenbaai aan¬doen.
@: Curaçao Radio
Roepnaam van het scheepvaartkuststa¬tion op Curaçao, dat lange
en
korte af¬standradioverbindingen onderhoudt ten behoeve van
passagiers, reders, scheeps¬agentschappen in de Nederlandse
Antil¬len, de beveiliging van mensenlevens op zee, het
transitoverkeer en de radio¬medische dienst. De verzorging van
de
laatstgenoemde dienst vindt via dit kuststation plaats; het
ontvangt
verzoe¬ken, gericht aan daarvoor aangewezen artsen op Curaçao en
het
geeft hun me¬dische adviezen door voor de behande¬ling van
opvarenden van schepen waar¬op geen arts aanwezig is.
Sinds 1982 verzorgt Curaçao Radio ook ‘Marine
V.H.Fo’-verbindingen
via zen¬ders op Aruba en Curaçao. Het station is een onderdeel
van
*Landsradio.
@: Curaçao, Weekblad
zie @: Pers.
@: Curaçaosch Museum
zie @: Musea.
@: Curaçaosche Bank N.V.
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.
@: Curaçaosche Hypotheekbank N.V.
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.
@: Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij,
N.V. (C.S.M.)
Gevestigd te Curaçao, opgericht 21 juli 1917 teneinde het
olievervoer van het Meer van Maracaibo naar Curaçao voor de N.V.
Curaçaosche Petroleum Maatschappij (thans: *Shell Curac;ao N.V.)
te
beheren. Aanvankelijk bestond de vloot van de C.S.M. slechts uit
twee houten lichters en twee oude stoom¬sleepboten. Na de
zogenaamde
‘houten jaren’ kreeg de C.S.M. in 1921 de be¬schikking over acht
monitors (oor¬spronkelijk kanonneerboten) met eigen
voortstuwing. In
1922 kwamen pas ech¬te tankers in gebruik en sindsdien breid¬de
de
vloot zich gestadig uit; in 1925 19 schepen met totaal 135.750
ton
draagver¬mogen, in 1939 38 schepen met 132.405 ton en in 1950 44
schepen met 192.810 ton laadvermogen. In 1926 - met het
binnenslepen
van het Koningin Wilhel¬minadok - begon de C.S.M. een eigen
dokbedrijf, dat in 1929 werd uitgebreid met het drijvend
Julianadok
(tot 1946) en in 1943 met het gegraven Beatrixdok. Op 1 januari
1959
werd het gehele dok¬bedrijf overgedragen aan de N.V.
*Curaçaosche
Dok Mij.
De grootte der tankschepen bleef nood¬zakelijkerwijs beperkt in
verband met de drempel van het Meer van Maracai¬bo: in 1930 was
de
maximaal toegestane diepgang nog slechts 3,80 m; door
bag¬gerwerk
kwam deze in 1940 op ca. 4,20 m te liggen. Uiteindelijk heeft
het
diep uitbaggeren van de vaargeul voor het Meer van Maracaibo,
waardoor steeds grotere schepen konden in- en uitvaren, geleid
tot
de liquidatie van de tanker¬vloot van de C.S.M. en sindsdien
waren
haar activiteiten voornamelijk op het gebied van de
scheepsagentuur
ten be¬hoeve van Curaçao bezoekende tankers gericht.
Vanaf 1966 deed zich een nieuwe ont¬wikkeling voor waarbij de
C.S.M.
eige¬naresse werd van in de Nederlandse An¬tillen geregistreerde
nieuwbouw-tan¬kers. Begin 1980 omvatte de C.S.M.¬vloot 12
tankers
met een totaal draag¬vermogen van 1.616.041 ton, alsmede 3
sleepboten, te weten Karet, Jaro en Lima. De laatste twee
vervingen
de Passaat en Koraal (bouwjaar 1957 en 1960). Door een surplus
aan
beschik¬baar tankertonnage op de wereldmarkt werd in 1981
begonnen
met het inkrimpen van de C.S.M.-oceaanvloot. Begin 1983 omvatte
de
vloot nog 5 tankers (to¬taal draagvermogen 645.981 ton) en nog 2
sleepboten (Jaro en Lima). Door de verslechterende toestand in
de
Curaçao¬sche havens werden de activiteiten van het
C.S.M.-scheepsagentschap in de loop van 1982 aan Maduro &
Sons
Curaçao (Inc.) overgedragen en zijn de 2 sleep¬boten de nog
bestaande lokale activiteit van de C.S.M.
@: Curaçaosche Courant, De
zie @: Pers.
@: Curaçaosche Dok Maatschappij N.V. /
@:
Dok / @: Dok maatschappij
Opgericht in december 1958 door de N.V. Combinatie Pletterij
Nederhorst, de Dok- en Werf-Maatschappij Wilton¬Fijenoord N.V.
en de
Nederlandse Dok¬ en Scheepsbouw Maatschappij v.o.f., ter
combinatie
van de tot die tijd reeds door Shell Curaçao N.V. en de N.V.
Combinatie Pletterij Nederhorst afzon¬derlijk uitgeoefende
activiteiten op scheepsreparatiegebied. Het geplaatste
aandelenkapitaal bedraagt rond NAf 28 miljoen.
Er zijn twee gegraven dokken, namelijk het 30.000 dwt
Beatrixdok,
gebouwd door de Shell in 1942/1943 en het Anti¬liadok, groot
130.000
ton, in april 1972 officieel in gebruik gesteld door Gouverneur
Leito.
Het bedrijf heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de
economie
van de Nederlandse Antillen, heeft tot 1982 voortdurend
uitgebreid
zowel in facili¬teiten als in mankracht, maar is in 1982
getroffen
door de recessie in de scheep¬vaart.
Het totaal aantal eigen werknemers be¬draagt circa 1.200. Door
de
moderne fa¬ciliteiten kunnen alle scheepsreparaties worden
verricht.
Het heeft technisch ge¬zien in de internationale
scheepvaartwe¬reld
een zeer goede naam.
De Curaçaosche Dok Maatschappij beschikt behalve over de twee
gegraven dokken ook over diverse reparatieka¬den, dok- en
kadekranen
en modern in¬gerichte werkplaatsen.
@: Curaçaosche Onafhankelijke Partij
(C.O.P.)
zie @: Politieke Partijen.
@: Curaçaosche Vereniging voor Handel en
Nijverheid
zie @: Vereniging Bedrijfsleven Curaçao / @: VBC / @:
V.B.C.
@: Curatena, Stichting
(Culturele Radio en Televisie Neder¬landse Antillen). Stichting
ter
bevorde¬ring van de algemene en geestelijke ont¬wikkeling van de
bevolking, enerzijds door het uitzenden van educatieve en
culturele
programma’s, anderzijds door medewerking te verlenen aan die van
derden.
@: Curom (Curaçaosche Omroep)
Omroepstation op Curaçao - het oudste van de Nederlandse
Antillen -
van de Stichting Curaçaosche Radio Vereeniging, opgericht op 20
februari 1933 op Curaçao met het doel de belangen van bezitters
van
radiotelefonie- en -telegrafieapparaten te bevorderen (later
uitgebreid met de belangen van bezitters van
televisieapparaten). De
vereniging werd op 1 april 1961 omgezet in een stichting.
Op 17 november 1936 werd, naar aanleiding van het verzoek een
eigen
omroep te mogen verzorgen, vergunning verleend en op 1 maart
1937
opende Gouverneur Wouters de eerste omroep van de Nederlandse
Antillen. De zender had een vermogen van 150 watt en werkte op
de
korte golf, 31,67m. Toen Arnold Kreps in 1937 voorzitter werd,
verkeerde de omroep in financiële moeilijkheden. Hij werkte de
organisatie op tot een bloeiende vereniging met bijna 1000 leden
en
wist een aandeel in de opbrengst van de Bond Fortuna (thans
Landsloterij) te verkrijgen benevens een overheidssubsidie. De
omroep speelde in die jaren een belangrijke rol in de
Curaçaosche
samenleving, in het bijzonder gedurende de oorlogsjaren
1940-1945
bij de nieuwsvoorziening. Ook werden gedurende de Tweede
Wereldoorlog via de Curom, die aanvankelijk slechts enkele uren
per
dag uitzond, groetenprogramma's voor Nederland verzorgd (zie
Groetendienst). In 1942 bezocht prinses Juliana de Curomstudio
en de
omroepzender werd Prinses Julianazender gedoopt. In 1951 werd
een
aanvang gemaakt met reclameuitzendingen. De Curom heet sinds
1981 Z
‘86 (naar de frequentie waarop uitgezonden wordt, nameIijk 860
kHz)
en zendt thans uit met een vermogen van tien kilowatt zodat ook
de
eilanden Aruba, Bonaire en zelfs de Bovenwinden met de
programma's
kunnen worden bereikt. (Zie Radio-omroep).
De letter
D
d is de vierde letter van het Nederlandse
alphabet, één die ook via het Semitische alphabet en de
aanpassing
ervan via de Griekse en Romeinse talen tot onze hedendaagse d is
verworden. De Semieten begonnen waarschijnlijk met de Egyptische
hyrogliefe voor hetzij vis of deur, mogelijk beiden en
ontwikelden
hun allereerste d-teken dan ook als een voorstelling van deze
twee
voorwerpen. Ze noemden de ‘letter’ dal of daleth. Daarna
was
het de beurt aan de Foeniciërs, die bij het gebruik van het
teken de
nadruk hoogstwaarschijnlijk op haar betekenis als de letter d
legden
en zij gebruikten een (schuinstaande) driehoek om haar mee aan
te
duiden. De Grieken namen haar een stapje verder en noemden haar
delta en
schreven
haar als een (rechtopstaande) driehoek ter aanduiding van de
hoofdletter d en als een o met een omhoogstaande krulletje, ter
aanduiding van de kleine letter. De Romeinen gaven haar in hun
taal
uiteindelijk de half afgeronde vorm mee, die tot in onze tijd is
blijven bestaan. Ook de d emuleert een andere letter in het
alphabet, maar in tegenstelling tot de c, heeft zij ook een
eigen
klank. Zij heeft de harde d-klank in woorden als donder, demoon,
duisternis, maar een zachtere t-klank in wind,
mand, zand. In het Engels heeft de d ook een zware j-klank, bij
het
samen geschreven worden met een g (hedge, wedge, dodge).
In
het Papiaments is de d-klank meestal een zware (dushi, dos, despues);
waar
in deze taal een zachtere d (t-klank) wordt vermoed, is men gauw
geneigd een t te schrijven (prosperidat;
Spaans: prosperidad =
voorspoed). Dit is in het algemeen de overtuiging van de groepen
die
wij in deze encyclopedie zullen aanduiden als de fonologische
school. Vele andere Papiamentu sprekers zijn het niet eens met
die
handelwijze. In de mening van deze groep dient de d op het einde
van
deze woorden worden aangehouden ongeacht de kwaliteit van de
uitspraak van de persoon die het woord gebruikt.
De d is niet de meest uitgebreid gebruikte letter, ook niet in
deze
encyclopedie, maar zij is als beginletter toch verbonden aan een
aantal bijzonder interessante onderwerpen. Bekende landen met
een d
als beginletter zijn bijvoorbeeld het verre Denemarken maar ook
het
Caribisch eiland, waarvan de bewoners nu een belangrijke
bevolkingsgroep vormen op Curaçao: De Dominicaanse Republiek.
Met
een d als beginletter is ook de naam van de hoofdpersoon uit het
bekende Oud-Bijbelse verhaal David tegen Goliath.
Een
andere bekende personage uit de wereldgeschiedenis met een d als
de
eerste letter van zijn (achter)naam is de gewezen Franse
president
Charles De Gaulle, die als soldaat nog de D-Day meemaakte, de
grote
dag die het begin van de geallieerde invasie van Frankrijk
inluidde
en daarmee het einde van nazi Duitsland. Met een d als
beginletter
is de meest populaire staatsvorm van de 20ste eeuw, de
democratie en
ook die van de staatsvorm die in de vorige eeuw het meeste werd
verworpen de dictatuur. En ter ontspanning is er de domino-spel
of
wellicht liever het spel der liefde, die op uitstekende wijze
werd
begrepen door de beruchte ridder van de hoffelijkheid: Don Juan.
@: Daal, Luis Henrique Placido / @: Luis
Daal
(Curaçao 5 oktober 1919) Curaçaosch letterkundige, die zich
zowel
van de Spaanse taal als van het Papiamentu bedient en nauwe
verwantschap vertoont met de exponenten van de zogenaamde
Spaanse
school (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). In 1984
werd
hem de chapi di plata
(de
zilveren hak) uitgereikt (zie @: Fundashon Pierre Lauffer).
Werken:
- Proza:
- Palabras intimas (1951);
- Estampas Españolas (1951);
- Poëzie:
- Kosecha di Maloa (1963);
- Ku awa na wowo (1971);
- Sinfonía di speransa (1973);
- Bloemlezing:
- Na ora oradu / Te juister stonde
(1976)
(vertaling Fred de Haas).
- Lit.: J. Terlingen, Lengua y literatura Españolas en las
Antillas
Neerlandesas (1961).
@: Dagbladpers
zie @: Pers.
@: Daimari
Baai aan de nagenoeg onbewoonde noordkust van Aruba, bekend om
de
ongerepte natuur.
@: Dal pega
(Mentzelia aspera) of amor
falsu, mora,
pegapega, pegasaya shimaron, pèchipèchi.
Plantesoort uit . de familie der Loasaceae. Laag, vaak
neerliggende
plant met zachte, stekel- en haakvormige haren; de delen blijven
gemakkelijk aan huid en kleren vastzitten; bloemen geel.
Onkruid,
vooral langs wegbermen en op onbebouwde terreinen. Benedenwindse
Eilanden.
@: Dama di anochi
zie @: Cactussen.
@: Damas Antiyanas, Organizacion social
i
cultural di
Opgericht in 1963, met als doel het ontwikkelen op sociaal en
cultureel gebied van de Antilliaanse vrouw, in het bijzonder de
gehuwde vrouw. Dit doel tracht men te bereiken door het
organiseren
van discussieavonden, het houden van lezingen, het geven van
ontwikkelingscursussen o.a. in koken, bloemen schikken, naaien
enz.
Thans (1983) 48 leden. De vereniging is aangesloten bij de General Federation of Women’s
Clubs
te Washington, D.C., Verenigde Staten.
@: Dammen
Reeds van oudsher werden voornamelijk op de Benedenwindse
Eilanden
dammen gebouwd om het bovengronds afstromend regenwater tegen te
houden en tot infiltratie in de bodem te dwingen. Dit trachtte
men
als volgt te bereiken:
1. Door het construeren van een serie kleine aarden
contourdammen (faha),
die
op korte afstand van elkaar gelegen zijn, teneinde een
gelijkmatige
indringing van het regen water over een groot terrein te
verkrijgen.
2. Door het construeren in rooien van geïsoleerde zware
aarden
dammen, die plaatselijk grote hoeveelheden regenwater
vasthouden,
waarbij het water soms maandenlang achter de dam blijft staan.
Deze
dammen hebben een aangedrukte kleikern waaromheen het damlichaam
van
verweerde diabaasgrond wordt opgebouwd. Ze zijn voorzien van een
overloop (sakadó).
3. In sommige plantages treft men nog kleine stenen dammen
aan
waarvan het talud (kustis) en de kruin
(kòpi) uit gemetselde
natuurstenen bestaan.
De reservoirs achter de dammen zijn vaak
in
de loop der tijden dichtgeslibd. De snelheid van het water dat
tijdens en na zeer intensieve regenbuien door de rooien naar zee
stroomt, wordt door deze dwarsdammen sterk vertraagd. Daarbij
wordt
de infiltratie van het regen water in de bodem bevorderd - ter
aanvulling van het ondergronds waterreservoir - en een
bovengronds
drinkwaterreservoir voor het vee geschapen. Proeven hebben
aangetoond dat na een regenperiode achter de dam een verhoging
van
de grondwaterstand ontstaat, die zich als een golf in de
richting
van de zee beweegt met een snelheid van 10-20 meter per etmaal.
Op
Aruba, waar men deze dammen tanki
noemt, is de infiltratiecapaciteit van de bodem
veel
geringer dan op Curaçao, zodat het effect op de grondwaterstand
klein is. Daar worden echter, achter het zich voornamelijk door
verdamping terugtrekkende water, in de vochtige kom
rankvruchten,
bonen of sorghum geplant. (Zie ook @: Bodemerosie).
@: Dampanchi
zie @: Aplidam.
@: Dandé
Een soort serenade,
die
op Aruba tijdens de jaarwisseling door een groep muzikanten en
een
zanger huis aan huis wordt gebracht. Sedert 1974 vindt het
zogenaamde dande-concours
plaats tussen de dande-groepen uit de verschillende wijken. De
dande-groep bestaat meestal uit vijf of zes personen met tambú, gitaar, maraka’s, wiri en
gezang.
Uit dank wordt door de bezochten een kleine geldelijke bijdrage
in
de hoed of pet van de zanger gedeponeerd.
@: Dans
Er kunnen verschillende genres worden onderscheiden, waaruit
door
onderlinge fusie weer nieuwe vormen kunnen ontstaan. De
belangrijkste genres zijn dansen van Afrikaanse, van Europese en
van
Latijns-Amerikaanse afkomst. Voorts erotische dansen en dansen;
die
gemakshalve als specifieke dansen worden gekwalificeerd.
Van Afrikaanse oorsprong zijn
ongetwijfeld
de tambú, de tumba en de seú (simadan). De Europese
origine is aantoonbaar in de wals, de mazurka, de polka en de
figuurdansen
als polonaise, quadrille, bail’e
sinta (baile di sinta), lancier en escoseaise (zie ook @:
Grupo Folkloriko).
Reeds
in de 19de eeuw heeft de danza
- van Latijns-Amerikaanse oorsprong - ingang
gevonden
terwijl er in de 20ste eeuw sprake is van zowel
Latijns-Amerikaanse
als van internationale invloeden: Cubaanse rumba, Dominicaanse
merengue,
Braziliaanse
carioca, Venezolaanse
joropo en jazz. Tarai, gedanst op
muziek
van de ka’'i oru (kaha di
orgel),
wordt vooral door de erotiek gekenmerkt. Tot de
groep
van specifieke dansen behoren de Antilliaanse balèt krioyo, de
expressieve dansen en het klassiek-, modern- en jazzballet.
De Antilliaanse balet krioyo is een
dans,
gebaseerd op uitsluitend Antilliaanse muziek, waarvoor speciale
choreografie gemaakt wordt, niet alleen om de Antilliaanse
muziek
los te maken van de folklore maar ook tot meerdere glorie van
deze
muziek als kunstvorm. De Antilliaanse expressieve dansen zijn
die
dansen die met Antilliaanse choreografie Antilliaanse
eigenschappen,
voornamelijk van Afrikaanse oorsprong, uitdrukken met behulp van
moderne choreografie onder vooral Amerikaanse invloed.
De belangstelling voor het (Europese)
ballet
is vooral na de Tweede Wereldoorlog steeds meer gegroeid mede
door
de culturele centra, in het leven geroepen onder stimulans van
de
Sticusa. Aan
de
balletcursussen en -scholen, waar zowel het klassieke als het
moderne ballet wordt onderwezen, georganiseerd of geleid in de
laatste decennia, zijn de namen verbonden van o.a. Estelle Debrot-Reed, Lucy
Jurgens,
Tatjana Radier, Carlos Sillié, Cocky van Oost
en
Astrid Salazar.
Bijzondere vermaardheid hebben op Curaçao de balletscholen Les Sylphides en Ecôle de Danse. Dolly Paiken-Becher,
die
haar opleiding ontving aan de Adelphi University in
New
York, is aan beide scholen verbonden en geeft ook les aan de
balletschool van de Fundashon
Kultural Band’abou. Op Aruba de Arubaanse dans- en balletschool
en Simadanza. In januari
1982
werd door May Green
opgericht het St. Maarten Dance
and
Exercise Centre, dat balletlessen geeft aan
leerling en van aIle leeftijden.
- Lit.: E. R. R. Palm, Muziek en dans, in: Cultureel Mozaïek van
de
Nederlandse Antillen (1977).
@: Dansorkesten
Tegen het einde van de 19de eeuw was hèt orkest dat de
Antilliaanse
dansmuziek bracht, dat van Wawa
Scholtz op Curaçao, bestaande uit viool,
fIuit,
gitaren en slagwerk (wiri,
triangel,
matrimonial en trom). Latere ensembles waarin
leden van de muzikale familie
Palm
een belangrijke rol speelden, bevatten ook
klarinet
en piano. Na de Eerste Wereldoorlog waren o.a. de dansorkesten
van
Carlos Hurtado en van
Doys Sillé bekend. In
de
1930er jaren ontstonden de konhunto’s, de combo’s, de tipiko’s, sextetos, quintetos, kwartetos
en trio’s.
Heden ten dage bestaan er op de Antillen ruim zestig diverse
dansorkesten. Naast een grote diversiteit vooral in ritmische
instrumenten moet vooral opgemerkt worden, dat de kwaliteit van
de
muziek sterk is gestegen doordat er onder de musici een gezond
streven is naar meer muzikale kennis (zie Fundashon Instituto di
Musika; Muziekacademie). Violen en fIuit
worden
alleen nog maar gebruikt in één Curaçaos ensemble, Corsow d’antaño, dat
tracht
de sfeer van een vervlogen tijd te doen herleven. (Zie ook Muzik di zumbi).
@: Danza
Een driedelige dans in tweekwartsmaat, waarvan de introductie of
chaine groepsgewijs
wordt
gedanst. De chaine, in de Portoricaanse danza en
Dominicaanse merengue
paseo genaamd, is
ontleend aan de quadrille. De beide
andere
delen, resp. slepend en opgewekt, zijn sterk gesyncopeerd. De
ritmische kernfiguur is de zogenaamde cinguillo, een triool
gevolgd door twee achtsten. Om het juiste effect te bereiken
dient
men de triolen echter gedragen te spelen, zodat in feite vijf
gelijkwaardige tellen in een tweedelig keurslijf worden
gewrongen
(zie ook @: Tumba).
@: Datu
zie @: Cactussen.
@: Datura
Plantengeslacht uit de familie der Solanaceae, waarvan een
drietal
soorten in de Nederlandse Antillen gevonden wordt:
• Yerba stinki
(Datura metel)
of
fire weed, hoog kruid
met
rolronde kortbehaarde stengels; bladeren groot, kortgesteeld;
bloemen met witte, trompetvormige, 13-16 cm lange kroon,
alleenstaand in de vorkachtige vertakkingen; vrucht bijna
bolvormig
met lange stekels. Afkomstig uit tropen van de Oude Wereld.
Onkruid.
Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
• Fire weed
(Datura
stramonium), kruid,
met grote langgesteelde bladeren; bloemen met licht-lila,
trompetvormige kroon, rechtopstaand in de vorkachtige
vertakkingen;
vrucht met stekels. Inheems in tropisch Amerika. Bonaire en
Bovenwindse Eilanden.
• Fire weed
(Datura
fastuosa), hoog
kruid met grote bladeren; bloemen in de vorkachtige
vertakkingen,
met zeer lange trompetvormige bloemkroon die aan buitenzijde
violet
en aan binnenzijde witachtig is, kelk purper. Gekweekte
variëteiten
met witte, rode, blauwe en gele bloemen. Afkomstig uit India.
Bovenwindse Eilanden.
@: Davelaar, Frank Lucio / @: Frank
Davelaar
(Curaçao 13 mei 1928), leraar Spaans, bekend tenor, oprichter
van
het koor Orfeon
Crescendo, treedt regelmatig op als zanger
met de
door John Eric Gorsira
opgerichte Curaçao
Camerata. Voorzitter van de Stichting Comite
Jeugdconcerten, die op Curaçao concerten van
buitenlandse en lokale artiesten organiseert, waarbij hij uitleg
geeft aan de schoolgaande jeugd.
Wrk.: Samen met Sidney M. Joubert: Textos y preguntas.
Eindexamens
Spaans B.A.V.a. (1982); Texto y preguntas II. Eindexamens Spaans
v.w.a. (1983).
@: Debrot, Nicolaas (Colá) / @: Colá
Debrot

(Bonaire 4 mei 1902 - Laren (Ned.) 2 december 1981) studeerde
rechten en medicijnen te Utrecht en Amsterdam. Oefende de
algemene
medische praktijk uit in Amsterdam en op Curaçao. Bekleedde
sedert
1950 verschillende regerings- en ambtelijke functies. Was
o.m.
lid van het College van Algemeen
Bestuur en Algemeen Vertegenwoordiger van de
Nederlandse Antillen in Nederland. Na de
inwerkingtreding van het Statuut
is hij tot 1 augustus 1955 Gevolmachtigde Minister
van
de Nederlandse Antillen geweest, waarna hij directeur van het
Kabinet van zijn opvolger werd. In 1958 bovendien lid van de
Raad van State van het
Koninkrijk
in buitengewone dienst. Van 1962-1970 Gouverneur
van
de Nederlandse Antillen. Had aandeel in de totstandkoming van
het
Statuut als lid van de Antilliaanse delegatie naar de Ronde Tafel Conferentie
van
1952-1954. Was enige malen lid van de Nederlandse delegatie bij
de
Verenigde Naties.
Onder de schrijversnaam Colá
Debrot
kreeg hij op letterkundig gebied bekendheid zowel
door creatieve als redactionele arbeid. Door zijn novelle
Mijn
Zuster
de Negerin (1935)
kan hij worden beschouwd als een voorloper van de
Nederlandstalige
literatuur in de Nederlandse Antillen. Als lid van de redactie
van
het Nederlandse tijdschrift Criterium (1940-1942)
legde
hij vooral belangstelling aan de dag voor de tegenstellingen
tussen
de eigentijdse stromingen. In de Antilliaanse Cahiers
heeft
hij vooral aandacht geschonken aan de systematiek en
meertaligheid
van de literatuur in de Nederlandse Antillen. De Colá Debrotprijs
is
naar hem genoemd. (Zie @: Letterkunde in de Nederlandse
AntiIlen; @:
Geneeskunde).
Werken:
Proza:
- De Mapen (Forum II, 1933, 8-9-10);
- Mijn zuster de negerin (1935;
1975);
- Bid voor Camille Willocq (1946);
- Bewolkt Bestaan (1948; 1978);
- Dagboekbladen uit Genève (1963;
1977);
- De Vervolgden (postuum 1982)
Poëzie:
- Bekentenis in Toledo (1945);
- Navrante Zomer (1945);
- De Afwezigen (1952);
- Tussen de grijze lijnen
(1976)
Toneel:
- De Automaten (1940);
- Bokaal aan de lippen (1950);
Diversen:
- Ars et Vita (met Gerard Knuvelder
1946);
- Literature of the Netherlands
Antilles
(1964) -
- In voorbereiding: Verzameld Werk,
waarin o.m. een groot aantal verhalen en essays.
Literatuur:
- G. Knuvelder, Handboek tot de
moderne
letterkunde (1954, '1964);
- J. de Roo, Antilliaans literair
logboek
(1980);
- R. E. Severing, Enkele aspekten van
de
roman Bewolkt Bestaan (1979).
@: Decentralisatie
Autonomie (zelfwetgeving) en
zelfbestuur,
termen die in het Nederlandse staatsrecht hun eigen specifieke
betekenis hebben, worden in de Nederlandse Antillen min of meer
als
synoniemen gebruikt om overdracht van taak en bevoegdheden van
het
centraal gezag op lagere gemeenschappen aan te duiden (zie @:
Eilandenregeling) en niet minder voor het verkrijgen van grotere
zelfstandigheid voor de Nederlandse Antillen. Het streven is
ontstaan als reactie op de in het verleden sterk
gecentraliseerde
bestuursvorm.
Sedert de 1970er jaren is in de
Nederlandse
Antillen een versnelde decentralisatie op gang gebracht, mede
als
uitvloeisel van de motie van de Staten van de Nederlandse
Antillen
van 19 december 1973. In 1975 werd een Ministerie van Staatkundige
Structuur
Eilanden ingesteld, dat tot taak heeft de
zorg
van de staatkundige decentralisatie, alsmede de bevordering van
de
uitbouw van de eilandelijke autonomie. Onder het Ministerie
ressorteert het Departement
Staatkundige Structuur Eilanden, een
landsdienst
die op Aruba is gevestigd.
- Literatuur:
Concept-Decentralisatieplan Nederlandse Antillen (Uitgave
van
het Dept. Staatkundige Structuur Eilanden 1981).
@: Defensie
is meer nog dan de buitenlandse betrekkingen de
koninkrijksaangelegenheid, waarvan de zorg en de kosten in
hoofdzaak
ten laste van Nederland komen (art. 3, art. 11, 2de en 4de lid,
Statuut). In deze artikelen wordt de waarborg gegeven dat de
Nederlandse Antillen desgewenst - als een zaak die de landen
raakt -
daarin medezeggenschap hebben, bijvoorbeeld de defensie van
eigen
grondgebied (zoveel mogelijk door personen in het land
woonachtig,
art. 32) en de vaststelling van de bijdra¬ge in de kosten (art.
35).
Dienstplicht in de Nederlandse Antillen kan alleen door een
eigen
landsverordening worden opgelegd (art. 31). Vordering in
eigendom,
inkwartiering, enz. kan alleen met inachtneming van bij rijkswet
te
stellen algemene regelen (art. 33). De staat van oorlog en beleg
kan
de Koning alleen verklaren op de wijze bij of krachtens rijkswet
te
bepalen (art. 34). Dat waar mogelijk de landsorganen bij de
behartiging van koninkrijksaangelegenheden worden ingeschakeld,
bIijkt ook uit de bepalingen van artt. 135-138 StaatsregeIing,
die
in hoofdzaak overeenstemmen met het Statuut. Zij zijn aangevuld
met
de ‘defensiewet voor de
Nederlandse
Antillen’ (Str. 1955, nr. 138, P.B. nr. 34),
de
voormalige artt. 135-138 gelicht uit de landsregeling van 1950.
De
defensiewet is een rijkswet en mag dus - anders dan de
Staatsregeling - niet bij landsverordening worden gewijzigd. De
defensiewet bepaalt o.m. dat alle dienenden bij de krijgsmacht
in
dienst zijn van het Koninkrijk; dat de officieren door de Koning
worden benoemd; dat bij landsverordening, overeenkomstig bij
rijkswet te stellen algemene regels, de voorwaarden worden
vastgesteld waarop wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling
van
dienst wordt verleend en dat het militaire strafrecht bij
rijkswet
wordt geregeld. De leiding van de defensie berust bij het
departement van Defensie. Voor de gebeurtenissen in de beide
wereldoorlogen, zie @: Geschiedenis: jongste periode (Curaçao,
Aruba, Bonaire en Bovenwindse Eilanden); zie ook Luchtmacht,
Koninklijke; Marine, Koninklijke; Militie.
@: Delfstoffen
In de loop der jaren zijn verschillende bruikbare delfstoffen
gevonden in de Nederlandse Antillen, maar slechts enkele konden
op
economische schaal worden gewonnen.
@: Fosfaat: Het
belangrijkste
is fosfaat, ontdekt op Klein Curaçao, Aruba en Curaçao, in
respectievelijk 1871, 1873 en 1874. De guano- en
guanofosfaat-afzettingen van Klein Curaçao zijn uitgeput. Op
Aruba
zijn de rijke calciumfosfaatbeddingen afgegraven. Curaçao
produceerde nog tot 31 augustus 1979 (zie @: fosfaat). De
fosfaat
van Aruba en Curaçao was oorspronkelijk (pleistocene) kalksteen,
die
is omgezet in tricalciumfosfaat door oplossingen met fosforzuur,
afkomstig van eertijdse afzettingen van zeevogel-guano. Kleinere
fosfaatafzettingen in grotten, ontstaan uit vleermuis- en
konijnguano komen veel voor op de eilanden, werden vroeger wel
weggegraven maar zijn thans niet meer economisch te
ontginnen.
Goud en
zilver:
Bleken economisch onbelangrijker dan fosfaat. Zij komen
voornamelijk
voor op Aruba en zijn periodiek ontgonnen, tussen 1824 en 1916,
door
de plaatselijke bevolking, de regering en verschillende
maatschappijen. Van 1946 tot 1948 heeft de Aruba Mines Operating Company
nog een diepgaande exploratie verricht maar
verdere
winning bleek niet mogelijk. Goud en zilver komen vooral voor in
de
kwartsgangen aan de rand van de tonalietbatholiet. In het begin
van
de 19de eeuw is ook een weinig alluviaal goud gewonnen van
placers.
Koper: Komt op Aruba en Curaçao in zeer geringe
hoeveelheden voor. Mangaan en ijzer komen voor op St. Maarten
nabij
het contact tussen de Point BIanche-formatie en de dioriet.
Winning
is geprobeerd in 1897, 1899 en 1900 maar bleek te duur te zijn.
Ook
de mangaanwinning in de Kniplagen van het Washingtonpark op
Bonaire
is bij een aanzet gebleven.
Titaanmagnetiet en ilmeniet
komen in vrij grote hoeveelheden voor in het zand
van
het strand en de nabije ondiepe zeebodem van St. Eustatius. Ze
zijn
een zwaar residu van andesitische tuffen, geconcentreerd door de
brandingswerking. Economisch zijn deze zanden tot nu toe
onaantrekkeIijk.
Zwavel komt voor op Saba nabij Hell’s Gate als
een
afzetting van een nu niet meer werkzame solfatara. Het is
gewonnen
in 1875-1876. De hoge kosten van winning en transport,
voornameIijk
veroorzaakt door de afgelegen ligging, maakten economische
winning
onmogelijk.
Gips is aanwezig op Saba en St. Eustatius in
kleine afzettingen van post-vulkanische oorsprong.
Puimsteen
komt in vrij grote hoeveelheden voor op St.
Eustatius. Na enige verschepingen in 1934 en 1935 werd de
winning
gestopt. Belangstelling voor puimsteen als bestanddeel voor
beton
met een laag soorteIijk gewicht gaf aanleiding tot verdere
exploratie in 1965; de winning tot op heden is op kleine schaal,
verscheping is kostbaar en moeilijk.
Aardolie
zou in de
zeebodem rondom de Benedenwinden
voor kunnen komen. Met name het gebied bewesten Aruba vertoont
volgens de resultaten van de geofysische verkenning gunstige
structuren. Boringen zijn daar nog niet geslagen; wel op de
Sababank, maar daar is geen aardolie mee aangetoond.
Zijn de Nederlandse Antillen dus niet
rijk
aan hoogwaardige delfstoffen, wel zijn aanwezig en worden ten
dele
gewonnen en gebruikt kalksteen, mergel, leisteen, klei, zand en
vulkanische tuffen. Deze zijn belangrijk als basismateriaal voor
fundaties, beton, cement, stenen, tegels, aardewerk. Aruba,
Curaçao,
Bonaire en St. Maarten hebben uitgestrekte afzettingen van
kalksteen. Mergel en kleien worden gevonden op Curaçao en
Bonaire;
diorietzand op Aruba en St. Maarten. Vulkanische tuf is algemeen
op
St. Eustatius en plaatselijk op Curaçao. (Zie voorts @:
Mijnbouw).
Literatuur:
J. H. Westermann, Overzicht van de
geologische en mijnbouwkundige kennis der Nederlandse Antillen
(1949), Meded. Kon. Ver. Indisch Instituut, Amsterdam, nr.
85.
@: Democratische Partij (@: DP / @:
D.P.
Staatkundige partij op Curaçao, opgericht 1944. Beginsel:
erkenning
van het vrijheidsbeginsel als grondslag van staatsbeleid, t.w.
vrijheid van het woord en geloof en vrijdom van gebrek en vrees;
staatkundige burgerrechtelijke economische gelijkstelling van
man en
vrouw en het recht van een ieder, ongeacht ras, geloof of
geslacht,
te streven naar materiële en geestelijke ontwikkeling onder
voorwaarden van volledige vrijheid, waardigheid, economische
zekerheid en gelijke kansen. Programmapunten: verruiming
werkgelegenheid, samenwerking met landsregering, bevordering
industrialisatie, toerisme, woningbouw, algehele herziening
onderwijs, hulp buurtcentra, jeugdinstellingen en sport.
Politieke
werkzaamheid:
E.
Jonckheer
ondertekende in 1954 voor de Nederlandse Antillen
het
Statuut en was
sindsdien
premier en minister van Algemene Zaken tot 1968, toen hij werd
opgevolgd door C. D.
Kroon; andere ministeriële functies werden
vervuld door S. v.d. Meer, R.J.
Isa,
J.A.O. Bikker en O.R.A. Beaujon. In 1971
splitste de heer C. D. Kroon zich af van de D.P. en richtte de
politieke partij Movemento pa
Adelanto Social Antillano (M.A.S.A.) op. In
1975
vond er wederom een afsplitsing plaats. De nieuwe partij ging
onder
de naam Partido Social
Democratico
(P.S.D.) de verkiezingen in.
In 1982 richtte S.G.M.
Rozendal, die sedert 1970 leider was van de
D.P.,
een eigen partij op onder de naam Union. Bij de
Statenverkiezingen van 1982 behaalde de D.P. drie zetels en bij
de
eilandsraadverkiezingen van 1983 5 zetels. Leider van de partij
is
thans Agustin
Diaz.
@: Democratische Partij Bonaire, @: Partido Democratico
Boneriano
(@: PDB / @: P.D.B.)
Staatkundige partij op Bonaire, opgericht 1953 door wijlen J. A. Abraham. Doel:
Behartiging belangen van Bonaire en economische verheffing van
het
eiland zodat het financieel-economisch op eigen benen kan staan.
Programmapunten: samenwerking met centrale regering en met
eilandgebieden Aruba, Curaçao en de Bovenwinden, bevordering van
industrie, werkgelegenheid, toerisme, volksgezondheid;
stimuleren
van visserij en aloëcultuur; erosiebestrijding, stimuleren van
volksontwikkeling en cultureel leven, natuurbescherming.
Bij de eilandsraadverkiezingen van 1983 behaalde de partij 5
zetels.
Leider van de partij is thans J. (Jopie) Abraham, een kleinzoon
van
de oprichter.
@: Democratische Partij Bovenwindse
Eilanden
(D.P.)
Staatkundige partij op de Bovenwindse Eilanden, opgericht 1954.
Politieke werkzaamheid: sinds 1954 bezit de D.P. de meerderheid
in
de Eilandsraad St. Maarten. Sinds 1962 is voorzitter A.C. Wathey, lid der
Staten
van de Nederlandse Antillen. Bij de Statenverkiezingen van 1982
behaalde de partij een zetel en bij de eilandsraadverkiezingen
van
1983 5 zetels.
@: Demografie
zie @: Bevolking.
@: Dengue
Knokkelkoorts of ‘de vijfdaagse’ is een acute, meestal niet
dodelijk
verlopende infectie met een arbovirus, dat wordt overgebracht
door
de steek van een muskiet, Aedes aegypti. De ziekte wordt
gekenmerkt
door koorts die enkele dagen duurt maar gepaard gaat met heftige
pijnen in spieren en gewrichten en soms aantasting van de lever.
De
ziekte werd reeds in 1920 gesignaleerd en trof vooral nieuw
aangekomen westerlingen. In 1963-1964 en in 1968-69 trad dengue
op
grote schaal op in het gehele Caribische gebied. In 1963-'64
werd
niet zelden een aantasting van de lever waargenomen. Bij de
epidemie
van 1968-69 was het verloop zeer ernstig en kwamen er inwendige
bloedingen voor. De gelijkenis met gele koorts een andere
arbovirusziekte - wordt daardoor opvallend. (Zie Arbovirussen;
Gele
koorts; Muggen).
Literatuur:
- A. van der Sar, Dengue haemorrhagic
fever on Curaçao (1972);
- L.W. Statius van Eps, Report on
dengue
fever epidemic in Curaçao (1964).
@: Dentera
zie @: Antríol.
@: Departementen in Nederland
zijn de bureaus waarover de overheidstaak is verdeeld en die
ieder
onder leiding staan van een minister. De Nederlandse Antillen
hebben
als regel alleen bemoeienis met de ministeries van Buitenlandse
Zaken en van Defensie en voornamelijk met het ministerie voor
Nederlands-Antilliaanse Zaken. Incidenteel contact met andere
departementen zal b.v. voorkomen bij het sluiten van
internationale
economische of financiele overeenkomsten, een lening, of als
overleg
gepleegd wordt over wederzijdse erkenning van
onderwijsdiploma’s,
enz.
In de Nederlandse Antillen bestaan 12 ministeries (P.B. 1978,
no.
198). Een minister is als hoofd van een of meer ministeries
belast
met de leiding daarvan. Onder een ministerie ressorteren een of
meer
departementen, diensten of bureaus.
@: Depressie
of lagedrukgebied is - in meteorologische terminologie - een
gebied,
waarin de luchtdruk lager is dan in de omgeving. Een
lagedrukgebied
kan min of meer permanent aanwezig zijn (zoals b.v. de doldrums,
het
lagedrukgebied bij de evenaar) of kan een baan beschrijven. De
voornaamste depressiegebieden liggen in de gematigde breedten
tussen
35° en 65° N.Br. en Z.Br. Depressies in de gematigde breedten
betrekken de voor ontwikkeling en instandhouding benodigde
energie
merendeels uit tegenstellingen van temperatuur en vochtigheid
van
luchtmassa’s en zijn veelal gekoppeld aan een frontensysteem. De
structuur en uiterlijke verschijningsvorm daarvan op radar- en
satellietbeelden zijn duidelijk verschillend van een tropische
depressie - een lagedrukgebied met een gesloten windcirculatie,
gevormd in de tropen of subtropen - die de benodigde energie
verkrijgt uit de latente condensatiewarmte van in de lucht
opgenomen
waterdamp. Tropische depressies bestrijken in het algemeen een
veel
kleiner gebied dan de depressies op de gematigde breedten, maar
veroorzaken door een groot drukverval van buiten naar het
centrum
van de depressie een zeer sterke wind. Is de maximum
windsnelheid
daarbij boven de 17 m/s, dan wordt de depressie geklassificeerd
als
tropische storm en
met
een maximum windsnelheid boven 33 m/s spreekt men van een orkaan.
@: Deramento di gai
(letterlijk vertaald: begrafenis van de haan) is een oud
volksfeest
met bijbels motief, dat op Aruba op de feestdag van St. Jan (24
juni) wordt gevierd. Vroeger koos men hiervoor de 29e juni (de
feestdag van Petrus en Paulus) omdat de handeling beschouwd werd
als
een wraakneming op de beruchte haan, die in het lijdensverhaal
met
Petrus wordt geassocieerd. Aangezien op de feestdag van St. Jan
al
volksfeesten werden gehouden zoals bula San Wan waarbij
mannen, aangemoedigd door gezang en muziek, een sprong over in
brand
gestoken houtmijten moeten wagen, is de deramento di gai naar
de
24e verschoven. Midden op een veld wordt een haan in een kuil
gestopt, zodat alleen de kop van het dier boven de grond
uitsteekt.
Een van de dansers moet gewapend met stok of knuppel
geblinddoekt
trachten de kop van de haan te raken. Uit ethisch oogpunt krijgt
de
haan thans een kalebas over de kop. De ceremonie wordt begeleid
door
folkloristische zang en muziek. De vrouwen kleden zich in het
geel,
de mannen dragen gele dassen en de kinderen een geel strikje
(geel
is de kleur van de kibrahacha
die vooral in juni in volle bloei staat). Vooral
de
Conhunto Folklorico Arubano
heeft zich ervoor beijverd deze traditie in ere
te
houden.
@: Derechos Antillianos
zie @: Handel: geschiedenis.
@: Dertig mei 1969 / @: 30 mei 1969
Op 30 mei 1969 deden er zich ernstige ongeregeldheden voor op
het
eiland Curaçao. Aanleiding hiertoe was een slepend
arbeidsconflict
tussen de directie van het constructiebedrijf Wescar N.V.
(dochtermaatschappij van Werkspoor) en de Curaçaose Federatie van Werknemers
(C.F.W.), de vertegenwoordigers van de
arbeiders
in dat bedrijf. Wescar verrichtte constructiewerkzaamheden voor
de
Shell, maar betaalde zijn arbeiders minder dan hun collega’s in
dienst van de Shell, met wie zij op het fabrieksterrein zij aan
zij
samenwerkten. De arbeiders bij de Wescar vroegen daarom bij de
C.A.O.-onderhandelingen gelijk loon voor gelijksoortig werk.
Gebonden aan een bepaalde aanneemsom kon Wescar daar niet zonder
meer op ingaan. De vastgelopen onderhandelingen leidden tot een
staking bij Wescar, later gesteund door adhesie-betuigingen en
sympathiestakingen bij verschillende bedrijven, o.a. bij de
Shell.
In de nacht van 29 op 30 mei verzamelden de stakers, inmiddels
uitgegroeid tot 4000 man, zich bij een van de belangrijkste
fabrieksingangen van de Shell (Post V) om eventuele
stakingsbrekers
tegen te houden. Later zette de groep zich in beweging op weg
naar
de stad om bij de regering te protesteren. Tijdens deze mars
begonnen er zich ongeregeldheden voor te doen; bij verschillende
zaken langs de weg werden er vernielingen aangericht en werd er
geplunderd. De mars eindigde met plundering, vernieling en
brandstichting in het centrum van de stad; Willemstad bleef
gehavend
achter.
30 mei 1969 heeft een diepgaande
politieke
nasleep gehad; de regering van de Democratische Partij met aan
het
hoofd Mr. Dr. Efraim Jonckheer trad af en de
volksvertegenwoordiging
werd ontbonden. Het betekende het einde van de D.P. hegemonie in
het
politieke systeem van het eiland. Aan de verkiezingen die hierop
volgden werd door de pas opgerichte partij Frente Obrero i Liberacion 30
di
mei voor het eerst deelgenomen (zie
@:
Frente Obrero).
- Lit.: Dertig mei 1969
(1970).
@: Desú
is de aanduiding voor een kind dat na een tweeling uit
dezelfde moeder wordt geboren. De desú heeft alle
magische
eigenschappen van de ohochi
(tweeling), maar in aanzienlijk sterkere
mate.
@: Detailhandel
zie Handel: indeling en aard; Handel: binnenlandse
handel.
@: Deurwaarders
zijn openbare ambtenaren, ieder in zijn ressort bevoegd en
gehouden
tot het doen van alle gerechtelijke aanzeggingen,
bekendmakingen,
protesten en verdere exploiten, hetzij die al dan niet met een
aanhangig rechtsgeding in verband staan, en het doen van
dagvaardingen, insinuaties en betekeningen alsmede van exploiten
ter
uitvoering van rechterlijke bevelen en vonnissen, een en ander
voorzover zulks niet bij uitsluiting aan anderen is opgedragen.
Zij
handhaven onder de bevelen van de president respectievelijk de
rechter in Eerste Aanleg
de
orde op de terechtzittingen. Een en ander is geregeld bij Besluit van de 15de mei 1945
houdende
regeling van de aanstelling en ambtskleding van
deurwaarders
in Curaçao.
@: Deutekom-Schutte, Zr. Hilligonda
Alida
Magdalena
(Amsterdam 3 maart 1905-Curaçao 24 februari 1967). Verpleegster
en
filantrope. Verzorgde onder moeilijke omstandigheden een groot
aantal behoeftige ouden van dagen, vanaf 1962 op Villa Maria, het
landgoed
dat wijlen M. J.Hugenholtz
haar voor dit goede doel naliet.
@: Deviezen
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.
@: Diabaas
Verouderde naam voor basalt: een lavagesteente voorkomende op
Aruba,
Bonaire, Curaçao (zie @: Geologie).
@: Dia di himno i bandera
zie @: Statuutdag.
@: Dialecten
Deze term wordt hier gebruikt in zijn neutrale betekenis van
‘varianten’. Naar de Benedenwindse Eilanden Curaçao, Aruba en
Bonaire waar het Papiamentu
gesproken wordt, kunnen de dialecten ervan in
drie
geografisch bepaalde groepen onderverdeeld worden. Het
gemakkelijkst
zijn deze te onderscheiden door de zinsmelodie. Maar er zijn
meer
herkenningspunten aan te wijzen, waarvan hier enkele genoemd
worden:
• het systeem van lexicale tonen
(zie
@: Papiamentu: structuur; Toontalen) vertoont van eiland tot
eiland
geringe verschillen;
• de samentrekkingen zijn niet identiek in de drie groepen;
• er zijn op het gebied van het vocabulaire
eilandspecifieke
woorden aan te wijzen.
• Op elk der drie eilanden vindt men weer regionale
dialecten.
• Alle varianten van het Papiamentu zijn onderling
verstaanbaar.
De varianten van het Engels die op de
Bovenwindse Eilanden worden gesproken, ook de meest van de
standaardtaal afwijkende, worden over het algemeen als dialecten
van
het Engels aangeduid.
@: Dialoog
Literair genre van ironische en sarcastische samenspraken in het
bijzonder door Papiamentse auteurs beoefend.
@: Diario
zie @: Pers.
@: Dienstbetrekking
Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst wordt bepaald
wanneer de
dienstbetrekking aanvangt. De algemene regelen van de
arbeidsovereenkomst zijn te vinden in artikel 1613 van het B.W.
De
dienstbetrekking voor bepaalde tijd aangegaan eindigt door het
verstrijken van die tijd. Nadien is opzegging nodig. Indien de
dienstbetrekking voor onbepaalde tijd is aangegaan, eindigt zij
op
normale wijze door opzegging met inachtneming van de
voorgeschreven
opzeggingstermijn. Indien hieraan niet wordt voldaan, ontstaat
een
schadeplicht. Zonder opzeggingstermijn en zonder schadeplicht
kan de
dienstbetrekking eindigen om dringende redenen. Deze bestaan als
redelijkerwijze van een van de partijen niet kan worden gevergd
de
dienstbetrekking te doen voortduren. In de artikelen 1615p en
1615q
van het B.W. zijn enige van zulke dringende redenen voor
respectievelijk werkgever en werknemer opgenomen. Verder kan de
rechter de arbeidsovereenkomst ontbinden om gewichtige reden en
-
meestal zal dit zijn omdat de werknemer een aanzienlijk betere
betrekking kan krijgen die onmiddellijk vervuld moet worden.
Bij de opzegging van de dienstbetrekking
moet rekening gehouden worden met twee termijnen, die echter
niet
cumulatief zijn; steeds moet de laatste gelden. De eerste is de
termijn van betaaldag tot betaaldag; deze is voor werkgever en
werknemer gelijk. De tweede is afhankelijk van de diensttijd:
voor
de werkgever één week voor elk vol dienstjaar met een maximum
van
dertien weken; voor de werknemer een week voor elke twee volle
dienstjaren met een maximum van zes weken. Houdt men zich niet
aan
deze termijnen dan wordt de schuldige partij schadeplichtig. De
schadeplicht is gelijk aan het loon over de ontbrekende tijd. De
opzeggingstermijnen kunnen bij schriftelijke overeenkomst worden
verlengd, maar niet langer dan zes maanden voor de werknemer, en
voor de werkgever steeds het dubbele van de termijn die voor de
werknemer geldt. Verkorting is slechts mogelijk bij collectieve
arbeidsovereenkomst.
@: Diensten
is in de Nederlandse Antillen de benaming voor bureaus die een
onderdeel der departementen of ministeries vormen. Het aantal en
de
omvang der diensten van het Land is sinds 1951 aanmerkelijk
ingekrompen ten gevolge van de taakoverdracht aan de Eilandgebieden. De
overdracht heeft geleidelijk aan, dienst voor dienst,
plaatsgehad
krachtens de voorschriften neergelegd in overgangsbepaling V j º
de
artt. 1 en 2 van de Eilandenregeling
Nederlandse Antillen (ERNA). Tussen 1951 en
1983
zijn 19 Overdrachtslandsverordeningen
tot stand gebracht. Voor de overgang van de ambtenaren uit de
dienst
van de Nederlandse Antillen naar de Eilandgebieden werden de
nodige
voorzieningen getroffen.
@: Dienstplicht
zie @: Defensie; Militie.
@: Dienst voor arbeidszorg
zie @: Arbeidszorg dienst voor
bazuur
@: Dierenbescherming
In 1949 werd de Vereniging tot be¬scherming van dieren op de
Nederland¬se Antillen opgericht. Er werd een die¬renasiel op
Curaçao
gebouwd voor huisdieren waarvoor een bestemming wordt gezocht.
Een
deel van de accom¬modatie wordt bovendien geëxploiteerd als
dierenpension. Voorts worden onge¬neeslijk zieke dieren er
pijnloos
uit hun lijden verlost. De middelen komen van contributies,
giften,
een jaarlijkse straatcollecte en de opbrengst uit het
dierenpension,
aange¬vuld met een overheidssubsidie. In 1969 echter moest het
asiel
tijdelijk gesloten worden wegens gebrek aan geld. Verscheidene
leden
van de vereniging doen als buitengewoon agent van politie op
Curaçao
dienst als inspecteur van de Dierenbescherming. Zij voeren o.a.
ac¬tie tegen de ‘kettinghond’ en - met suc¬ces - tegen de
traditionele massale ko¬nijnenjacht op Goede Vrijdag. In 1981
werd
de Curaçao Foundation for the Protection of Animals opge¬richt,
met
een wijder werkterrein voor ogen dan bovenvermelde vereniging.
Op
Aruba toont de Asociacion Canina di Aruba, opgericht in 1981,
belang¬stelling voor dierenbescherming naast haar specifieke
doel om
het houden en fokken van raszuivere honden te
bevor¬deren.
@: Dierentuin
zie @: Cas Corá.
@: Diergeneeskunde
wordt in de Nederlandse Antillen ver¬zorgd door de dierenartsen
verbonden aan de Veterinaire Diensten van de Ei¬landgebieden
Curaçao
en Aruba. Het diergeneeskundig toezicht heeft tot taak: wering
en
bestrijding van besmet¬telijke dierziekten; uitvoering van
wet¬telijke bepalingen bij het uitbreken van bedoelde ziekten;
toezicht en côntrôle op de in-, uit- en doorvoer van dieren en
dierlijke produkten; voorlichting en ve¬terinaire hulp aan
houders
van dieren ter verbetering van de gezondheidstoe¬stand van deze
dieren. De voornaamste veeziekten die constante aandacht ver¬gcn
of
periodiek optreden zijn:
Mond- en klauwzeer
Foot- and mouthdisease of fiebre aph¬tosa, een zeer
besmettelijke
virusziekte van spleethoevige dieren, voornamelijk van
herkauwers en
varkens. Op Aruba werd deze ziekte voor het eerst ge¬constateerd
in
1953, vermoedelijk inge¬voerd vanuit Colombia. Sindsdien komt
mond-
en klauwzeer periodiek voor op Aruba en Curaçao. Ondanks
preventie¬ve maatregelen als een jaarlijkse enting van het
rundvee
en het koken van alle vleesafval dat als varkensvoer gebruikt
wordt,
blijft het gevaar voor nieuwe epidemieën bestaan vanwege de
nabij¬heid van het vasteland van Zuid¬Amerika, waar mond- en
klauwzeer en¬zoötisch onder het vee voorkomt en vanwege de grote
aantallen loslopende geiten in de Nederlandse Antillen.
Varkenspest
komt in de Nederlandse Antillen nog steeds voor, ondanks
preventieve
enting tegen deze virusziekte en het koken van vleesafval dat
als
varkensvoer dient.
Miltvuur
(anthrax) is een ziekte die door een bac¬terie (Bacillus
anthracis)
veroorzaakt wordt. De ziekte is meestal dodelijk, zo¬wel voor
herkauwers als voor varkens. Sinds de jaren 1930-1940 is deze
ook
voor de mens gevaarlijke ziekte niet ge¬signaleerd, maar strenge
preventieve maatregelen blijven van kracht.
Schroefworm
Cochiomyia (Callitroga) hominivorax, screwworm of bichi. Deze
parasiet leeft in het vlees van levende, warmbloedige dieren in
de
tropische en subtropische delen van Zuid-, Midden- en
Noord¬Amerika
en het Caribisch gebied. De schroefwormvlieg legt haar eieren
bij
schrammen en lichaamsopeningen van runderen, geiten en schapen
en
andere dieren. Bij pasgeboren dieren worden de eieren vooral op
de
navel en op de ogen gelegd. De eieren komen na enkele uren al
uit en
de maden eten zich een weg door het levende vlees van de
gast¬heer,
waarbij deze meestal te gronde gaat. In het zuiden van de
Verenigde
Staten, waar de schroefworm vaak gro¬te sterfte onder het vee
veroorzaakte, zocht men naar een middel om deze pa¬rasiet te
vernietigen. Uit onderzoekin¬gen bleek dat de vrouwtjesvliegen
slechts één keer in de loop van slechts twee dagen de paring
toelaten. Door het verspreiden van grote hoeveelheden
gesteriliseerde mannetjesvliegen gedu¬rende de paringsdagen
zouden
de copulaties steriele eitjes tot gevolg hebben, waardoor de
schroefwormvlieg zou moeten uitsterven. In 1954 werd op Curaçao,
waar vele rondzwervende geiten door de schroefwormvlieg waren
aange¬tast, door onderzoekers uit de Verenig¬de Staten een
poging
gedaan om de schroefworm door het uitstrooien van
gesteriliseerde
vliegen uit te roeien. Een¬maal per week werden per vierkante
mijl
400 steriele mannetjes van de schroefwormvlieg uit een vliegtuig
bo¬yen het eiland losgelaten. Na twee we¬ken bleek 69% van de
eimassa’s op de onderzochte geiten onbevrucht te zijn, terwijl
men
na de 12de week geen geiten meer kon vinden die met de
schroef¬worm
besmet waren. Nadien werd er 20 jaar lang geen schroefwormvlieg
meer
op Curaçao aangetroffen. Deze proef is voor de gehele wereld een
schoolvoor¬beeld geworden van de uitroeiing van schadelijke
insekten
via sterilisatie door bestraling met radioactieve bronnen
(cobalt
60). Pas in de 1970er jaren werd opnieuw de schroefwormvlieg
ge¬constateerd. Deze kleine epidemie werd met succes bestreden
door
het uitleggen van vergiftigd vlees.
Pluimveeziekten
De voornaamste pluimveeziekten die in de Nederlandse Antillen
worden
aange¬troffen zijn salmonellosen, blauwe kammenziekte, pokken,
difterie, leuco¬se en trilziekte.
Lit.: A. H. Baumhover, A. J. Bitter et al., Screw¬Worm control
through release of sterilized flies. Journal Econ. Entomol. 48,
462-466 (1955).
@: Dierenziektes
zie @: diergeneeskunde
@: Diorietformatie
Oude naam voor het op Aruba voorko¬mend complex van in de diepte
ge¬kristalliseerde magmatische gesteenten van
tonalietsamenstelling
(zie @: Geolo¬gie).
@: Dioscorea
Plantengeslacht uit de familie der Dio¬scoreaceae. Windende,
overwegend kruidachtige planten met kromnervige bladeren en
stengels
met 4 vleugels; zij hebben grote, vlezige, zetmeelrijke eet¬bare
knollen die in warme landen als min of meer belangrijk
voedingsgewas
worden gekweekt en rijst of sago ver¬vangen; knollen zijn niet
rauw
eetbaar maar worden in stukken gesneden in de soep, in stukken
gesneden gekookt, of tot een klonterige pap fijngewreven
op¬gediend.
Yam (Dioscorea alata), knollen zeer
groot,
tot 2½m en gewicht tot 100 kg. Bovenwindse Eilanden gekweekt;
Bene¬denwindse Eilanden uit Venezuela aan¬gevoerd.
Cush-cush (Dioscorea trifida), met
langwerpige knollen van 15-20cm leng¬te; Bovenwindse
Eilanden.
@: Directeurs
zie @: Bestuursregeling; @: Ge¬schiedenis: bestuurders.
@: Discriminatie
Discriminatoir gedrag ten opzichte van de gekleurde bevolking
speelt
voorna¬melijk een rol in het meer intieme socia¬le verkeer. In
politieke of godsdienstige aangelegenheden bestaat weinig of
geen
discriminatie voorzover het officiële maatregelen betreft.
Economisch is de werkgelegenheid door de komst van de
olieraffinaderijen voor het donkerge¬kleurde deel van de
bevolking
tussen 1920 en 1950 sterk toegenomen. In die periode kwamen ook
veel
immigranten de Antillen binnen. Deze immigratie had o.m. tot
gevolg
dat er een krachtig zelfbewustzijn van de autochtoon, * yu di
tera,
vis a vis vreemdelingen ont¬stond; een besef dat blank en
gekleurd
ook dichter bij elkaar bracht. De immi¬gratie bracht voorts een
zekere collectie¬ve sociale stijging voor de donkerge¬kleurde
Antilliaan met zich mee, door¬dat - vooral in het begin -
relatief
grote nieuwe etnische groepen vaak in lager sociaal aanzien
stonden.
Deze ontwikkelingen hebben de sociale voorsprong die de blanke
huidskleur geeft, verminderd, maar niet geheel doen verdwijnen.
In
dit ingewikkelde proces van economische ontwikkeling,
interetnische
relaties en cultuurcontact spelen beeldvormingen en vooroordelen
een
belangrijke ro1. Een subtiel spel van sociale contacten is
hiervan
vaak het ge¬volg, waarbij discriminatie niet noodza¬kelijk
samenvalt
met negatieve beeld¬vorming of vooroordeel. Vooroordeel is een
beeldvorming, discriminatie is een sociale handeling en als
zodanig
ervan te onderscheiden. Negatief vooroordeel zonder en mét
discriminatie en afwe¬zigheid van negatief vooroordeel in
sa¬menhang
met een discriminatoire prak¬tijk komen voor in situaties waarin
mensen voortdurend hun eigen (groeps)¬belangen tactisch
behartigen.
Zo ook in relatie tussen blanke en donkergekleur¬de Antillianen
en
tussen deze en andere groepen als Chinezen, Portugezen,
enz.
@: Dividivi
(Caesalpinia coriaria) dibidibi of watapana, plantesoort uit de
familie der Caesalpiniaceae. Boom met dubbel veervormig
samengestelde bla¬deren, waarvan de blaadjes ca. 5 x 1 mm groot
zijn; bloemen in min of meer ineengedrongen pluimen, gelig-wit,
wel¬riekend; peul sterk gekromd, ca. 5 cm lang en 3 cm breed. De
boom is vaak op grote afstand kenbaar aan zijn ‘wind¬vorm’.
Vroeger
aangeplant om de looi¬stofhoudende peul, die een belangrijk
exportprodukt vormde. De uitvoer van dividivipeulen is sterk
achteruitgegaan sinds de opkomst van de synthetische
looistoffen.
Algemeen. Beneden- en Bo¬venwindse Eilanden.
@: Dividivi shimaron
Zie @: Mata galiña
@: Djaka
of rata. De bruine rat (Rattus norvegicus) is met zekerheid
bekend
op Curaçao en Saba waar hij, zoals ook elders, vooral te vinden
is
op vochtige plaatsen, havens, riolen, vlak bij het water gelegen
huizen. Niet altijd is er een duidelijk kleurverschil met de
zwarte
of plantagerat, rata pretu (Rattus rattus), die echter kleiner
is,
een relatief langere staart (langer dan het lichaam) en grotere
oren
heeft. In de Nederlandse Antillen is de zwarte rat nooit zwart,
maar
komt in twee kleurvariëteiten voor, een lichtgrijsbruine met
scherp
afgegrensde witte buikzijde, en een donkerbruine met geleidelijk
tot
grijswit verkleurende buikzijde. Deze ratten maken ook nesten in
bomen en brengen schade toe o.a. aan aanplantingen van
maï(n)shi,
voedselvoorraden in huis en bijvoorbeeld opgeslagen kippevoer in
schuren.
@: Djampou
zie @: Grouper.
Het volgende artikel is in
Papiamentu; de Nederlandse vertaling komt
later:
@: Djaoen Gilbert "Gibi" Giselo /
@:
Gibi Djaoen
(21 mei 1958 – 28 september 1997)
Gibi Djaoen a nase dia 21 mei 1958. Dor
ku
Gibi tabata bai misa tur djadumingu, e por a kanta varios
kantika di
misa for di edad di kuater aña. Su tanta, defuntu soeur Annie
Koenraad mester a toka piano pa e kanta. Komo hóben Gibi a kanta
den
un banda chikí huntu ku poko amigu di su bario Tera Kòra.
Despues
ela kanta huntu ku Frederico Fraai den un otro banda. Ku e
kantika
"Amor den tres" Gibi a bira konosí.
Despues komo kantante di La Perfecta, Gibi a bira mas konosí,
tantu
na Antiyas komo na Hulanda. Gibi tabata dirigí kor Luz i Amor
tambe.
E tabata stima hóben, p'esei e tabatin un tim di futbol i riba
díanan liber i den vakansi e tabata invitá muchanan ku no ta tin
otro manera pa dibertí nan mes, pa nan bin su kas.
Dia 28 september 1997 Gibi a bai sosega diripiente, lagando un
bashí
grandi ku ningun hende por yena.
Despues komo kantante di La Perfecta,
Gibi a
bira mas konosí, tantu na Antiyas komo na Hulanda. Gibi tabata
dirigí kor Luz i Amor tambe. E tabata stima hóben, p'esei e
tabatin
un tim di futbol i riba díanan liber i den vakansi e tabata
invitá
muchanan ku no ta tin otro manera pa dibertí nan mes, pa nan bin
su
kas.
Dia 28 september 1997 Gibi a bai sosega diripiente, lagando un
bashí
grandi ku ningun hende por yena.
@: Djèki
zie @: Klederdrachten.
@: Djindja
zie @: Ballonvissen.
@: Djukfes
zie @: Grouper.
@: Dok Maatschappij
zie @: Curaçaosche Dok Maatschappij N.V.
@: Doktersfes
kleinfeshi of surgeonfish
(Acanthurus, 3
spec.) zwemt in scholen tussen de koralen, overal rondknabbelend
en
kleine planktondiertjes oppikkend. Hun naam danken de vissen aan
het
vlijmscherpe, porseleinwitte haakje, dat horizontaal op de
staartwortel staat en met zijn punt kopwaarts in een groeve
ligt;
die punt steekt echter nog net zover uit, dat men er zich aan
ophaalt als men de vis bij de staart beetpakt, waarbij dan het
hele
mesje te voorschijn komt zodat men aan twee vingers een snee
krijgt.
De jonge diertjes zijn vaak heel anders van kleur dan de oude:
de
blauwe blue tang bijvoorbeeld is in zijn jeugd kanariegeel. Alle
soorten hebben een mooi fluwelig waas over hun huid, dat in
gevangenschap verdwijnt zodra de dieren niet meer in goede
conditie
verkeren.
@: Dolfijn
zie @: Walvissen.
@: Domacassé, Venancio H. (‘Pacheco’) /
@:
Pacheco Domacassé
(Bonaire, 1 april 1941), hoofd van de sectie ‘Cultuur’ van de Dienst Onderwijs en Cultuur
van het Eilandgebied Curaçao, veelzijdig
kunstenaar.
Aanvankelijk zanger-gitarist heeft hij zich na oriëntatie-reizen
door Amerika, het Caribisch gebied en Europa voornamelijk gewijd
aan
het theaterleven en aan de film. Van 1971-1981 heeft hij
verschillende toneelgezelschappen opgericht zowel op Curaçao als
op
Bonaire, die vaak zelf geschreven stukken opvoeren. In zijn
Teatro di Ritmo
(1977),
gebaseerd op folklore, heeft hij getracht het eigene te
stimuleren;
in 1981 experimenteert hij met Teatro Folkloriko Kreativo waarna hij een
dansgroep opricht (Grupo
Folkloriko
Kreativo) die zowel in de Antillen als in
Noord-
en Zuid-Amerika met succes optreedt. Hij is betrokken geweest
bij
adviezen, vertaling, casting bij films als Duel in de diepte, Mijn zuster de
negerin, terwijl E pida Baranka ‘ki
(1980)
en Famia Kibni (1981)
volledig op zijn naam staan.
Werken: o.a.
- Tula (1970);
- Konsenshi di un pueblo (1973);
- Politika Kultural (1975);
- Kompa Nanzi den tòw (1980).
@: Domeinen
zie @: Eigendommen.
@: Domeingronden
zie @: Grondbezit.
@: Dominicanen
Personen afkomstig van de Dominicaanse Republiek van wie op de
Benedenwindse Eilanden en op St. Maarten vrij grote groepen
aanwezig
zijn, die zowel legaal als illegaal hier vertoeven. Deze groepen
hebben zich in de laatste twintig jaar drastisch uitgebreid
waarbij
het vrouwelijk geslacht veruit de overhand heeft boven het
mannelijk
geslacht. Bij de Census van 1981 telde men op de Nederlandse
Antillen 1.149 personen met de Dominicaanse nationaliteit,
waarvan
de overgrote meerderheid (876 personen) vrouwen waren. Dit heeft
zeker niet voor een gering deel te maken met het oudste beroep
van
de wereld dat door een deel van hen op de Nederlandse Antillen
uitgeoefend wordt (zie @: Campo Alegre).
Op Curaçao is een consul-generaal en op Aruba een consul van de
Dominicaanse Republiek (zie @: Bevolking).
@: Dominicanen, paters / @: Paters
Dominicanen
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dominicanessen van Bethanie
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dominicanessen van Voorschoten
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dongen, Broeders van
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dori

(Pleurodema brachyops) of sapu is een padachtig kikkertje dat
oorspronkelijk alleen op Aruba voorkwam, maar ca. 1910 met
geïmporteerd zand op Curaçao en in 1928 op Bonaire arriveerde.
Na
zware regenbuien verzamelen ze zich in plassen op lage
terreinen,
waar de mannetjes ’s avonds en ‘s nachts in koor een ver
hoorbaar
geluid maken. Daarbij zwellen hun mond- en keelbodem op tot een
grote blaas. Ze omklemmen een wijfje en bevruchten de als een
grote
schuimvlok op het water drijvende eieren (webu di sapu). Na 24
uur
komen deze uit en de larven (kikkervisjes) kunnen zich al in
ruim
een week tot kleine kikkertjes ontwikkelen. Droogt de plas te
snel
op, dan is zelfs deze snelle ontwikkeling nog te langzaam en
komen
ze bij honderden om. Gedurende de droge perioden zitten de
kikkers
in gaten in de grond of op toch nog vochtige plaatsen onder
stenen.
Opvallend zijn de rode en blauwe vlekken op de achterromp en
dijen.
Het voedsel bestaat uit kleine insekten.
@: Dos Playa
Baai aan de noordkust van Aruba, met zwemgelegenheid, bekend
oord
voor picknickers, kampeerders en toeristen.
@: Douane
De toepassing voornamelijk van de Algemene verordeningen in-,
uit-
en doorvoer 1908 en van de Accijnsverordening 1908 is opgedragen
aan
de douane, die ressorteert onder de inspectie der invoerrechten
en
accijnzen, met aan het hoofd een inspecteur.
Op Aruba en Curaçao zijn de hoogste douanerangen een
verificateur
met daaronder verschillende adjunct-verificateurs. Op de
Bovenwindse
Eilanden heeft de douane alleen statistiekwerkzaamheden, daar in
die
eilandgebieden geen invoerrechten en accijnzen worden
geheven.
@: Draadomroep
bestond op Curaçao van 1934 tot 1938 en werd geëxploiteerd door
Radio-Holland
N.V.
@: Dradu
(Coryphaena hippurus) dorado
of dolphin
is door zijn hoog voorhoofd met geen andere
vissoort
van die lengte te verwarren. Vooral bij de kabishót, zoals de man
genoemd wordt, is het voorhoofd bijzonder, hoog; de mannetjes
hebben
bovendien naast een gouden ook een staalblauwe glans, die echter
na
de dood van het dier vrij spoedig vervaagt. Het zijn geweldige
zwemmers, die van vis, vooral flerchi, leven. In het Caribisch
gebied komt ook een iets kleinere, nauw verwante soort voor: de
pompano dolphin
(Coryphaena equiselis).
@: Dramatic Workshop
zie @: Toneel.
bazuur
@: Drecha Kas
Stichting, in 1967 voortgekomen uit de * Stichting Pan pa mi
ruman.
Als doel¬stelling wordt nagestreefd de maat¬schappelijke vorming
van
jonge mensen door deze actief mee te laten werken aan het
verbeteren
van de woonsituatie van arme mensen. Op basis van
vrijwil¬ligheid
repareert een zestigtal jongeren onder deskundige leiding in de
weekein¬den huizen van minvermogenden. De stichting is
aangesloten
bij de Internati¬onale Bouworde. Sinds haar oprichting heeft de
stichting een 350 projecten on¬der handen gehad.
Zie ook: @: Pater Brenneker; @: Kas pa nos tur, @: Pam pa mi
ruman.
@: Dreifi
(Coccolaba wifera) of sedreifi, dreifi di laman, sea grape,
plantesoort uit de familie der Polygona¬ceae. Boom of heester
met
grote, ronde of niervormige, dik leerachtige blade¬ren; bij
bladsteel wordt stengel met een kokertje omsloten; bloemen in
lange
trossen; steenvrucht, sappig, blauw¬paars. Bovenwindse Eilanden
vooral op zandstranden, soms een kustbos vor¬mend.
@: Drie Gebroeders
Benaming van de naast elkaar liggende heuvels: Seru Pretu,
Veeris-
en Jack Evertszberg (zie @: Curaçao).
@: Drikil
zie @: Schildpadden.
@: Drive-in theaters
zijn openluchtbioscopen waarin de bezoekers vanuit hun auto de
voorstellin¬gen kunnen volgen. Het relatief groot aantal auto's
en
het regenarme klimaat van Curaçao zijn uiteraard gunstige
fac¬toren
voor een drive-in theater. In 1965 kreeg Curaçao zijn eerste,
dat
plaats bood aan ongeveer 500 auto’s. Dit theater is inmiddels
gesloten. Mo¬menteel is er op Curaçao één drive-in ¬theater, het
Golden Drive-in theater dat in mei 1980 in gebruik is genomen en
plaats biedt aan 520 auto’s. Ook op Aruba en St. Maarten zijn
drive-in ¬theaters tot stand gekomen.
@: Drukkerijen
De oudste drukkerij op de Nederlandse Antillen is de Drukkerij
De
Curaçaosche Courant, opgericht in 1812 door de Schot William Lee
(hoewel volgens een aankondiging in de St. Eustatius Gazet¬te al
in
1790 op St. Maarten een klein handpersje moet hebben gestaan).
In
het midden van de vorige eeuw kreeg Curaçao een tweede
drukkerij,
gesticht door * mgr. Martinus J. Niewindt op Barber voor het
drukken
van school- en kerkboeken. Eind vorige eeuw nam * Agustin
Bethen¬court die tevens een boekhandel en uit¬geverij bezat deze
drukkerij over en werd door de katholieke missie een nieuwe
drukkerij geopend in de Con¬scientiesteeg, waar de nieuwsbladen
Amigoe di Curac;ao (later dagblad), La Cruz en La Union in de
loop
der jaren werden uitgegeven. Bekende namen uit de drukkerswereld
aan
het begin van deze eeuw waren Douwe Zalm, Freddy Salas, Otto
Cras en
Pieter Gorsira. De meeste drukkerij¬en combineerden het uitgeven
van
een nieuwsblad met handelsdrukwerk. In de jaren zestig werd het
loodzetten groten¬deels vervangen door de moderne
off¬set-techniek.
Op Aruba kwamen de eerste drukkerij¬en
pas
in de jaren twintig van deze eeuw tot stand. Op Bonaire en de
Bovenwind¬se Eilanden was men voornamelijk op stencils
aangewezen of
liet men het drukwerk op Curaçao vervaardigen.
Momenteel zijn er op Curaçao een
tien¬tal
drukkerijen. De belangrijkste zijn 'De Curaçaosche Courant N.V.
(over¬heidspublikaties en handelsdrukwerk), Rotaprint N.V. en
Drukkerij De Stad N.V. (krantendrukkerijen) en de
han¬delsdrukkerijen Scherpenheuvel, Antil¬les Business Forms en
Intergrafia.
Aruba heeft acht drukkerijen met als
voornaamste Arubiana Prints N.V. (krantendrukkerij) en de V.A.D.
en
Oranjestad Printing (beide handels¬drukwerk).
Op Bonaire opereert de handelsdrukke¬rij
D.E.K.O.; St. Maarten heeft vier drukkerijen t.w. New Age
Center,
Phi¬lipsburg Printery en Windward Islands Graphics N.V. (alle
nieuwsbladen en handelsdrukwerk) en Mike’s Printing Service
(handelsdrukwerk). Saba heeft een kleine offset-drukkerij Our
Printery waar het nieuwsblad Sa¬ba Herald en wat handelsdrukwerk
worden gedrukt; St. Eustatius heeft mo¬menteel geen
drukkerij.
In de drukkerij¬sector op de Antillen
zijn
ca. 250 perso¬nen werkzaam. Een specifieke grafische opleiding
bestaat er niet meer sinds de fraters van Tilburg het
opleidingsinsti¬tuut te Scherpenheuvel hebben gesloten. In 1976
is
op Curaçao opgericht de Ver¬eniging Drukkerijen Curaçao (V.D.C.)
ter
behartiging van de belangen van de grafische bedrijven. Door
toedoen
van deze vereniging is o.m. een bescher¬mend invoerrecht
ingesteld
op buiten¬lands drukwerk teneinde de economi¬sche
levensvatbaarheid
van de bedrijven in de grafische bedrijfstak te vergroten. (Zie
ook
Pers.)
@: Druif
Vooruitspringende punt van de zuid¬kust van Aruba nabij
*Manchebo.
Hier werd in 1948 door de toenmalige * Arend Petroleum
Maatschappij
een 440 m lange pier gebouwd voor de aan ¬en afvoer van
aardolieprodukten (zie ook @: Havens).
@: Dryfarming
Methode om in droge gebieden zoveel mogelijk gewassen te telen
door
de be¬schikbare hoeveelheid water optimaal te benutten (zie ook
@:
Landbouw).
@: Duif

(familie Columbidae). Op de Beneden¬windse Eilanden kent men
vijf
soorten duiven, waarvan de kleinste, de totolika (Columbigallina
passerina albivitta) wel het talrijkst is. Dit is een echte
grondbe¬woner, die vaak in paren of in kleine groepjes
rondtrippelt,
bij nadering op¬vliegt en verderop weer neerstrijkt. Ze leven
van
allerlei onkruidzaden, ook wel van uit de pluimen vallende
korrels
van de maíshi chikitu (kleine maïs). Hoewel er vrij veel
exemplaren
van geschoten en gevangen worden, schijnt het aantal niet af te
ne¬men. Een eenvoudig takkennestje in la¬ge struiken en
boompjes, in
cactussen of op de grond, bevat twee witte eieren. Duidelijk
groter
zijn de buladeifi (Ze¬naida auriculata vinaceorufa) en de
ala¬duru,
rukuku of yiwiri (Leptotila ver¬reauxi verreauxi), waarvan de
laatste duidelijk herkenbaar is aan de witte rand aan de
afgeronde
staart en aan het witte voorhoofd.
De alablanka (Columba corensis) met duidelijk opvallende witte
vlek
op de vleugel en een kale ring om het oog, is veel meer een
boomvogel, die allerlei
leguminosenzaden, maar ook mispu, kenepa en maíshi chikitu eet;
het
is een schuwe vogel, die op moeiIijk be¬reikbare plaatsen broedt
in
mangroven, manzaliñtas en dichte wabi’s. Meestal slechts een ei.
De grootste soort is de blauwduif of bu¬ladeifi (Columba
squamosa),
ook pa¬lomba pretu of blue pigeon geheten. Zijn kleur is
donkergrijs, om het oog een gele tot rode ring. Deze duif is het
meest te vinden waar dichtbegroeide heuvels met steile wanden
zijn.
Het nest wordt gevonden in nissen van steile rotswanden en in de
orchideëenbegroei¬ing van zuilcactussen. Op St. Maarten en Aruba
is
hij vrijwel of geheel uitge¬roeid; op de overige eilanden is hij
ech¬ter ook niet talrijk. Op de Bovenwindse Eilanden komen
verder
voor: de white¬head (Columba leucocephala); de mountain dove
(Zenaida aurita aurita); een bepaalde ondersoort van de
totoli¬ka,
de ground dove (Columbigallina passerina nigriostris); en,
behalve
op St. Maarten, nog de woodhen (Saba) of partridge (St.
Eustatius)
(Geotrygon mystacea). De laatste is een in de onder¬groei
rondscharrelende bewoner van The Quill op St. Eustatius en van
het
nevelwoud en de guts van Saba, die vrij¬wel geluidloos vliegt en
van
grote zaden en landslakken leeft.
Voor de jacht op duiven, zie Jacht.
@: Duizendpoot
zie @: Lisinbein.
@: Dussenbroek, Adriaan Franciscus
(Nederland 19 juni 1893 - Utrecht 22 juni 1965). Werkte na
medische
studie te Amsterdam 37 jaar als huisarts op Aru¬ba, waar hij
zich op
sociaal en politiek terrein bewoog. Mede-oprichter van de Union
Nacional Arubano waarvoor hij enige tijd zitting had in de
Staten.
@: Dutchman’s pipe
en calico flower zijn klimplanten uit de familie der
Aristolochiaceae. De bloe¬men lijken wat op een kromme pijp,
on¬geveer 5 tot 7 cm lang, met een gele keel en een donkerpaarse
rand. Zij zijn op de Bovenwindse Eilanden inheems en worden ook
gekweekt vanwege de bij¬zondere bloemen, die overigens wel
stinken.
Een uit Venezuela afkomstige aristolochia-soort heeft enorme
pijp¬bloemen van wel 50 cm of nog groter.
@: Dwanginvordering
(P.B. 1958 no. 164). Het uitvaardigen van een dwangschrift met
recht
van parate executie is mogelijk bij belastingen, bijdragen en
vergoedingen, door land of eilandgebied geheven volgens lands-
en
eilandsverordening, alsmede lands- en eilandsbesluit houdende
algemene regelen.
einde van deze
lettergroep;
voor de volgende groep klikken op die
groep!
In 1977, toen de MEP
als
grootste partij op Aruba buiten de Landsregering gehouden werd,
riep
Betico Croes het Arubaanse volk op om zich tegen de Curaçaosche
overheersing te keren. De situatie escaleerde en Curaçao stuurde
oproertroepen naar Aruba. Nederland, die tot dan afwijzend tegen
de
Arubaanse wens had gestaan, ging toen een andere koers varen.
Met
het resultaat van het referendum 1976 maar wellicht ook de
onlusten van mei 1969 op Curacao in het achterhoofd, begon de
Nederlandse regering in te zien dat de eisen van Aruba zeer
serieus
dienden te worden genomen. Bovendien hadden de toenmalige
regeringsleiders in Den Haag denkbeelden die aanstuurden op het
onafhankelijk worden van de kolonies, op grondslag waarvan
Suriname
in 1975 de onafhankelijkheid had verkregen. De toenmalige
minister-president Joop den Uyl nodigde een Arubaanse delegatie
uit
om in Den Haag te komen praten. Daar bepleitte Betico Croes met
succes de status aparte voor Aruba.
In 1977, toen de MEP
als
grootste partij op Aruba buiten de Landsregering gehouden werd,
riep
Betico Croes het Arubaanse volk op om zich tegen de Curaçaosche
overheersing te keren. De situatie escaleerde en Curaçao stuurde
oproertroepen naar Aruba. Nederland, die tot dan afwijzend tegen
de
Arubaanse wens had gestaan, ging toen een andere koers varen.
Met
het resultaat van het referendum 1976 maar wellicht ook de
onlusten van mei 1969 op Curacao in het achterhoofd, begon de
Nederlandse regering in te zien dat de eisen van Aruba zeer
serieus
dienden te worden genomen. Bovendien hadden de toenmalige
regeringsleiders in Den Haag denkbeelden die aanstuurden op het
onafhankelijk worden van de kolonies, op grondslag waarvan
Suriname
in 1975 de onafhankelijkheid had verkregen. De toenmalige
minister-president Joop den Uyl nodigde een Arubaanse delegatie
uit
om in Den Haag te komen praten. Daar bepleitte Betico Croes met
succes de status aparte voor Aruba.
De artikelen hieronder zijn
dubbel
@: Djaka
of rata. De bruine rat (Rattus norvegicus) is met zekerheid
bekend op Curaçao en Saba waar hij, zoals ook elders, vooral
te
vinden is op vochtige plaatsen, havens, riolen, vlak bij het
water gelegen huizen. Niet altijd is er een duidelijk
kleurverschil met de zwarte of plantagerat, rata pretu
(Rattus
rattus), die echter kleiner is, een relatief langere staart
(langer dan het lichaam) en grotere oren heeft. In de
Nederlandse Antillen is de zwarte rat nooit zwart, maar komt
in
twee kleurvariëteiten voor, een lichtgrijsbruine met scherp
afgegrensde witte buikzijde, en een donkerbruine met
geleidelijk
tot grijswit verkleurende buikzijde. Deze ratten maken ook
nesten in bomen en brengen schade toe o.a. aan aanplantingen
van
maï(n)shi, voedselvoorraden in huis en bijvoorbeeld
opgeslagen
kippevoer in schuren.
@: Djampou
zie @: Grouper.
@: Djaoen
Gilbert
"Gibi" Giselo / @: Gibi Djaoen
(21 mei 1958 – 28 september 1997)
Gibi Djaoen a nase
dia
21 mei 1958. Dor ku Gibi tabata bai misa tur djadumingu, e
por a
kanta varios kantika di misa for di edad di kuater aña. Su
tanta
, defuntu soeur
Annie
Koenraad mester a toka piano pa e kanta. Komo hóben Gibi a
kanta
den un banda chikí huntu ku poko amigu di su bario Tera
Kòra.
Despues ela kanta huntu ku Frederico Fraai den un otro
banda. Ku
e kantika "Amor den tres" Gibi a bira konosí.
Despues komo kantante di La Perfecta, Gibi a bira mas
konosí,
tantu na Antiyas komo na Hulanda. Gibi tabata dirigí kor Luz
i
Amor tambe. E tabata stima hóben, p'esei e tabatin un tim di
futbol i riba díanan liber i den vakansi e tabata invitá
muchanan ku no ta tin otro manera pa dibertí nan mes, pa nan
bin
su kas.
Dia 28 september 1997 Gibi a bai sosega diripiente, lagando
un
bashí grandi ku ningun hende por yena.
Despues komo
kantante
di La Perfecta, Gibi a bira mas konosí, tantu na Antiyas
komo na
Hulanda. Gibi tabata dirigí kor Luz i Amor tambe. E tabata
stima
hóben, p'esei e tabatin un tim di futbol i riba díanan liber
i
den vakansi e tabata invitá muchanan ku no ta tin otro
manera pa
dibertí nan mes, pa nan bin su kas.
Dia 28 september 1997 Gibi a bai sosega diripiente, lagando
un
bashí grandi ku ningun hende por yena.
@: Djèki
zie @: Klederdrachten.
@: Djindja
zie @: Ballonvissen.
@: Djukfes
zie @: Grouper.
@: Dok Maatschappij
zie @: Curaçaosche Dok Maatschappij N.V.
@: Doktersfes
kleinfeshi of surgeonfish (Acanthurus, 3 spec.) zwemt in
scholen
tussen de ko¬ralen, overal rondknabbelend en kleine
planktondiertjes oppikkend. Hun naam danken de vissen aan
het
vlijmscherpe, porseleinwitte haakje, dat horizontaal op de
staartwortel staat en met zijn punt kopwaarts in een groeve
ligt; die punt steekt echter nog net zover uit, dat men er
zich
aan ophaalt als men de vis bij de staart beetpakt, waarbij
dan
het hele mesje te voorschijn komt zodat men aan twee vingers
een
snee krijgt. De jon¬ge diertjes zijn vaak heel anders van
kleur
dan de oude: de blauwe blue tang bijvoorbeeld is in zijn
jeugd
kanarie¬geel. Alle soorten hebben een mooi flu¬welig waas
over
hun huid, dat in gevan¬genschap verdwijnt zodra de dieren
niet
meer in goede conditie verkeren.
@: Dolfijn
zie @: Walvissen.
@: Domacassé,
Venancio
H. (‘Pacheco’) / @: Pacheco Domacassé
(Bonaire, 1 april 1941), hoofd van de sectie ‘Cultuur’ van
de
Dienst Onderwijs en Cultuur van het Eilandgebied Curaçao,
veelzijdig kunstenaar. Aanvankelijk zanger-gitarist heeft
hij
zich na oriëntatie-reizen door Amerika, het Caribisch gebied
en
Europa voornamelijk gewijd aan het theaterleven en aan de
film.
Van 1971-1981 heeft hij verschillende toneelgezelschappen
opgericht zowel op Curaçao als op
Bonaire
, die vaak zelf
geschreven stukken opvoeren. In zijn Teatro di Ritmo (1977),
gebaseerd op folklore, heeft hij getracht het eigene te
stimuleren; in 1981 experimenteert hij met Teatro Folkloriko
Kreativo waarna hij een dansgroep opricht (Grupo Folkloriko
Kreativo) die zowel in de Antillen als in Noord- en
Zuid-Amerika
met succes optreedt. Hij is betrokken geweest bij adviezen,
vertaling, casting bij films als Duel in de diepte, Mijn
zuster
de negerin, terwijl E pida Baranka ‘ki (1980) en Famia
Kibrá(1981) volledig op zijn naam staan.
Werken: o.a.
Tula
(1970);
Konsenshi di un
pueblo
(1973);
Politika Kultural
(1975);
Kompa Nanzi den tòw
(1980).
@: Domeinen
zie @: Eigendommen.
@: Domeingronden
zie @: Grondbezit.
@: Dominicanen
Personen afkomstig van de Dominicaanse Republiek van wie op
de
Benedenwindse Eilanden en op
St.
Maarten vrij grote
groepen aanwezig zijn, die zowel legaal als illegaal hier
vertoeven. Deze groepen hebben zich in de laatste twintig
jaar
drastisch uitgebreid waarbij het vrouwelijk geslacht veruit
de
overhand heeft boven het mannelijk geslacht. Bij de Census
van
1981 telde men op de Nederlandse Antillen 1.149 personen met
de
Dominicaanse nationaliteit, waarvan de overgrote meerderheid
(876 personen) vrouwen waren. Dit heeft zeker niet voor een
gering deel te maken met het oudste beroep van de wereld dat
door een deel van hen op de Nederlandse Antillen uitgeoefend
wordt (zie @: Campo Alegre).
Op Curaçao is een consul-generaal en op
Aruba
een consul van de
Dominicaanse Republiek (zie @: Bevolking).
@: Dominicanen,
paters
/ @: Paters Dominicanen
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dominicanessen van Bethanie
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dominicanessen
van
Voorschoten
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dongen, Broeders van
zie @: Bisdom Willemstad.
@: Dori
(Pleurodema brachyops) of sapu is een padachtig kikkertje
dat
oorspronkelijk alleen op Aruba voorkwam, maar ca. 1910 met
geïmporteerd zand op Curaçao en in 1928 op Bonaire
arriveerde.
Na zware regenbuien verzamelen ze zich in plassen op lage
terreinen, waar de mannetjes ’s avonds en ‘s nachts in koor
een
ver hoorbaar geluid maken. Daarbij zwellen hun mond -en
keelbodem op tot een grote blaas. Ze omklemmen een wijfje en
bevruchten de als een grote schuimvlok op het water
drijvende
eieren (webu di sapu). Na 24 uur komen deze uit en de larven
(kikkervisjes) kunnen zich al in ruim een week tot kleine
kikkertjes ontwikkelen. Droogt de plas te snel op, dan is
zelfs
deze snelle ontwikkeling nog te langzaam en komen ze bij
honderden om. Gedurende de droge perioden zitten de kikkers
in
gaten in de grond of op toch nog vochtige plaatsen onder
stenen.
Opvallend zijn de rode en blauwe vlekken op de achterromp en
dijen. Het voedsel bestaat uit kleine
insekten.
@: Dos Playa
Baai aan de noordkust van
Aruba
, met
zwemgelegenheid,
bekend oord voor picknickers, kampeerders en
toeristen.
@: Douane
De toepassing voornamelijk van de Algemene verordeningen
in-,
uit- en doorvoer 1908 en van de Accijnsverordening 1908 is
opgedragen aan de douane, die ressorteert onder de Inspectie
der
Invoerrechten en accijnzen, met aan het hoofd een
inspecteur.
Op
Aruba
en Curaçao zijn de
hoogste douanerangen een verificateur met daaronder
verschillende adjunct-verificateurs. Op de Bovenwindse
Eilanden
heeft de douane alleen statistiekwerkzaamheden, daar in die
eilandgebieden
geen invoerrechten en accijnzen worden geheven.
@: Draadomroep
bestond op Curaçao van 1934 tot 1938 en werd geëxploiteerd
door
Radio-Holland N.V.
@: Dradu
(Coryphaena hippurus) dorado of dolphin is door zijn hoog
voorhoofd met geen andere vissoort van die lengte te
verwarren.
Vooral bij de kabishót, zoals de man genoemd wordt, is het
voorhoofd bijzonder, hoog; de mannetjes hebben bovendien
naast
een gouden ook een staalblauwe glans, die echter na de dood
van
het dier vrij spoedig vervaagt. Het zijn geweldige zwemmers,
die
van vis, vooral flerchi, leven. In het Caribisch gebied komt
ook
een iets kleinere, nauw verwante soort voor: de pompano
dolphin
(Coryphaena equiselis).
@: Dramatic
Workshop
zie @: Toneel.
@: Drecha Kas
Stichting, in 1967 voortgekomen uit de Stichting Pan pa mi
ruman. Als doelstelling wordt nagestreefd de
maatschappelijke
vorming van jonge mensen door deze actief mee te laten
werken
aan het verbeteren van de woonsituatie van arme mensen. Op
basis
van vrijwilligheid repareert een zestigtal jongeren onder
deskundige leiding in de weekeinden huizen van
minvermogenden.
De stichting is aangesloten bij de Internati¬onale Bouworde.
Sinds haar oprichting heeft de stichting een 350 projecten
onder
handen gehad.
Zie ook: @: Pater Brenneker; @: Kas pa nos tur, @: Pam pa mi
ruman.
@: Dreifi
(Coccolaba wifera) of sedreifi, dreifi di laman, sea grape,
plantesoort uit de familie der Polygonaceae. Boom of heester
met
grote, ronde of niervormige, dik leerachtige bladeren; bij
bladsteel wordt stengel met een kokertje omsloten; bloemen
in
lange trossen; steenvrucht, sappig, blauwpaars. Bovenwindse
Eilanden vooral op zandstranden, soms een kustbos
vormend.
@: Drie Gebroeders
Benaming van de naast elkaar liggende heuvels: Seru Pretu,
Veeris- en Jack Evertszberg (zie @:
Curaçao).
@: Drikil
zie @: Schildpadden.
@: Drive-in
theaters
zijn openluchtbioscopen waarin de bezoekers vanuit hun auto
de
voorstellingen kunnen volgen. Het relatief groot aantal
auto's
en het regenarme klimaat van Curaçao zijn uiteraard gunstige
factoren voor een drive-in theater. In 1965 kreeg Curaçao
zijn
eerste, dat plaats bood aan ongeveer 500 auto’s. Dit theater
is
inmiddels gesloten. Momenteel is er op Curaçao één drive-in
theater, het Golden Drive-in theater dat in mei 1980 in
gebruik
is genomen en plaats biedt aan 520 auto’s. Ook op Aruba en
St.
Maarten zijn
drive-in
theaters tot stand gekomen.
@: Drukkerijen
De oudste drukkerij op de Nederlandse Antillen is de
Drukkerij
De Curaçaosche Courant, opgericht in 1812 door de Schot
William
Lee (hoewel volgens een aankondiging in de St. Eustatius
Gazette
al in 1790 op St. Maarten een klein handpersje moet hebben
gestaan). In het midden van de 19e eeuw kreeg Curaçao een
tweede
drukkerij, gesticht door mgr. Martinus J. Niewindt op Barber
voor het drukken van school- en kerkboeken. Eind vorige eeuw
nam
Agustin Bethencourt die tevens een boekhandel en uitgeverij
bezat deze drukkerij over en werd door de katholieke missie
een
nieuwe drukkerij geopend in de Conscientiesteeg, waar de
nieuwsbladen Amigoe di Curacao (later dagblad), La Cruz en
La
Union in de loop der jaren werden uitgegeven. Bekende namen
uit
de drukkerswereld aan het begin van deze eeuw waren Douwe
Zalm,
Freddy Salas, Otto Cras en Pieter Gorsira. De meeste
drukkerijen
combineerden het uitgeven van een nieuwsblad met
handelsdrukwerk. In de 1960er jaren werd het loodzetten
grotendeels vervangen door de moderne
offset-techniek.
Op
Aruba
kwamen de eerste
drukkerij¬en pas in de 1920er jaren tot stand. Op
Bonaire
en de Bovenwind¬se
Eilanden was men voornamelijk op stencils aangewezen of liet
men
het drukwerk op Curaçao vervaardigen.
Momenteel zijn er
op
Curaçao een tiental drukkerijen. De belangrijkste zijn 'De
Curaçaosche Courant N.V. (overheidspublikaties en
handelsdrukwerk), Rotaprint N.V. en Drukkerij De Stad N.V.
(krantendrukkerijen) en de handelsdrukkerijen
Scherpenheuvel,
Antilles Business Forms en Intergrafia.
Aruba
heeft acht
drukkerijen
met als voornaamste Arubiana Prints N.V. (krantendrukkerij)
en
de V.A.D. en Oranjestad Printing (beide
handelsdrukwerk).
Op
Bonaire
opereert de
handelsdrukkerij D.E.K.O.; St. Maarten heeft vier
drukkerijen
t.w. New
Age
Center
, Philipsburg
Printery
en Windward Islands Graphics N.V. (alle nieuwsbladen en
handelsdrukwerk) en Mike’s Printing Service
(handelsdrukwerk).
Saba heeft een kleine offset-drukkerij Our Printery waar het
nieuwsblad Saba Herald en wat handelsdrukwerk worden
gedrukt;
St.
Eustatius
heeft momenteel
geen
drukkerij.
In de
drukkerijsector
op de Antillen zijn ca. 250 personen werkzaam. Een
specifieke
grafische opleiding bestaat er niet meer sinds de fraters
van
Tilburg
het
opleidingsinstituut
te Scherpenheuvel hebben gesloten. In 1976 is op Curaçao
opgericht de Vereniging Drukkerijen Curaçao (V.D.C.) ter
behartiging van de belangen van de grafische bedrijven. Door
toedoen van deze vereniging is o.m. een beschermend
invoerrecht
ingesteld op buitenlands drukwerk teneinde de economische
levensvatbaarheid van de bedrijven in de grafische
bedrijfstak
te vergroten. (Zie ook @: Pers).
@: Druif
Vooruitspringende punt van de zuid¬kust van
Aruba
nabij Manchebo.
Hier
werd in 1948 door de toenmalige Arend Petroleum Maatschappij
een
440 m lange pier gebouwd voor de aan- en afvoer van
aardolieprodukten (zie ook @: Havens).
@: Dryfarming
Methode om in droge gebieden zoveel mogelijk gewassen te
telen
door de beschikbare hoeveelheid water optimaal te benutten
(zie
ook @: Landbouw).
@: Duif
(familie Columbidae). Op de Benedenwindse Eilanden kent men
vijf
soorten duiven, waarvan de kleinste, de totolika
(Columbigallina
passerina albivitta) wel het talrijkst is. Dit is een echte
grondbewoner, die vaak in paren of in kleine groepjes
rondtrippelt, bij nadering opvliegt en verderop weer
neerstrijkt. Ze leven van allerlei onkruidzaden, ook wel van
uit
de pluimen vallende korrels van de maíshi chikitu (kleine
maïs -
sorghum). Hoewel er vrij veel exemplaren van geschoten en
gevangen worden, schijnt het aantal niet af te nemen. Een
eenvoudig takkennestje in lage struiken en boompjes, in
cactussen of op de grond, bevat twee witte eieren. Duidelijk
groter zijn de buladeifi (Zenaida auriculata vinaceorufa) en
de
aladuru, rukuku of yiwiri (Leptotila verreauxi verreauxi),
waarvan de laatste duidelijk herkenbaar is aan de witte rand
aan
de afgeronde staart en aan het witte voorhoofd.
De alablanka (Columba corensis) met duidelijk opvallende
witte
vlek op de vleugel en een kale ring om het oog, is veel meer
een
boomvogel, die allerlei leguminosenzaden, maar ook mispu,
kenepa
en maíshi chikitu eet; het is een schuwe vogel, die op
moeiIijk
bereikbare plaatsen broedt in mangroven, manzaliñtas en
dichte
wabi’s. Meestal slechts een ei.
De grootste soort is de blauwduif of buladeifi (Columba
squamosa), ook palomba pretu of blue pigeon geheten. Zijn
kleur
is donkergrijs, om het oog een gele tot rode ring. Deze duif
is
het meest te vinden waar dichtbegroeide heuvels met steile
wanden zijn. Het nest wordt gevonden in nissen van steile
rotswanden en in de orchideëenbegroeiing van zuilcactussen.
Op
St. Maarten en
Aruba
is hij vrijwel of
geheel uitgeroeid; op de overige eilanden is hij echter ook
niet
talrijk. Op de Bovenwindse Eilanden komen verder voor: de
whitehead (Columba leucocephala); de mountain dove (Zenaida
aurita aurita); een bepaalde ondersoort van de totolika, de
ground dove (Columbigallina passerina nigriostris); en,
behalve
op St. Maarten, nog de woodhen (Saba) of partridge (
St.
Eustatius) (Geotrygon mystacea). De
laatste is
een in de ondergroei rondscharrelende bewoner van The Quill
op
St. Eustatius en van het nevelwoud en de guts van Saba, die
vrijwel geluidloos vliegt en van grote zaden en landslakken
leeft.
Voor de jacht op duiven, zie @: Jacht.
@: Duizendpoot
zie @: Lisinbein.
@: Dussenbroek,
Adriaan
Franciscus
(Nederland 19 juni 1893 - Utrecht 22 juni 1965). Werkte na
medische studie te
Amsterdam
37 jaar als huisarts op
Aruba
, waar hij zich op
sociaal en politiek terrein bewoog. Mede-oprichter van de
Union
Nacional Arubano waarvoor hij enige tijd zitting had in de
Staten.
@: Dutchman’s pipe
en calico flower zijn klimplanten uit de familie der
Aristolochiaceae. De bloemen lijken wat op een kromme pijp,
ongeveer 5 tot 7 cm lang, met een gele keel en een
donkerpaarse
rand. Zij zijn op de Bovenwindse Eilanden inheems en worden
ook
gekweekt vanwege de bijzondere bloemen, die overigens wel
stinken. Een uit
Venezuela
afkomstige
aristolochia-soort heeft enorme pijpbloemen van wel 50 cm of
nog
groter.
@: Dwanginvordering
(P.B. 1958 no. 164). Het uitvaardigen van een dwangschrift
met
recht van parate executie is mogelijk bij belastingen,
bijdragen
en vergoedingen, door land of eilandgebied geheven volgens
lands- en eilandsverordening, alsmede lands- en
eilandsbesluit
houdende algemene regelen.
einde van
deze lettergroep; voor de volgende groep
klikken
op die groep!
In 1977,
toen
de MEP als grootste partij op Aruba buiten de Landsregering
gehouden werd, riep Betico Croes het Arubaanse volk op om
zich
tegen de Curaçaosche overheersing te keren. De situatie
escaleerde en Curaçao stuurde oproertroepen naar Aruba.
Nederland, die tot dan afwijzend tegen de Arubaanse wens had
gestaan, ging toen een andere koers varen. Met het resultaat
van het referendum 1976 maar wellicht ook de onlusten
van
mei 1969 op Curacao in het achterhoofd, begon de Nederlandse
regering in te zien dat de eisen van Aruba zeer serieus
dienden
te worden genomen. Bovendien hadden de toenmalige
regeringsleiders in Den Haag denkbeelden die aanstuurden op
het
onafhankelijk worden van de kolonies, op grondslag waarvan
Suriname in 1975 de onafhankelijkheid had verkregen. De
toenmalige minister-president Joop den Uyl nodigde een
Arubaanse
delegatie uit om in Den Haag te komen praten. Daar bepleitte
Betico Croes met succes de status aparte voor
Aruba.
In 1977,
toen
de MEP als grootste partij op Aruba buiten de Landsregering
gehouden werd, riep Betico Croes het Arubaanse volk op om
zich
tegen de Curaçaosche overheersing te keren. De situatie
escaleerde en Curaçao stuurde oproertroepen naar Aruba.
Nederland, die tot dan afwijzend tegen de Arubaanse wens had
gestaan, ging toen een andere koers varen. Met het resultaat
van het referendum 1976 maar wellicht ook de onlusten
van
mei 1969 op Curacao in het achterhoofd, begon de Nederlandse
regering in te zien dat de eisen van Aruba zeer serieus
dienden
te worden genomen. Bovendien hadden de toenmalige
regeringsleiders in Den Haag denkbeelden die aanstuurden op
het
onafhankelijk worden van de kolonies, op grondslag waarvan
Suriname in 1975 de onafhankelijkheid had verkregen. De
toenmalige minister-president Joop den Uyl nodigde een
Arubaanse
delegatie uit om in Den Haag te komen praten. Daar bepleitte
Betico Croes met succes de status aparte voor
Aruba.
Het artikel dat
nu
volgt is in Papiamentu; de Nederlandse vertaling komt
spoedig:
@: Diwan
Maria
Maria Diwan
(Korsou
September 30, 1939) ta un eskritór di Kòrsou. Despues di su skol
básiko na Sint Martinusgesticht
i
edukashón sekundario na Maria College Mulo
e ta
bai
traha na Curacao Beverage
Bottling Co - produktor di Coca
Cola -
te hasta e día di awe; pa hopi aña kaba komo sekretaria. Ku su
entrada garantisá, ta keda tempu pa otro kreatividadnan. Entre
nan e
programa Den kibra di marduga na Curom Z86
for di
aña
1988. Ta keda tempu tambe pa skirbi. Algun di su óbranan ta dos
kuenta den buki: #3 di Union Muhe
Antiyano (1979), dos poëma i un
kuenta den Chimichimi
(1979),
kuenta pa mucha (Solo ta sali pa abo
tambe
- 1981), un kuenta kòrtíku den Awa Fresku
(1989),
kolekshón di poëma Suspiro
(1989), Gabriela
(huntu
ku
Ariadne Faries
- 1999) i
E simianan
di
felisidad (huntu ku
Diana Pinto
-
1999).
Resumen di
óbranan:
- #3 di Union Muhe Antiyano (1979)
- Chimichimi (1979)
- Solo ta sali pa abo tambe (1981)
- Awa Fresku (1989)
- Suspiro (1989)
- Gabriëla (1999)
- E simianan di felisidad (1999)