English -Dutch -   home   contact
Letter I t/m L

  Kunst in het Nederlands-sprekend Caribischgebied: Curacao

Illustratie: Schilderij "Radiografia de un pueblo" van Jean Girigorie (biografie bij @: Girigorie Jean)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het  opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het  onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter I

i is de negende letter van het Nederlandse alphabet en ook zij is een letter waarvoor de Semieten reeds een klank hadden ontwikkeld. Van hun hand is een letter of letterklank, die ongeveer als yôdh moet zijn uitgesproken, op het eerste gezicht geen klank die met de i-klank die wij heden ten dage kennen is gerelateerd. De uitspraak moet op die van de h hebben geleken, dus een droge klank uit de keelholte naar buiten geschuurd, maar dan met meer nadruk op de i-zijde van het geluid bij de Egyptenaren en de j-zijde bij de Semieten. De Semieten hadden namelijk en hoogstwaarschijnlijk een pictogram van een arm en hand opgepikt van de hyrogliefentaal van de Egyptenaren en die in principe voorbestemd tot het aangeven van de j-klank, omdat hun woord voor arm met die klank begon. Maar zij gebruikten die ook om de i-klank voor met name buitenlandse (Egyptische?) woorden mee aan te duiden. De Grieken pasten een vorm van de Foenesische yôdh aan ter vorming van hun letter iota (I; i) met nadruk op de i-klank en niet de j-klank. Deze handelswijze werd aanvankelijk ook door het oud-Latijns overgenomen, maar het (latere) Latijns benadrukte de tweevoudige betekenis van de yôdh door hem ook voor het gebruik van hun letter j te hanteren. De yôdh klank werd dus alternerend zowel als klinker als medeklinker gebruikt. Pas in de 16de eeuw schijnt een definitieve differentiatie in het gebruik ervan te zijn aangebracht: Definitief als i voor de klinker en de j als medeklinker. In het moderne Nederlands heeft men de enkelvoudige i voornamelijk als een droge klank geconstrueerd, als in "zicht", "in", "liggen". Maar er zijn een groot aantal uitzonderingen, waarbij de i een klank krijgt die het Nederlands in het algemeen met de lettercombinatie "ie" uitdrukt: "Italië", "idee", "idioot". En natuurlijk al de "ie" woorden: "niets", "zien", "iedereen". Als men de Nederlandse handelswijze al een ondoorzichtige vindt, dan is het Engels helemaal een oerwoud in het gebruik van de i. Daar heeft de i om te beginnen de korte droge klank zoals ook het Nederlands die kent in bijvoorbeeld het woord zicht (Engelse voorbeelden: living; fish; industry). Het Engels transformeert de i echter ook in een "ai"-klank (wise; idol; fragile). Bij dit laatste woord overigens een verschil in behandeling tussen het Engels van Engeland en die van de Verenigde Staten. In Amerika transformeert men de "i" in fragile in de reeds aangehaalde "ai"; de Engelsen prefereren een droge "u" als in het Nederlandse vlug ook verkrijgbaar in de Engelse woorden virtue; sir; circus). Daarnaast gebruikt het Engels andere letters (e: hero; y: pyjama) en combinatie van letters (ee: deem, seen; ie: brief, niece; ei: weird, neither) om de Nederlandse ie klank mee op te roepen. En toch gelukt het aan de meesten om het Engels niet alleen aan te leren, maar ook in haar te excelleren. Het Papiamentu handhaaft een eenvoudige visie. Met de enkele i wordt doorgaans de Nederlandse "ie"-klank bedoeld. De i-klank als in het Nederlandse beer, weer, schrijft het Papiamentu met slechts een "e".
En hoe is het tegenwoordig gesteld met het gebruik van de i als beginletter? Niet de meest gebruikte is zij, maar zeker niet de minste. Met een i beginnen de namen van landen als het onmetelijke India, in oppervlakte het zesde grootste land ‘s werelds met de op één na grootste bevolking, het eveneens uitgestrekte Indonesië, het charmante Italië. Maar ook het geteisterde Irak, haar naburige, naar atoomenergie en wapens hunkerende Iran en het land waar zij beiden op naijverig zijn: Israel, het thuisland van het Jodendom. Met een i is de naam van een grote religie: de Islam. Een i is het beginletter van één van de drie oceanen: de Indische oceaan. En met een i begint de naam van de groep mensen, die bij de ontdekking van het werelddeel Amerika de oorspronkelijke bewoners waren: Indianen.

 


@: Identiteit
De Nederlandse Antillen als staatkundige eenheid worden sociaal-psychologisch niet gedragen door een identificatie van de bewoners van deze eilanden met deze collectiviteit. Als eilandbewoners worden de Antillianen in sociaal-psychologisch opzicht gekenmerkt door een insulaire instelling en een eilandelijke identiteit. De Nederlandse Antillen worden bewoond door Arubanen, Curaçaoenaars, Bonairianen, Sabanen, Statianen en St. Maartenaars. Van een nationaal bewustzijn is er slechts in rudimentaire zin sprake (zie Nationalisme).

 

@: Iglesia Bida Nobo
zie @: Stromen van kracht.

 

@: Iglesia Evangelica
zie @: Evangelical Alliance Mission.

 

@: Iglesia Paz na Tera
zie @: God is liefde.

 

@: Iglesia Protestant Uní
In 1961 sloten de Protestantse Gemeente van Aruba, de Protestantse Gemeente van Bonaire en de Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao zich aaneen tot de Unie van Protestantse Gemeenten in de Nederlandse Antillen, aangezien zij zowel door historie als geestelijk klimaat nauw met elkaar verbonden waren. De aangesloten gemeenten zijn volkomen zelfstandig, maar ze hebben vrijwel dezelfde kerkelijke organisatie. In 1963 werd de Unie als associated member van de Wereldraad van Kerken aangenomen. Op 24 oktober 1968 werden de afzonderlijke gemeenten van Aruba, Bonaire en Curaçao samengevoegd tot één Kerk, nl. de Protestantse Kerk van de Nederlandse Antillen, of (sedert 1971) Iglesia Protestant Uní. De afgevaardigden van de aangesloten gemeenten komen jaarlijks bijeen in een Synode. (Zie ook Protestantisme).


 
@: Ihá
(Spaans: ahijado/a) zie @: Verwantschap.

 

@: Il’i diabel
(Cuscuta spec.) (
ilu di diabel) of aletría di mondi, amor di neger, love vine, yellow dead, plantengeslacht uit de familie der Cuscutaceae. Parasiet; stengels geel, niet groen; bladeren gereduceerd tot gele schubben, bloemen wit, buisvormig; door middel van zuigworteltjes neemt de plant voedingssappen op uit waardplant; overgroeit vaak hele heestergroepen. Niet algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Illegitimiteit
Van een man-vrouwverhouding betekent het het niet-sociaal-erkend-zijn (of waar de sociale normen gecodificeerd zijn: het niet-wettelijk-bekrachtigd-zijn) van die verhouding. Daar de consequenties van dergelijke verhoudingen, de geboorte van kinderen, voor de samenleving vooral van betekenis zijn, wordt het begrip illegitimiteit in het bijzonder ten aanzien van geboorten gebezigd. De illegitimiteit van geboorten ligt in de Nederlandse Antillen laag vergeleken bij andere Caribische gebieden en schommelt rond de 25% (zie @: Bevolking).
Illegitieme geboorten moeten gesplitst worden in geboorten uit verhoudingen tussen een man en een vrouw die samen een huishouding vormen die niet wettelijk bekrachtigd is (d.w.z. in concubinaat leven) en geboorten die voortkomen uit gemeenschap voor of buiten het partnerschap met een andere dan de actuele partner. Kinderen uit de laatste soort verhoudingen noemt men yu di afó (zie @: Familierelaties).

 

@: Imeldahof
opgericht 4 december 1954, is een gemengd internaat te Noord (Aruba) onder leiding van de zusters van Bethanie om voor kinderen die om een of andere reden niet in eigen milieu kunnen worden opgevoed een opvoedingssituatie te scheppen waarin het kind zich zowel lichamelijk als geestelijk kan ontwikkelen. Op 1 januari 1983 woonden er 53 kinderen, variërend in leeftijd van 3 tot 16 jaar. Dit kindertehuis wordt zowel door de Landsregering als door het Eilandgebied Aruba gesubsidieerd.

 

@: Imparcial, El
zie @: Pers. 


 
@: Indiaanse talen
hebben nauwelijks tot de vorming van het Papiamentu bijgedragen, al is, in het bijzonder op Aruba, een gering aantal woorden van waarschijnlijk Indiaanse oorsprong in de Papiamentse woordenschat opgenomen; dit geldt met name voor aardrijkskundige namen, en voor woorden die betrekking hebben op flora en fauna. Enkele Arubaanse voorbeelden: geografische namen - Wadirikiri, Bushiribana; fauna - waltaka (klein hagedisje).

 

@: Indianen
zie @: Archeologie; @: Geschiedenis - vervolgens - Sectie 1: Spaanse periode.

 

@: Indianenjagers
in het Spaans Indieros; zie @: Ampues, Juan de; @: Geschiedenis - vervolgens - Sectie 1: Spaanse periode.

 

@: Indieros
zie @: Ampues, Juan de; @: Geschiedenis - vervolgens - Sectie 1: Spaanse periode.

 

@: Indiërs
Op Curaçao is een kleine kolonie Indiërs aanwezig, die verschillende handelszaken exploïteren. Door de Curaçaoenaars worden zij kuli genoemd, welke benaming waarschijnlijk ontleend is aan Suriname, aangezien de Indiërs niet als koelie-arbeiders naar Curaçao zijn gekomen (zie @: Bevolking).

 

@: Indju
(Prosopis ililif/ora) of kui(da), kuihi, plantesoort uit de familie der Mimosaceae. Boom of heester met doornen aan voet van bladsteel; bladeren 1- of 2-jukkig; bloemen geligwit in trossen; peul tang. Benedenwindse Eilanden. Zeer algemeen, ook gekweekt. Hout gebruikt voor draaiwerk.

 

@: Industrialisatie


Industrialisatie Algemeen
Op kleine schaal heeft er altijd wat scheepsbouw bestaan op de Antillen; werkelijke industrialisatie is evenwel een verschijnsel van na de Eerste Wereldoorlog. De industriële ontwikkeling begon in 1916 met de inbedrijfstelling van de eerste petroleumraffinaderij op Curaçao, waarna er tegen het einde van de 1920er jaren nog twee volgden (zie Petroleumindustrie). Sindsdien wordt de industriële sector in sterke mate gedomineerd door de petroleumindustrie, al is de laatste jaren steeds meer een afnemende invloed ervan merkbaar. De kleiner wordende bijdrage van de petroleumindustrie veroorzaakte een vermindering van de totale bijdrage van de industriële sector tot het Nationaal Produkt.
De relatieve bijdrage van de industriële sector liep terug van 49% in 1957 via 34% in 1967, tot ongeveer 24% in 1984. Gezien de huidige mondiale overcapaciteit aan raffinage en de tendens olieraffinaderijen hetzij bij de bron (van ruwe olie), hetzij bij de afzetmarkt te vestigen, lijkt een structurele vermindering van de rol van de Antilliaanse raffinaderijen evident.
Op Curaçao is de belangrijke scheepsreparatie-industrie gevestigd. De overige industrie is nog weinig ontwikkeld, maar is langzaam groeiende. De bijdrage van de non-raffinage-industrie aan het Nationaal Produkt bedraagt 9 tot 10%. De overige industrie beslaat hoofdzakelijk de produktie van zekere consumptiegoederen ten behoeve van de lokale markt, welke in de meeste gevallen gebeurt met een zekere vorm van marktbescherming.
Als belemmeringen voor een sterke groei van de industriesector kunnen genoemd worden;
- de kleine markt van de Nederlandse Antillen;
- gebrek aan eigen materiële hulpbronnen.

Industrialisatie Industriele vestigingsfactoren van gunstige aard zijn:
a. de politieke en sociale stabiliteit in het land;
b. een goed ontwikkeld onderwijssysteem in vergelijking tot verschillende ontwikkelingslanden, en een bevolking die veelal meer talen verstaat (Nederlands, Engels, Spaans);
c. de gunstige ligging van de Antilliaanse eilanden ten opzichte van Noord- en Zuid-Amerika, alsmede de aanwezigheid van natuurlijke havens aan diep water en open zee gelegen, en buiten de orkaanzone (dit laatste geldt alleen de Benedenwinden);
d. goede lucht- en scheepvaartverbindingen;
e. een op hoog niveau staand bankwezen waardoor internationale transacties vlot en deskundig worden afgewikkeld;
f. vrije overdracht van winsten en kapitaal, alsmede de vaste koppeling van de Nederlands-Antilliaanse munteenheid aan de U.S. dollar;
g. de associatie met de *Europese Economische Gemeenschap (E.E.G.) die het mogelijk maakt produkten van Antilliaanse origine preferentiële toegang tot de E.E.G.-markt te geven;
h. de participatie per 1 januari 1984 in het Amerikaans Caribbean Basin Initiative programma.

Industrialisatie Beleid
Het bevorderen van industrialisatie teneinde het werkloosheidsprobleem te verlichten, is een van de belangrijke doeleinden van de regering, terwijl voorts industrialisatie wordt gezien als mogelijkheid om economische groei te bevorderen, vanwege de deviezengenererende effecten (bij export-industrie). In principe is alle industrie welkom, met uitzondering van industriële bedrijven die rechtstreeks zullen gaan concurreren met lokale bedrijven. De Nederlandse Antillen kennen een faciliteitenpakket ten behoeve van nieuwe investeringen in de vorm van belastingfaciliteiten (zie Industrievestiging en Hotelbouw, Landsverordening). Op Aruba en Curaçao zijn *Vrije Zônes ingesteld. Deze beogen in eerste instantie de internationale handel te bevorderen maar zij moeten ook van groot belang worden geacht voor de industrialisatie. De Vrije Zônes worden beheerd door de eilandsoverheden. De overheid stelt de bedrijfsgebouwen ter beschikking tegen vergoeding. In aanmerking komen bedrijven die zuiver op export gericht zijn. Er worden geen invoerrechten geheven en men is belasting verschuldigd tegen een zeer gereduceerd tarief. Momenteel wordt overwogen eveneens verwerkende industrie tot de Vrije Zône toe te laten. Ter bevordering van het contact met potentiële buitenlandse investeerders heeft de regering van de Nederlandse Antillen een acquisitieapparaat ingesteld bij het Departement van Economische Zaken. Door deze afdeling wordt informatie over de Antillen verspreid, worden potentiële investeerders begeleid en seminars/missies georganiseerd. Er is een economische commissaris te New York die zich concentreert op acquisitie in de Verenigde Staten (in het bijzonder de Oostkust). Bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister te Den Haag is een economische vertegenwoordiger werkzaam, die een soortgelijke functie uitoefent.

Het ontbreken van een goed ontwikkelde kapitaalmarkt wordt als een belemmering ervaren bij het stimuleren van industrie op de Nederiandse AntiIIen. In het kader hiervan is per 1 oktober 1981 opgericht de Ontwikkelingsbank van de Nederiandse Antillen , teneinde enigszins tegemoet te komen aan de lokale financiëringsbehoefte. Tenslotte kan genoemd worden de mogelijkheid van marktbescherming voor de op de lokale markt gerichte industrie als middel om importsubstituerende industrie te stimuleren. (Zie Economie van de Nederlandse Antillen).

 

@: Industrievestiging en Hotelbouw, Landsverordening
(P.B. 1953 nr. 194, zoals gewijzigd) biedt de mogelijkheid om belastingfaciliteiten (tax holiday) te verlenen, waarbij gedurende een periode van tenminste 5 jaar en ten hoogste 11 jaar vrijstelling wordt verleend van
a. winstbelasting,
b. inkomstenbelasting op opbrengsten uit winstuitkeringen,
c. gebruiksbelasting,
d. grondbelasting en
e. invoerrechten op materialen en goederen ten behoeve van bouw en eerste inrichting van bedrijfspanden.

De faciliteiten zijn ingesteld met het oog op bevordering van industrie en toerisme. Om in aanmerking te kunnen komen voor deze faciliteiten moet een project aan de volgende voorwaarden voldoen:

Industrieën:

  • a. Deze moeten bijdragen tot verbreding van de economische basis van de Nederlandse Antillen;
  • b. de benodigde investering moet minimaal bedragen NAf 100.000 op Aruba of Curaçao of NAf 50.000 op de andere eilanden, of wanneer de werkgelegenheid voor in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders toeneemt met tenminste 10 arbeidsplaatsen op Aruba of Curaçao, respectievelijk 5 arbeidsplaatsen op de andere eilanden;
  • c. het uit te oefenen bedrijf mag niet op 1 januari 1948 in de Nederlandse Antillen bestaan hebben en evenmin zijn afgeleid van een op deze datum in de Nederlandse Antillen bestaande industrie.

Hotels
De benodigde investering in bouw en eerste inrichting moet minimaal NAf 500.000 bedragen op Curaçao en Aruba en NAf 50.000 op de overige eilanden.

Andere ondernemingen
De werkingssfeer van de landsverordening werd in 1967 uitgebreid tot andere ondernemingen dan hotels en industrieën die bij landsbesluit kunnen worden aangewezen. Behalve de genoemde belastingfaciliteiten biedt deze landsverordening nog de mogelijkheid dat aan bepaalde bedrijven het alleenrecht tot produktie in de Nederlandse Antillen wordt verleend - het produktiemonopolie - voor een bepaalde periode. (Zie ook Economie).

 

@: Ingezetenen
zijn in het algemeen de personen, die binnen een bepaald territorium gevestigd zijn. In de *Staatsregeling komt dit woord voor in art. 45, dat het kiesrecht toekent aan alle ingezetenen van de Nederlandse Antillen, die Nederlander zijn en (minstens) 23 jaar. Wie ingezetenen zijn blijkt uit art. 6 van de Algemene bepalingen der wetgeving voor Curaçao (P.B. 1948 nr. 56), luidende: Ingezetenen van de Nederlandse Antillen zijn allen, die in de Nederlandse Antillen gevestigd zijn. Sluit uit bijvoorbeeld de tourist. In het Kiesreglement (P.B. 1973, nr. 27), zoals gewijzigd wordt bepaald, dat onder ingezetenen zijn te verstaan: zij die werkelijk woonplaats hebben in één der eilandgebieden van de Nederlandse Antillen. Een duidelijke afbakening van wat onder ingezetenen en onder vestiging wordt verstaan, is van belang in verband met de regeling van toelating en uitzetting van Nederlanders. Het uitgangspunt daarbij dient te zijn, dat die materie landszaak is, met voorts een koninkrijks- en een internationaal aspect. Dit is de reden dat in art. 3 *Statuut sub f het toezicht op de algemene regelen betreffende de toelating en uitzetting van Nederlanders onder *koninkrijksaangelegenheden is opgenomen. Om diezelfde reden bepaalt in de *ERNA art. 2 sub D8 dat toelating, vestiging en uitzetting niet tot de zorg van een eilandgebied behoren.

 

@: Initiatiefrecht
noemt men de bevoegdheid tot het indienen van ontwerp-landsverordeningen. Die bevoegdheid komt in de Nederlandse Antillen toe aan de Gouverneur (art. 68, Staatsregeling) en aan de Staten van de Nederlandse Antillen (art. 77, Staatsregeling). Verreweg de meeste ontwerpen van landsverordeningen gaan uit van de Gouverneur, d.w.z. van de Gouverneur en de ministers tezamen.

 

@: Inkomen, Nationaal / @: National inkomen
De gegevens hierover zijn gepubliceerd in de Nationale Rekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De ontwikkeling van het Nationaal Inkomen tegen factorkosten wordt hieronder aangegeven voor de Benedenwindse Eilanden. Het Netto Binnenlands Produkt (N.B.P.) is voor 77% gevormd in de particuliere sector en voor 23% door Overheid en Overheidsbedrijven.
De Nationale Rekeningen 1972-1977 geven eveneens voor de drie Benedenwindse Eilanden het Netto Binnenlandse Produkt per capita. De ontwikkeling was als volgt:

 

De reële groei van het N.B.P. per caput bedroeg op de Benedenwindse Eilanden voor de periode 1972-1977 gemiddeld 5 tot 5,6% per jaar.

 

@: Inkomstenbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Inktvissen
(Cephalopoda) zijn weekdieren met tentakelarmen aan de kop. Deze armen zijn bezet met rijen zuignappen, waarmee zij hun prooi vastgrijpen en naar de mond brengen. In hun mond bevinden zich twee sterke chitine-achtige kaken, die de vorm hebben van een papegaaiesnavel. Met deze kaken kunnen zij krabbepantsers zowel als schelpen verbrijzelen, waarna het bijzonder giftige speeksel de prooi snel doodt. Doordat de kaken niet als wapen gebruikt worden, wordt de mens door inktvissen maar zelden gebeten; de beet is niet alleen uiterst pijnlijk, maar bovendien voor allergisch aangelegde mensen niet zonder gevaar.
Aan de buikzijde hebben inktvissen een diepe mantelholte, waarin zich kieuwen bevinden, die door pompbewegingen van de mantel geventileerd worden. Het water komt de holte binnen door een brede opening en wordt daarna via een nauwe trechter naar buiten geperst. Doordat deze trechter naar alle kanten kan worden gericht, is de inktvis in staat zichzelf naar elke gewenste richting ‘weg te spuiten’. Daarbij kunnen zij een inktwolk afgeven die bij sommige soorten (Octopus bijvoorbeeld) zo groot is, dat deze als rookgordijn fungeert. Bij de pijlinktvissen is de vorm van de wolk ongeveer gelijk aan die van hun lichaam. In het aquarium is het effect van het inktwolkje goed te zien: roofvissen zoals groupers ziet men als dol in zo een wolk happen, terwijl de inktvis inmiddels ergens anders zit.
De zeekat (Octopus spec.) zwemt zelden en houdt zich schuil in een hol van waaruit hij kruipend een prooi bemachtigt, vooral krabben en schelpdieren. De zeekat wordt veel gegeten; het taaie vlees wordt dan eerst mals geknuppeld. Pijlinktvis (Sepioteuthis en Loligo spec.), sekat bulado of squid is de naam voor een groep pelagische soorten. Tot dicht onder de kust ziet men ze in scholen ritmisch voor- en achterwaarts zwemmen; enkele ‘vliegen’ soms een eind het water uit, waaraan zij hun Papiamentse naam bulado te danken hebben. Zij leven vooral van vis, die zij vangen met behulp van twee lange tentakels, die meestal in een mondplooi opgevouwen liggen, maar uitklapbaar zijn. Zij bezitten onder de rughuid een lang, vliezig rugschild. Door hun talrijkheid vormen zij een belangrijk bestanddeel van het menu van grote zeevogels en vele grote pelagische vissoorten, met name van de tonijnen. Omdat zij een goed *aas vormen, wordt er wel met het lijntje op hen gevist. Langs op de wind gelegen kusten spoelen dikwijls kommavormige opgerolde kalkkokertjes aan, die behoord hebben aan het inktvisje Spirula, dat in het Caribische gebied op 300m diepte leeft. Bij de dood van het dier komt het met gas gevulde schelpje naar de oppervlakte en spoelt dan later ergens aan.

Lit: Voor een soortenlijst van Antilliaanse inktvissen zie W, Adam, Capita Zoölogica dL 8, dL 3 (1937),

 

@: Inschepingsgelden
(A.B. Curaçao 1964 nr. 41) worden op Curaçao geheven, op een bijdrage gelijkende heffing op alle aldaar verkochte reisbiljetten voor zeeschepen (geen zeilschepen). Tarief NAf 2 of NAf 5 per persoon.

 

@: Insekten
Van de insektenwereld van de Nederlandse Antillen is nog maar weinig bekend en deze kennis blijft meestal beperkt tot een lijst van soorten en hun vindplaatsen. Met name van de wantsen, libellen, luizen, vlinders, muskieten en enkele families van kevers bezit men een (vaak nog verre van complete) inventarisatie (zie ook @: Vliegen).

 

@: Instituto Colombiano de Credito Educativo y Estudios Tecnicos en el Exterior / @: I.C.E.T.E.X. / @: ICETEX
is een instituut waarmee de regering van de Nederlandse Antillen sinds 1975 een overeenkomst heeft om toezicht te houden op bursalen uit de Antillen. (Zie ook Bursalen, Centraal Bureau Toezicht Curaçaosche; Studiecommissie Nederlandse Antillen, Stichting; O.C.T.).

 

@: Instituto Lingwistiko Antíano / @: I.L.A. / @: ILA
Talenbureau, dat in het proces van herwaardering van de moedertalen van de Nederlandse Antillen een stimulerende en coördinerende rol speelt. Het takenpakket omvat o.a. standaardisatie van het Papiamentu, instructie en voorlichting, taalzorg, evaluatie en begeleiding van methodes en experimenten ten behoeve van het onderwijs, literatuur, vertalingen en onderzoek. Naast directeur drs. F.E. Martinus (Frank Martinus Arion) functioneren nog acht linguïsten/literatoren met standplaatsen op de Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Integratiebepaling
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Intergovernmental Oceanographic Commission Association for the Caribbean and Adjacent Regions (Iocaribe) / @: Iocaribe

De organisatie werd op 23 juli 1976 ingesteld te Caracas, Venezuela, nadat het C.I.C.A.R. (Cooperative Investigations of the Caribbean and Adjacent Regions) -programma op diezelfde dag beëindigd werd, voor een periode van zes jaar. Het programma is project-gericht en multidisciplinair van karakter. De projecten dienen:

  • a. van sociaal-economisch belang voor de regio te zijn;
  • b. door deskundigen uit de regio te kunnen worden uitgevoerd;
  • c. een hoge kans op redelijke resultaten binnen een redelijke tijd te hebben;
  • d. betrekking te hebben op de ernstige voedsel problemen van de regio.

De volgende programma’s werden geëntameerd:

  • I. programma’s ter ondersteuning van visserijprojecten en mariën milieu-onderzoek;
  • II. biologie en cultuur van commercieel belangrijke ongewervelde zeedieren zoals mosselen en kreeften;
  • III. milieu-geologie van het Caribisch kustgebied. 

 

@: Interimregeling van 1950
Door de na de Tweede Wereldoorlog tot uiting gekomen sterke aandrang tot grotere zelfstandigheid (autonomie) was een grondige herziening van de Antilliaanse staatsinrichting noodzakelijk. Omdat de Grondwet de Nederlandse wetgever bindt aan de in de Grondwet neergelegde hoofdbeginselen van bestuur over de overzeese gebiedsdelen, moest de hervorming in etappes tot stand gebracht worden. De herziening van de Antilliaanse Staatsregeling, die op 31 mei 1948 in werking trad, kwam aan de verlangens tegemoet zover dit binnen het raam van de bestaande Grondwet mogelijk was. Inmiddels werd voortvarend gewerkt aan een grondwetsherziening, die de baan vrij zou maken voor vestiging van de nieuwe rechtsorde eventueel met afwijking van bepalingen van de Grondwet. Deze wijziging werd op 20 september 1948 afgekondigd. Nu zou het in oktober 1948 gereed gekomen voorontwerp-Rijksgrondwet (het resultaat van de conferentie van 1948) in behandeling genomen kunnen zijn, indien het inmiddels afgetreden Nederlandse kabinet met de in de conferentie aangenomen resoluties had ingestemd. De conferentie verkeerde in die veronderstelling, maar dat bleek niet het geval te zijn en het nieuw, opgetreden kabinet kon onmogelijk op korte termijn zich een oordeel vormen over deze ingewikkelde materie. Omdat dit wel mogelijk was ten aanzien van het gedeelte dat Suriname en de Nederlandse Antillen het meest ter harte ging, namelijk de autonomie der landen, werd besloten allereerst daaraan uitvoering te geven (zie ook Decentralisatie). Daartoe werd dadelijk reeds in november 1948 het overleg geopend over een voorontwerp-interim-regeling ex art. 210 Grondwet (later art. 217). De samenstelling van de conferentie was daarop niet berekend; een andere weg werd gekozen. Dat de totstandkoming van de nieuwe rechtsorde niet op de achtergrond is gedrongen door het Indonesisch probleem, is te danken aan het feit dat zij in handen werd gegeven van de minister zonder portefeuille, J.R.H. van Schaik, die vergezeld van W.C.L. van der Grinten en W.H. van Helsdingen - in januari 1949 met velerlei instanties, in het bijzonder met de Staten in Suriname en in de Nederlandse Antillen en in Nederland intensief overleg voerde. Wel stond het vast dat een definitieve regeling van de nieuwe rechtsorde, een Koninkrijk bestaande uit Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, toch in 1948 nog niet tot stand kon komen, omdat toen nog niet bekend was in hoeverre het voormalige Nederlands-Indië daar bij betrokken zou zijn.

De beide interimregelingen voor Suriname en de Nederlandse Antillen bevatten een regeling van de autonomie en een regeling met betrekking tot hun gemeenschappelijke aangelegenheden met Nederland. Zoveel mogelijk werd met de resoluties van de conferentie van 1948 rekening gehouden. Die van Suriname kwam eerder tot stand, nl. in januari 1949, die van de Nederlandse Antillen in september 1950 (P.B. 1950 nr. 109; inwerkingtreding: 7 februari 1951), omdat het noodzakelijk was in de Nederlandse Antillen de inwerkingtreding vrijwel te doen samenvallen met die van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA), gelet op de grote samenhang van beide regelingen. Van de interimregelingen zijn de eerste en derde titel vervallen bij de inwerkingtreding van het Statuut in december 1954 (art. 58 Statuut). De resterende tweede titel kwam te vervallen door de aanpassing van de Landsregeling aan het Statuut (art. 59) bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur van 29 maart 1955 (Stbl. nr. 136-138, P.B. nr. 32-34).

 

@: Interkerkelijke samenwerking
De goede samenwerking op Curaçao tussen de protestantse kerkgenootschappen blijkt o.a. uit de *Oecumenische Raad van Protestantse Kerken in de Nederlandse Antillen. Sinds 1970 is ook de R-K Kerk lid van de Oecumenische Raad, die sedertdien de Raad van Kerken heet. Deze Raad is lid van de
Caribbean Conference of Churches, een regionale afdeling van de Wereldraad van Kerken.

 

@: Interlopers
zie @: Lorredraaiers.

 

@: Intern appèl


 

Foto: Intern appel vergadering naar aanleiding van de zogenaamde kwestie-Jonckheer - februari 1970 in Den Haag. Links vooraan op de foto toekomstig minister-president Nederlandse Antillen, S.G.M. "Boy" Rozendal

Intern appel is de benaming van het in art. 12 Statuut omschreven voortgezet overleg in het geval ten aanzien van een voorziening, houdende algemeen bindende regelen, geen overeenstemming is verkregen tussen Nederland enerzijds en de Nederlandse Antillen anderzijds. Dit artikel behoort tot de meest gewichtige punten van het Statuut. Hierin ligt de waarborg, dat de belangen van de Nederlandse Antillen tot hun recht komen, terwijl er tevens voor gewaakt is, dat de eenheid van het Koninkrijk bewaard blijft. Het eerste lid bepaalt, dat een voorziening houdende algemeen bindende maatregelen niet voor de Nederlandse Antillen wordt vastgesteld, indien de gevolmachtigde minister verklaart, dat zijn land niet ware te binden. Deze bevoegdheid - te hanteren voordat de voorziening wordt vastgesteld wordt wel aangeduid als lokaal veto. Een uitzondering wordt alleen gemaakt als de verbondenheid in het Koninkrijk zich hiertegen verzet. Als hierover meningsverschil ontstaat, heeft voortgezet overleg plaats in kleine kring van 5 personen: de Nederlandse minister-president, twee Nederlandse ministers, de gevolmachtigde minister en een door de Antilliaanse regering aangewezen minister of bijzonder gevolmachtigde. De tweede fase is her-behandeling van de voorgenomen voorziening in de Raad van ministers van het Koninkrijk, waarbij de Raad gebonden is aan de uitkomst van het voortgezette overleg.

 

@: International Civil Aviation Organization / @: I.C.A.O. / @: ICAO
legt in overleg met leden-staten regels en voorschriften vast voor een veilige uitvoering van het wereldluchtverkeer. Het Koninkrijk der Nederlanden is als nagenoeg alle landen ter wereld lid van deze omvangrijke en belangrijke organisatie.

 

@: Internationale overeenkomsten

Hetgeen behandeld wordt:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Sluitingsprocedure van een Internationale overeenkomst in het Koninkrijk der Nederlanden

Hoofdstuk 3: Initiatief Regering Nederlandse Antillen tot internationale overeenkomsten (artikel 26 Statuut)

Hoofdstuk 4: De verantwoordelijkheid van de Minister Buitenlandse Zaken

Hoofdstuk 5: Soorten en vormen internationale overeenkomsten
Sectie 1: Soorten
Sectie 2: Vormen
Sectie 3: Aantal internationale overeenkomsten; het oudste
Sectie 4: Koninkrijksverdragen die alleen ten behoeve van de Nederlandse Antillen gesloten zijn:

Hoofdstuk 6: Buitenlandse Defensie
Sectie 5: Algemeen
Sectie 6: Enkele internationale overeenkomsten op het gebied van internationaal gewapend conflict welke medegelding hebben voor de Nederlandse Antillen

Hoofdstuk 7: Buitenlandse economische betrekkingen

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 1: Inleiding
Internationale overeenkomsten kunnen alleen door volkenrechtssubjecten aangegaan worden. Volkenrechtssubjecten zijn soevereine staten en ook internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, N.A.V.O., E.E.G. etc. Voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden kan gesteld worden dat slechts het Koninkrijk in haar geheel volkenrechtssubject is, d.w.z. dat geen van beide delen waaruit het Koninkrijk bestaat te weten Nederland en de Nederlandse Antillen, zelfstandig een internationale overeenkomst kan aangaan. Om die reden worden steeds alle overeenkomsten voor het gehele Koninkrijk ondertekend maar bij de parlementaire behandeling wordt beslist of zo’n overeenkomst voor het gehele Koninkrijk zal gelden of dat de gelding slechts beperkt zal blijven tot één van de delen van het Koninkrijk.
Internationale overeenkomsten die de Nederlandse Antillen raken, worden geregeld op de wijze als aangegeven in de artt. 24-28 van het Statuut, juncto artikelen 60-67 van de Grondwet. Als onderdeel van de buitenlandse betrekkingen vormen zij een van de Koninkrijksaangelegenheden (art. 3 Statuut). De vraag of een overeenkomst de Nederlandse Antillen raakt, is ter beslissing aan het land zelf (art. 11, zesde lid Statuut). Voorzover een internationale overeenkomst op de Nederlandse Antillen van toepassing is, behoort zij tot de in art. 2 Staatsregeling genoemde wettelijke regelingen.

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 2: Sluitingsprocedure van een Internationale overeenkomst in het Koninkrijk der Nederlanden

Deze omvat de volgende stappen:
a. Voorbereiding: Onderhandeling, behandeling in Rijksministerraad, ondertekening.

b. Parlementaire goedkeuring: Na advies van de Raad van State wordt de overeenkomst voorgelegd aan de Staten-Generaal en aan de Staten van de Nederlandse Antillen. Het Parlement kan op twee manieren zijn goedkeuring hechten aan een overeenkomst nl. op stilzwijgende of uitdrukkelijke wijze.

c. Inwerkingstelling: d.w.z. zorgen dat de overeenkomst van kracht wordt, is afhankelijk van een formele handeling, namelijk de bekrachtiging (ratificatie). De bekrachtiging is een officiële mededeling van het ene land aan de andere partij bij de overeenkomst, waarin wordt gesteld dat voor wat betreft dat land de overeenkomst van kracht kan worden aangezien aan de constitutionele vereisten voldaan is.

d. Bekendmaking: deze is geregeld in artikel 65 respectievelijk 67 van de Grondwet. In art. 65 staat o.a.: ‘De Wet geeft regels omtrent de bekendmaking van overeenkomsten’. Die wet is de Rijkswet van 22 juni 1961 (Stb. 207) houdende regeling inzake de bekendmaking van overeenkomsten en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In artikel 1 van genoemde wet wordt bepaald, dat internationale overeenkomsten door de Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk, in het *Tractatenblad (Trb.) van het Koninkrijk der Nederlanden worden bekend gemaakt.

Ten aanzien van de rol van de Nederlandse Antillen bij de parlementaire goedkeuring valt te vermelden, dat de Staten van de Nederlandse Antillen steeds gebruik maken van hun bevoegdheid om vóór de openbare behandeling in de Tweede Kamer van wetsontwerpen tot goedkeuring van overeenkomsten die ook in de Nederlandse Antillen zullen gelden, daaromtrent verslag uit te brengen (artikel 16 Statuut).
Ook hebben de Staten van de Nederlandse Antillen de bevoegdheid (artikel 17, tweede lid, van het Statuut) om vóór de behandeling van wetsontwerpen tot goedkeuring van overeenkomsten die ook voor de Nederlandse Antillen gelden, bijzondere gedelegeerden af te vaardigen om de mondelinge behandeling daarvan in de Staten-Generaal bij te wonen en daarbij voorlichting te geven. (Voorbeeld: speciale afvaardiging van de Staten in 1978 naar de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten; beide van 19 december 1966, New York).

 

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 3: Initiatief Regering Nederlandse Antillen tot internationale overeenkomsten (artikel 26 Statuut)

De Regering van de Nederlandse Antillen heeft diverse malen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van het Statuut, het initiatief genomen om te komen tot internationale overeenkomsten welke (wat het Koninkrijk betreft) uitsluitend voor de Nederlandse Antillen gelden. Een voorbeeld daarvan vormt de op 8 januari 1977 te Willemstad tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela inzake de culturele betrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en Venezuela (Trb. 1977, 30). Analoog hieraan heeft de Regering van de Nederlandse Antillen ook verschillende malen het initiatief genomen om door middel van afzonderlijke overeenkomsten te bewerkstelligen dat de werking van overeenkomsten die aanvankelijk, voor wat betreft het Koninkrijk; alleen voor Nederland golden tot de Nederlandse Antillen werden uitgebreid. Een voorbeeld daarvan is de op 24 juli 1970 te Londen plaatsgevonden hebbende notawisseling inzake de uitbreiding tot de Nederlandse Antillen van de belastingovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk (Trb. 1970, 150). Een belangrijke overeenkomst die op initiatief van de Nederlandse Antillen is gesloten en die voor het gehele Koninkrijk geldt, is het op 31 maart 1978 te Willemstad ondertekende Grensverdrag met Venezuela (Trb. 1978, 61).

 

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 4: De verantwoordelijkheid van de Minister Buitenlandse Zaken

De overeenkomstmaterie wordt in eerste instantie bepaald door de bewindsman tot wiens ambtsterrein zij behoort. De formele bepalingen en de totstandbrenging van de overeenkomst echter behoren bij uitsluiting tot de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken. Tot de formele bepalingen worden gerekend:

  • de titel,
  • de preambule,
  • clausules over de ondertekening,
  • de inwerkingtreding (door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring),
  • territoriale gelding binnen het Koninkrijk,
  • voorlopige inwerkingstelling of toepassing,
  • duur en beëindiging,
  • toetreding,
  • wijzigingsprocedure,
  • geschillenregeling,
  • overgangsmaatregelen,
  • toelaatbaarheid van voorbehouden,
  • verplichtingen van de depositaris,
  • testimonium en
  • talenregime.

 
Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 5: Soorten en vormen internationale overeenkomsten

  • Sectie 1: Soorten

Men onderscheidt:

  • bilaterale overeenkomsten (gesloten tussen twee landen);
  • plurilaterale overeenkomsten (gesloten tussen een beperkt aantal landen);
  • multilaterale overeenkomsten (gesloten tussen een groot of zo groot mogelijke aantal landen).

 

  • Sectie 2: Vormen

De verschillende vormen van internationale overeenkomsten die voorkomen zijn:

  • traktaat,
  • verdrag,
  • internationale overeenkomst, 
  • conventie,
  • akkoord,
  • schikking,
  • protocol,
  • notawisseling,
  • briefwisseling en
  • memorandum of understanding.

De keuze van de vorm is afhankelijk van de vraag of de overeenkomst bilateraal, plurilateraal of multilateraal is en of het een belangrijke of minder belangrijke overeenkomst betreft. De meest plechtige vorm is het traktaat of verdrag; de meest eenvoudige vorm is de nota- of briefwisseling.

 

  • Internationale overeenkomsten Sectie 3: Aantal internationale overeenkomsten; het oudste

De Nederlandse Antillen zijn in Koninkrijksverband mede partij bij ongeveer 800 internationale overeenkomsten, welke in werking zijn getreden en tot nu toe (1984) van kracht zijn.

Het oudste verdrag dat mede geldt voor de Nederlandse Antillen dateert van 15 juni 1701; het is gesloten te Kopenhagen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Denemarken inzake Vriendschap, Goed-Verstand en Commercie; op 27 augustus 1701 is het in werking getreden (Trb. 1965, 66). Het van kracht zijn van het nog oudere verdrag dat op 23 maart 1648 te Sint Maarten is gesloten en dat als titel draagt: Modus-Vivendi tussen het Nederlandse en Franse deel van Sint Maarten is tot op dit moment in studie.

 

  • Sectie 4: Koninkrijksverdragen die alleen ten behoeve van de Nederlandse Antillen gesloten zijn:
  • Briefwisseling tussen de Nederlandse en Amerikaanse Regering inzake de voortzetting van de samenwerking tussen de meteorologische diensten van de Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika (1970);
  • Overeenkomst tot instelling van het Caribisch Luchtvaartopleidingsinstituut (1973);
  • Regionale Overeenkomst inzake de erkenning van studies en diploma's op het gebied van het Hoger Onderwijs in Latijns-Amerika en in het Caribisch gebied (1974);
  • Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de culturele betrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en België (1975) (zie Cultureel Akkoord);
  • Culturele overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela ten behoeve van de Nederlandse Antillen (1977) (zie Cultureel Akkoord);
  • Vriendschaps- en samenwerkingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (1978);
  • Briefwisseling tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika houdende een overeenkomst inzake weersvoorspeIling in het Caribisch gebied (1979);
  • Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het zeemilieu in de Caribische regio en bijbehorend Protocol inzake samenwerking bij het bestrijden van olieverontreiniging, met bijlagen (1983).

 

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 6: Buitenlandse Defensie

  • Sectie 5: Algemeen

Krachtens artikel 3, lid 1, sub a, van het Statuut behoort de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk tot één van de aangelegenheden van het Koninkrijk. Bij landsverordening worden regelen gesteld om te waarborgen, dat de krijgsmacht van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen haar taak kan vervullen (art. 30 van het Statuut).

In de strijdkrachten voor de verdediging van de Nederlandse Antillen zuIlen zoveel mogelijk personen, die in de Nederlandse Antillen wonen, worden opgenomen (art. 32 van het Statuut). De Nederlandse Antillen dragen in overeenstemming met hun draagkracht bij in de kosten, verbonden aan handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk, zomede in de kosten, verbonden aan de verzorging van andere aangelegenheden van het Konninkrijk, voor zover deze strekt ten gunste van de Nederlandse Antillen (art. 35 van het Statuut).

In de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen (Staatsblad (Stb.) 1955, 138; P.B. 1955, 34) worden nadere regels gegeven ten aanzien van dienstplichtigen. De Gouverneur heeft het opperbevel over de hem ter beschikking gestelde krijgsmacht (art. 28 van het Reglement voor de Gouverneur van de Nederlandse Antillen), overeenkomstig de aanwijzingen des Konings.

Sectie 6: Enkele internationale overeenkomsten op het gebied van internationaal gewapend conflict welke medegelding hebben voor de Nederlandse Antillen

  • Verdrag betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land, met bijbehorend Reglement (Stb. 1900, 163) (Stb. 1910, 73);
  • Verdrag nopens de toepassing op de zee-oorlog van de beginselen van de Conventie van Genêve van 22-8-1864 (Stb. 1900, 163);
  • Verbod beziging bepaalde kogels (Stb. 100, 163);
  • Verdrag nopens het bombardement door een scheepsmacht in tijd van oorlog (Stb. 1910, 73);
  • Verdrag nopens de verandering van handelsvaartuigen in oorlogsschepen (Stb. 1910, 73);
  • Verdrag nopens de opening van de vijandelijkheden (Stb. 1910, 73);
  • Protocol nopens de chemische en bacteriologische oorlog (Stb. 1930, 422);
  • Verdrag tot uitbanning van de oorlog (Stb. 1929, 407);
  • De vier Rode Kruis-Verdragen inzake de bescherming van Oorlogsslachtoffers (Stb. 1954, 246; 1954, 247; 1954, 248; 1954, 249);
  • Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot wederzijdse hulpverlening inzake de verdediging, met bijlagen (Stb. K. 84);
  • N.A.V.O.-overeenkomst betreffende de wederzijdse geheimhouding van uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn en onderwerp van octrooi-aanvragen vormen (Trb. 1961, 82);
  • N.A.V.O.-overeenkomst betreffende uitwisseling van technische gegevens voor defensiedoeleinden (Trb. 1971, 65);
  • Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika (Verdrag van Tlatelolco) (Trb. 1968, 145);
  • Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Trb. 1968, 126);
  • Verdrag tot verbod van de plaatsing van kernwapens en andere wapens voor massale vernietiging op de zee-bedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan (Trb. 1971, 116);
  • Verdrag tot het verbieden van proefnemingen met kernwapens in de dampkring, in de kosmische ruimte en onder water (Trb. 1963, 122);
  • Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (Trb. 1972, 142).

 

Internationale overeenkomsten Hoofdstuk 7: Buitenlandse economische betrekkingen

zijn aangelegenheden welke in de Nederlandse Antillen ressorteren onder het Departement van Economische Zaken en meer in het bijzonder onder de hoofdafdeling Buitenlandse economische betrekkingen. Door het aangaan van relaties met andere landen zowel in bilateraal als in multilateraal verband wordt beoogd de economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen te versterken door samenwerking op het gebied van handel, industrie, toerisme, landbouw, etc. Deels geschiedt dit in Koninkrijksverband en deels worden, in samenwerking met het Bureau Buitenlandse Betrekkingen (B.B.B.), rechtstreeks relaties onderhouden met vooral landen en organisaties in de Caribische regio en Latijns-Amerika (bijvoorbeeld Economic Commision for Latin America (E.C.L.A.); Caribbean Development and Cooperation Committee (C.D.C.C.).

Voorts worden op economisch terrein speciale relaties onderhouden met de E.E.G. (Europese Economische Gemeenschap) (Associatieregeling sedert 1964), en met de Verenigde Staten van Amerika (Caribbean Basin Initiative - C.B.I. sedert 1984) en op grond van economische en technische samenwerkingsovereenkomsten (Trb. 1951, 89 en Trb. 1954, 10) met dat land.

Vele economische en handelsverdragen welke door het Koninkrijk gesloten zijn hebben medegelding voor de Nederlandse Antillen, die verstrekkende bevoegdheden hebben nl. een absoluut lokaal veto, indien de Nederlandse-Antilliaanse regering verklaart, dat het land niet dient te worden gebonden; dit alleen als zij de gronden aanwijst, waarop zij van de binding nadelen verwacht (art. 25). Op dezelfde wijze kan de regering van de Nederlandse Antillen voorkomen dat een bestaande internationale overeenkomst voor wat de Nederlandse Antillen betreft, wordt opgezegd. Bij meningsverschil hieromtrent kan het intern appèl (art. 12 Statuut) worden toegepast.

In het algemeen is het beleid van de Antilliaanse Overheid erop gericht om de eigen positie in de regio te versterken (P.B. 1973, 18) door een actiever beleid ten aanzien van de bilaterale economische betrekkingen met bepaalde landen in de regio zoals Venezuela, Colombia en de Dominicaanse Republiek.

 

@: Interpellatierecht

is het recht van de Staten om aan een minister inlichtingen te vragen; te interpelleren. De minister is verplicht de verlangde inlichtingen te geven, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, tenzij het verlenen van de inlichtingen strijdig kan worden geoordeeld met het belang van het Koninkrijk of van de Nederlandse Antillen (art. 65 Staatsregeling) (zie ook Staten: bevoegdheden).

 

@: In-, uit- en doorvoer / @: Invoer / @: Uitvoer / @: Doorvoer

Statistiek

De statistiek der in- en uitvoer wordt samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek aan de hand van de douaneformulieren, waarop vermelding van de c.i.f.-waarde (cost insurance freight waarover het invoerrecht wordt geheven) verplicht is. Sinds 1954 wordt de Standard International Trade Classification (S.I.T.C.) van de Verenigde Naties gebruikt voor de classificatie van de buitenlandse handel naar goederensoorten.

Wanneer olie en olieprodukten buiten beschouwing worden gelaten, bestaat de handel met het buitenland in hoofdzaak uit import.

Invoer

 

Voor de samenstelling van de ingevoerde goederensoorten in 1979 zie tabel. De zeer snelle en regelmatige scheeps- en luchtvaartverbindingen tussen de Verenigde Staten enerzijds en Curaçao en Aruba anderzijds, de lage, voor het overgrote deel fiscale invoerrechten en het grotere persoonlijke contact tussen de handeldrijvende partijen als gevolg van de geringe afstand, hebben er toe bijgedragen dat de invoer uit de Verenigde Staten twee- tot driemaal zo groot werd als die vanuit enig ander land. Deze invoer bedroeg in 1979 NAf 496 miljoen.

Op de tweede plaats komt Nederland met NAf 194 miljoen waarvan - eveneens over het jaar 1979 - het volgende beeld te zien is:

Uit het Caribisch bekken wordt slechts zeer weinig ingevoerd. Ongetwijfeld is dit mede een gevolg van het ontbreken van goede scheepsverbindingen, alsook van constante produktie en van kennis van exportzaken in de landen van oorsprong. Uit dit gebied werd in 1979 NAf 69 miljoen ingevoerd waarvan echter aan petroleumprodukten NAf 37 miljoen.

De invoer, exclusief olie en olieprodukten ten behoeve van de petroleumindustrie op Curaçao en Aruba, was in 1979 afkomstig van de volgende landen:

Uitvoer

De uitvoer bestaat voor het overgrote deel uit olieprodukten afkomstig van de olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba, voorts fosforzure kalksteen gedolven uit de Tafelberg op Curaçao. Ten opzichte van de uitvoer van olie en olieprodukten speelt de overige uitvoer een geringe rol. De volledige lijst zag er in 1979 als volgt uit:

Van de historische uitvoerprodukten: zout, aloëhars, oranjeschillen, dividivipeulen, huiden, pokhout en strohoeden, resteert in belangrijke hoeveelheden slechts zout. Wanneer de export van de olieraffinaderijen buiten beschouwing wordt gelaten waren de landen van bestemming van de overige uitvoer in 1979:

Doorvoer

Deze kan worden gesplitst in:

a. verscheping naar het buitenland van goederen niet voor de Nederlandse Antillen bestemd, maar in Antilliaanse havens gelost, teneinde te worden overgeladen op een andere scheepsgelegenheid en

b. verkoop aan het, buitenland van handelswaar door Antilliaanse bedrijven uit den vreemde aangebracht en tijdelijk zonder naar het binnenland te zijn ingeklaard, in douane-entrepots of in onder côntrôle van de douane staande particuliere entrepots opgeslagen.

Sinds de opkomst van de stoomvaart tot het midden van de 20ste eeuw is de onder a. genoemde activiteit van belang geweest voor de haven van Curacao. In die tijd werd lading van stoomschepen, bestemd voor moeilijk bereikbare Venezalaanse havens, zoals bijvoorbeeld Maracaibo, door de stoomvaartlijnen in Curaçao gelost om op kleinere schepen en kustvaarders naar het vasteland te worden vervoerd. Door het uitbaggeren van de zandbank aan de monding van het Meer van Maracaibo, waardoor deze haven toegankelijk werd voor transatlantische zeeschepen en tevens door het tot volledige ontwikkeling komen van de haven van Caracas, La Guaira, werd deze voor de haven van Curaçao voorheen lucratieve activiteit allengs tot vrij geringe proporties teruggebracht.

Terwijl in deze gevallen niet van een eigenlijke handel kan worden gesproken, is zulks met de onder b. omschreven activiteit wel het geval. Het betreft in hoofdzaak Schotse whisky, Amerikaanse sigaretten en koffie; de eerste twee worden grotendeels aan kopers uit het Zuid-Amerikaanse vasteland verkocht en in barkjes verscheept, waarbij de werkelijke plaats van bestemming niet altijd is vast te stellen. De koffie wordt hoofdzakelijk uit Colombia gehaald en al dan niet na herverpakking en een kortere of langere opslag, aan importeurs in de Verenigde Staten verkocht. Eveneens onder de categorie van doorvoerhandel vallen de verkopen ex-bond van tabak en gedestilleerd aan toeristen en aan transito luchtpassagiers door de zaken in de stadscentra alsook door belastingvrije winkels op de luchthavens van Aruba en Curaçao.

 

@: Investeringen en besparingen, Nationale / @: Nationale investeringen / @: Nationale besparingen

Een gedeelte van het Nationaal Produkt wordt consumptief besteed; het resterend gedeelte ervan vormt de besparing van de volkshuishouding. De Nationale Besparingen kunnen worden aangewend voor financiëring van de investeringen. De som van de nationale besparingen minus netto nationale investeringen vormt het nationale besparings- of inkomensoverschot.

 

 @: Invoerquote
Wanneer de waarde van de invoer wordt vermeerderd met de afschrijvingen en de in het binnenland toegevoegde waarde (Binnenlands Produkt) ontstaat de waarde van de totale bestedingen, waarin zijn begrepen de binnenlandse of nationale bestedingen en de export. De gemiddelde invoerquote is de verhouding tussen de totale invoer en de totale bestedingen. Analoog hieraan kan de invoer van de binnenlandse bestedingen worden gedefinieerd.

De invoerquote van de particuliere binnenlandse bestedingen wordt geschat eind 1970er jaren ongeveer 50% te hebben bedragen. In dit verband wordt gewezen op het economisch begrip multiplier, dit is het omgekeerde van de verhouding tussen:

  • a. een autonome toename van de bestedingen  en
  • b. de toename van het Nationaal Produkt die daarvan het gevolg is.
  • Door de hoge invoerquote is deze multiplier laag en varieert sterk door de verschillende bestedingscategorieën. Voor bestedingen in de particuliere sector wordt de multiplier geschat op 0,9 á 1,0

  

@: Invoerrechten
zie @: Belastingen.

 

@: Invordering

Zowel de Nederlandse Antillen als de eilandgebieden Aruba en Curaçao hebben invorderingsverordeningen. Op landsniveau is de invordering opgedragen aan de landsontvanger(s); voor de eilandgebieden aan de eilandsontvanger(s). Op Bonaire en de Bovenwindse Eilanden is de Landsontvanger tevens Eilandsontvanger. De eerste functionarissen innen de invoerrechten, accijnzen, bijzondere invoerrechten, omzetbelasting op bier, successie, zegel- en registratierecht, enz. terwijl de eilandsontvangers de inkomsten-, loon-, winst-, grond- en gebruiksbelasting, waarvan de aanslagregeling is opgedragen aan de Inspecteur der Belastingen (Land), alsmede de zuiver eilandelijke heffingen zoals motorrijtuigbelasting, logeergastenbelasting, schoolgelden, precariorechten, erfpachten, enz. innen. De Landsontvangers en de Eilandsontvangers hebben voor belastingen en retributies de mogelijkheid dwanginvordering toe te passen (zie ook @: Belastingen).

 

@: Ipomoea

Plantengeslacht uit de familie der Convolvulaceae (winde-achtigen) door een 15-tal soorten in de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd. Klimmende planten zonder ranken, bloemen 5-tallig; vruchtbeginsel 2- of meerhokkig. Trompet (Ipomoea nil), met langgesteelde, 3-lobbige bladeren met diep hartvormige basis; kelk aan basis dicht behaard, kroon helderwit of lichtblauw. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen.

Yerba di paskua (Ipomoea incarnata) of yerba di glas. Bladeren hartvormig maar niet gelobd, ongebaard, bloemkroon lichtlila tot violet of wit, groot. Overwoekert hele heestergroepen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen.

Sea vine (Ipomoea pes-caprae). Neerliggend of slingerend, met aan de top ingesneden bladeren, soms zwak 2-lobbig, bloemen roze. Vooral langs de zeekust, maar ook gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

Kabuya di yuana (Ipomoea turbinata) of lilac bell. Stengels en bladstelen met weke, afgeplatte stekelvormige aanhangsels; bladeren zeer groot, met diep hartvormige voet; bloemen in de keel donkerpaars, na de bloei zwelt de bladsteel kegelvormig op; Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

Batata dushi (Ipomoea batatas) of sweet potato. Neerliggend, op de knopen wortelend kruid, met lange stengels; bladeren langgesteeld, gelobd; bloem lilapaars; de bijwortels verdikken zich tot 1,5-5 kg zware, spoelvormige knollen, die wit, geel of oranjekleurig kunnen zijn. De knollen zijn rijk aan zetmeel en worden vooral op de Bovenwindse Eilanden veel geteeld en geroosterd of gekookt gegeten.

 

@: Isla

Oorspronkelijk: schiereiland in de Baai van Asiento, onderdeel van het Schottegat. Hier vestigde de Koninklijke Shell zijn eerste installaties. Al spoedig werd deze naam gebruikt voor het gehele Shell-complex.

 

@: Islam

De op Curaçao woonachtige islamieten, voornamelijk kooplieden afkomstig uit Suriname, Syrië en Libanon, houden reeds vele jaren regelmatig samenkomsten. In 1965 werd de Kalifar Omar moskee in gebruik genomen. Op 24 september 1968 werd opgericht de Vereniging van de Moslem Gemeente op Curaçao met het doel de religie onder alle gemeenteleden te intensiveren en vooral de jongeren in te zetten op maatschappelijk en cultureel terrein. Aan de Weg naar Welgelegen heeft de gemeente de beschikking over The Islamic Centre.

 

@: Islas inutiles
zie @: Geschiedenis - vervolgens - Sectie 1: Spaanse periode.

 

Het volgende artikel is in het Engels opgenomen:

@: Isoco

Isoco is a cultural group founded in 1982 by Russel Soleano, with the objective of promoting the so-called muzik di zumbi (ghost music) especially and the Afro-Curacao music in general.

What then is muzik di zumbi?

In the years before electrical current was introduced in Curacao (the first electrical light connection on the island was effected in September 1897 by the Curacaosche Inrichting voor Electriciteit - see @: Electriciteitsvoorziening), the inhabitants of the island still needed to generate light. One of the several ways in which this was done was through filling tin cans with pork oil, in which a piece of cloth was introduced and lit. This was often the only light they would use. Most of the time, the muzik di zumbi musicians would join each other in these nights and play this kind of music under these vague light circumstances. The musical tones would then be carried away on the streams of the ever present wind, the famous north-east passat wind. The music would then fill the air and resonate in the surrounding neighborhood, reaching the hearing of people moving around in the vicinity. These people would, however, be unable to pinpoint the location from where the music would be coming from. It being so dark, yet considering the vague lights, the people strolling in the surroundings would ascribe the light and the music to ghosts playing their music. This is how, the people started calling this type of music muzik di zumbi. But in reality these tones do not have anything to do with ghosts or other types of sub or super human creatures. It is a joyful rhythm, one can even dance upon. Sadly enough, Soleano has come to the realization, that most of the people able to provide more information on the muzik di zumbi have died. Isoco is nowadays the only group left in Curacao who still have the knowlege and play the authentic muzik di zumbi, one of the most valuable pieces of cultural heritage of the island.

Isoco, consisting of the musicians Russell Martines, Merelyn Antonia, Eldis Bernadina and Charlston Aliston in fact plays two kinds of folkloristic music of Curacao. One of which is of course the muzik di zumbi, this old authentic, yet, as we have seen, partially lost rhythm of the island. Secondly Isoco also interprets songs and poetry with Afro-Curacaoan rhythms, while using very old authentic instrumnts. Isoco's goal is to promote both the muzik di zumbi and the Afro-Curacao rythms both locally and internationally. To this end, Isoco has given performances at different schools and during cultural events.

Isoco has travelled abroad quite a bit; the list of places visited and performances given is extensive and impressive:

  • 1983 - New York: La Mama Theather and Caribbean Cultural Center
  • 1984 - Cuba: El Fondo de Bienes Culturales / I.C.A.P.
  • 1985 - The Netherlands: School / University concert
  • 1985 - Venezuela: Performance in Punto Fijo
  • 1986 - The Netherands: Recording soundtrack for movie Almacita di Desolato
  • 1986 - The Netherlands: Performance in the 15th Rotterdam cinema festival
  • 1986 - Belgium: Award for the best music in film in the 13th Gent cinema festival
  • 1986 - The Netherlands: Performance in Stage-door festival
  • 1987 - Dominican Republic: First seminary of folklore in San Francisco de Macoris
  • 1987 - Italy: Festival del Popoli in Firenze
  • 1988 - The Netherlands Antilles: Performance in Bonaire; St. Maarten, Saba, St. Eustatius
  • 1988 - Puerto Rico: 2nd Seminary of folklore
  • 1991 - The Netherlands: Performance in M.E.P. Festival
  • 1991 - St. Maarten: Performance Tula Association
  • 1991 - Bonaire: Flagday Bonaire
  • 1991 - Aruba: Performance 1st lustrum Air Aruba
  • 1992 - Surinam: Performance in Paramaribo
  • 1992 - Bonaire: Performance klup kor / bon
  • 1992 - Trinidad & Tobago: Carifesta 5
  • 1992 - Venezuela: Festival Encuentro Caribeno del Tambor 1992
  • 1992 - Venezuela: Festiva Encuentro Musica Afro-Caribnse 1993
  • 1994 - Ecuador: Festival Internacional de Marimba
  • 1995 - Trinidad & Tobago: Carifesta 6
  • 2000 - Venezuela: Encuentro musica Afro-Caribense 2000
  • 2002 - Dominican Republic: Festival de Tambores San Pedro de Macoris
  • 2003 - The Netherlands: Performance in the M.E.P. Festival
  • 2003 - Dominican Republic: 3rd Festival Internaconal de Palos "PaloSun 2003"
  • 2003 - Dominican Republic: XIV Juegos PanAmericanos Santo Domingo 2003
  • 2004 - Den Haag The Netherlands: Celebration of 50 years "Statuut" in the Ridderzaal
  • 2007 - Aruba: Caribbean Jazz Festival (August 18-19)

 

@: Israëlitische gemeenten
zie @: Joodse gemeenten.

 

@: Ita; Pieter Adriaensz

(Vlissingen ? - 1ste helft 17de eeuw) was een verdienstelijk zeeman en al jong bekend met de zogenaamde Wilde Kust waarheen hij in 1616 als kapitein van de Gouden Haan een 130-tal *koloniërs bracht. De Gouden Haan, waarschijnlijk onder Ita’s bevel, keerde daarheen terug in 1617. Aan beide reizen nam de jonge Michiel Adriaensz de Ruyter deel, toen dus niet ouder dan tien of twaalf jaar. Dit feit heeft sommige historici tot de suggestie gebracht dat Pieter Adriaensz Ita een oudere broer was van de later zo beroemde admiraal. In 1629 werd Ita admiraal over de vloot die onder generaal Hendrick Cornelisz Loncq door de Heeren XIX naar Brazilië werd gezonden en Olinda in Pernambuco veroverde. (Zie verder West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis).

Lit.: A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden (1852-1878); C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680 (1971); J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen (3de ed. 1869); Pieter de la Rue, Staatkundig en Heldhaftig Zeeland (1736); E.B. Swalue, De Daden der Zeeuwen (1846).

 

@: I.T.C.Z. / (@:intertropische convergentiezône)

is een meteorologische, internationaal bekende, afkorting voor intertropische convergentiezône. Dit is een gordelvormig lagedrukgebied, dat met wisselende activiteit nabij de evenaar om de aarde loopt. Dit lagedrukgebied verplaatst zich met de zon mee, met in de Atlantische oceaan een gemiddelde positie van omstreeks 2° N.Br. in de ‘wintermaanden’ tot circa 12° N.Br. in de ‘zomermaanden’. De convergerende luchtstroming nabij deze zône en de daarmee gepaard gaande stijgende luchtbeweging in die zône, veroorzaken dikwijls slecht weer. Orkanen ontstaan soms uit storingen in de I.T.C.Z., die vroeger ook wel intertropisch front werd genoemd. De *regentijd van tropische stations wordt vooral bepaald door de nabijheid van de I.T.C.Z. Wanneer dan ook het langzaam opschuiven in noordelijke richting van de I.T.C.Z. duidelijk eerder in het jaar valt dan het weer zuidwaarts verschuiven, zal op zo’n station veelal tweemaal per jaar een regentijd voorkomen (zie ook Klimaat).

 

 

@: Ixora

Plantengeslacht uit de familie der Rubiaceae, waarvan drie soorten op de eilanden gekweekt worden; het zijn tamelijk hoge heesters met kruisgewijs staande bladeren en smal-buisvormige, 4-slippige kroon,

Rice plant (Ixora jinlaysoniana) of ixora, sierplant met langwerpige bladeren en witte of roze bloemen in zeer rijkbloemig samengestelde trossen; afkomstig uit Ceylon: Beneden- en Bovenwindse Eilanden,

Ixora (Ixora co ccinea), sierplant met bijna zittende, ovale bladeren en rode of oranje bloemen in een kleine tuil in de bladoksel; afkomstig uit Oost-Indië, Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

Ixora (Ixora williamsii) of faya lobi (fiery love), met samengestelde, lancet- tot omgekeerd-eivormige bladeren en donkerrode bloemen in rijkbloemige, eindstandige tuilen. Benedenwindse Eilanden.

 

 

De letter J

Dit is de 10de letter van het Nederlandse alphabet. Zij werd echter pas laat door de Romeinen in hun (Latijnse) alphabet, de grondslag van onze moderne alphabet, opgenomen, namelijk als de laatste letter. Haar oorsprong ligt naar het schijnt in de Semitische taal, waar zij als een alternatief voor de i werd ontwikkeld en gedurende lange tijd alternerend met deze letter werd gebruikt. Een zekere Petrus Ramus ook Pierre de la Ramée genaamd (1515-1572) schijnt de eerste te zijn geweest, die een definitieve scheiding heeft aangebracht in het gebuik van de twee letters, waarbij hij de i, definitief als klinker bestempelde en de j als medeklinker.

De uitspraak van de j is heden ten dage nog steeds aan een grote variatie onderhevig in de talen die het meeste op Curaçao worden gebruikt. Het Nederlands gebruikt de j meestentijds met de j-klank als in jong, jacht, jeugd, Joods, Jamaica. Het Engels gebruikt al gauw een y om de zuivere j-klank mee aan te geven als in young, yankee, yard. De enkele j wordt in het Engels doorgaans met een dj-klank uitgesproken: January, jack, job, jade. En let op de bijna j uitspraak in chain; vergelijk met Jane. Het Spaans geeft de j een zachte g of zo men wil zachte h-klank mee (juez, ejecutar, ejemplo) en gebruikt een y (ayudar, yo, yerno, gayo) en zelfs een dubbel l (llano; llamar; callar; pantalla) om de echte j-klank te vormen. Van de handelswijzen in het Papiamentu kan voorzichtigheidshalve gezegd worden, dat deze zich vooralsnog in een ontwikkelingsfase bevindt. De fonologisten hebben kennelijk de j als beginletter in het Papiamentu-alphabet weggedaan, behalve voor namen, definiëren voor zich deze letter en haar reguliere klank nu als "dj" (bijvoorbeeld djus als vertaling van het Engelse juice), gebruiken de y voor de normale j-klank (yu = kind; yamada = roep of oproep; yabi = sleutel; kaya = straat) en veranderen de Spaanse j in een h (hues vs juez = rechter; huramentá vs juramentar = zweren; ehèmpel vs ejemplo = voorbeeld). Een andere Papiamentu sprekende groep, meer gericht op ook het in aanmerking nemen van de oorspronkelijke schrijfwijze van de woorden kijkt ook naar de etymologische elementen, maar hoe groot is deze groep. Doorslaggevend in dit verband is het feit, dat in de praktijk de fonologische zienswijze aan de winnende hand lijkt te zijn, aangezien deze zienswijze nu in de wetgeving is verankerd en op scholen wordt gedoceerd. Een duidelijke achteruitgang van het Papiaments overigens.

De j heeft niet veel kracht meer in de taal. Zij wordt niet vaak meer gebruikt, ook niet in deze encyclopedie. Maar aanwezig is zij in ieder geval, onder andere als beginletter in de naam van een land als Japan, het thuisland van vele consumenten produkten (van auto’s - Toyota, Honda, Nissan, Mitsubishi - tot de meest moderne televisieapparaten van bijvoorbeeld Sony, Pioneer en Panasonic tot kleinere als fotocamera’s - Canon, Nikon), die in de wereld en dus ook op Curaçao grote bekendheid genieten. Met een j als beginletter in zijn achternaam is een historische figuur als Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten en in het algemeen erkend als de schrijver van de oorspronkelijke Amerikaanse grondwet. Ook een j als beginletter is de naam van Jeruzalem, de hoofdstad van Israël en onder andere het religieuze centrum van het geloof van de Israëlieten: het Jodendom. Met een j als beginletter is de naam van de zoon Gods, Jezus en de naam van hem die hem aan de Joodse priesters verraadde: Judas. En ter ontspanning spelen wij in dit geval, na de studie van de j geen domino, maar luisteren wij naar wat Jazz.

 


@: Jacht

Een jachtwet bestaat nog niet in de Nederlandse Antillen. De jacht kan door een ieder met elk willekeurig wapen (luchtbuks, katapult, enz.), of met vallen en klemmen worden bedreven. Voor het gebruik van een jachtgeweer heeft men wel een vuurwapenmachtiging nodig. Deze machtigingen moeten elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Op Bonaire zijn slechts vijf personen in het bezit van een algemene vergunning, die inhoudt dat men op alles mag schieten dat niet door de wet wordt beschermd. Deze vergunning wordt zeer spaarzaam verleend. Daarnaast bezit een groep van enige tientallen personen een vergunning om uitsluitend op eigen grond de honden- en kattenplaag te bestrijden. De overheid houdt het aantal vergunningen, met het oog op de kwetsbaarheid van de wildstand, constant. Op de machtiging worden enkele dieren genoemd die men niet mag doden, zoals het hert (Odocoileus gymnotis) en een 25-tal vogelsoorten. Tevens staat daar vermeld dat men niet mag jagen met behulp van kunstlicht. Een gesloten seizoen bestaat nog niet. Het economische aspect van de jacht is te verwaarlozen. Firma’s, gespecialiseerd op de jacht en haar nevenbedrijven, zijn er niet. Het door grondeigenaars verpachten van jachtrechten is onbekend. De jacht wordt op de Benedenwindse Eilanden op geheel eigen manier uitgeoefend. Drijfjachten worden niet gehouden. Honden kunnen vanwege de stoffige bodem en de talrijke dichte cactusvelden van infrou (Opuntia wentiana), waarin overdag de konijnen (Sylvilagus. floridanus) zich ophouden, niet worden gebruikt. Men jaagt ‘voor de voet’. Door de terreinomstandigheden, de aard der begroeiing en de hitte, alsmede het feit dat de konijnen zeer schuw en vlug zijn is de jachtbuit in de regel niet groot. Met weidelijke bejaging loopt de konijnenstand op Aruba en Curaçao geen gevaar. Op Bonaire komen geen konijnen voor. Ook op duiven en eenden wordt gejaagd. De belaagde duiven zijn: alablanka (Columba corensis), buladeifi (Zenaidura auriculata) en aladuru (Leptotila verreauxi). Behalve op de reeds genoemde dieren wordt nog op de leguaan, yuana (Iguana iguana) gejaagd.

Op de Bovenwindse Eilanden komen geen kwartels en konijnen voor, zodat de jacht daar beperkt blijft tot eenden (trekvogels), plevieren, strandlopers en duiven. Op het Franse gedeelte van Sint Maarten (Saint Martin) worden door de overheid elk jaar de openings- en sluitingsdata van de jacht vastgesteld. Sommige duiven en eenden genieten bescherming. Door de manier van jagen, de steeds voortschrijdende huizenbouw en het ontbreken van een wet worden enkele interessante duivesoorten, met name de blauwduif (Columba squamosa) van de Benedenwinden en de mountain dove (Zenaidura auriculata) van de Bovenwinden, met uitroeiing bedreigd.

 

@: Jack in the box

(Opistognathus aurifrons) yokfes of jawfish is een violetkleurig visje, dat een hol in het koraalzand graaft, waaruit zijn goudgeel kopje naar buiten steekt. Hij wiegt alsmaar in en boven zijn holletje op en neer. ‘s Avonds dekt hij zijn hol met een koraalsteentje toe en zit de hele nacht in zijn hol, dat wel 20 cm diep kan zijn. Het is een muilbroeder: het mannetje houdt de klomp eieren na bevruchting meer dan een week in zijn bek.

 

@: Jacobs, Wilhelmus

(Antwerpen 1732-?) pater dominicaan, werd, om Arnoldus de Bruyn in het apostolaat bij te staan, naar Curaçao gezonden door de pauselijke nuntius te Brussel. Zijn rechtspositie als kapelaan scheen niet goed bepaald, vandaar allerlei conflicten, waarover correspondentie met het gouvernement. Na de dood van De Bruyn werd hij sub-prefect en later vervangen (paters franciscanen). In 1777 keerde hij naar Europa terug.

 

@: Jamanota
189 meter hoge heuvel op Aruba.

 

@: Jan Kok
zie @: Landhuizen

 

@: Jansen O.P., Pater Ludovicus / @: Pater Jansen / @: Pater Ludovicus Jansen / @: Pater P.L. Jansen

(Schiedam 1845-Curaçao 1921) arriveerde in 1875. Hij werd vooral bekend als apostel onder de jeugd op Pietermaai, waar hij zijn club San Hosé stichtte. Een borstbeeld werd voor hem opgericht te Pietermaai (1937) en een straat bij de volksbondhuizen te Steenrijk werd naar hem genoemd. Hij is redacteur geweest van La Union (1889-1897) (zie Pers).

 

@: Jasminum
zie @: Hasmit.

 

@: Jaycees International

(voorheen Junior Chamber of Commerce International), heeft ook in de Nederlandse Antillen haar onderafdelingen (chapters). Een van de onderafdelingen, de Female Jaycees, heeft sinds kort ook een jeugdafdeling. In tegenstelling tot de Rotary International, Lions International enz. is de Jaycees geen serviceclub. De vereniging heeft ten doel het ontwikkelen van de persoonlijkheid van haar leden, door het geven van leadership-training in de ruimste zin van het woord. Ledental: ongeveer 500.

 

@: Jehova’s Getuigen
is een wijdvertakte organisatie met als officiële naam: Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. Zij stichtte in 1946 haar eerste gemeente op Aruba en Curaçao, waar zij thans respectievelijk drie en vijf Koninkrijkshallen heeft. Bonaire kreeg in 1951 en St. Maarten in 1952 zijn eigen gemeente. Ook op Saba en St. Eustatius werken de Jehova’s Getuigen regelmatig. Het ledental, dat wordt uitgedrukt in het aantal personen dat actief aan het predikwerk deelneemt, bedraagt op Curaçao 859, Aruba 300, Bonaire 40, St. Maarten 73. Op alle eilanden worden bijbelstudies gehouden in het Engels, Papiamentu en Nederlands, terwijl tevens in deze talen op grote schaal boeken en tijdschriften worden verspreid.

 

 @: Jesurun, Benjamin A.
(Curaçao 21 april 1867 - 19 februari 1936), heeft zich voor de letterkunde in het bijzonder verdienstelijk gemaakt door zijn helder gestelde uiteenzettingen over de Antilliaanse dichters van de zgn. Spaanse school (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

  • Inleiding tot het werk van J.S. Corsen (1914);
  • Proloog voor Crisalidas van D.M. Chumaceiro (1898).

 

@: Jeugdbewegingen
De Nederlandse Antillen kennen een rijke schakering van vormen van jeugdbewegingen. De traditionele jeugdbewegingen zoals de padvinderij, het Meisjes-gilde, de Jonge Wacht, de Boys & Girls Brigade, de Y.M.C.A., de Jeugdluchtvaartbrigade (J.L.B.) zijn er goed vertegenwoordigd met een vrij groot aantal groepen verspreid over de zes eilanden van de Nederlandse Antillen. Bij vele van deze jeugdbewegingen vindt men groepen die uitgaan van een of ander kerkgenootschap naast groepen die niet op een bepaalde godsdienstige overtuiging steunen.

Er is een groeiende trend bij deze jeugdbewegingen om, met behoud van de eigen geloofsovertuiging, tot nauwere samenwerking te komen. Op Curaçao zijn de meeste van bedoelde verenigingen lid van het overkoepelend orgaan, de Jeugd Centrale Curaçao (J.C.C.).

Zij gaan uit van o.m.:

De RK Kerk

  1. a. het Antilliaans Jongens- en Meisjesgilde, jeugdbeweging voor R-K. jongens en meisjes, opgericht in 1961, met als doel het opvoeden van de katholieke vrouwelijke en mannelijke jeugd tot nuttige leden van de maatschappij. Het A.J.M.G. in de Nederlandse Antillen telt 11 groepen met een ledental van 470 jongens en meisjes, 54 leiders en leidsters;
  2. b. de Jonge Wacht, jeugdbeweging voor rooms-katholieke jongens, opgericht in 1937, met groepen op Curaçao, Bonaire en Saba, ledental ca. 500; de Sint Jan’s Knapen is een onderafdeling van de Jonge Wacht voor jongens van 8 tot 11 jaar;
  3. c. Katholieke Verkenners in de Nederlandse Antillen, opgericht in 1935, onderafdeling van de Katholieke Verkenners in Nederland. Het ledental bedraagt ongeveer 1200. In de Nederlandse Antillen zijn er 23 groepen. Via het hoofdkwartier in Nederland zijn de Katholieke Verkenners in de Nederlandse Antillen aangesloten bij het Internationaal Wereldbureau;

La Salle JeugdwerkSinds 1953 op Aruba werkzaam; de aangesloten clubs beoefenen sport, toneelspel en muziek;

De Methodist Church:

  1. a. Boy’s Brigade, jeugdbeweging voor jongens;
  2. b. Girl’s Brigade, jeugdbeweging voor meisjes vanaf 5 jaar;

De Protestantse Kerken;

  1. de Seventh’s Day Adventists Church: Sinds 1925 houden de Missionary Volunteers zich bezig met het jeugdwerk onder de leden van deze kerk. Een onderdeel is de Pathfindersclub, opgericht omstreeks 1957, die zich toelegt op het beoefenen van het spel van verkennen voor jongens;

Shell Curaçao N.V.: Jeugdwerk De Schelp.

Daarnaast komen voor:

  • a. De Antilliaanse Padvindersvereniging, opgericht in 1930 onder de naam Nederlandse Padvindersbeweging. Sinds 1966 zelfstandig, met eigen statuten en huishoudelijk reglement.
  • b. de Padvindstersvereniging van de Nederlandse Antillen (P.N.A.), in 1930 opgericht onder de naam Nederlandse Padvindstersgilde, gewest Curaçao. Sinds 1981 aangesloten bij de World Association of Girl Guides and Girl Scouts. Het ledental van de P.N.A. bedraagt 600 meisjes en 55 leidsters. Het aantal groepen van de P.N.A. dat momenteel op Curaçao actief is, bedraagt 10.

Naast de hierboven genoemde traditionele jeugdbewegingen zijn de laatste jaren vooral op Curaçao nieuwe groepen ontstaan die doelbewust de Antilliaanse cultuur en dan in het bijzonder de Afro-Caribische component hiervan tot uitgangspunt hebben. Enkele van deze groepen zijn Hubentut 70, Union Hubentut Antiano, Mangusá, Kask’e Pinda, Gogorobí. Deze groepen willen de Curaçaosche bevolking door middel van culturele en expressieve activiteiten informatie verstrekken over haar eigen culturele waarden en normen. De ‘boodschap’ wordt door de meeste groepen gebracht door middel van muziek, poëzie en dans. Jeugdzorg in losser verband vindt men bij de meeste buurtcentra en clubs waar gelegenheid bestaat voor instuifbijeenkomsten, het beoefenen van sommige zaalsporten e.d.

Zo goed als alle organisaties die zich bewegen op het terrein van de jeugdzorg zijn verenigd in de Federatie Antilliaanse Jeugdzorg die in 1983 in totaal 123 aangesloten leden telde, verspreid over alle eilanden van de Nederlandse Antillen.

 

@: Jeugd Centrale Curaçao, Stichting / @: Stichting Jeugd Centrale Curacao

Op 30 juni 1933 opgericht als stichting Roomsch-Katholiek Centraal Bureau voor jeugdorganisatie. Nadat de naam van de stichting werd gewijzigd in Roomsch Katholieke Jeugd Centrale werd op 16 juni 1960 de huidige naam aan de stichting gegeven nl. Jeugd Centrale Curaçao. Het doel van de stichting is: in het algemeen het in de ruimste zin van het woord bevorderen van de geestelijke, maatschappelijke en lichamelijke ontwikkeling van de Curaçaosche jeugd en in het bijzonder het bevorderen van de jeugdzorg op Curaçao met betrekking tot de vrije-tijdsbesteding ervan. In 1984 is het landhuis Pannekoek officieel als vormingscentrum in gebruik genomen.

 

@: Jeugdconcerten, Stichting Comité

organiseert culturele evenementen voor de Curaçaosche schoolgaande jeugd; lokale en buitenlandse artiesten treden regelmatig op. Het comité, dat vóór 1940 is opgericht, werd in 1963 een stichting.  

 

@: Jeugdige personen, Arbeid van

Onder jeugdige personen wordt krachtens de Arbeidsregeling 1952 (P.B. 1952 nr. 93, art. 4) wettelijk verstaan personen van beiderlei kunne die de leeftijd van veertien jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt. Deze personen mogen evenals vrouwen geen nachtarbeid of gevaarlijke arbeid verrichten. De nacht is voor hen gesteld op de tijd vanaf 7.00 uur ‘s avonds tot de volgende ochtend 7.00 uur. Een wettelijke vaststelling van gevaarlijke arbeid als hierboven bedoeld heeft nog niet plaatsgevonden.

 

@: Jeugdlectuur

Vóór de Tweede Wereldoorlog was er van een op het Antilliaanse kind gerichte jeugdlectuur nauwelijks sprake. Er was geen lectuur, geschreven in de taal die het jonge kind van de Benedenwindse Eilanden het beste kent (het Papiamentu), terwijl voor wat betreft het Engels (van de Bovenwindse Eilanden) en het voor het onderwijs belangrijke Nederlands gold dat er geen kinderboeken bestonden, waarvan het verhaal zich afspeelt in een voor het kind herkenbare omgeving. Het Engelstalige kind verkeerde voor wat betreft het voorhanden zijn van jeugdlectuur in zijn eigen taal in een begunstigde positie ten opzichte van zijn leeftijdsgenootjes op de Benedenwindse Eilanden. De ontwikkeling naar een jeugdlectuur ‘uit eigen omgeving’ laat echter op zich wachten.

De eerste aanzet tot een jeugdlectuur in het Papiamentu werd gegeven met het verschijnen van Cuentanan di Nanzi in 1952, door N.M. Geerdink-Jesurun Pinto. In de loop van de 1950er jaren groeide het aantal kinderboeken in het Papiamentu gestaag, waarbij moet worden aangetekend dat het voornamelijk ging om voorleesboeken: het kind zelf leerde lezen in het Nederlands. Aan het eind van de 1970ger jaren, begin 1980ger jaren verschenen de eerste boeken die geschikt zijn om door het kind zelf gelezen te worden. Gezien de plaats die het Papiamentu in de nabije toekomst in het onderwijs zal gaan innemen, is een sterke uitbouw van de Papiamentu jeugdlectuur te verwachten. Hierbij zal het accent nog sterker komen te liggen op boeken die het kind zelf zal kunnen lezen en die gebruikt kunnen worden in het onderwijs.

Als schrijvers van kinderboeken in het Papiamentu kunnen Ernesto Rosenstand, Elis Juliana en Pierre Lauffer genoemd worden. Evenwel is er nauwelijks een schrijver die zich van het Papiamentu bedient, die niet één of meer kinderboeken heeft geschreven: waar de literatuur in het Papiamentu zich nog in een ontwikkelingsfase bevindt en er een enorme vraag is naar jeugdlectuur in de eigen taal, is het niet verwonderlijk dat de reguliere schrijvers trachten deze lacune op te vullen. Wat betreft jeugdboeken in het Nederlands, welke zich op de Antillen afspelen, moet worden opgemerkt dat in eerste instantie Nederlandse schrijvers en schrijfsters als Hanny Lim, Jan Broos, Miep Diekmann en (de op Curaçao geboren) Siny van Iterson verdienstelijk werk hebben verricht. Helaas was het ‘Antilliaanse’ karakter van veel van hun werk voor het Nederlandse kind vaak duidelijker dan voor het Antilliaanse kind. In de loop van de 1970ger jaren is ook een aantal Antilliaanse auteurs naar voren gekomen, zodat het bezwaar van het eerdere werk in het Nederlands enigszins verholpen kon worden. In dit kader dienen de namen van Sonia Garmers en Diana Lebacs te worden genoemd, die beiden daarnaast ook werk in het Papiamentu publiceerden. Het werk van beide schrijfsters werd bekroond met Nederlandse prijzen voor jeugdlectuur, hetgeen ongetwijfeld een stimulerend effect heeft gehad op andere Antilliaanse schrijvers van kinderboeken. Tenslotte dient gewezen te worden op de stimulerende invloed die van Miep Diekmann uitging bij het ontwikkelen van een eigen Antilliaanse jeugdlectuur in het Nederlands.

 

@: Jeugd Luchtvaart Brigade Nederlandse Antillen / @: J.L.B. / @: JLB

Stichting opgericht in 1959 en gevestigd op Curaçao met het doel de bevordering van de luchtvaartgezindheid bij de jeugd van de Nederlandse Antillen; zij geeft o.m. lessen in elementaire kennis de luchtvaart betreffende. Aantal leden (cadetten) in 1983: 160. Jaarlijks is er een internationale uitwisseling van cadetten.

 

@: Jeugdorkest, Stichting Curaçaosch

met medewerking van Cornelia A. Tresfon (zie Curaçaosche Muziekakademie) opgericht door John Eric Gorsira, die bij het eerste concert in 1965 als dirigent optrad. Door het regelmatig vertrek van deelnemers (een euvel van Curaçaosche orkesten) moest in de loop der jaren telkens een beroep gedaan worden op volwassenen onder wie semi-professionele en professionele musici op het eiland en/of uit het buitenland. Het orkest geeft regelmatig uitvoeringen.

 

 

@: Jeugd Sport Centrale Curaçao (J.S.C.)

organiseert wedstrijden voor de schoolgaande jeugd en jeugdbewegingen, die donateurs zijn van de J.S.C. Ook worden door deze organisatie jaarlijks wandelmarsen voor de jeugd georganiseerd.

 

@: Jeugdverkeerspark

ligt te Cas Corá, Curaçao, grenzende aan de Planten- (Dieren)tuin (Parke di Bestia). Het is in 1965 door Shell Curaçao N.V. geschonken aan de bevolking van Curaçao ter gelegenheid van haar 50-jarige jubileum en in beheer gegeven aan de Vereniging voor Veilig Verkeer. In dit verkeerspark krijgen leerlingen van de 5de en 6de klassen van het basisonderwijs praktische verkeerslessen die door de politie gegeven worden. Minimaal 2x per jaar brengen de leerlingen een bezoek aan het park. In 1982 werd aan het complex een leslokaal toegevoegd. De instandhouding van dit park vindt plaats door geldelijke en materiële steun van de eilandsoverheid, Shell Curaçao N.V., de Lionsclub en de Federatie Antilliaanse Jeugdzorg.

 

@: Jeunesse Ouvriëre Chrétienne, Juventud Obrero Cristian (J.O.C.)

J.O.C. was een bond van de R-K arbeidersjeugd van ongeveer 14 tot 25 jaar met een afdeling voar jonge vrouwen (J.O.C. Femenina). In enkele parochies van Curaçao bestonden sinds 1959 afdelingen van deze bond die in 1961 aansluiting kreeg bij de internationale J.O.C. Eén van de activiteiten bestond uit het propageren en bevorderen van de Credit Union. Ook het kader van de R.-K. vakbonden werd hier gevormd. De J.O.C. is niet meer actief sinds het begin van de 1970ger jaren.

 

@: Jezuïeten, paters
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Johnny Cake

zie @: Voedingsgewoonten.

 

 

Illustratie: Schilderij "Red Lillies" van Patsy Johnson (1992; watercolour; 55 a 74cm)

@: Johnson Patsy

Schilderes geboren op Saba op September 1, 1939, het kleinste eiland van hetgeen vooralsnog, nu anno 2009, de Nederlandse Antillen zijn. Ze is auto-didact en schildert al vanaf 1962. Haar presentaties omvatten o.a.:

Solo exposities:

1982: Zuid- en Noord Beveland - Goes (Nederland)

Groepsexposities:

1983: Cas i Cultura - Oranjestad (Aruba)

1992: 1st Caribbean & Central American Biennal of Painting in Galeria de Arte Moderno - Santo Domingo (Dominicaanse Republiek)

 

@: Johnson, William Stanley / @: Will Johnson

(Saba 22 september 1941) eilandraadslid vanaf 1971, gedeputeerde o.a. van Financiën (1975-1983) voor de Windward Islands’ People Movement, thans curator van het historisch archief, is vooral bekend geworden als redacteur van de Saba Herald, een weekblad, dat hij al 15 jaar ononderbroken redigeert en om zijn streven de historie van land en volk levendig te houden.

Wrk.: Saban Lore - Tales from my grandmother’s pipe (1979, 1983).

 

 

@: Jol, Cornelis Corneliszoon

(Scheveningen 1597 - October 31 1641). Al heel jong koos hij een zeemansloopbaan, waarin hij spoedig van scheepsjongen opklom tot kapitein in dienst van de West-Indische Compagnie (W.I.C.); overigens niet zonder kleerscheuren: in die eerste jaren moet hij in een gevecht een been verloren hebben. Vandaar zijn bijnaam Houtebeen bij de Nederlanders, Peg-leg of Wood-leg bij de Engelsen en Pie de Palo bij de Spanjaarden. Hij had de ontoombare eerzucht het voorbeeld van Piet Heyn te volgen en één van de Spaanse zilvervloten te bemachtigen; geen enkele bevelhebber van een vloot van de W.I.C. kwam zo dicht bij zijn doel. In de 1630er jaren was hij de beste vlootcommandant die de West-Indische Compagnie tot haar beschikking had. In 1626 maakte hij, voor zover bekend, zijn eerste reis als kapitein op het jacht Otter naar Brazilië met orders om zich te verenigen met drie andere jachten en langs de Braziliaanse kust Spaanse of Portugese schepen te bemachtigen. In deze opdracht schijnt hij succesvol te zijn geweest. Na zes maanden was hij terug in Texel.

In oktober 1634 na reeds vijf succesvolle tochten in het Caribisch gebied, lichtte de Otter onder Jol opnieuw het anker, ditmaal met bestemming Curaçao, dat enige maanden eerder door de West-Indische Compagnie was veroverd. Jol bracht aan Van Walbeeck het bericht, dat het eiland niet verlaten mocht worden, daar de Heeren XIX van mening waren dat het ‘een bequaeme plaetse was’. Hij kwam in februari op Curaçao aan en begon in maart met een ander jacht een strooptocht door het Caribisch gebied, waarbij hij trachtte de haven Santiago de Cuba, vanwaar het waardevolle koper van de Cubaanse mijnen naar Havana verscheept werd, binnen te lopen. Hij verkleedde daartoe een deel van zijn bemanning als monniken en voerde Spaanse vlaggen in plaats van Nederlandse. Hoewel de Spanjaarden aanvankelijk door deze list werden bedrogen, slaagde Jol er niet in enig voordeel te behalen. Ook later gebruikte hij Curaçao als basis voor zijn Caribische tochten. In 1640 mislukte onder zijn leiding de laatste poging van de W.I.C. om een zilvervloot te bemachtigen.

Omdat de Heeren XIX en Graaf Maurits zich meester wilden maken van de Portugese steunpunten São Paulo de Loanda en São Tomé om daar de slavenmarkten te beheersen, kreeg Jol in 1641 de opdracht naar Afrika te zeilen. Hij slaagde erin de stad in korte tijd in te nemen en zeilde drie weken daarna naar het eiland São Tomé met het doel het fort São Sebastiao te veroveren. Boven verwachting verliep de aanval van Houtebeen ook hier succesvol al moesten de Nederlanders hier een zware tol betalen: tropische ziekten zoals malaria, maaiden de mannen weg en ook Jol viel als slachtoffer. Met zijn dood eindigde de offensieve kracht van de West-Indische Compagnie en zette het verval, dat reeds enige jaren in het verborgen groeiende was, openlijk in. (Zie verder West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis.)

Literatuur:

  • C. Barlaeus, Rerum per Octennium in Brasilia et Alibi Gestarum (1647), in Nederlandse vertaling van S.P.L’Honoré Naber, Nederlandsch Brazilië (1923);
  • Coleccion navarrete (Museo Naval, Madrid), VII, 7-17: ‘Los Sucesos maritimos acaecidos con la Armada de Galeones del Gen. Don Carlos de Ybarra’;
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680 (1971);
  • J. de Laet, Iaerlijck Verhael, ed. S.P.L’Honoré Naber (1931-1937);
  • J.B. van Overeem, De Reizen naar de West van Cornelis Cornelisz Jol, West-Indische Gids XXIV (1942);
  • Pamphlet Knuttel 4620, Waerachtigh Verhael ‘t weick de Heere Don Carlos Ibarra Viceconde van Centara ... Translaet uyt den Spaenschen weghens ‘t Gevecht tusschen des Coninx Silvervloot, en den Admirael Houtebeen in West-Indiën op den 31 Augustus 1638, 12 mylen van de Havana (1639);
  • K. Ratelband, De expeditie van Jol naar Angola en São Tomé, West-Indische Gids XXIV (1942).

 

@: Jollification

Op de Bovenwindse Eilanden een vorm van onderling hulpbetoon waarbij de buren bij elkaar kwamen om gezamenlijk een huis te bouwen, om velden te bewerken of om te oogsten. Tijdens het werk werden specifieke liederen gezongen (onder leiding van een voorzanger).

 

@: Jonckheer, Efraín / @: Efraín Jonckheer

(Curaçao 20 oktober 1917). Antilliaans politicus en oprichter van de Democratische Partij. In 1944 werd hij lid van de Staten van de Nederlandse Antillen en werd bij alle sedertdien gehouden verkiezingen steeds herkozen. In 1951 werd hij gekozen tot lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao, welke functie hij gedurende enkele maanden heeft bekleed. Hij was lid van de Antilliaanse delegaties ter Ronde Tafel Conferenties van 1948 en van 1952-1954. Op 8 december 1954 werd hij minister-president van de Nederlandse Antillen, in welke functie hij in 1968 werd opgevolgd door minister C.D. Kroon. Op 15 december 1954 ondertekende hij namens de Nederlandse Antillen het Statuut voor het Koninkrijk. Op 20 oktober 1965 ontving hij van de Vrije Universiteit te Amsterdam het eredoctoraat in de rechtswetenschappen. In 1969 werd de heer Jonckheer voorgedragen als kandidaat voor het gouverneurschap. Door de gebeurtenissen rond de opstand van 30 mei 1969 is de benoeming tot gouverneur niet doorgegaan. In 1971 werd hij benoemd tot ambassadeur in Caracas en daarna in Costa Rica. Hij is thans gepensioneerd.

 

@: Jongh, Edward Arthur de

(Ambon 1 november 1923), uit Antilliaanse ouders in Nederlands-Indië geboren. Na aanvankelijk voornamelijk in het Papiamentu te hebben gepubliceerd, verscheen van zijn hand vanaf het eind van de jaren 1960 ook werk in het Nederlands. Werd in 1954 onderscheiden met een literaire prijs van het Cultureel Centrum Curaçao voor zijn bundel Bon Biaha.

Werken:

Proza: onder anderen:

  • Morto di Enid La Cruz (1969);
  • E día di mas históriko (1969);
  • Dos plaka di palabra (1971);
  • Fata morgana (Nederlandse vertaling van Morto di Enid La Cruz, 1973);
  • Materialisashon di spiritu (1974);
  • De Steeg (1976);
  • Mi ta kòrda (1978);
  • De Boog (1981).

 

Poëzie: o.a. Capricho (1955); Quietud (1957).

Diversen: E Prens Chiki (vertaling van Le Petit Prince, 1982).

 

@: Jong-tertiaire formaties

Kalkgesteenten op Aruba, Bonaire, Curaçao en Sint Maarten. In de ondergrond van Oranjestad, Aruba, zijn bij een boring zanden en kleien van deze ouderdom aangetroffen (zie @: Geologie).

 

@: Joodenkerkstraat

was de oorspronkelijke 17de-eeuwse naam van de straat in het centrum van Willemstad waaraan alle vier synagogen van de gemeente Mikvé Israèl lagen. Hoewel de straatnaam in Kerkstraat was veranderd, werd zij in de volksmond Hanch’i Snoa genoemd. Ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van de synagoge (sinds 1964 Mikvé Israël-Emanuel) is de naam Kerkstraat in 1982 officieel gewijzigd in Hanchi di Snoa.

 

@: Joods Cultuur-Historisch Museum

zie @: Musea.

 

@: Joodse gemeenten

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Curaçao
Sectie 1: Komst der sejardische joden; hun economische en sociale activiteit
Paragraaf 1: Samuel Coheño, de eerste Jood op Curacao
Paragraaf 2: Isaac d’Acosta en de eerste Joodse koloniërs
Paragraaf 3: Joodse plantages en in de handle
Paragraaf 4: Joden en de slavenhandel

Sectie 2: De 18e eeuw: Amerikaanse onafhankelijkheid; Simon Bolivar; Engelse bezetting

Sectie 3: De 19de eeuw: Ongunstige economie; Emigratie Joden

Hoofdstuk 2: Godsdienstig leven en organisatie
Sectie 4: Bouw synagogen
Sectie 5: De chacham / chachamim

Sectie 6: Onenigheid in de Joodse gemeenschap
Paragraaf 1: Bouw nieuwe synagoge Otrobanda
Paragraaf 2: Voorzanger Jeosuah Piza
Paragraaf 3: De Nederlandsch Hervormde Israëlitische Gemeente

Sectie 4: Het samengaan van de Sefardische gemeenten

Hoofdtuk 3: Komst der Ashkenazim

Hoofdstuk 4: St. Eustatius

Hoofdstuk 5: Aruba

Hoofdstuk 6: St. Maarten

Hoofdstuk 7: Bonaire

Hoofdstuk 8: Literatuur

 

 

Foto: De Mikve-Israel synagoge, heden ten dage de belangrijkste aanbiddingsplaats van de Joodse gemeente op Curacao

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Joodse gemeenten Hoofdstuk 1: Curaçao

  • Sectie 1: Komst der Sefardische joden; hun economische en sociale activiteit
  • Paragraaf 1: Samuel Coheño, de eerste Jood op Curacao

Toen Johannes van Walbeeck en Pierre le Grand in 1634 Curaçao veroverden, namen zij als tolk een Portugese Jood mee, Samuel Coheño, een trouw ende vernuftig man (zie Hamelberg), in dienst van de West-Indische Compagnie. Hij verbleef op Curaçao tot 1642. Enkele jaren daarna begon een trek van Joden naar het eiland. In 1651 verleende de Compagnie aan Joao de Illan (ook genaamd Jeojada of Jeudah de Illan) uit Amsterdam verlof om vijftig Joodse kolonisten naar Curaçao te brengen. De Joodse Gemeente te Amsterdam verkreeg voor enkele van hen een paspoort. De Illan stichtte met hen een Joodse Gemeente op het eiland en noemde deze Mikvé Israël (Hoop Israëls).

Een het volgend jaar verleend octrooi aan David Nassy (ook genaamd Joseph Nuñes da Fonseca of Christovao de Tavora) voor de vestiging van vijftig kolonisten op Curaçao bleef zonder gevolgen wegens de oorlogstoestand tussen Engeland en Holland. Tussen 1654 en 1656 kwamen echter verscheidene Joden uit Brazilië via Amsterdam op Curaçao aan (zie ook Koloniërs).

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 1 - Sectie 1 - Paragraaf 2: Isaac d’Acosta en de eerste Joodse koloniërs

In 1659 gaf de Compagnie aan Isaac d’ Acosta van Amsterdam gunstige voorwaarden en privileges om Joodse kolonisten naar Curaçao te brengen. Hij was in staat een aantal families, in totaal ca. 70 personen, bijeen te brengen. Tot de Sefardim die tussen 1654 en 1675 op het eiland aankwamen, behoorden o.m. de families Alvares Correa, Henriquez, Jesurun, Levy Maduro, Marchena, Henriquez Moron, Namías de Castro en Pardo, van wie nog afstammelingen op Curaçao wonen. Daar de eerste Joodse kolonisten waren gekomen met de opdracht zich aan de landbouw te wijden, woonden zij aanvankelijk buiten de stadsgrenzen in het Joodse Quartier, waar zich thans nog de oude Joodse begraafplaats Beth Haim bevindt en waar zij tevens een synagoge bouwden. Ook in de stad woonden echter al spoedig Joden en hadden zij een synagoge, die reeds in 1674 moest worden uitgebreid.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 1 - Sectie 1 - Paragraaf 3: Joodse plantages en in de handel

Ondanks de bezwaren van klimaat en bodem hebben de Joodse kolonisten zich steeds met ijver aan de verzorging van hun talrijke tuinen en plantages gewijd. De vaak optredende droogteperioden waren mede een aanleiding om zich daarnaast, reeds vanaf de tijd van De Illan en in toenemende mate, op de handel toe te leggen. Zij voerden eindprodukten uit Holland in en exporteerden koloniale waren, die zij in de naburige landen kochten. Zeer vroeg ook bezaten de Joden hun eigen zeilschepen; tussen 1670 en 1900 bezaten zij er in totaal meer dan 1200. Alleen reeds de firma Jesurun had gedurende de 19de eeuw meer dan 100 schepen in de vaart. Vele ervan zeilden naar New York en enkele zelfs naar Holland. Gedurende dit tijdvak stonden ten minste 200 Joodse kapiteins aan het roer.

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 1 - Sectie 1 - Paragraaf 4: Joden en de slavenhandel

Hoewel de slavenhandel bepaald geen Joodse specialiteit was, werden door Joodse Curacaosche kooplieden vele slaven uit het depot van de West-Indische Compagnie gekocht, die hoofdzakelijk naar naburige landen werden doorgeleverd. Philippe Henriquez (Jacob Senior) was een bekende slavenhandelaar uit de 17de eeuw en door de Admiraliteit gemachtigd om rechtstreeks slaven in Afrika op te kopen.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 1 - Sectie 2: De 18e eeuw: Amerikaanse onafhankelijkheid; Simon Bolivar; Engelse bezetting

In de 18de eeuw deden zich ernstige depressies in het economische leven voor, die in 1769 de parnassim dwongen de invoering van een jinta (kerkelijke belasting) voor te stellen. Twaalf van de rijkste Joden van Curaçao verzetten zich hiertegen zo heftig, dat dit plan op de lange baan werd geschoven tot de Engelse bezetting. De Noord-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) had trouwens een opleving gebracht voor de Joodse zakenlieden, die wapens en voedsel naar verschillende eilanden in het Caribisch gebied verscheepten ter bevoorrading van de Amerikaanse opstandelingen. De betrekkingen tussen de Curaçaosche autoriteiten en de Joodse Natie bleven ook in deze eeuw goed: dikwijls werden Joden belast met officiële opdrachten naar de omgevende gebieden. Op hun beurt droegen zij bij tot de instandhouding van de forten, de leprozerie en het dolhuis, het hospitaal voor soldaten en geesteszieken. Het Fransgezinde tussenbestuur op Curaçao (1796-1800) en de Engelse bezetting waren ook voor de Joodse bevolkingsgroep geen gunstige periodes. Evenals andere eilandgenoten leenden de Joden toen grote bedragen aan het gouvernement van Curaçao, dat immers van Nederland was afgesneden. In deze jaren namen sommigen hunner ook deel aan de activiteiten van Simon Bolivar, hetzij in diens daadwerkelijke strijd (Benjamin Henriquez als kapitein en Juan (Isaac) de Sola als kolonel), dan wel als gastheer van EI Libertador na zijn nederlaag (De Meza) of van zijn zusters (Mordechay Ricardo).

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 1 - Sectie 3: De 19de eeuw: Ongunstige economie; Emigratie Joden

Hoewel in de loop der tijd en met name in de economisch voor Curaçao weinig gunstige 19de eeuw vele Joden naar elders trokken (St. Thomas, de Dominicaanse Republiek, Cuba, Jamaica, Centraal-Amerika, Venezuela, Colombia, de Verenigde Staten), slaagden de overblijvenden erin hun aanzienlijke sociale en economische positie in de eilandelijke samenleving te behouden. Mede door hun goede scholing - vooral Duitse universiteiten werden bezocht konden zij circa 20 jaar na de officiële Joodse ‘emancipatie’ (1825) verschillende hoge posten in het koloniale bestuursapparaat bezetten. Ook in de twintigste eeuw bleven de Portugese Joden leidinggevend in de bank- en handelssector en zijn velen hunner daarnaast actief in het publieke, intellectuele en sociale leven van het eiland. In historisch perspectief is echter wel van achteruitgang sprake, die zich vooral in aantalscijfers laat illustreren: waren er ca. het jaar 1750 een 1500 lidmaten der Joodse gemeente, in 1983 waren er nog rond 275 Sefardische joden op Curaçao.

 

Hoofdstuk 2: Godsdienstig leven en organisatie

Foto: Ingang van de Mikve-Israel synangoge

De Joodse gemeente op Curaçao organiseerde zich naar het voorbeeld van de Portugees-Israëlitische moedergemeente van Amsterdam en richtte zijn bestuur in volgens reglementen, Hascamoth genaamd. Onder de eerste kolonisten waren er mensen die de functies van besnijder, rituële slachter en voorlezer mochten uitoefenen; er bevond zich ook een geneesheer onder hen (zie Geneeskunde). Isaac de Marchena, die met zijn gezin in 1659 arriveerde, was een van hun eerste voorlezers.

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 4: Bouw synagogen

Een opsomming der synagoge-bouw in de 17de en 18de eeuw geeft een indruk van de bloei der Joodse gemeente: De Illan’s synagoge (1651) buiten de stad; de tweede synagoge buiten de stad (1681); de stadssynagoge, vergroot in 1674, nog verder uitgebreid in 1690 en later afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe synagoge van 1703, die op zijn beurt in 1732 werd vervangen door het statige bouwwerk, dat thans als oudste nog in gebruik zijnde synagoge op het westelijk halfrond geldt. In 1746 werd de Neve Salom synagoge in Otrobanda gebouwd.

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 5: De chachams

Josiau Pardo, hoofd van de door de familie Pinto in Rotterdam en Amsterdam gefinancieerde Joodse Yeshivah (leerschool), was de eerste chacham (rabbijn) van Curaçao; hij kwam in 1674 aan en vertrok in 1683 naar Jamaica. Daarna bleef de gemeente zonder rabbijn tot de komst in 1696 van Eliau Lopez, chacham van Barbados, die tot zijn dood in 1713 op Curaçao werkzaam was. Tussen 1717 en 1748 deed Rephael Jesurun, briljante student van het Amsterdamse seminarium Ets Chaim, op het eiland dienst. Als zijn assistent was in 1744 Samuel Mendes de Sola, predikant in de Amsterdamse synagoge, aangekomen, die als chacham tot zijn dood in 1761 in functie bleef. Diens opvolger, de Amsterdamse rabbijn Isaac Henriquez Farro, stierf reeds enkele dagen na zijn aankomst op Curaçao in juli 1762. Twee maanden later werd Curaçao bezocht door rabbijn Isaac Carigal, een afgezant van Hebron in het Heilige Land; deze liet zich overhalen als rabbijn dienst te doen gedurende een interimperiode, totdat Jacob Lopez da Fonseca (de schoonzoon van chacham De Sola) zou zijn afgestudeerd aan het Amsterdamse seminarium Ets Chaim. Da Fonseca kwam in 1764 op Curaçao aan en oefende zijn ambt uit tot zijn dood in 1815. Hij was de enige op Curaçao geboren chacham.

De chachamim (assistenten van de chacham) stichtten scholen, die voorzangers en leraren opleidden voor andere gemeenten in Noord- en Centraal-Amerika. Zij moedigden de gemeenteleden aan om bijdragen te geven, zowel aan plaatselijke instellingen van liefdadigheid als aan Joodse gemeenten elders, in het bijzonder in het Heilige Land. De chachamim droegen ertoe bij de Joodse gemeente op Curaçao zo hecht en bloeiend te maken, dat hij in de 18de eeuw als Amerikaanse ‘moedergemeente’ bekend raakte.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 6: Onenigheid in de Joodse gemeenschap
  • Paragraaf 1: Bouw nieuwe synagoge Otrobanda

Zonder conflicten bleef het gemeenteleven echter niet in deze periode. De Joodse families van Otrobanda die tussen 1732 en 1746 tot een 35-tal waren aangegroeid, wensten daar een grotere synagoge te bouwen; het particuliere huis, dat zij de synagoge Neve Salom (Huis des Vredes) noemden, kon hen niet langer herbergen en tegen het overvaren naar Punda op sabbat hadden zij godsdienstige bezwaren. Twee rijke mannen - Salomo Nuñes Redondo en Moses Penso dongen naar de eer de nieuwe synagoge op hun kosten te mogen bouwen, maar de Parnassim (kerkelijke leiders van de Joodse gemeenschap) wezen hun aanbiedingen van de hand en bouwden zelf een synagoge op Otrobanda met bijdragen van de gehele Joodse gemeenschap (1746). Niettemin bracht deze kwestie grote onenigheid teweeg onder de Joden. Penso werd eveneens door de chachamim Jesurun en De Sola uit de gemeente gesloten. Chacham De Sola bleef ook nadien in zijn preken de tegenstanders van het Parnassim-gezag bestrijden, onder wie zich ook de zeer rijke Mordechay Alvares Correa bevond. Penso en diens vrienden richtten daarop een petitie tot directeur Faesch om De Sola te doen ophouden hen te beledigen, dan wel hun verlof te geven een eigen synagoge te openen. Het college van Parnassim liet vervolgens door 235 personen een petitie tekenen, waarin de directeur werd gevraagd dit laatste niet toe te staan. Dit alles leidde tot handgemeen der facties in de Heerenstraat en in de straten van Otrobanda. De oppositie deed ten slotte een beroep op de Staten-Generaal en werd in het gelijk gesteld. De Sola en het college van Parnassim bleven echter ook daarna bezwaren maken tegen de begrafenis zelfs van verwanten van geëxcommuniceerde personen, zodat directeur Faesch bij elke begrafenis soldaten naar de begraafplaats moest zenden; de oppositie kocht daarap een stuk grond grenzend aan de begraafplaats, voor eigen gebruik.

Toen Mordechay A. Correa stierf, weigerden de Parnassim de sleutels van de begraafplaats aan zijn nabestaanden. Penso en de schoonzoon van Correa huurden toen scheepskapiteins om zo nodig te strijden tegen iedereen die de toegang over het Schottegat tot de begraafplaats zou versperren en zo kon tenslotte Correa op de begraafplaats van de gemeente naast zijn vrouw worden begraven. Dank zij het hoofd van politie van Curaçao, Jan van Schagen (die intussen naar Holland was gegaan) en de medewerking van de Parnassim te Amsterdam, werd de vrede in April 1750 op last van stadhouder Willem IV hersteld. De wens tot een volstrekt zelfstandig beheer van de synagoge bij de Joden van Otrobanda kwam in de jaren 1785-1796 opnieuw sterk naar voren. In 1818 evenwel waren de Parnassim gedwongen de synagoge daar te sluiten, omdat er nauwelijks nog Joden in Otrobanda waren overgebleven.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 6 - Paragraaf 2: Voorzanger Jeosuah Piza

In 1818 woedde overigens alweer een nieuwe strijd binnen de gemeente, nu rond de in 1815 benoemde voorzanger Jeosuah Piza uit Amsterdam. Deze was in december 1818 ontslagen op verzoek van de meerderheid van de gemeenteleden, maar kort daarna door het college van Parnassim herbenoemd, waarbij gouverneur Kikkert Piza en de Parnassim steunde. De oppositie, dus de meerderheid van de gemeenteleden, verliet de synagoge; zij hadden een eigen voorzanger en kochten voor eigen gebruik een stuk land, grenzend aan de begraafplaats van de gemeente. Gouverneur Cantz’laar belette hun echter hun doden met godsdienstig ritueel te begraven. Enkele kinderen uit deze groep werden zelfs op plantages ter aarde besteld. Hiertegen maakte Gouverneur Cantz’laar ook ernstig bezwaar: wie de Joodse gemeente verliet, hield volgens de burgerlijke autoriteiten op tot de ‘Joodse Natie’ te behoren. Cantz’laar wendde dan ook zijn invloed aan om de afgescheidenen te dwingen het College van Parnassim te gehoorzamen of anders hun godsdienst vaarwel te zeggen. Daarop tekenden tweeëntachtig afgescheidenen een verklaring van afstand. Eerst nadat deze dissidenten in beroep bij de Koning waren gegaan, ging de Gouverneur ertoe over de Parnassim te adviseren enkele concessies te doen. De vrede werd in 1821 hersteld. Eerst in 1856 kreeg de gemeente met de benoeming van de uit Nederland afkomstige Aron Mendes Chumaceiro weer een rabbijn. Hij reorganiseerde de godsdienstschool en werkte met toewijding ten voordele zowel van Joden als van niet-Joden op het eiland.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 6 - Paragraaf 3: De Nederlandsch Hervormde Israëlitische Gemeente

Tijdens zijn ambtsperiode vond een conflict plaats, dat zijn oorzaken deels ook buiten de religieuze sfeer vond, en wel in een zekere rivaliteit tussen de leidende families, voornamelijk Maduro’s, Jesuruns en de Cohen Henriquez’. Deze laatste twee families samen met hun verwanten en vrienden - 24 personen - scheidden zich af van de gemeente Mikvé Israel en stichtten in 1864 de Nederlandsch Hervormde Israëlitische Gemeente (een Reformgemeente volgens Noord-Amerikaans patroon). Zij richtten een eigen begraafplaats in. De bouw van hun synagoge (Tempel Emanu-El) werd mogelijk gemaakt dank zij de giften van Joden en niet-Joden, zowel ter plaatse als in het buitenland. Jacob Mendes de Sola (1876-1881) was hun meest markante rabbijn. (Zie Emanu-El; Porvenir, Sociedad El.) Onmiddellijk na de stichting van deze Reformgemeente, voerde chacham Chumaceiro in de synagoge Mikvé Israël vernieuwingen bij de godsdienstoefeningen in: gemengd koor mits de vrouwen hier niet naast de mannen zaten; orgelbespeling mits de organist een niet-Jood was; geloofsconfirmatie van beide geslachten, enz. In 1868 keerde chacham Chumaceiro naar Nederland terug.

 

  • Joodse gemeenten - Hoofdstuk 2 - Sectie 7: Het samengaan van de Sefardische gemeenten

Na het vertrek van Chumaceiro duurde het tot 1936 voordat de gemeente Mikvé Israel weer een afgestudeerde rabbijn kreeg in de persoon van Isaac S. Emmanuël (opgeleid in Salonika en Breslau), die verscheidene publikaties aan de geschiedenis der Sefardische Joden wijdde. Vanwege moeilijkheden met de niet meer orthodox denkende gemeente nam hij in 1939 ontslag en werd aanvankelijk gouvernementsbibliothecaris van Curaçao, vervolgens chacham, eerst in Panama, daarna te Rio de Janeiro. Emmanuëls opvolger was de predikant Is. Jessurun Cardozo, die zich tijdens de oorlogsjaren zeer inspande het lot te verzachten van de Joodse vluchtelingen die op Curacao belandden. Zijn broer, de jurist David Cardozo volgde hem op (1956-1960). Van 1960 tot 1963 was rabbijn Moseh ben Amine in functie; daarna vond fusie van beide Sefardische gemeenten plaats.

De talrijke gemengde huwelijken onder de Curaçaosche Portugese Joden in de laatste tijd hadden immers een ernstige achteruitgang van hun aantal veroorzaakt. Het werd voor beide congregaties moeilijk het religieus quorum, nodig voor het regelmatig houden van diensten, bijeen te brengen. Beide gemeenten besloten daarom samen te gaan. Mikvé Israël ging ermee akkoord zijn 314 jaar oude Sefardische ritus te vervangen door één, die uit een combinatie van Reconstructionistische en Reform-elementen was samengesteld echter met behoud van vele gebruiken uit de oude Sefardische ritus. Eveneens verklaarde deze gemeente zich bereid om gemengde zitting in de synagoge in te voeren, bij het religieuze quorum de vrouwen mee te tellen, en niet-Joodse echtgenoten en kinderen op Joodse begraafplaatsen te doen begraven. De gefuseerde congregaties kwamen verder overeen zich aan te sluiten bij de Reconstructionist Foundation en de World Union for Progressive Judaism. De samensmelting kwam in 1963 defacto tot stand, de jure in november 1964. De vroegere rabbijn van de Reform-congregatie, Simeon J. Maslin, werd de eerste rabbijn van de gefuseerde gemeente. Hij bleef in functie tot 1967 en werd achtereenvolgens opgevolgd door chazzan (zanger) Norman P. Swerling, rabbijn Leo Abrami, rabbinaats-student Robert Silverman, chazzan Pavel Slavensky, rabbijn Philip Bentley en rabbijn Aaron L. Peller, welke laatste sinds 1978 de gemeente voorgaat en tevens de leiding heeft over de godsdienstschool tezamen met de Ashkenazische gemeente.

 

Joodse gemeenten - Hoofdtuk 3: Komst der Ashkenazim

Ashkenazische Joden waren al van de eerste tijden af Curaçao binnengedruppeld, hoofdzakelijk soldaten en enkele handelaren. Pas in 1926 begonnen zij zich op Curaçao in merkbare aantallen te vestigen. De meeste immigranten kwamen uit Roemenië. Zij werken hard en bereikten een benijdenswaardige positie in de handelssector. In 1932 organiseerden zij een Joods centrum, Club Union genaamd en in 1959 wijdden zij hun synagoge Shaarei Tzedek (Poorten der Gerechtigheid) in. Hun aantal bedraagt thans ca. 300 personen.

 

Joodse gemeenten - Hoofdstuk 4: St. Eustatius

Foto's: Ruine van de Joodse synagoge Honen Dalim (1738) op Sint Eustatius

Het is bekend, dat Joden van Curaçao St. Eustatius hebben bezocht sedert de tweede helft van de 17de eeuw - onder hen een zekere David Seraiva in 1660. In het begin, van de 18de eeuw zetten Joodse reizigers hun bezoeken aan het eiland voort. In 1772 waren er 21 joodse ingezetenen met 16 slaven. In 1730 verleenden de directeuren van de West-Indische Compagnie de Joden dezelfde rechten als de christelijke eilandbewoners, waaronder vrijheid van godsdienst. De Joden stichtten nog in dat jaar een gemeente, die zij Honen Dalim (barmhartig voor de behoeftige) noemden, en legden een begraafplaats aan; de oudste nog bestaande inscriptie dateert uit 1742. Zeven jaar later bouwden zij een synagoge, waarvan nog de ruïnes resten. Meningsverschillen tussen de Ashkenazim en de Sefardim in 1760 vereisten de tussenkomst van commandeur Jan de Windt alvorens de vrede kon worden hersteld. Gedurende deze jaren was Samuel Hoheb de meest markante leider van de gemeente. De Joden gaven vrijgevig bijdragen ten bate van Palestijnse en andere Joodse gemeenten. De wervelstorm van 31 augustus 1772 dwong hen hun synagoge van de grond af te herbouwen. Van de voorlezers der gemeente zijn ons de namen van rabbi (voorlezer) Yehezkel (1775) en Jacob Robles (overleden 1790) bekend gebleven.

Het bestuur en de bevolking van St. Eustatius gaven steun aan de Amerikaanse opstandelingen. Vooral de Joden voorzagen de Amerikaanse kolonisten van voedsel en munitie. Toen admiraal Rodney en generaal John Vaughan zich op 3 februari 1781 meester maakten van St. Eustatius, namen zij geld en kostbaarheden van de Joden in beslag en deporteerden 30 Joodse mannen naar St. Kitts, hun families geruïneerd achterlatend. Vele van de gedeporteerde Joden keerden echter naar St. Eustatius terug en in 1790 telde de Joodse gemeente weer 170 zielen; David Abendanone fungeerde toen als voorzitter en Isaac de David Pereira als penningmeester. In dat jaar betaalden zij meer dan duizend pesos uit aan salarissen voor hun voorlezer en doodgraver, aan sociale fondsen voor hun armen, enz. Van 1795 af ging de Joodse bevolking achteruit; velen emigreerden naar St. Thomas in Deens West-Indië. Tussen 1850 en 1924 waren er nooit meer dan drie Joden tegelijk op het eiland.

 

Joodse gemeenten - Hoofdstuk 5: Aruba

Van tijd tot tijd bezochten Curaçaosche Joden Aruba om enkele produkten van het eiland te kopen. In 1753 verwierf Moses Salomo Levy Maduro een stuk grond van de West-Indische Compagnie en vestigde zich daar met zijn vrouw en 6 kinderen. De familie Maduro bleef op het eiland tot 1816 - wellicht langer. In dit jaar waren er 19 joden op Aruba, waarvan de meerderheid huizen en grond bezat; sommigen hadden ook schepen. Eveneens in 1816 benoemde de Curaçaosche Camara de Orfaos (Joods Wezenfonds) Benjamin Mordechay Henriquez en Benjamin Suares als zijn vertegenwoordigers om erfeniskwesties van op Aruba overleden Joden te behartigen. Omstreeks 1825 bezaten de Joden een klein kerkhof; er waren toen 32 Joden op het eiland. In 1854 verleende het bestuur aan Luis Joseph de Jongh, een concessie voor 40 jaar om de goudmijnen van Aruba te exploïteren. In 1867 was het aantal Arubaanse Joden tot 23 verminderd; onder hen bevond zich de opmerkelijke David Capriles (1799-1883). In 1879 bezaten Joden 36 aandelen van de 113 die in totaal waren uitgegeven door de Arubaanse Fosfaatmijn Maatschappij. Abraham Jesurun Dz. was tot 1913 secretaris van deze maatschappij. Sedert 1924 begonnen zich Joden uit Nederland, Suriname en Oost-Europa op Aruba te vestigen, die zich vooral in de klein- en groothandel in manufacturen een belangrijke plaats verwierven. In 1942 stichtten de nieuwe immigranten een Joods centrum onder de naam Aruba Country Club. Vier jaar later werd de Joodse groep georganiseerd als een officiële gemeente. Op 4 november 1962 wijdden zij hun synagoge Beth Israël (Huis van Israël) in Oranjestad in - een kleine, fraaie orthodoxe synagoge met een conversatiezaal.

 

Joodse gemeenten - Hoofdstuk 6: St. Maarten

In 1735 woonde hier wij (een wij-bisschop is in de R-K kerk een aan de normale bisschop toegevoegde hulp) Jacob Gomes met zijn vier slaven; voorts de weduwe Silva met haar zoon en dochter. Reeds in 1783 bestond er een georganiseerde Joodse gemeente, aangezien haar Parnassim in dat jaar aan de West-Indische Compagnie wettiging vroegen van hun reglementen. Er werd een synagoge gebouwd op het Oosteinder der Achterstraat, aan de Zuidzijde; M.D. Teenstra zag omstreeks 1828 de ruïnes van dit bouwwerk. De Joodse bevolking ging sinds het eind der 18de eeuw steeds meer achteruit. Heden ten dage zijn er minder dan 20 volwassen Joodse personen (1983).

 

Joodse gemeenten - Hoofdstuk 7: Bonaire

Zo nu en dan gingen Joden van Curaçao naar Bonaire om zout te halen. Verscheidene Joodse zakenlieden (in het bijzonder de Jesuruns) hadden gedurende de 19de eeuw zakelijke belangen, met name plantages, op het eiland. De actieve Abraham M.Chumaceiro stelde zoveel belang in de welvaart van Bonaire, dat hij daaraan een brochure wijdde: Het eiland Bonaire (1867). Gedurende de Tweede Wereldoorlog waren er 23 Joden uit Curaçao die bij het uitbreken van de oorlog nog een vijandelijke nationaliteit bezaten, op het eiland geïnterneerd. De Joodse gemeente van Curaçao trok zich hun lot aan. Thans zijn er slechts 5 Joden op Bonaire (1983).

 

Joodse gemeenten - Hoofdstuk 8: Literatuur

  • Lit.: G.H. Cone, The Jews in Curaçao, Publikatie van de American Jewish Historical Society, deel X, biz. 141-157 (1902);
  • J.M. Corcos, A Synopsis of the History of the Jews of Curaçao, (1897);
  • I.S. Emmanuel, De Nederlandsche Grafschriften op ‘Beth Haim’, Geschiedkundige Opstellen, biz. 5578 (1943);
  • idem: ‘Het Oude Joodsche Kerkhof op Curacao’, Lux, biz. 143-149 (1944);
  • idem: (with Suzanne A.) History of the Jews of the Netherlands Antilles (1970);
  • idem: Jewish Education in Curaçao (1692-1802), Publikatie van de American Jewish Historical Society, deel XLIV, blz. 215-236 (1955);
  • idem:  Precious Stones of the Jews of Curaçao; Curaçaon Jewry, 1656-1957, blz. 584 (1957);
  • P.H. Huisman sr., Sefardiem, de stenen spreken / Speaking stones (1984);
  • Is. Jessurun Cardozo, Three centuries of Jewish life in Curaçao; oldest synagogue in the New World, (1953);
  • J.M.L. Madura, De Portugeesche Joden in Curaçao, Gedenkboek Nederland-Curaçao 1634-1934, blz. 69-78 (1934);
  • R.D.L. Maduro (ed.), Our ‘Snoa’ 5492-5742 (1982).

 

@: Journalistenorganisatie
zie @: Persvereniging.

 

@: JPF / @: J.P.F.
(voluit Justitia, Piëtas, Fides, wapenspreuk van de republiek Suriname: Rechtvaardigheid, Vroomheid, Trouw) is een algemene Surinaamse Vereniging, opgericht 17 juli 1941 (zie @: Surinamers).

 

@: Juliana, Elis / @: Elis Juliana

(Curacao 8 augustus 1927) bedient zich zowel voor zijn proza als voor zijn poëzie bijna uitsluitend van het Papiamentu. Als voordrachtkunstenaar van zijn eigen werk, veelal anekdotische gedichten waarin lyriek en realisme afwisselend de boventoon voeren, heeft hij naam gemaakt. In zijn recente werk is een vorm van maatschappijkritiek waarneembaar, die zich vooral richt op de individuele gedragingen en ijdelheden van de Antilliaan (Curaçaoenaar?).

Publiceerde ook werk voor kinderen en etnografisch werk. Als beeldend kunstenaar op diverse vlakken actief: als beeldhouwer, schilder en vooral de laatste jaren als miniaturist. Exposities: Curaçao (1965, 1972, 1976, 1979), New York (1968), Brazilië (1973), Aruba (1977) en Jamaica (1977). Ontving tweemaal de Colá de Debrotprijs van het Eilandgebied Curaçao, eenmaal gedeeld met Paul Brenneker O.P. met wie hij nauw samenwerkt bij het optekenen van mondelinge overleveringen, gebruiken e.d. uit het verdwijnend verleden. (Zie @: Beeldende Kunsten; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken: o.a.

Proza:

  • Aventura di un kriki (1960);
  • Maka Taka (1961);
  • Wazo riba rondu I (1967);
  • Wazo riba rondu II (1981);

Poëzie:

  • Flor di datu (1956);
  • Dama di anochi (1959);
  • Canta Clara (z.j.);
  • Kolokólo di mi wéa (1977);
  • OPI (1971). 

Diversen:

  • Guia etnológiko I (1976);
  • Guia etnológiko II (1977);
  • Guia etnológiko III (1978);
  • Echa Cuenta (1976);
  • Verso pa mucha (1978);
  • Nilo riku riku (1978).

 

@: Julianabrug, Koningin / @: Koningin Julianabrug
zie @: Bruggen.

 

@: Julianadorp

Woonwijk op Curaçao, aanvankelijk uitsluitend bestemd voor de vestigmg van Shell-employés en tot in de 1960ger jaren door afscheidingen omgeven, is thans door vrije vestiging van zijn isolement ontheven.

 

@: Juliana Luchthaven, Prinses
Luchthaven van Sint Maarten zie @: Luchthavens.

 

@: Julianazender
zie @: Curom.

 

@: Juristenblad, Antilliaans / @: Antilliaans Juristenblad
zie @: Rechtspraak.

 

@: Justicia
rechtsgeleerd periodiek voor de Nederlandse Antillen (zie @: Rechtspraak).

 

@: Justina, Sonia Mathilde
zie Garmers, Sonia.

 

 

De letter K

k is de elfde letter van het Nederlandse alphabet. Zij stamt af van de Semitische aanduiding kap, hun symbool voor ‘open hand’; mogelijk, zoals nu ook het geval is, een gebaar tot verwelkoming. Deze aanduiding is hoogstwaarschijnlijk door de Semieten aangepast van het Egyptische schrift van de hyrogliefe voor hand, die voor de Egyptenaren hun letter D betekende in het woord dat zij voor hand hanteerden: waarschijnlijk het woord d-r-t. De Semieten hebben kennelijk de k-klank aan deze Egyptische teken verleend, op grond van het feit, dat hun woord voor hand met dit teken als beginletter wordt geschreven. De Grieken ontwikkelden de Semitische kap tot hun kappa (K; k) en vanuit die grondslag is de k in onze hedendaagse alfabetten komen aanwaaien. De Romeinen – het Latijns is in feite de grondslag voor het moderne alphabet – gooiden de k echter bijna helemaal terzijde, de voorkeur aan de c gevende voor de uitdrukking van de k-klank. Zij vervingen dus Griekse k-woorden met een c. Maar de Romeinen kregen in verschillende gevallen toch met de k te maken: Bij het opnemen van Etruskische k-woorden in het Latijns onder andere voor het woord kalendae (kalender) letterlijk de eerste dag van de maand, heden ten dage gebruikt als het overkoepelend woord ter aanduiding van het geheel van de betrokken tijdsindeling. Ook de Celten onderhielden de gewoonte om k-woorden uit andere talen met een c te herleiden, een gebruik die in het Oud Engels overliep en die van het moderne Engels de enige Germaanse taal maakt, die de harde k-klank regelmatig met een c schrijft voor inheemse woorden. Aan de andere kant hebben de Engelsen het in die richting gestuurd, dat zij k-woorden, die van andere (Indo-Europese) talen zijn overgenomen, wel met die k blijven schrijven, maar deze niet uitspreken, als in knee en know.

Het Nederlands, ook een Germaanse taal, gebruikt de c als k bijna uitsluitend voor uit het Latijns of uit talen met een Latijnse-oorsprong overgenomen woorden, maar niet voor aangeboren woorden. Dus het Nederlands schrijft kanon (het wapen) met een k maar canon (katholieke geloofsregel; van oorsprong Grieks / Latijns) met een c die uitgesproken wordt als een k. In het Engels, die het woord mogelijkerwijs van het Nederlands heeft overgenomen schrijft men beide woorden met een c, maar maakt men een onderscheiding door ‘kanon’ met een dubbele n (cannon) en ‘geloofsovertuiging’ met één n (canon) te schrijven.

Het Spaans, een taal die ook veel ingang heeft op Curaçao, gebruikt de k bijna uitsluitend voor woorden van Griekse oorsprong, namen en voor de weinige woorden van andere moderne buitenlandse talen, die zonder aanpassing in het Spaans zijn opgenomen (bijvoorbeeld: kermesse = kermis; kilo; kiosco; kerosena). Voor de andere woorden gebruikt het Spaans de c met een k-klank. Het Papiamentu van Curaçao, met zijn fonologische voorkeur (in tegenstelling tot die van Aruba met diens voorkeur voor de historische schrijfwijze van woorden) vertaalt bijna alle k-klanken ook met een k. Het is dus casa (huis), cocinar (koken), caballo (paard) in het Spaans, maar kas, kushiná en kabai in het Curaçaosche Papiamentu.

De k is verrassend genoeg een veel gebruikte beginletter in zowel het Nederlands als het Papiamentu. Zij is aanwezig als beginletter in namen van landen als Kenia, Korea, Kuweit en ook ter aanduiding van Klein-Curaçao, het kleine eilandje dichtbij de oost-zuidkust van Curaçao. De k is aanwezig als beginletter in namen van beroemde personen als Kennedy, de 35ste Amerikaanse president, die op zo’n geweldadige wijze aan zijn einde kwam en ook bekend staat voor zijn kordate optreden in de Cuba rakettencrisis tegen het toenmalige Sovjet Unie met zijn toenmalige leider die ook een met k beginnende naam had: Krushchev. Uit de Curaçaosche geschiedenis hebben wij met een k als beginletter onze bekende mgr. Kieckens en verder is de k de beginletter in bekende producten als Kentucky Fried Chicken, tegenwoordig simpelweg met KFC afgekort en de Bijbel van de Islam: de Koran.

 

 

@: Kaapvaart
Zie @: Geschiedenis: Nederlandse periode.

 

@: Kabai di awa

(Hippocampus hudsonius en Hippocampus reidi) of seahorse treft men aan in zeegrasvelden en tegen steigerpalen, rasters, e.d. Verankerd aan hun gekrulde staart kijken zij uit naar garnaaltjes, die zij met hun pipetvormig bekje naar binnen zuigen. Het wijfje legt haar vijftigtal eieren in de broedbuidel van de man. Deze vrijwel gesloten buidel wordt niet met water geventileerd; de eieren krijgen hun zuurstof via het sterk doorbloede buidel-slijmvlies, waarin zij ingebed liggen. In enkele weken ontwikkelen zich kleine zeepaardjes binnen de buidel, tot het mannetje met een paar krachtige buik-contracties de buidel openspert. Met elke contractie komt dan een aantal jongen tegelijk naar buit,en. Het huidpantser van de kabai di awa is zo hard, dat zij zonder verder prepareren gedroogd en tot ‘souvenir’ verwerkt kunnen worden.

 

@: Kabaron

of garnachi, shrimp of prawn zijn verzamelnamen voor een nogal heterogene groep Kreeftachtigen (Crustacea). Enkele soorten, zoals de Branchipode Triops, vindt men vooral in regenpoelen, terwijl een andere Branchipode, de pekelkreeft (Artemia salina) in de zoutpannen te vinden is. De grootste garnalen treft men in het brakke water aan: JIacrobrachium spec., die kenbaar zijn aan hun lange scharen, die bij een soort ruim 10cm lang zijn.

Zowel in de getijzone als in dieper water komen vele soorten snapping shrimps (Alpheidae) voor, die toegerust zijn met vier schaarpoten, waaronder een zware, waarmee zij duidelijk hoorbare klikgeluiden kunnen maken. Vele soorten die op het koraal leven, zijn heel opvallend van kleur. Zij tonen dikwijls een zogenaamde poetsgedrag ten opzichte van vissen: als een vis ‘gepoetst’ wil worden, springen zij op de kop van de vis en dribbelen daar rond terwijl zij met hun schaartjes bedrijvig bezig zijn allerlei ongerechtigheden van de vishuid weg te plukken en naar hun mond te brengen. De vissen waarderen dit kennelijk, want ten eerste zwemmen zij op de garnalen af, en als de garnaal overgesprongen is, houden zij zich stil tot de garnaal zich weer verwijderd heeft. Zelfs echte roofvissen als muraenes, groupers en snappers vergrijpen zich niet aan zulke fel rood-wit gestreepte poetsers als Stenopus hispidus en de bonte Periclemenes-soorten, zelfs niet als deze via de kieuwopening de mondholte reinigen. Elders in het Caribisch gebied zijn de Penaeidae (pink shrimp e.d.) van grote economische betekenis, maar in de Nederlandse Antillen komen deze soorten niet in groot aantal voor. In de ondiepe baaien komt de brown shrimp (Penaeus aztecus) wel voor, maar niet in exploïtabele hoeveelheid. Garnalen zijn niet gemakkelijk te determineren.

 

@: Kabekuchi
zie @: Mojarra’s.

 

@: Kabinet / @: Kabinet van de gevolmachtigde minister

 

Foto: Het Antillenhuis aan de Badhuisweg 175, Den Haag, residentie en kantoorlocatie van de NA-gevolmachtigde minister

is de naam die gebruikt wordt om de gezamenlijke ministers aan te duiden. Deze naam is in gebruik naast die van ministerraad. Kabinet van de gevolmachtigde minister is het ambtelijke apparaat dat de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen te Den Haag terzijde staat in de uitoefening van zijn taak. Deze dienst (met aan het hoofd de Directeur), die in de loop der jaren is uitgegroeid naar gelang ook de taak van de gevolmachtigde minister in omvang toenam, waarborgt continuïteit in ervaring wanneer de ambtsdragers wisselen. De aanwezigheid van administratieve deskundigheid verruimt in niet geringe mate de mogelijke keuze voor dit hoge ambt dat als een politieke zowel als diplomatieke functie te beschouwen is. Negen afdelingen dragen met hun deeltaken bij tot een soepele uitvoering van de hoofdtaken van de ambtsdrager, t.w.

  • Algemene en Juridische Zaken (A.J.Z.),
  • Voorlichting en Public Relations,
  • Ontwikkelingssamenwerking en Personeelsbemiddeling (O.P.),
  • Financiën,
  • Sociale Zaken (S.Z.),
  • Economische Zaken (E.Z.) waaronder toerisme,
  • Culturele Zaken (C.Z.),
  • Registratie en Archiefzaken (R. en A.) en
  • Personeelszaken en Huishoudelijk Beheer.

De afdeling A.J.Z. is te beschouwen als het centrale zenuwstelsel van de organisatie omdat zij de gevolmachtigde minister vooral bijstaat in het voorbereiden en uitvoeren van die rijksaangelegenheden waarbij de Nederlandse Antillen betrokken zijn, de centrale en eerste taak van de gevolmachtigde minister. Uit oogpunt van doelmatigheid en pragmatisch functioneren zijn de andere afdelingen ontstaan naar gelang de gevolmachtigde minister belast werd met belangenbehartiging van Antillianen in Nederland en mede gelet op de voorlichtende taak (over en weer) die hem eveneens is opgelegd en de wenselijkheid van het uitdragen van het ‘gezicht’ van de Nederlandse Antillen in Europa. Het Kabinet van de gevolmachtigde minister staat in de wandeling bekend als het Antillenhuis.

 

@: Kabinet van de gouverneur

is de naam van de dienst die sinds 1949 in Willemstad de Gouverneur administratief ter zijde staat.

 

@: Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse zaken

is de naam van die dienst in het Koninkrijk, die in Den Haag speciaal het contact onderhoudt met de Nederlandse Antillen. Het kabinet is gevestigd aan de Herengracht 19a in Den Haag. De dienst waarborgt continuïteit van ervaring (ook al wisselen de ambtsdragers) en de handhaving van de hoofdbeginselen die in het Statuut zijn neergelegd.

 

@: Kabiou

(Seriola dumerili) of amberjack, behoort tot de Horsmakreelachtigen en is in geen enkel opzicht verwant met de Noord-Atlantische kabeljauw, zoals zijn naam zou doen veronderstellen. Hoewel ze vrij groot zijn, komen ze bij het vervolgen van hun prooi tot vlak onder de kust. Men treft de kabiou regelmatig op de markt aan.

 

@: Kabritu

(geit) De toevoeging shimaron duidt aan dat het, om een wilde of verwilderde geit gaat, die permanent in de mondi blijft zwerven (zie @: Veeteelt).

 

 @: Kabuya di rèspèt
is het touw dat als instrument voor lijfstraffen in de opvoeding werd gebruikt. In vroeger tijden was de opvoeding zeer streng en werd het touw veelvuldig gehanteerd. Tegenwoordig is men wel zachtaardiger in de methoden, maar in vele huizen kan men de kabuya als dreiging bij ongehoorzaamheid nog aantreffen.

 

@: Kachu

Blaasinstrument gemaakt van een koehoorn, ongeveer 35cm lang. De punt wordt van de koehoorn gesneden zodat een vingergat met een doorsnede van 6 á 8mm ontstaat. Op een afstand van 1/3 van de hoorn, gemeten vanaf de punt, wordt een mondgat met een doorsnede van ongeveer 2cm geboord aan de bolle zijde van de hoorn. Het instrument wordt met dezelfde blaastechniek als bij een trompet bespeeld, terwijl de toonhoogte mede veranderd wordt door de hand- en vingerbewegingen aan de open kant (het ‘paviljoen’) en het al of niet sluiten van het vingergat van de koehoorn. Het instrument had verschillende functies nl.:

  • 1. om een sterfgeval aan te kondigen;
  • 2. om het tempo aan te geven bij het sjouwen van stenen;
  • 3. ter begeleiding van de agan en andere instrumenten bij de oogstfeesten; 
  • 4. bij het vervoeren van zieken op een paniweri.

De Afrikaanse oorsprong van dit instrument is duidelijk, zowel naar zijn vorm als naar zijn functie. In Afrika wordt het gemaakt uit de hoorns van diverse antiloopsoorten en - als statussymbool van sacrale en politieke macht - ook uit de slagtand van de olifant. De benaming van de Afrikaanse hoorn varieert van stam tot stam.

 

@: Kadaster

heeft kantoren op de eilanden Curaçao, Aruba, Bonaire en Sint Maarten. De eilanden Saba en Sint Eustatius worden door het kantoor op Sint Maarten bediend. De dienst van het kadaster is belast met alle werkzaamheden inzake de kadastrering (het nauwkeurig opmeten en in kaart brengen van alle gronden met de daarop staande gebouwen binnen zeker gebied) van de Nederlandse Antillen. Verder verricht deze dienst op verzoek van derden metingen van terrein en maakt meetbrieven op. De kadasterverordening (P.B. 1928 nr. 100, gewijzigd bij P.B. 1945 nr. 32) regelt de wijze waarop de kadasters (dit is grondbeschrijving; het van overheidswege gehouden openbaar register van onroerende goederen waarin deze zijn omschreven en waarin aantekening geschiedt van aile zakelijke reehten door in- of oversehrijving van de daaromtrent gemaakte akten) dienen te worden ingericht. De tarieven voor het verrichten van metingen zijn vastgesteld bij landsbesluit houdende algemene maatregelen opgenomen in P.B. 1953 nr. 70, gewijzigd bij P.B. 1962, nr. 43 en laatstelijk verhoogd bij P.B. 1967, nr. 116. Deze verhoging van de tarieven is voor een belangrijk deel weer ongedaan gemaakt door de verlaging daarvan bij landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 2de november 1967, P.B. 1967, nr. 186. Organisatoriseh ressorteert de dienst van het kadaster onder de administrateur van Financiën.

 

@: Kadushi

  • (1) grote boomvormige cactus (zie @: Cactussen);
  • (2) soep bereid uit de gedroogde en fijngemalen stengel van de kadushi-cactus. Belangrijke ingrediënten zijn gekookte vis, garnalen en karkó. Deze soep wordt met funchi genuttigd. De Arubaan noemt deze soep breba. (Zie ook @: Voedingsgewoonten).

 

 @: Ka’i blek’i kerosin

(kas di bleki di kerosin) houten hut, opgetrokken met kistenhout, bedekt met platgeslagen petroleumbussen. Na de vestiging van de Shell-raffinaderij op Curaçao verrezen wijken van deze hutten aan de stadsranden.

 

@: Ka’i morto / @: kaha di morto / @: kaja di morto

  • (1) doodkist;
  • (2) klein blauw adertje, dat soms op de neusbrug zichtbaar is. Het bijgeloof wil dat zo’n adertje een groot gevaar inhoudt voor het leven van een kind (zie @: Geboortegebruiken);
  • (3) zie @: Koffervissen.

 

@: Ka’i òru / @: kaha di orgel @: ca’i orgel / @: caha di orgel

(Aruba spreekt van ca’i orgel of caha) is een omstreeks 1880 uit Italië ingevoerd type draaiorgel, dat op de Antilliaanse eilanden heel populair werd. Langs een verticale, besnaarde klankkast, gelijkend op die van een kleine piano, wordt door middel van een slinger een houten cilinder gedraaid, waarin spijkertjes zijn geslagen die via' een slagmechanisme op het juiste moment de gewenste snaren moeten treffen. Het bespijkeren van de ka’i-orgelcilinders vereist een vakkunst, die de laatste jaren door weinigen meer wordt beheerst. De Arubaanse musicus Rufo Wever en op Curaçao Edgar Palm zijn vrijwel de enigen die zich hiermee hebben beziggehouden. Nieuwe orgels worden thans op Curaçao vervaardigd door Rafael Pieter in samenwerking met Serapio Pinedo; op Aruba is Alfonso ‘Buchi’ Boekhoudt bekend.

 

@: Ka’i pali maïshi / @: Ka’i pali maïnshi / @: kas di palu di maïshi / @: kas di palu di maïnshi

ook wel genoemd kas di yerba of kas di kunuku; op Aruba cas di torto, op de Bovenwindse Eilanden thatchwood house is de oudste vorm van landarbeiderswoning op het platteland (kunuku) van de Benedenwindse Eilanden en dateert reeds uit de 17de eeuw. Tot in het eerste kwart van deze eeuw werden deze huisjes nog gebouwd, maar na de vestiging van de olie-industrie en de daarmede gepaard gaande geleidelijke toename van de welvaart ontwikkelde zich een andere vorm van plattelandswoningbouw. De landarbeiders, eertijds in dienst van de plantage-eigenaars, kregen een stukje grond toegewezen in de omgeving van het landhuis en bouwden daarop zelf hun huisjes, waardoor kleine nederzettingen ontstonden, waarvan tot ca. 1950 gave voorbeelden bestonden op de plantages Knip en Savonèt, terwijl tevens in het nabijgelegen dorp Lagun soortgelijke huisjes het karakter van het dorp bepaalden. Overigens vindt men, zij het schaars, dit woonhuistype nog over Curaçao verspreid; de andere eilanden hebben er nog enkele. Dit huisje heeft een rechthoekige plattegrond, variërend van 3-5 m breedte bij 8-10 m lengte en is verdeeld in twee vertrekken, namelijk een woon- en een slaapvertrek. De muren zijn opgetrokken in een vlechtwerk van takken; de zware verticaal gestelde brasa di palu en de lichtere horizontaal gevlochten rama di watapana en aangewerkt met een mengsel van klei en koemest. De buitenmuren zijn veelal schuin verlopend, van 20cm dikte aan de bovenkant naar 40cm dikte aan de voet van de muur; aan de voorzijde soms voorzien van een in de muurconstructie opgenomen buiten-rustbank: Vloer van hetzelfde materiaal. Het aan vier zijden ca. 50cm overhangende dak is samengesteld uit zware boomtakken, afgedekt met een ca. 20cm dikke laag gedroogde maïsstengels (palu di maïshi), stevig in elkaar gewerkt om een goede waterdichtheid van het dakvlak te verkrijgen. De kleine geluikte ramen en deur tot tegen of in de dakrand. De deur is dikwijls van het type saya ku djèki (separate onder- en bovendeurgedeelten). De binnenmuren worden wit gesaust; de buitenmuren veelal in kleur (geel oker) ofschoon ook wit voorkomt.

Op enige meters afstand van het huisje wordt een kleinere hut gebouwd, die als keuken dienst doet; vaak worden ze met elkaar verbonden door een ramada (afdak). Door hun aan het klimaat aangepaste constructiewijze zijn deze huizen bijzonder koel en verdienen qua functionele principes eerder als ‘modern’ dan als ‘primitief’ beoordeeld te worden. In 1982 heeft de Stichting Monumentenzorg Curaçao langs de Westpuntweg nabij Ascencion een ernstig in verval geraakt kas di palu di maishi laten restaureren en ter bezichtiging voor het publiek opengesteld.

 

@: Kakkerlak / @: Kakalaka

  • 1. of cockroach (fam. Blattidae) komen in een klein aantal soorten voor, waarvan uiteraard de huisbewonende het meest opvallen. Hier worden genoemd de roodbruine Amerikaanse kakkerlak (Periplaneta americana), die enorm talrijk kan zijn als er vochtige afvalhopen in de buurt zijn en die ‘s avonds wel binnenvliegt.
  • 2. De Duitse kakkerlak (Periplaneta germanica) werd, merkwaardig genoeg, sedert de aanwending van insekticiden tegen huisinsekten plotseling een plaag; waarschijnlijk is deze soort met aardappelen ingevoerd.
  • 3. De kakalaka matros (Blabera spec.) is een opvallend grote, ovaalronde lichtbruine soort die levendbarend is. De andere soorten produceren eiertasjes, die geleidelijk aan, terwijl ze uit het achterlijf van het wijfje worden geschoven, worden afgebouwd.
  • 4. Plantesoort uit de familie der Commelinaceae (Zebrina pendula).

 

 @: Kaka sin sintí

Kaka sin sinti betekent letterlijk "uitwerpselen zonder rede". (Ruvettus preciosus) of escolar, is een vis van aanzienlijke lengte, die in een kwade reuk staat vanwege de diarree, die het gebruik van zijn vlees tot gevolg heeft, zoals zijn Papiamentse naam reeds aangeeft. Deze vis heeft een makreelachtig uiterlijk. Hij is een bewoner van het diepe water en is bij de Nederlandse Antillen niet zo algemeen.

 

@: Kala
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Kalalú / @: calaloe

(Amaranthus dubius) of calaloe (Bovenwindse Eilanden) plantesoort uit de familie der Amaranthaceae. Hoogopgroeiend kruid met langgesteelde, in grootte sterk wisselende bladeren. Bloemen met groen bloemdek, eenslachtig, in lange schijnaren, die een wijduitstaande pluim vormen. Algemeen onkruid op ruderale standplaatsen; wordt ook als groente gekweekt, vooral door de Chinezen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Kalambé
zie @: Klederkrachten.

 

@: Kalbas

  • 1. (Crescentia cujete) of kalbas rondó, calebash, plantesoort uit de familie der Bignoniaceae. Loofverliezende, kleine boom met spatelvormige bladeren die ontspringen op kortloten; bloemen 6 cm lang, groen-paars, uit takken of stam ontspringend; vrucht groot, rond of ovaal. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen. Vrucht gebruikt voor vervaardigen van @: maraka, schep in plaats van pollepel; van het moes wordt een stroop gemaakt tegen verkoudheid; zaden verwerkt bij het maken van karabobo, een lekkernij (zie ook @: Geneeskrachtige kruiden en giftige planten);
  • 2. Oude Papiamentse aanduiding van een maat (zie @: Maten en gewichten).

 

 

@: Kalbas largu

of sweet gourd (Lagenaria leucantha, fam. der Cucurbitaceae) een klimplant met stevige ranken en grote, vlezige, waterige, langwerpige vruchten die 1m lang kunnen worden. Het vruchtvlees wordt gestoofd als groente gegeten.

 

Kalebas
zie @: Bastel; @: Kalbas; @: Maraka.

 

@: Kalkalg
zie @: Koraal.

 

@: Kalkovens
zie @: Kalksteen.

 

@: Kalksteen

In de Nederlandse Antillen is al sinds lange tijd kalk gebrand in betrekkelijk primitieve kalkovens, gestookt met hout, houtskool of steenkool. Grondstof vormden brokken harde kalksteen; ook werden koraalkolonies hiervoor verzameld. De zo verkregen ongebluste kalk vermengd met water, klei en/of zand levert mortel voor metselwerk. De N.V. Mijnmaatschappij Curaçao gebruikte de afvalkalksteen van de fosfaatgroeve op de plantage Sta. Barbara voor haar kalkoven. Deze oven werd afgebroken bij de bouw van de nieuwe fosfaatverwerkingsinstallatie in 1958.

 

 

@: Kalmou
zie @: Karmou.

 

@: Kambio
zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

 

@: Kamers der Staten-Generaal
zie @: Staten-Generaal.

 

@: Kamers van Koophandel en Nijverheid

zijn ingesteld voor Aruba, Bonaire, Curaçao en St. Maarten krachtens de Landsverordening op de Kamers van Koophandel en Nijverheid, zoals laatstelijk gewijzigd in 1944 (P.B. 1944 nr. 201). Zij vertegenwoordigen de handel en nijverheid in hun respectieve ressorten. Zij bestaan elk uit negen leden, die, telkens voor de tijd van drie jaren, in jaarlijkse verkiezingen gekozen worden door kiesgerechtigden, vertegenwoordigende onderscheidenlijk het groot- en het kleinbedrijf. Tot het eerste behoren de zaken met meer dan NAf 100.000 aan kapitaal en reserves; alle andere behoren tot het kleinbedrijf. Kiesgerechtigd zijn ingezetenen van Aruba, Bonaire, Curaçao of St. Maarten, tevens Nederlanders, die in één of andere functie beheerders zijn van aldus in het handelsregister ingeschreven bedrijven.

Tot leden van de Kamers kunnen worden gekozen zij, die gedurende de laatste twee jaren ingezetenen van Aruba, Bonaire, Curaçao of St. Maarten zijn geweest, tevens Nederlander zijn en de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt. De voorzitter wordt uit en door de negen leden gekozen en heeft een zittingsperiode van een jaar; hij is terstond herkiesbaar. De kamers zijn verplicht aan de overheid adviezen of inlichtingen te geven over aangelegenheden van handel en nijverheid waarover hun oordeel of inlichtingen gevraagd worden. Zij geven ook uit eigen beweging zodanige adviezen, en doen ook op eigen initiatief voorstellen of verzoeken aan de overheden. De kamers zijn voorts onder meer bevoegd tot:

  • het verlenen van subsidies aan instellingen, die een algemeen belang van handel en nijverheid bevorderen;
  • het zich belasten met het haar opgedragen beheer van inrichtingen ten dienste van handel en nijverheid;
  • het afgeven van verklaringen omtrent het bestaan en de aard van handelsgebruiken;
  • het legaliseren van handtekeningen in het handelsregister voorkomend, en
  • het heffen van retributies voor verrichte werkzaamheden.

Zeer in het bijzonder zijn de kamers belast met het houden van de handelsregisters ingesteld krachtens Landsverordening van de 6de november 1944 (P.B. 1944 nr. 203).

De inkomsten van de kamers bestaan hoofdzakelijk uit hetgeen zaken bij inschrijving en voorts jaarlijks verschuldigd zijn aan het handelsregister, en verder uit de ontvangsten aan heffingen en retributies. Ingevolge Landsbesluit van 1 februari 1966 tot instelling van een Sociaal-Economische Raad (S.E.R.) voor de Nederlandse Antillen dragen de kamers elk een lid en een plaatsvervangend lid voor aan de ministers van Sociale en van Economische Zaken, teneinde door hen te worden aangewezen tot lid van de Sociaal Economische Raad.

De kamer van Curaçao is oorspronkelijk opgericht in 1828 door de commissaris-generaal van Koning Willem I, Johannes van den Bosch maar tot omstreeks 1838 is er van enige activiteit geen sprake meer. Hij werd wederingesteld door het bestuur van de kolonie Curaçao in 1884 en is sindsdien tot op heden ononderbroken blijven bestaan. De Kamer van Curaçao is gehuisvest in een eigen gebouw, dat op 12 december 1964 officieel werd geopend door de toenmalige Gouverneur van de Nederlandse Antillen, mr. N. Debrot. De Kamer van Aruba is in 1930, die van Bonaire en van Sint Maarten in 1979 opgericht.

 

@: Kamisa
Papiamentu word voor overhemd; zie @: Klederdrachten.

 

@: Kampen Oscar Enau van
zie @: Azijn Banana.

 

@: Kampeshi
zie @: Verfhout.

 

@: Kandèlchi
zie @: Squirrel fishes.

 

@: Kanta guene

(zingen in het guene); guene heet de oorspronkelijke taal van de slaven uit Afrika te zijn. Het werd ook makamba genoemd. Vooral werkliedjes werden in het guene gezongen. Bepaalde uitdrukkingen, waarvan men de betekenis niet meer kent, noemt men ook wel guene. De term wordt soms gegeven aan een typisch Afrikaanse haardracht voor meisjes, waarbij het haar in een veelvoud van vlakjes verdeeld wordt. (Zie ook @: Gueni).

 .

@: Kanta makamba

zie @: Kanta guene. Bekend is de uitdrukking: ‘n ta ko’i kanta makamba (no ta kos di kanta makamba: het mag geen naam hebben).

 

@: Kapá

is een gecastreerde jonge bok, die bij bepaalde feestelijke gelegenheden, bijvoorbeeld een communiefeest, wordt geslacht.

 

@: Karakter di jonkuman

(Quisqualis indica) of jessamin, man’s character, plantesoort uit de familie der Combretaceae. Hoog klimmende heester met windende twijgen en tegenoverstaande, kortgesteelde bladeren; bloemen groot, wit verkleurend tot roze of donkerrood, in rijkbloemige oksel- of eindstandige trossen. Sterke vorming van uitlopers. Tropisch. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Veel gekweekt.

 

@: Karaflitu
zie @: Snappers.

 

@: Karawara
zie @: Cordia.

 

@: Karbon

Het brandhout werd op de plantages gekapt en in bossen van 25 kg gebundeld en verkocht als houtskool voor plaatselijk gebruik of voor uitvoer. Momenteel wordt er op kleine schaal nog steeds houtskool gebrand.

 

@: Karét
zie @: Schildpadden.

 

@: Karkó

queen conch of kinkhoorn (Strombus gigas) is het grootste schelpdier van de Nederlandse Antillen, De karkó wordt overal in het Caribische gebied gevist vanwege zijn consumptie-waarde. Vroeger was vooral Lac, Bonaire, bekend om zijn karkó-rijkdom, waarvan de grote hopen lege schelpen bij Cai getuigen. Thans vindt men nauwelijks nog mooie exemplaren met brede lip - teken van geslachtsrijpheid -, zodat niet alleen beschermende maatregelen geboden zijn, maar het ook wenselijk leek karkó’s vanuit het ei in maricultuur op te kweken en uit te zetten. Gave schelpen werden vooral vroeger gebruikt als blaasinstrument voor allerlei gelegenheden, terwijl vissers bij windstilte het loeiende geluid van de kinkhoorn lieten horen om de luchtgeesten uit de slaap te wekken. Evenals vroeger worden ook thans nog de schelpen, met hun prachtig glanzende roze-rode binnenzijde, als siervoorwerp verhandeld. (Zie ook @: Aquacultuur; @: Geschiedenis, Benedenwindse Eilanden: Jongste periode, @: Bonaire; Slakken).

 

@: Karmou

(Mugilliza) of cremole is een harder-vissoort, die sterk op de aldu lijkt, maar groter wordt (tot meer dan 75cm) en een zilveren kleur heeft die wat lichter is. De karmou is een formidabele springer; hij springt steil omhoog en valt dan zijdelings, met zijn staart omlaag in het water terug, terwijl de aldu in een schuine boog springt en dan met zijn kop het eerst het wateroppervlak bereikt. Op St. Maarten worden cremoles samen met de mullets in fuiken en met werpnetten gevangen. Zie ook @: aldu.

 

@: Karpata

  • 1. Bijnaam van de slaaf Bastiaan (ook wel Bastian of Bazjan), samen met Tula leider van de in augustus 1795 op Curaçao uitgebroken slavenopstand. In september 1795 werd hij gevangen genomen en terechtgesteld (zie @: Slavernij).
  • 2. Castor oil plant (Ricinus communis), plantesoort uit de familie der Euphorbiaceae. Hoge heester met schildvormige, in omtrek cirkelronde bladeren met 6-12 gezaagde lobben; top van bladsteel heeft 2 schijfvormige klieren; bloeiwijze pluimvormig met boven de vrouwelijke, beneden de mannelijke bloemen; vrucht is bolvormig en bevat grijsachtige zaden met zwarte vlekken. Bladen leveren wonderolie (ricinus- of castorolie) die purgerend werkt; deze olie wordt eveneens gebruikt als grondstof voor smeerolie bij lage temperaturen. Verwilderd op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
  • 3. Landhuis op Bonaire, na 1868, bestaande uit een dwarsblok met 2 paviljoens naar voren en een groot aantal bijgebouwen. Na restauratie (architect F. Julian) in gebruik bij Stinapa ten behoeve van natuurwetenschappelijk onderzoek.

Foto: Het gerestaureerde landhuis Karpata op Bonaire (architect F. Julian)

  • 4. zie Teek.

 

@: Karpitan
zie @: Snappers.

 

@: Kasgeldleningen

worden door het Land aan de Eilandgebieden Curaçao en Aruba verstrekt krachtens de Landsverordening P.B. 1961 nr. 82. Opname is mogelijk vanaf 15 januari tot en met 15 juli. De Bestuurscolleges van Curaçao en Aruba worden daartoe door de desbetreffende Eilandsraad bij eilandsverordening gemachtigd. Bij deze eilandsverordeningen zijn de betrokken Bestuurscolleges mede gemachtigd om bij plaatselijke banken gelden in rekening-courant op te nemen. Het Land heeft een rekening-courantverhouding met de Bank van de Nederlandse Antillen. Krachtens de Comptabiliteitsverordening (P.B. 1953 nr. 1) kan de minister van Financiën binnen de grenzen der begroting bij de Bank van de Nederlandse Antillen voorschotten opnemen voor betalingen welke uit ‘s lands kas dienen te geschieden. Door de bank worden deze voorschotten verleend op grond van het Bankstatuut (P.B. 1961 nr. 158). In het kader van de financiering van de projecten van het meerjarenplan Nederlandse Antillen heeft het Land een rekening-courantverhouding met de N.V. Bank voor Nederlandse Gemeenten. De machtiging voor de kortlopende leningen die door het Land bij deze bank kunnen worden opgenomen is voor wat betreft de eerste fase van het meerjarenplan gegeven bij Landsverordening van 18 december 1961 (P.B. 1961 nr. 215, gewijzigd bij P.B. 1964 nr. 122). Voor zover deze gelden worden doorgegeven aan de Eilandgebieden Curaçao en Aruba kan de opname door de betrokken Bestuurscolleges geschieden krachtens A.B. 1962 nr. 3 voor wat betreft Curaçao en A.B. 1961 nr. 44 voor wat Aruba aangaat. Voor de opname van gelden in het kader van de tweede en volgende fasen van het meerjarenplan zijn respectievelijk bij landsverordening en eilandsverordening de benodigde nadere voorzieningen getroffen.

 

 

@: Kash’i Sürnam / @: kashu di Sürnam

(Syzygium samaragnense), plantesoort uit de familie der Myrtaceae. Boom met leerachtige, langwerpige, kortgesteelde bladeren; bloemen in grote trossen, gelig wit door de uitstekende meeldraden; vrucht peervormig, groenig-wit tot roze, sappig, iets flauw van smaak. Eetbaar. Afkomstig uit Indonesië. Benedenwindse Eilanden. Gekweekt.

 

@: Kashu / @: palu di kashipete / @: palu di kashupete

(Anacardium occidentale) cashew, cherry, boom uit de familie der Anacardiaceae, met grote, omgekeerd-eivormige, leerachtige bladeren; bloemen wit of roodgestreept, in dichte pluimvormige trossen; na de bestuiving zwelt de vruchtsteel sterk op tot een gele of rode, peervormige schijnvrucht met op de top een grijze, gekromde dopvrucht. De schijnvrucht met een iets wrange smaak, wordt vers of gekookt gegeten; het zaad wordt geroosterd en levert de cashew nut. Uit de plant wordt een gom gewonnen die dienst doet bij de bereiding van een soort vernis ter bescherming van houtwerk en boeken tegen insekten, speciaal witte mier. Afkomstig uit tropisch Amerika, maar in alle tropische landen aangeplant. Gekweekt.

 

@: Kas pa nos tur, Stichting

is opgericht in 1970 met als doel het bouwen van kleine woningen op Curaçao voor minvermogenden. Tot nog toe (1983) zijn 47 woningen gebouwd. De huizen worden verspreid gebouwd om gettovorming te voorkomen. De bewoners worden begeleid door een team van vrijwilligers. Het startkapitaal van de Stichting van NAf 140.000,- is in een televisieshow bijeengebracht. Vanuit Nederland hebben het Algemeen Diakonaal Bureau, het Koningin Juliana Fonds en de ontwikkelingshulp het werk verder financieel mogelijk gemaakt. De bewoners betalen indien hun inkomen dit toelaat, 20 gulden huur per maand. Intussen is een onderdak voor clochards gereedgekomen op Otrobanda, bestaande uit eenkamerwoninkjes. Verder bestaan er plannen om huisjes te bouwen voor bejaarden en ex-patiënten van de Dr. Caprileskliniek (de psychiatrische inrichting) alsmede ook huurkoopwoningen voor jonge arbeiders.

Zie ook: @: Pater Brenneker; @: Drecha Kas; @: Pam pa mi ruman.

 

@: Kasuela

Een platte, ijzeren plaat, die o.a. gebruikt wordt voor het bakken van de @: repa.

 

@: Kathedraal

Letterlijk: De bischoppelijke- of hoofdkerk. Functie en rang van kathedraal van het Bisdom Willemstad heeft sinds 1958 de tussen 1876 en 1882 gebouwde parochiekerk van Pietermaai, toegewijd aan de H. Koningin van de Rozenkrans; de kerk is opgetrokken in aan de vroege gotiek herinnerende vormen.

 

@: Katholieke Volks Partij / @: KVP / @: K.V.P.
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Katoen / @: Katuna

  • 1. Zaadpluis van plantesoorten uit het geslacht Gossypium uit de familie der Malvaceae, dat in de textielindustrie verwerkt wordt. Heeft op de eilanden geen economische betekenis meer.
  • 2. (Gossypium hirsutum) Struik met langgesteelde, 3-5-lobbige bladeren met hartvormige voet, bloemen groot, alleenstaand in de bladoksel; openspringende doosvrucht met groot aantal zaden; zaadpluis laat niet gemakkelijk los. Gekweekt en verwilderd. Benedenwindse Eilanden.
  • 3. Creole cotton (Gossypium barbadense) verschilt van de vorige soort in de kale bladeren en het gemakkelijk loslaten van het zaadpluis. Gekweekt. Bovenwindse Eilanden; katoenplant van de Oude Wereld, vooral in Egypte gekweekt.

 

@: Katuna di seda

(Calotropis procera) of sprainleaf, cowheel, puffball, liberty tree, plantesoort uit de familie der Asclepiadaceae. Hoge heester met wit melksap en bijna witte stammen en twijgen; jonge twijgen vlezig; bladeren groot, breed-ovaalvormig; bloemen witpaars, stervormig in langgesteelde tuilvormige bloeiwijzen; vrucht is sterk opgeblazen, zaden met zaadpluis. Afkomstig uit de tropen van de Oude Wereld. Oorspronkelijk sierplant, maar verwilderd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden (zie ook Geneeskrachtige kruiden en giftige planten).

 

@: Katoenboom  / @: Katunbom

(Ceiba pentandra) of silk cotton tree, plantesoort uit de familie der Bombacaceae. Grote loofverliezende boom met horizontale takken en hoge plankwortels; stam en takken met grote, kegelvormige stekels; bladeren handvormig samengesteld; bloemen wit-roze in rijkbloemige bundels aan uiteinde van de twijgen. Vruchtpluis levert kapok, gebruikt als vulmateriaal. Benedenwindse Eilanden. Gekweekt. Bovenwindse Eilanden in het wild, vooral in de minder gestoorde bossen.

 

@: Kawama
zie @: Schildpadden.

 

@: Kayena
zie @: Hisbiscus.

 

@: Kayuda

(Annona glabra) Plantesoort uit de familie der Annonaceae. Boom met gaafrandige, enkelvoudige bladeren, wisselend in grootte. Bloemen geel, met rode vlek op voet van kroonblad, drietallig, vrucht groot, eivormig. Gekweekt, bovendien verwilderd op Curaçao bij Pos Kayuda, Plantage Knip en San Pedro.

 

@: Keerkringvogel

(Phaeton aethereus en Phaeton lepterus) white bird, trophic of tropic bird, bezit een paar sterk verlengde middelste staartveren; de kleur is voornamelijk wit, met wat zwart op de vleugels. Zoals de naam zegt, vindt men de vogels tussen de keerkringen vrijwel over de gehele wereld. Zij broeden op Saba en St. Eustatius en op de eilanden bij St. Maarten, op bijna onbereikbare plaatsen in rotsspleten. Zij leggen maar één ei per seizaen. De eilandpopulaties lopen gevaar omdat er nog altijd mensen zijn die broedende vogels van hun nest halen om deze op te eten.

 

@: Kelkboom, Radio
Omroepstation op Aruba (zie @: Radioomroep).

 

@: Kèlki hel

  • (Tecoma stans)nof yellow blossom, yellow elder, plantesoort uit de familie der BignoniaGeae. Sterk vertakte, hoge heester; bladeren tegenoverstaand, veervormig samengesteld met 5-7 lancetvormige blaadjes; bloeiwijze grote eindelingse trossen; bloemen groot, trechtervormig, heldergeel; vruchten lijnvormig met vliezig gevleugelde zaden. Inheems in tropisch Amerika. Sierplant. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

 

@: Kenepa

(Melicocca bijuga) of kinnup tree, plantesoort uit de familie der Sapindaceae. Hoge boom met dichte kroon; bladeren veervormig samengesteld, 2-jukkig, met lange, gevleugelde steel; bloemen eenslachtig, klein, wit, in pluimen aan het einde van de twijgen. Het pulp van de groene, ovale, ca. 2½cm lange vrucht is zoet en slijmerig en wordt gegeten. lnheems in Zuid-Amerika. Gekweekt op Benedenen Bovenwindse Eilanden.

 

@: Kerken
zie @: Bisdom Willemstad; @: Kathedraal; @: Protestantisme.

 

@: Kèrki

Op Curaçao uitsluitend aanduiding van de Fortkerk en van de dienst die daarin wordt gehouden. Bij de andere protestantse kerken spreekt men van misa di Protestant. Op Aruba en Bonaire wordt het woord kèrki gebruikt voor de protestantse kerk (zie ook @: Misa).

 

@: Kerkkoren
zie @: Zangkoren.

 

@: Kerkhof

is de protestantse begraafplaats op de hoek Berg Altena-Oranjestraat. Andere protestantse begraafplaatsen worden aangeduid met santana di protestant; voor de katholieke dodenakker kent het Papiamentu het woord santana.

 

 

@: Kerkorgels

Een aantal kerken kan bogen op het bezit van een pijporgel, veelal van Nederlandse bouw. De meeste orgels zijn klein en hebben weinig mogelijkheden. Het grootste orgel, met 25 stemmen, is dat van de R-K kathedraal te Pietermaai (zie @: Kathedraal) in Willemstad. Dit orgel werd in 1929 door zijn bouwer Jos Vermeulen geïnstalleerd en in 1965 nog eens omgebouwd en gerestaureerd. In 1976 is dit orgel opnieuw geïntoneerd waardoor het een geheel eigen karakter heeft gekregen dat het uitstekend geschikt maakt voor het geven van orgelconcerten. Kleinere orgels vindt men op Curaçao in de Fortkerk (Flentrop, 1963, 17 stemmen), de Fatimakerk Suffisant (Flentrop, 1963, 16 stemmen), de Heilig Hartkerk Janwe (Verschueren, 1963, 16 stemmen), Santa Annakerk Otrobanda (Vermeulen, 1922, 16 stemmen), de Lourdeskerk Brievengat (Vermeulen, 1965, 14 stemmen). Nog kleiner dan de voorgaande is het orgel van de protestantse kerk in Oranjestad op Aruba (Flentrop, 1949, 11 stemmen).

 

@: Kernbewapening

In 1968 is door het Koninkrijk een protocol ondertekend waardoor voor de Nederlandse Antillen de status van kernwapenvrijgebied is aanvaard. Op 26 juri 1971 is hierop een eerste aanvulling gekomen. Het protocol vormt een bijlage bij het op 14 februari 1967 gesloten Verdrag van Tlatelolco tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika. Dit verdrag, dat alleen openstaat voor de Latijns-Amerikaanse landen, beoogt de vestiging van een gedenucleariseerde zône, die het gehele westelijk halfrond ten zuiden van de Verenigde Staten zal omvatten. Het bij het verdrag behorende protocol voorziet erin, dat op gebieden binnen de verdragszône, waarvoor andere staten daarbuiten mede internationale verantwoordelijkheid dragen, dezelfde bepalingen inzake denuclearisatie van toepassing worden verklaard als zullen gelden voor de Latijns-Amerikaanse staten.

 

@: Kernkamp, Willem Jan Arend

(Edam 18 juli 1899 - Utrecht 18 juli 1956) minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen van 2 september 1952 tot 18 juli 1956. Studeerde rechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en Arabisch en Indisch recht te Utrecht, alwaar hij in 1936 als bijzonder hoogleraar werd verbonden aan de toenmalige Indologische faculteit en in 1946 werd benoemd tot gewoon hoogleraar Nederlands Staatsrecht. Zijn streven het vóór zijn optreden vastgelopen overleg tussen de Rijksdelen weer op gang te brengen, heeft ten slotte een bevredigend resultaat opgeleverd. Hij heeft in de totstandkoming van het Statuut een belangrijk aandeel gehad. In Suriname en de Nederlandse Antillen vond zijn houding veel waardering.

 

@: Kerstvlucht

De door de K.L.M. (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij) in 1934 voor het eerst uitgevoerde vlucht over de Midden-Atlantische Oceaan van Amsterdam via Casablanca, Paramaribo en Caracas naar Curaçao met het Fokkervliegtuig de Snip. Hierbij werd de voor die jaren zeer opmerkelijke afstand van ongeveer 11.000 kilometer, waarvan 4.000 boven de oceaan, in acht dagen gevlogen. Bemanning: J.J. Hondong, gezagvoerder; J.J. van Balkom, 2de bestuurder-navigator; S. van der Molen, telegrafist; L.O. Stolk, boordwerktuigkundige. Na aankomst op Curaçao ontving de gehele bemanning een koninklijke onderscheiding.

 

@: Keshi yená
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Keuren en reglementen

behoren tot de in de Nederlandse Antillen geldige wettelijke regelingen (art. 2 Staatsregeling), indien zij door de in art. 95 der Staatsregeling genoemde besturen binnen de grenzen hunner bevoegdheid zijn uitgevaardigd. Dit zijn besturen van zelfstandige plaatselijke gemeenschappen, die bij eilandsverordening binnen een eilandgebied kunnen worden ingesteld. Van deze bevoegdheid is tot dusver echter nog geen gebruik gemaakt.

 

@: Kevers

(Coleoptera) vormen één van de grootste orden van insekten; zij bezitten bijtende mondwerktuigen en harde leerachtige voorvleugels (dekschilden). Van de Nederlandse Antillen zijn slechts enkele families uitvoerig verzameld en geheel of gedeeltelijk bewerkt. Slechts enkele soorten zijn zo bekend, dat ze een volksnaam hebben, zoals de bakatòr, de klander (meelkever, Sitophilus), de bor (Stenodontes maxillosus) en de kakalaka di awa (Hydrous). Schadelijk is een prachtige licht- en donkergroene boktor (Callichroma elegans), die als larve in de stam van de mispu leeft, vooral in droge jaren, en dan de boom te gronde richt.

 

@: Kibbelaar, Evaristo Crispiniano (Baba)

(Curaçao 25 oktober 1901 - 22 juli 1982) heeft na een periode als postbode werkzaam te zijn geweest meer dan 25 jaar bij de Shell gewerkt. Hij werd de eerste voorzitter van de in 1943 door de Shell ingestelde Arbeiders Advies Commissie (A.A.C.). Als medeoprichter van de Democratische Partij lag het voor de hand dat hij de door deze partij in 1946 in het leven geroepen Democratische Arbeiders Unie (D.A.U.) zou gaan leiden. De Shell weigerde met de D.A.U. te onderhandelen en zorgde ervoor dat Kibbelaar niet werd herkozen als voorzitter van de A.A.C. Dat heeft hem gestimuleerd om op te komen voor de rechten van de arbeider, wat hij met zo’n mateloze ijver heeft gedaan, dat hij door velen wordt beschouwd als de grondlegger van de vakvereniging Petroleum Workers Federation Curaçao (P.W.F.C.).

 

@: Kibrahacha

  • 1. (Tabebuia billbergii) Plantesoort uit de familie der Bignoniaceae. Hoge boom met handvormig samengestelde bladeren; bloemen groot, geel, afgeplat trompetvormig, in korte trossen bij elkaar; de boom komt in bladerloze toestand vijf dagen na een flinke regenbui in bloei en valt dan als gele vlek sterk op in het landschap. Benedenwindse Eilanden. Algemeen, vooral op kalkplateaus en in het heuvelgebied.
  • 2. Welzijnsstichting voor Antillianen in Utrecht en omstreken (zie @: Antilliaanse organisaties in Nederland).

 

@: Kieckens, Ferdinand Eduard C.

(Breda 11 april 1827 - Curaçao 8 december 1893) katholiek priester, kwam in 1849 naar Curaçao. Eerste directeur van het in 1855 opgerichte St. Elisabeth Hospitaal (toen nog St. Elisabeth Gasthuis) op Curaçao (1855-1893). Kocht in 1856 Cashaca, het eerste perceel van het huidige hospitaalterrein voor f 200, in 1883; Cien Fuegos, een perceel ten westen van het eerste, voor f 10.000. Hij bekostigde dit uit eigen vermogen, waaruit hij ook jaarlijks het nadelig saldo van de exploïtatie aanzuiverde. Stichter van het melaatsentehuis Monte Cristo (1870). Oprichter Sint Thomas College. Riep stichting in het leven om jongemannen in het buitenland te laten studeren (Mgr. Kieckensfonds).

 

@: Kiesrecht

wordt onderscheiden in passief en actief kiesrecht. Passief kiesrecht is het recht verkiesbaar te zijn voor een vertegenwoordigend lichaam. Actief kiesrecht is het recht een stem te mogen uitbrengen bij de verkiezing van leden van een vertegenwoordigend lichaam.

  • Staten passief kiesrecht

Volgens art. 47 Staatsregeling zijn verkiesbaar de ingezetenen van de Nederlandse Antillen, die Nederlander zijn en de ouderdom van éénentwintig jaren hebben bereikt. Art. 48 noemt enige uitzonderingen op de algemene regel: militairen in werkelijke dienst en de gezaghebbers, alsmede vertegenwoordigers van andere mogendheden, dan wel beroepsconsuls kunnen geen lid van de Staten zijn. Bovendien zijn uitgesloten van verkiesbaarheid de Gouverneur en zij die bij rechterlijke uitspraak van de verkiesbaarheid zijn ontzet en daaraan analoge gevallen. Omdat een grote mate van uniformiteit ten aanzien van kiesrecht en verkiesbaarheid gewenst is, heeft het Statuut daarover een bepaling opgenomen in art. 46: Iedere Nederlander is verkiesbaar, met dien verstande, dat de landen de eis van ingezetenschap en een leeftijdsgrens kunnen stellen.

Daarnaast hebben de landen de bevoegdheid verdere beperkingen te stellen, indien de noodzaak daartoe aanwezig zou zijn (zie @: Ingezetenen).

  • Staten actief kiesrecht

Ter bevordering van zekere mate van uniformiteit in de delen van het Koninkrijk, heeft het Statuut in art. 46 enige hoofdbeginselen van dit belangrijke staatkundige recht vastgesteld:

De vertegenwoordigende lichamen worden verkozen door de ingezetenen van het betrokken land, tevens Nederlanders, die de door de landen te bepalen leeftijd (welke niet hoger mag zijn dan 25 jaren) hebben bereikt. Iedere kiezer brengt slechts één stem uit. De verkiezingen zijn vrij en geheim. Indien de noodzaak daartoe blijkt, kunnen de landen (additionele) beperkingen stellen.

Er is dus een ruime mate van vrijheid aan de landen gelaten, zowel voor het bepalen van de leeftijd, als ten aanzien van regeling van het ingezetenschap en de eventueel te stellen beperkingen. De Staatsregeling geeft in de artt. 44, 46 en 51 een meer gedetailleerde regeling. Daarin wordt de kiesgerechtigde leeftijd op het bereikt hebben van 18 jaren gesteld (art. 45), worden 6 gevallen genoemd van uitsluiting van het kiesrecht (art. 46) en wordt het aan het bij landsverordening vast te stellen kiesreglement overgelaten verder alles wat het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft te regelen (artt. 45 en 51).

Het in het Koninkrijk geldende kiesrecht is het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.

De plaatselijke omstandigheden in de Nederlandse Antillen maakten het wenselijk voor de verkiezing van de Staten tot een mengvorm van districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging te besluiten: elk eilandgebied vormt namelijk een kieskring en aan elke kieskring is een bepaald aantal Statenzetels toegewezen. (Voor deze zetelverdeling zie @: Staten.) In de eilandgebieden die meer dan een lid verkiezen, geschiedt de verkiezing op grondslag van evenredige vertegenwoordiging (art. 44).

  • Eilandsraden: Passief kiesrecht

De eisen voor verkiesbaarheid voor de Eilandsraden zijn dezelfde als die voor de Staten (art. 7 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA). Ter wille van de uniformiteit in de verschillende eilandgebieden bevat de ERNA een aantal hoofdbeginselen over de geloofsbrieven, de toelating en de geschillen die daaruit kunnen voortvloeien, waarbij meermalen een beroep bij het Hof van Justitie mogelijk is (artt. 9-15 Erna).

  • Eilandsraden: Actief kiesrecht

De leden van de Eilandsraad worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van het eilandgebied die voldoen aan de eisen gesteld door kiezers van de Staten en niet krachtens artikel 46 van de Staatsregeling van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten.

  • Verkiezing niet gelijktijdig met de Staten

Bij de samenstellnig van de Eilandenregeling is overwogen of ter wille van efficiency en kostenbesparing het raadzaam zou zijn de verkiezingen voor de Eilandsraden op één dag te doen samenvallen met die voor de Staten. Opzettelijk is daarvan afgezien op grond van drie overwegingen:

  • 1. De zittingsduur voor de Staten en voor de Eilandsraden is weliswaar gelijk, maar er bestaat geen waarborg dat het eind van de termijnen zal samenvallen, al is de aanvangsdatum gelijk: voor de Staten bestaat immers de kans op tussentijdse ontbinding (art. 66 Staatsregeling);
  • 2. Als de verkiezingen voor de Staten en voor de Eilandsraden samenvallen is het onvermijdelijk dat de politiek in de Eilandsraden gelijkgeschakeld wordt aan de politiek in de Staten. Dit moet niet bevorderd worden, integendeel, een plaatselijk karakter van de politiek in de Eilandsraden is gewenst;
  • 3. Het argument van efficiency en kostenbesparing zou voor Nederland met zijn honderden gemeenten nog veel meer gelden, maar algemeen werden de bezwaren tegen het samenvallen overwegend geacht.

 

@: Kikkers en padden

Op de Benedenwinden komt - afgezien van af en toe ontsnapte kikkers of padden - slechts een soort voor: de @: dori. Op de Bovenwinden zit een egaal gekleurd boomkikkertje, de treefrog (Eleutherodaetylus johnstonei), waarvan de mannetjes maar 2½ cm en de wijfjes 3½ cm groot worden. Door hun verscholen leefwijze krijgt men ze niet gauw te zien, maar men hoort ze overal, vooral tegen de schemering als het geregend heeft. De mannetjes kwaken met tussenpauzes van een of meer seconden; elke kwaak heeft als aanzet een korte toon, direct gevolgd door een veel luidere, die ruim 2 octaven hoger ligt. De eieren worden op de grond gelegd en de larven ontwikkelen zich binnen het ei tot kikkertjes. Op St. Maarten komt nog een grote pad voor, bullfrog (Bufo marinus), die daar nog niet zolang geleden kennelijk geïmporteerd is.

 

@: Kinderarbeid

Kinderen zijn volgens de Arbeidsregeling 1952 personen, die de leeftijd van veertien jaar nog niet hebben bereikt. Deze categorie mag in het algemeen geen arbeid verrichten behalve:

  • 1. in of voor het gezin waarin de kinderen worden opgevoed;
  • 2. in scholen, werkkampen of opvoedingsgestichten, mits deze werkzaamheden een opvoedkundig karakter dragen en niet in de eerste plaats geldelijk voordeel beogen;
  • 3. indien noodzakelijk voor het leren van een vak of beroep, of wanneer de werkzaamheden uit de aard der zaak door kinderen plegen te worden verricht;
  • 4. wanneer de arbeid lichamelijk of geestelijk niet te hoge eisen stelt of een gevaarlijk karakter draagt.

 

@: Kinderliedjes

zijn niet zeer talrijk in de Nederlandse Antillen. De historicus Nicolaas van Meeteren wijt dit o.m. aan de oorspronkelijke bevolkingsspreiding in kleine, geïsoleerde kernen, het gebrek aan plattelandsscholen, en de vroege inschakeling van de jeugd in het arbeidsproces. De oudste liedjes verraden contact met het omliggend gebied, liedjes in de Nederlandse taal zijn import van latere datum. Bekende liederenbundels in het Papiamentu zijn:

  • Ban Canta door Nilda Pinto, muziek R.Th. Palm;
  • Canta cantica contento door R.D. Simon en
  • E.C. Provence; Nos ta canta door Sonia de Castro, Frere Alexius en W. Kamps.

Lit.: N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977).

 

@: Kinnup tree
zie @: Kenepa.

 

@: Kirindongo, Hubert Marcolino (Jubi) / @: Jubi Kirindongo
(Curaçao 24 januari 1946) heeft enige tijd de Vrije Akademie in Den Haag bezocht. Na zijn terugkeer voIgt hij een cursus handvaardigheid aan de Akademia Pedagogiko Kòrsou. Hij is een verdienstelijke schilder in realistische stijl van miniatuur-taferelen uit het Curaçaosche leven, waarbij hij vaak verwijst naar rituele situaties uit de traditie. Zijn plastisch werk is van hogere kwaliteit; vooral met zijn beelden en muurplastieken, gemaakt van verchroomde autobumpers, heeft hij veel bekendheid verworven. Zijn gecomponeerde panelen van hout, bladeren en andere objets trouves zijn bezienswaardig. Hij zoekt aansluiting bij het cultureel eigene en vindt daar ook zijn belangrijkste inspiratiebron. Zijn werk is verwant aan dat van Nepomuceno.


Exposities: Curaçao (1976-1983); Aruba (1975); Bonaire (1980); Nederland (1971, 1972, 1973, 1975); Brazilië (1979). Zijn werk is o.m. vertegenwoordigd in de collecties van het Curaçaosch Museum, van Sticusa en van het Kabinet Nederlands-Antilliaanse Zaken (KABNA) in Den Haag.

 

@: Kistemaker, Joannes F.A.

(Oldenzaal 1813-Zenderen 1883) apostolisch vicaris van Curaçao (1860-1866), kwam aan op Curaçao in 1837, was als kapelaan tevens vruchtbaar scribent in De Godsdienstvriend, beoefende als eerste de kerkgeschiedenis van de Nederlandse Antillen. Stichter van de L-K. missie op de Bovenwindse Eilanden. Als pastoor werkzaam te Sint Eustatius, volgde hij met angst de ontwikkelingen aldaar: was bevreesd voor slavenopstanden (rond 1848). In 1853 co-adjutor van M.J.Niewindt op Curaçao. Volgde hem als apostolisch vicaris in 1860 op. Vertrok naar Nederland wegens zwakke gezondheid, moest in 1866 ontslag vragen, maar beijverde zich om nieuwe missionarissen te vinden. Hij stierf vergeten.

 

@: Kiwa
zie @: Slakken.

 

@: Kiwanis
zie @: service clubs.

 

@: Klapper

  • 1. (Pitcairnia latifolia), plantesoort uit de familie der Bromeliaceae. Grote plant; bladeren in de wortelrozet, lijnvormig, tot bijna 1,5m lang, overhangend, bovenzijde donkergroen, onderzijde wit berijpt; bloeiwijze tot 1,5m lang, bovenaan ijl vertakt; bloemen smal, 6cm lang, vuurrood. Inheems in West-Indië. Op Curaçao gekweekt; in het wild op Saba en St. Eustatius en dan vaak hele velden vormend, zoals bij de Ladder Bay op Saba.
  • 2.  zie Palmen.

 

@: Klasmulatu

(Tournefortia volubilis) of rabu di kabai, op de Bovenwinden soms white berry of chigerry bush genoemd, plantesoort uit de familie der Boraginaceae. Klimmende en steunzoekende heester; bladeren ei- tot lancetvormig, gaafrandig, aan beide zijden ruw; bloemen donkergeel-groen in een dubbele schicht (in jonge toestand dus ingerold); bes wit met vier zwarte zaden: Verspreid, maar vooral in vegetaties langs wegen en rooien. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Klederdrachten

In tegenstelling tot Suriname waar de verschillende bevolkingsgroepen hun traditionele klederdrachten hebben behouden, zijn deze in de Nederlandse Antillen in onbruik geraakt. Bij folkloristische dansen wordt teruggegrepen op de klederdrachten van weleer . De kleding van de man was eenvoudig: de plantagearbeider droeg tijdens het werk een kalambé, een lendendoek, die van het middel af tot de knieën reikte met om het middel een dunne leren riem. Luchtiger kleding bestond uit een wayiki, een lendendoekje, dat het geslachtsdeel bedekte. De dracht werd meestal vervaardigd uit een stuk jute of uit een oude maïsmeelzak. Bij feestelijke gelegenheden werd deze dracht vervangen door broek en kiel, van maïsmeelzakken gemaakt. In plaats van een riem werd een brede band van stof gebruikt. Het schoeisel - sambarku - bestond uit een stuk zoolleder of autoband aan de voet met riempjes gebonden. Later maakte men gebruik van de alpargata. Het hoofd werd bedekt met een van stro gevlochten hoed.

De kleding van de vrouw bood meer variatie dan die van de man. ‘s Zondags had de vrouw aan: een kamisa (onderhemd) van gewone witte stof waarover één of twee flink gesteven en gestreken saya di abou (onderrokken), die van de heupen tot aan de grond reikten. Over dit alles kwam de saya ku djèki, te vergelijken met een rok en een boleroachtige vest. Deze rok was meestal van panya di perpu (purperdoek) bezaaid met bloemen of andere tekeningen. De djeki was laag uitgesneden met lange, nauwe mouwen, getailleerd met plooien, afhangende tot over de heupen. Over de schouders werd een wollen doek gedragen, de abrigu (vergelijk Spaans abrigar = toedekken) of ook wel een zijden sjaal. De voeten staken in een soort pantoffel met een lage hak, vervaardigd met een stootpunt van lakleder. De kousen waren van grof katoen, wit of gekleurd. Op het hoofd droeg de vrouw een lensu (di mara kabés), een hoofddoek (met frisse kleuren), geplooid tot een bonnet met een strik van achteren. Vooral bekend was de lensu di madras, genoemd naar de plaats van herkomst. Bij feestelijke gelegenheden droeg men de pèchi, een fraai geborduurde hoofddoek op kunstige wijze in vaste vorm gevouwen.

Lit.: N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977).

 

@: Klei

is gebruikt op Bonaire voor steen- en pannenbakkerijen (1866, 1867) in de nabijheid van Kralendijk; de produktie bestond voornamelijk uit klinkerstenen. De bedrijven werden respectievelijk in 1869 en 1896 weer gesloten. Later werd nog geproduceerd van 1915 tot 1918 (aloë-industrie) en van 1921 tot 1928. In 1942 werd een proef genomen door de N.V. Handelmaatschappij Kralendijk, echter zonder succes. Proeven op Curaçao (1944) voor het bakken van steen hadden geen succes, wel is er sinds jaren een produktie van potten, koelkruiken en bloempotten.

 

@: Klein Bonaire
zie @: Bonaire.

 

@: Klein Curaçao

Eilandje op enige afstand ten zuid¬oosten van Curaçao van ca. 2½ km lengte bij een grootste breedte van 750m, ongeveer in de lengte-as van dit laatste eiland. Klein-Curaçao is bekend geworden als een rijke vindplaats van fosfaat, die hier in 1871 door de Engelsman John Godden werd ontdekt. De ontginning hiervan werd in 1913 gestaakt. Door de fosfaatwinning werd het eilandje ongeveer drie meter lager, terwijl in totaal een 90.000 ton fosfaat werd afgegraven. Ten behoeve van de scheepvaart is op Klein¬Curaçao een 20 m hoge vuurtoren gebouwd.

 

@: Kleine Antillen Boog

De eilanden der Kleine Antillen zijn gerangschikt in twee bogen: de binnenboog met quartaire of jong-tertiaire vulkanen (waaronder Saba en St. Eustatius) en de buitenboog waar zulke vulkanen ontbreken (o.a. Sint Maarten).

 

@: Kleinfeshi
zie @: Doktersfes.

 

@: Klein Hofje

Terrein met installatie voor het reinigen van afval- en rioolwater, dat door Shell Curaçao N.V. is overgedragen aan het eilandgebied. Het ligt in de bedoeling het gezuiverde rioolwater in de toekomst voor landbouwdoeleinden te gaan gebruiken.

 

@: Klein Santa Martha

Voormalige plantage in noordwest-Curaçao, in de nabijheid van Soto. In 1939 werd hier een modelboerderij gesticht en tegelijkertijd een deel der gronden verkaveld ten behoeve van kleine landbouwers (zie @: Helfrichdorp). Thans staat dit terrein beter bekend onder de naam Wambo, het wordt ingericht als demonstratiebedrijf voor de tuinbouw, tevens zal verkoop van zaden en andere landbouwbenodigdheden plaatsvinden. Er is ook een malerij om sorghum te vermalen tot meel voor menselijke consumptie. Het centrum valt onder de Dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.).

 

@: Klein St. Michiel
zie @: Landhuizen.

 

@: Klimaat

Overzicht van het gebodene:

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
  • Hoofdstuk 2: De Benedenwindse Eilanden
  • Sectie 1: Wind
    Paragraaf 1: Windrichting
    Paragraaf 2: Windsnelheid
    Paragraaf 3: Wind op Aruba
    Paragraf 4: Wind op Bonaire
  • Sectie 2: Luchtdruk
  • Sectie 3: Temperatuur
    Paragraaf 5: Curaçao
    Paragraaf 6: Aruba en mn Bonaire
  • Sectie 4: Regen; onweer; vochtigheid; verdamping
    Paragraaf 7: Regen Curaçao 
    Paragraaf 8: Regen Aruba
    Paragraaf 9: Regen Bonaire
    Paragraaf 10: Onweer
    Paragraaf 11: Vochtigheid
    Paragraaf 12: Verdamping
  • Sectie 5: Zonneschijn
  • Sectie 6: Bewolking  
  • Hoofdstuk 3: De Bovenwindse Eilanden
  • Sectie 7: Wind
    Sectie 8: Luchtdruk
    Sectie 9: Temperatuur
    Sectie 10: Regen
    Sectie 11: Onweer
    Sectie 12: Vochtigheid
    Sectie 13: Verdamping
    Sectie 14: Zonneschijn  
  • Hoofdstuk 4: Orkanen
  • Hoofdstuk 5: Literatuur:

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Klimaat is het kenmerkend beeld over lange termijn van het weer, dat op een plaats of in een begrensd gebied wordt aangetroffen. Voor de klimaatsbeschrijving van de Nederlandse Antillen kan onderscheid worden gemaakt tussen de Benedenwindse Eilanden - gelegen tussen de 12° en 13° N.B. en 68° en 70° W.L. en de Bovenwindse Eilanden - gelegen tussen 17° en 18° N.B. nabij 63° W.L. Beide eilandengroepen liggen in het gebied waar de passaat vrijwel het gehele jaar uit oostelijke richting waait. De verschillen in klimaat zijn, behalve voor wat betreft regen, niet groot, maar voor de overzichtelijkheid is een afzonderlijke klimaatsbesehrijving voor de twee eilandengroepen toch gewenst. Algemeen geldt, dat voor een goede klimaatsbesehrijving beschikt moet worden over klimatologische waarnemingen over een reeks van jaren van een voldoend aantal stations om verschillen in klimaatfactoren aan te geven. Onderbrekingen in de waarnemingen of onregelmatigheid in het tijdstip van waarneming, verplaatsing van de waarnemingsplaats en onnauwkeurigheden in het vermelden en toepassen van correcties op de aflezingen kunnen er gemakkelijk toe leiden dat de eventuele beschikbare waarnemingen geen homogene reeks vormen en zich niet of minder goed lenen voor een nauwkeurige bewerking. De regenwaarnemingen, die in 1830 bij Landhuis Savonet op Curaçao zijn begonnen, vormen de oudste nog beschikbare klimatologisehe waarnemingen van de Nederlandse Antillen. Later zijn meer regenstations ingericht maar het aantal stations heeft sterk gewisseld; van twee periodes, van enkele jaren in de vorige eeuw, zijn totaal geen regencijfers voor Curaçao bewaard gebleven.

Waarnemingen van regenstations op de andere eilanden zijn bekend van St. Maarten sedert 1879, St. Eustatius sedert 1881, Saba sedert 1891, Aruba sedert 1901 en Bonaire vanaf 1902. Regelmatige metingen van de temperatuur, de wind, de vochtigheid en de bewolking dateren op Curaçao van 1894; van St. Eustatius zijn sedert 1907 en van St. Maarten sedert 1920 zulke waarnemingen beschikbaar, terwijl op Aruba en Bonaire pas in respectievelijk 1955 en 1960 definitieve waarnemingsstations werden ingericht.

Met wisselende regelmaat zijn in de Curaçaosche Courant eenvoudige klimatologisehe overzichten versehenen. Het eerste jaaroverzicht van meteorologische waarnemingen in het toenmalige Nederlands West-Indië werd over het jaar 1905 uitgegeven door het Koninklijk Nederlands Meteorologiseh Instituut. De publikatie is gecontinueerd tot en met 1952. Daarna is voor wat betreft de waarnemingen in de Nederlandse Antillen een nieuwe publikatiereeks begonnen in de vorm van een Statistiek van de meteorologische waarnemingen in de Nederlandse Antillen. Een klimaatbeschrijving van de Nederlandse Antillen werd in 1935 gepublieeerd door C. Braak. Eerder heeft E. van Everdingen een bewerking van waarnemingen over de periode 1898-1912 gepublieeerd en heeft F.A.F.C. Went in een rapport uitvoerig de regenval over de jaren 1830 tot 1901 behandeld.

De hierna volgende klimaatbesehrijving is voor het merendeel beperkt tot gegevens van homogene waarnemingsreeksen over de meest recente standaard klimatologische periode, te weten het 30jarig tijdvak 1951-1980. Wanneer in de tekst sprake is van plaatselijke tijd, dan is dat de officieel in de Nederlandse Antillen geldende tijd, die op 1 januari 1965 werd ingevoerd en vier uren precies met Greenwich Mean Time (G.M.T.) verschilt. Vóór 1 januari 1965 gold op de Benedenwindse Eilanden een tijdsverschil van 4 uur en 30 minuten met G.M.T. De waarnemingen van bijv. 07.30 oude plaatselijke tijd, dus vóór 1965, zijn bij de bewerking van het hiervolgend materiaal geeombineerd met de waarnemingen van 08.00 plaatselijke tijd na 31 december 1964. (Zie ook @: Meteorologische Dienst; meteorologische waarneming).

 

Hoofdstuk 2: De Benedenwindse Eilanden

  • Sectie 1: Wind
  • Paragraaf 1: Windrichting

De wind op de Benedenwindse Eilanden is zeer bestendig. Gedurende meer dan 95% van de tijd komt de wind uit een richting tussen noordoost en zuidoost met als gemiddelde richting vrijwel pal oost. In plaats van ‘streken’ wordt in de meteorologie de windrichting meestal aangegeven in graden ten opzichte van het noorden. Oost is dan 090°, zuid 180° west 270° en noord 360°. De overheersende windrichting ligt rond 090°. Toch is ook op de betrekkelijk kleine eilanden de wind nog veranderlijk van plaats tot plaats. Als uitgangspunt voor vergelijking is de windregistratie op de Luchthaven Hato Curaçao genomen. Deze registratie wordt weergegeven door middel van een windroos. Voor elke 10° inrichting is procentsgewijs de frequëntie van de wind en de onderverdeling over de verschillende windsnelheden weergegeven. Duidelijk blijkt de sterke overheersing van de richtingen 070°- 110°. De frequëntie waarmee de wind uit westelijke richting (van zuid door west tot noord) komt is zo laag, dat die in de windroos niet getekend kan worden.

  • Paragraaf 2: Windsnelheid

De gemiddelde windsnelheid op het internationaal overeengekomen standaardniveau van 10m hoogte bedroeg 7,1 m/s over de periode 1964-1980 (1 m/s komt overeen met 1,94 zeemijlen per uur - knopen - 2,24 mijlen per uur (statute miles) of wel 13,60 kilometer per uur). Wat de variaties van maand tot maand in de windsnelheid en windrichting betreft, blijkt dat normaliter de gemiddelde windsnelheid in juni maximaal is met 8 m/s en er een secundair maximum optreedt in maart. Het minimum in de windsnelheid wordt gewoonlijk in november gevonden met 6 m/s. De windrichting blijkt in juni de sterkste zuidelijke component te hebben, maar het verschil met het jaargemiddelde van de windrichting is slechts enkele graden. De sterkste wind op de Luchthaven Hato treedt op kort na het middaguur en de zwakste wind wordt gemeten omstreeks het tijdstip van zonsopkomst.

Het windregime van de Luchthaven Hato is niet zonder meer representatief voor geheel Curaçao. De gemiddelde windsnelheid zal op punten die niet aan de noordkust gelegen zijn, in het algemeen wat minder bedragen dan voor de luchthaven is aangegeven.

 

Windstilte komt weinig voor. De frequentie is het hoogst in de maanden augustus tot en met november. In windstoten kunnen windsnelheden van 20 tot 30 m/s gemeten worden. Dergelijke windstoten komen voornamelijk voor bij het langstrekken van sterk ontwikkelde regen- of onweersbuien. Bij het langstrekken van orkanen of tropische stormen kan tijdelijk een abnormale windrichting voorkomen, die gezien de grote bestendigheid van de wind uit oostelijke richting - sterk opvalt. Ten behoeve van toepassing van wind als alternatieve energiebron, is aan de hand van de windsnelheidsgegevens van de Luchthaven Hato over de periode 1964-1980 het gemiddelde dagelijkse verloop bepaald van het windenergie-aanbod alsook het gemiddelde totaal windenergie-aanbod over de verschillende maanden en het jaar.

  • Paragraaf 3: Wind op Aruba

Op Aruba is de wind gemiddeld iets sterker dan op Curaçao. Vergelijking over de periode 1973-1980, toen ook de windmeting op de Beatrix Luchthaven op het standaardniveau van 10m hoogte plaatsvond, geeft aan dat de gemiddelde windsnelheid aldaar evenwel slechts 1 á 2% hoger uitkomt dan op de Luchthaven Hato. De Beatrix Luchthaven ligt echter aan de zuidkust (lijzijde) van Aruba, waar de gemiddelde windsnelheid over het algemeen wat minder zal zijn dan een met de Luchthaven Hato vergelijkbaar meetpunt op de noordkust (loefzijde) van Aruba. De gemiddelde windrichting is ook op Aruba vrijwel pal oost.

  • Paragraf 4: Wind op Bonaire

Voor Bonaire geeft een vergelijking van de wind meting op 10m hoogte op de Flamingo Luchthaven een slechts 20%  lagere gemiddelde windsnelheid aan. Ook hier is de windrichting gemiddeld tussen de 0900 en 100º.

 

  • Sectie 2: Luchtdruk

De luchtdruk (dit is de kracht die per cm² wordt uitgeoefend door het gewicht van de luchtkolom boven het waarnemingspunt) vertoont in de tropen een zeer markante dagelijkse gang, waarvan de amplitude aanzienlijk groter is dan de variaties van dag tot dag. De luchtdruk is nog vermeld in de gebruikelijke eenheid van millibar (1000mbar komt overeen met 750mm kwikdruk), hoewel als internationale standaardeenheid daarvoor de hectoPascal (hPa) wordt gebruikt. Er is evenwel geen verschil in getalwaarde tussen de millibar en de hectoPascal.

De luchtdruk op Aruba en Bonaire wijkt gemiddeld nauwelijks af van die van Curaçao. Bij het langstrekken van een orkaan wordt de luchtdruk wel enigszins beïnvloed, maar slechts bij hoge uitzondering is deze beneden de 1000mbar gekomen. Dit is op Curaçao gebeurd in 1877 en 1892 bij het passeren van een orkaan ten zuiden van Curaçao en op Aruba bij het passeren van de orkaan Janet op 23 september 1955 ten noorden van het eiland.

 

  • Sectie 3: Temperatuur
  • Paragraaf 5: Curaçao

De luchttemperatuur, waarvan in de tabel getalwaarden worden gegeven, dient gemeten te worden met een geijkte en bij voorkeur geventileerde thermometer, die op een hoogte van ongeveer 150cm boven de grond is opgesteld en afgeschermd is tegen de invloed van de zonnestraling. De luchttemperatuur heeft dus altijd betrekking op de zogenaamde temperatuur-in-de-schaduw. De gemiddelde temperatuur op de Luchthaven Hato van Curaçao over de jaren 1947-1980, berekend op grond van uurlijkse waarnemingen, bedroeg 27,5ºC. Dit komt goed overeen met het gemiddelde van 27,1°C, dat over de periode 1910-1946 is berekend uit de driemaal daagse waarnemingen in het stadskwartier. De grafiek geeft een overzicht van het verloop van de gemiddelde jaartemperatuur over de periode 1910-1982 dat, met enig voorbehoud voor de nauwkeurigheid en homogeniteit van de waarden vóór 1947, wellicht als bevestiging gezien kan worden dat de wereldwijd geconstateerde trend van verwarming van de atmosfeer na de 1940ger jaren, ook in het klimaat van de Benedenwindse Eilanden tot uitdrukking komt.

De dagelijkse gang, als geschetst in de grafiek, laat zien dat het minimum vrijwel samenvalt met zonsopgang; het maximum komt gemiddeld omstreeks een uur na de hoogste zonnestand.

In de tabel zijn voor de verschillende maanden de gemiddelde temperatuur alsmede de gemiddelde minimum temperatuur opgenomen. Deze gemiddelden hebben betrekking op de periode 1962-1980. Als hoogste temperatuur werd sinds het begin van de dagelijkse temperatuurmeting in het stadskwartier in 1898, vrij recent - op 16 juni 1983 op de Luchthaven Hato een absoluut maximum van 37,5°C geregistreerd; het absolute minimum is minder zeker bekend en wordt vooralsnog gehouden op 19,0°C zoals op 4 februari 1925 met een minimum thermometer in het stadskwartier gemeten.

  • Paragraaf 6: Aruba en mn Bonaire

Een continue temperatuurregistratie op de Beatrix Luchthaven van Aruba is vanaf het jaar 1965 beschikbaar. Het jaargemiddelde van de temperatuur is 0,3°C hoger dan voor de Luchthaven Hato is gevonden, met name door wat hogere temperaturen overdag. Als absoluut maximum en absoluut minimum is sedert 1960 respectievelijk 35,3°C en 20,3°C geregistreerd. Hoewel van Bonaire geregelde temperatuurwaarnemingen van Kralendijk vanaf 1961 beschikbaar zijn, is voor de samenstelling van de tabel uitsluitend gebruik gemaakt van de continue temperatuurregistratie na de verplaatsing van het station naar de Flamingo Luchthaven in 1979, en wel tot medio 1982, dus slechts ruim drie jaar. Deze periode is in feite te kort voor een verantwoorde klimatologische verwerking. De uitkomsten van de eerdere metingen te Kralendijk blijken echter dermate beinvloed door omliggende bebouwing, dat deze niet voldoende representatief geacht moeten worden.

De gemiddelde jaartemperatuur van de Flamingo Luchthaven is met 27,5°C gelijk aan die van de Luchthaven Hato. Het gemiddelde dagelijkse verloop tussen het minimum bij zonsopgang tot het maximum in het begin van de middag, blijkt echter onverklaarbaar minder; 4,5°C voor de Flamingo Luchthaven tegenover 5,6°C voor Luchthaven Hato. Wellicht is dit verschil niet reëel en te wijten aan de te korte duur van de waarnemingsreeks. Als hoogste temperatuur is in Kralendijk 35,5°C gemeten. Een betrouwbaar absoluut minimum is niet bekend, maar zal weinig van dat van Curaçao en Aruba afwijken.

De temperatuur van het water in de open zee rond de Benedenwindse Eilanden blijkt aan de hand van verzamelde scheepswaarnemingen aan de oppervlakte gemiddeld 26,8°C te zijn en schommelt van 25,4°C in de maand februari tot 28,1°C in de maand september. 

  • Sectie 4: Regen
  • Paragraaf 7: Regen Curaçao

Over de hoeveelheid regen die per jaar op Aruba, Curaçao en Bonaire wordt gemeten, zijn vele malen publikaties verschenen. De daarbij genoemde regencijfers lopen dikwijls uiteen, hetgeen veroorzaakt wordt door de grote variaties in de regen van jaar tot jaar en van station tot station. Dikwijls wordt in de klimatologie een periode van 30 jaren aangehouden om een gemiddelde te bepalen. Die periode is voor de meeste grootheden wel voldoende, maar voor de regen op de Benedenwindse Eilanden is een langere periode gewenst.

Er zijn - met uitzondering van de jaren 1875-1883 en 1892-1894 - sedert 1830 regenwaarnemingen van Curaçao beschikbaar. Het is echter bijzonder moeilijk om achteraf nog de kwaliteit van de vroegere waarnemingen te beoordelen. Bovendien varieert het aantal stations vóór 1905 van slechts 1 tot maximaal 9. Teneinde een basis te vinden voor een neerslagcijfer, dat min of meer als ‘normaalwaarde’ van de regen op Curaçao zou kunnen dienen, is getracht voor Curaçao over de periode 1905-1980 een gemiddelde regenval te bepalen, waarbij de op betrouwbaarheid gecontroleerde waarnemingen van alle beschikbare regenstations zijn gebruikt, echter met inachtneming van de geografische distributie. Hiertoe werd het eiland van west naar oost in 6 blokken van ongeveer gelijke oppervlakte verdeeld, en zuiver rekenkundig de gemiddelde regenval per blok vastgesteld. Het gemiddelde van de respectievelijke blokwaarden is voor elke maand als normaalwaarde van de regenval voor het eiland berekend. De twaalf normaalwaarden zijn in de tabel gegeven, samen met het jaarcijfer, dat de som is van de twaalf maandcijfers. Een jaartotaal van afgerond 570 mm - 1 mm komt overeen met 1 liter water per vierkante meter oppervlakte - mag nu bij benadering als normaal voor Curaçao worden beschouwd. Een ruwe analyse van de blokgemiddelden geeft verder aan dat, afgezien van door plaatselijke omstandigheden soms vrij aanzienlijke afwijkingen, de normaalwaarden van de regenval over het westelijk deel van het eiland, Band’abou, ongeveer 15% hoger uitkomt dan de normaalwaarde van de regenval over het oostelijk deel van het eiland, Band’ariba. Zoals blijkt uit een cumulatieve frequentieverdeling van de jaarsommen over de periode 1905-1980 is de overschrijdingskans van het jaarnormaal van 570 mm slechts 43% en ligt de mediaan (50%) op een jaartotaal van afgerond 520 mm. Het ‘tekort’ aan regenval in meerdere relatief droge jaren wordt dus gecompenseerd door duidelijk minder talrijke regenrijke jaren.

Dikwijls is de opmerking gemaakt, dat het ‘vroeger’ meer zou hebben geregend dan volgens de metingen - in de laatste tientallen jaren. Deze bewering wordt niet bevestigd door de beschikbare archiefcijfers, ook al zijn deze - zoals boven werd opgemerkt - niet geheel volledig. Om een indruk te geven van de regencijfers van de vorige eeuw zijn alle maand- en jaarcijfers, beginnend in 1830, opnieuw bewerkt. Daarbij zijn jaarsommen van meer stations, die in oudere publikaties wel zijn verwerkt, nu verwaarloosd omdat er reden was aan te nemen, dat het vermelde jaartotaal van zo’n station onvolledig was. Daardoor zijn de nu berekende jaarcijfers gemiddeld hoger dan uit vroegere publikaties volgt. Van de wel in aanmerking genomen jaarcijfers is voor elk jaar een gemiddelde opgemaakt, ongeacht het aantal stations en ongeacht de distributie daarvan over het eiland.

In de grafiek zijn deze jaarcijfers uitgezet, aangevuld met de regencijfers voor de jaren 1905-1983. De stippellijn in de grafiek geeft de eerder genoemde normaalwaarde van 570 mm weer. Verder blijkt duidelijk dat in de vorige eeuw het onregelmatig karakter van de jaarsommen weinig afwijkt van dat over de periode 1905-1981. Berekening van het gemiddelde jaarcijfer over de periode 1830-1904 leidt tot het resultaat van 576,8 mm. Een oppervlakkige analyse geeft aan dat het jaarcijfer van 1.222 mm in 1886 (gebaseerd op één station) hoger is dan van enig ander jaar, maar het werkelijk regenrijkste jaar is waarschijnlijk het jaar 1933 toen, gebaseerd op metingen van 11 stations, gemiddeld 1.110,9 mm neerslag viel en één station (Dokterstuin) zelfs totaal 1332,2 mm van de regenmeter aftapte.

Het droogste jaar is het jaar 1914 met slechts 207,9 mm gemiddeld van 14 stations. Het minimum van de 19de eeuw, 226,2 mm in 1868, werd in 1869 gevolgd door 296,0 mm, welke cijfers zijn gebaseerd op 5 resp. 6 stations. Deze periode en de periode 1841-1843 (met de jaarcijfers 290, 272 en 408 mm) bewijzen echter wel duidelijk, dat ook een eeuw geleden langdurige droogteperiodes zijn voorgekomen. De regenrijkste maanden zijn november en december, terwijl daarentegen de maanden maart tm mei over het algemeen zeer droog zijn (zie @: Regentijd). Terwijl het hoogste jaarcijfer vijf maal hoger is dan het laagste jaarcijfer, komen nog veel grotere verschillen voor in de maandcijfers. De uiterste waarden lopen voor de afzonderlijke stations nog meer uiteen. Op Westpunt werd in december 1970 696,5 mm gemeten, terwijl daar in december 1959 over de hele maand slechts 4,3mm viel.

Een nadere analyse van de regenhoeveelheid op de Luchthaven Hato over de periode 1935-1980 geeft aan, dat de maximum regenval in een etmaal is geregistreerd op 13 oktober 1964 en wel 125,5 mm. Daarbij werd een gemiddelde regenintensiteit van 1,6 mm per minuut bereikt over een tijdsinterval van een half uur en werd over een periode van 5 minuten een intensiteit van meer dan 2,5 mm per minuut gehaald. Op 2 december 1970 werd evenwel te Soto een dagtotaal van 287,0 mm gerapporteerd, gevallen in een tijdsbestek van ongeveer 8 uren.

Op de luchthaven wordt gemiddeld op 69 dagen per jaar een regenval van 1,0mm of meer geregistreerd; op 14 dagen per jaar valt er meer dan 10,0mm regen en op 4 dagen per jaar 25,0mm of meer. Eens per jaar kan gerekend worden op een dagtotaal van meer dan 50,0mm, terwijl een hoeveelheid van meer dan 100,0mm op een dag gemiddeld eens in de 10 jaren voorkomt. De regenfrequëntie - het gemiddeld aantal uren waarin, afgezien van duur en intensiteit, neerslag wordt waargenomen - bedraagt 677 uur per jaar (één jaar telt 8.760 uur; de regenfrequëntie is dus afgerond 8%). De regenfrequëntie is het hoogst in de vroege ochtenduren.

  • Paragraaf 8: Regen Aruba

Voor Aruba zijn tot 1929 alleen regencijfers beschikbaar voor Oranjestad en werd pas daarna de regenval op meer plaatsen op het eiland gemeten. Het jaartotaal en het aantal regendagen, d.w.z. dagen met tenminste 1,0 mm neerslag, zijn belangrijk lager dan voor Curaçao. Ook hier zijn november en december de meest regenrijke maanden en is het van maart t/m juni zeer droog.

  • Paragraaf 9: Regen Bonaire

Op Bonaire hebben zowel het regenstation Rincon als Kralendijk waarnemingsmateriaal over meer dan 75 jaren. De jaargemiddelden van deze stations voor de periode 1905-1980 bedragen respectievelijk 542,3 mm en 494,5 mm.

  • Paragraaf 10: Onweer

De frequentie van onweer boven de Benedenwindse Eilanden is laag voor de tropen. Wel wordt dikwijls het weerlicht waargenomen van onweersbuien die boven de bergen van Venezuela zijn gevormd. Gemiddeld worden op Aruba en Curaçao slechts op respectievelijk 16 en 19 dagen per jaar onweer gemeld op de waarnemingsstations op de luchthavens.

  • Paragraaf 11: Vochtigheid

De vochtigheid van de lucht wordt gewoonlijk aangegeven door de relatieve vochtigheid (in %) of door de dampdruk (in mbar). Het 24-uursgemiddelde van de relatieve vochtigheid, gemeten op de Luchthaven Hato over de jaren 1962-1977, bedroeg 77 %. Dit is lager dan de gemiddelde relatieve vochtigheid in Nederland, waar in De Bilt 83% gehaald wordt. De dampdruk geeft echter duidelijk aan, dat de lucht op Curaçao veel meer waterdamp bevat dan in Nederland. Het jaargemiddelde voor de Luchthaven Hato is 28 mbar; in De Bilt bedraagt het gemiddelde 10 mbar.

De waarnemingen van de Beatrix Luchthaven, Aruba, geven een relatieve vochtigheid aan die 1 á 2% lager is dan op de Luchthaven Hato. Dit verschil wordt grotendeels veroorzaakt door het feit dat de waarnemingen op het laatstgenoemde station in grotere mate beïnvloed worden door de directe nabijheid van de zee dan die van de luchthaven te Aruba, die ook wel aan zee ligt maar waar de lucht in het algemeen eerst over land is getrokken vóór het waarnemingsstation wordt bereikt.

De relatieve vochtigheid op de Flamingo Luchthaven, Bonaire, komt vrijwel overeen met die van de Luchthaven Hato.

  • Paragraaf 12: Verdamping

De hoeveelheid water die in een bepaald tijdsbestek door samenspel van voornamelijk zon en wind, vanuit een open reservoir als waterdamp in de lucht wordt opgenomen en afgevoerd, wordt over het algemeen uitgedrukt in aantal mm per dag (1mm komt overeen met 1 liter water per vierkante meter oppervlak). Daartoe wordt dagelijks op een vast tijdstip de waterhoogte in een standaard open tank opgenomen en, na correctie voor eventueel gevallen neerslag en bijgevuld water, het verschil door verdamping ten opzichte van de vorige waarne¬ming bepaald. Verdampingsmetingen worden sinds 1968 verricht bij de Antilles International Salt Company N.V. (Aisco) te Bonaire. Gezien de geringe verschillen in de bij verdamping van invloed zijnde klimaatfactoren, kunnen de uitkomsten van deze metingen met enig voorbehoud ook voor Curaçao en Aruba gehanteerd worden. De gemiddelde verdamping bedraagt op jaarbasis 8,4mm per dag. In de maand juni blijkt de verdamping met gemiddeld 9,2mm per dag het sterkst, terwijl de minste verdamping voorkomt in december met gemiddeld 6,8 mm per dag.

  • Sectie 5: Zonneschijn

De duur van de zonneschijn wordt in het algemeen gemeten door de zonnestraling met een glazen bol te laten inbranden op een diagramstrook. Elke vorm van inbranding, hoe zwak ook, wordt daarbij gerekend als zonneschijn. De zonneschijn per dag wordt uitgedrukt in tijdsduur en als percentage van de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang. Opgemerkt moet worden dat gedurende de eerste 15 tot 30 minuten na zonsopgang en de laatste 30 á 15 minuten voor zonsondergang de intensiteit van de straling door de lage zonnestand meestal onvoldoende is om enig spoor van inbranding op de strook achter te laten. Voor de Luchthaven Hato is over de periode 1958-1980 in de tabel de gemiddelde zonneschijnduur - zowel in tijd als in percentage van maximum - voor de maanden afzonderlijk en voor het jaar opgenomen.

Een minimum percentage van gemiddeld slechts 38% werd gemeten in december 1975; het hoogste maandcijfer in deze periode bedroeg 81% in januari 1978. Hoewel ten behoeve van toepassing van zonnestraling als alternatieve energiebron recent ook een aanvang is gemaakt met metingen van stralingsintensiteit, waren daarvan thans nog geen gegevens bekend. Wel kon aan de hand van de resultaten van de metingen van de zonneschijnduur het gemiddelde dagelijkse verloop van de totale straling worden benaderd alsook gemiddelde maandtotalen en het gemiddelde jaartotaal.

Vergelijking van deze uitkomsten voor de Luchthaven Hato met resultaten van stralingsmetingen zoals verricht door de Aisco te Bonaire vanaf september 1977, geven een afwijking van gemiddeld slechts 3 á 4%, alleszins acceptabel gezien de niet te vermijden onnauwkeurigheid in de metingen van de zonneschijnduur en de verschillende plaatsen van meting.

  • Sectie 6: Bewolking

De hoeveelheid van de bewolking wordt uitgedrukt in de bedekkingsgraad, dat is het gedeelte van de hemel - uitgedrukt in 1. / 8. of in procenten - dat door de basis van de aanwezige wolken onzichtbaar is geworden. De bedekkingsgraad op de Luchthaven Hato, Curaçao, is het hoogst in de morgenuren (50 tot 55%) en het laagst in de late avond en nacht (rond 35%). Dit laatste cijfer is vermoedelijk wat te laag, hetgeen veroorzaakt wordt door de moeilijkheid om ‘s nachts de bedekkingsgraad van de hoge wolkenlagen goed te schatten. De gemiddelde bedekkingsgraad is voorts het hoogst in mei met bijna 50% en het laagst in februari met ruim 35%; het jaargemiddelde is 44%. De bedekkingsgraad van de bewolking op de luchthavens te Aruba en Bonaire vertoont vrijwel hetzelfde verloop.

 

Hoofdstuk 3: De Bovenwindse Eilanden

Een beschrijving van het klimaat van de drie Bovenwindse Eilanden is moeilijker dan voor de Benedenwindse Eilanden. De eilanden zijn sterk geaccidenteerd, waardoor vooral in de regenval grote verschillen voorkomen over kleine afstanden. Ook de grondwind zal in sterke mate door plaatselijke effecten worden beïnvloed. Waarnemingen betreffende wind, temperatuur, vochtigheid, bewolking, regen en druk zijn beschikbaar van de stations Oranjestad en vanaf 1976 het F.D. Roosevelt vliegveld op St. Eustatius en Philipsburg op St. Maarten; het laatstgenoemde station werd in oktober 1952 verplaatst naar de Juliana Luchthaven en pas in 1972 voorzien van continu registrerende apparatuur. Naast deze stations zijn regenwaarnemingen van The Bottom en Windwardside op Saba en meer andere stations over kortere perioden beschikbaar.

  • Sectie 7: Wind
    Paragraaf 13: St. Maarten

Van de wind op de Juliana Luchthaven, St. Maarten, is over de jaren 1974-1980 een windroos getekend. Hoewel wat minder bestendig dan voor de Benedenwindse Eilanden, blijkt ook hier de sterke overheersing van de oostelijke wind, bijna 80% van de tijd uit richtingen tussen 060º en 120º.  Het is evenwel niet mogelijk op een van de Bovenwindse Eilanden een plaats aan te geven, waarvan het windregime representatief is voor het gehele gebied van de drie eilanden. De heuvels veroorzaken vrijwel overal plaatselijke effecten. De windroos voor de Juliana Luchthaven is vermoedelijk wel enigszins beïnvloed door de heuvels op 2 á 3 km afstand ten oosten van de opstellingsplaats van de windmeter, maar deze opstellingsplaats is zeker beter dan van het vroegere station in Philipsburg. In de tabel is over dezelfde periode van maand tot maand de gemiddelde windsnelheid gegeven, terwijl de grafiek het gemiddelde dagelijkse verloop van de windsnelheid weergeeft.

  • Sectie 8: Luchtdruk

Ook de maandgemiddelden van de luchtdruk zijn 24-uurs gemiddelden over de periode 1973-1980. De grafiek toont het gemiddelde dagelijkse verloop van de druk met de voor de tropen gebruikelijke markante dubbel oscillerende beweging.

  • Sectie 9: Temperatuur

De maandgemiddelden van de temperatuur en van de gemiddelde maandelijkse maximum en minimum temperatuur van de Juliana Luchthaven op St. Maarten zijn vermeld in de tabel, waarin ook de maandgemiddelden van de temperatuur van St. Eustatius over de periode 1959-1980 zijn opgenomen. Het hoofdwaarnemingsstation te St. Eustatius werd in 1976 van Oranjestad naar het F.D. Roosevelt vliegveld overgebracht. Daar het waarnemingsprogramma aldaar nog niet continu is, zijn de maandgemiddelden van de temperatuur herleid tot 24-uursgemiddelden. Opvallend is dat bij een vrijwel gelijke gemiddelde temperatuur, het gemiddelde dagelijkse temperatuursverloop op St. Eustatius meer geprononceerd is. De wat hogere middagtemperatuur en vooral de lagere temperatuur ‘s nachts komt vermoedelijk doordat de waarnemingsstations op St. Eustatius op meer dan 40m boven zee gelegen zijn en daar minder direct temperende invloed van ondervinden dan het laag, vrijwel aan zee gelegen station op de Juliana Luchthaven. In de grafiek is het gemiddelde dagelijkse verloop van de temperatuur van de Juliana Luchthaven op St. Maarten weergegeven. De hoogste temperatuur, die sedert 1953 op de Juliana Luchthaven is geregistreerd, bedroeg 35,0ºC, bereikt op 4 augustus 1955 en 15 oktober 1957. Als absoluut minimum werd op 3 januari 1955 een temperatuur van 17,0ºC gemeten. De temperatuur van het water in de open zee rond de Bovenwindse Eilanden blijkt aan de hand van verzamelde scheepswaarnemingen gemiddeld 26,4ºC te zijn en schommelt van 24,7ºC in februari tot 27,9ºC in september.

  • Sectie 10: Regen

Betreffende de regen zijn van drie stations op de Bovenwindse Eilanden lange waarnemingsseries beschikbaar, namelijk van Philipsburg op St. Maarten (1879-1981 met een enkele korte onderbreking), van Oranjestad op St. Eustatius (1881-1981) en van The Bottom op Saba (1891-1979 met een onderbreking van twee jaren). Van Windwardside op Saba zijn waarnemingen sedert 1910 beschikbaar, maar de reeks vertoont enige malen een onderbreking. Naast deze stations zijn kortere reeksen waarnemingen beschikbaar van een wisselend aantal stations. De waarnemingen van de Juliana Luchthaven van St. Maarten dateren vanaf november 1952 toen het synoptisch waarnemingsstation van Philipsburg naar de luchthaven werd overgebracht. De dichtheid van het net van regenstations is steeds onvoldoende geweest om de regendistributie over de eilanden goed te bepalen. De geaccidenteerdheid van het terrein geeft aanzienlijke verschillen in neerslag over korte afstanden (o.a. loefzijde en lijzijde van de bergen).

In de tabel zijn - analoog aan hetgeen voor de Benedenwindse Eilanden is gedaan - normaalwaarden voor de drie Bovenwindse Eilanden aangegeven. In het bijzonder voor Saba houdt het geven van een normaalwaarde gevaar in, omdat de neerslag op de hellingen van de 870m hoge berg van plaats tot plaats grote variaties zal vertonen.

Op de Juliana Luchthaven, St. Maarten, wordt gemiddeld op 135 dagen per jaar 1,0 mm of meer regen gemeten. Daarvan komen er 13 tot 14 dagen voor in elk van de maanden van september tot en met december en 8 dagen in elk van de maanden februari tot en met april (zie Regentijd). Op ongeveer 23 dagen per jaar valt er 10,0 mm of meer regen en op 7 dagen 25,0 mm of meer. Tweemaal per jaar kan gerekend worden op een dagtotaal van 50 mm of meer, terwijl een hoeveelheid van 100 mm of meer op een dag gemiddeld eens in de 10 jaar voorkomt. De regenfrequentie - het gemiddeld aantal uren per jaar waarin, afgezien van duur en intensiteit, neerslag wordt waargenomen - bedraagt 1222 uur. Hoewel minder opvallend dan op de Benedenwindse Eilanden is de neerslagfrequentie ook hier het hoogst in de vroege morgenuren. De totale hoeveelheid is op de Bovenwindse Eilanden echter bijna tweemaal zo groot; de frequentie tweemaal zo hoog.

  • Sectie 11: Onweer

Hoewel vrij vaak weerlicht in de verte gezien wordt, is de frequentie van onweer ook op de Bovenwindse Eilanden beperkt. Gemiddeld wordt op de luchthaven van St. Maarten slechts 22 dagen per jaar onweer gerapporteerd.

  • Sectie 12: Vochtigheid

Het 24-uursgemiddelde van de relatieve vochtigheid geeft voor de Juliana Luchthaven van St. Maarten als jaarcijfer 77% met in maart 75% en in oktober 80%. Op St. Eustatius bedraagt het overeenkomende herleide jaarcijfer over de periode 1959-1980 76% met 74% in maart en 79% in november. Deze gemiddelden komen vrijwel overeen met die van de Benedenwindse Eilanden. Door de gemiddeld wat lagere temperatuur komt echter ook de dampdruk voor de Bovenwindse Eilanden wat lager uit, gemiddeld voor de Juliana Luchthaven 27 mbar; ook daar altijd nog aanzienlijk meer dan in Nederland. De grafiek toont het dagelijkse verloop van de relatieve vochtigheid op de Juliana Luchthaven over de periode 1973-1980.

  • Sectie 13: Verdamping

Pas sinds 1979 worden regelmatige verdampingsmetingen op de Juliana Luchthaven verricht. De hier gebruikte gegevens tot medio 1982 vormen in feite dan ook een te korte reeks om er definitieve conclusies uit te kunnen trekken. De voorlopige uitkomsten zijn niettemin ter informatie in de tabel opgenomen. Over bovengenoemde periode bedroeg de gemiddelde verdamping op jaarbasis 5,9 mm per dag, met de sterkste verdamping in de maand augustus 1979 met 7,3 mm per dag, terwijl de minste verdamping voorkwam in december 1980 met gemiddeld 4,6 mm per dag.

  • Sectie 14: Zonneschijn

Hoewel zich in de gemiddelden voor de afzonderlijke maanden kleine verschillen voordoen, zijn de percentages van de zonneschijnduur en bedekking door bewolking voor de Bovenwindse Eilanden op jaarbasis gelijk aan die voor de Benedenwindse Eilanden, en wel respectievelijk 68% en 44% zoals blijkt uit de registratie op de Juliana Luchthaven over de periode 1974-1980 (in de tabel is tevens opgenomen de aan de hand van de zonneschijnduur berekende gemiddelde dagwaarden van de totale straling per maand en per jaar).

 

Hoofdstuk 4: Orkanen

De Benedenwindse Eilanden liggen aan de zuidflank van de Atlantische orkaanzone. Gemiddeld eens in de 4 á 5 jaar trekt een tropische storm of orkaan binnen 200 km afstand van de eilanden langs, veelal ten noorden en zonder noemenswaardig slecht weer te veroorzaken of materiële schade aan te richten. Ondermeer de nabijheid van het vasteland van Zuid-Amerika en de relatief lage zeewatertemperatuur in het zuidoostelijk Caribisch bekken voorkomen in de meeste gevallen een goede ontwikkeling van een dergelijk potentieel weersysteem in de oost- tot oostzuidoostelijke luchtstroming over de Benedenwindse Eilanden. Een enkele keer - voor het laatst in 1877 en 1892, en eerder bekend van 1784 - zijn ook de Benedenwindse Eilanden ernstig getroffen bij het over of juist ten zuiden langstrekken van een orkaan.

De Bovenwindse Eilanden liggen in de Atlantische orkaanzone. Gemiddeld eens per jaar trekt een tropische storm of orkaan binnen 200 km afstand van de eilanden langs, terwijl zich over de laatste 100 jaar gemiddeld eens in de 4 á 5 jaar orkaanomstandigheden hebben voorgedaan. Recente voorbeelden van het overkomen van een orkaan zijn orkaan Donna, die in de nacht van 4 op 5 september 1960 precies over St. Maarten trok, waarbij op het Nederlands gedeelte van het eiland naar schatting een maximale windsnelheid van 50 m/s en windstoten tot 60 m/s zijn voorgekomen en orkaan Frederic, die op 3 september 1979 met maximale windsnelheden van 35 m/s tussen St. Maarten en St. Eustatius door trok. De vooral regenrijke orkaan Frederic veroorzaakte op St. Maarten met name op de lager gelegen gebieden rond de Pond langdurig wateroverlast, ook al doordat een week eerder, op 29 augustus 1979, bij het ruim 200 km ten zuiden langstrekken van de zware orkaan David de grond van het eiland reeds doordrenkt was door zware regen val (zie ook @: Orkaan).

 

Hoofdstuk 5: Literatuur:

  • Meteorologische waarnemingen, gedaan op de meteorologische stations in de koloniën Suriname en Curaçao. Jaarlijkse publikatie 1905-1918, uitgegeven in Suriname door de Inspectie van den Landbouw in West-Indië, en in latere jaren door het Departement van den Landbouw;
  • Overzicht der meteorologische waarnemingen, verricht op de meteorologische stations in Nederlandsch West-Indië. Uitgegeven door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, De Bill, Nederland, over de jaren 1919-1952;
  • Statistiek van de meteorologische waarnemingen in de Nederlandse Antillen. Jaarlijkse publikatie, begonnen in 1953 en samengesteld door de Meteorologische Dienst van de Nederlandse Antillen;
  • C. Braak, Het klimaat van Nederlandsch West-Indië. Uitgegeven door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut in 1935 als nr. 36 in de serie Mededelingen en Verhandelingen;
  • E. van Everdingen en Ch.M.A. Hartman, Artikel over Klimaat in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914) ongewijzigd heruitgegeven in 1981;
  • C.F. Reudink, Hurricanes and tropical storms of the Netherlands Antilles (1981);
  • F.A.F.C. Went, Rapport omtrent den toestand van land- en tuinbouw op de Kolonie Curaçao. Verschenen als bijlage V bij het Koloniaal Verslag van Curaçao vau 1902.

 

 @: Klinisch Hoger Onderwijs, Nederlands-¬Antilliaanse Stichting voor / @: N.A.S.K.H.O. / @: NASKHO

Opgericht 17 mei 1967. Taak: het geheel of gedeeltelijk opleiden van doctorandi in de geneeskunde tot semi-arts en arts en het organiseren van halfjaarlijkse post-graduate cursussen op medisch gebied voor artsen uit de Nederlandse Antillen en de regio. De Stichting kwam tot stand op Antilliaans en Nederlands initiatief. Indien de plannen om aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen (U.N.A.) een medische faculteit in het leven te roepen, worden verwezenlijkt, betekent dit vrijwel zeker het einde van de activiteiten van deze Stichting. (Zie ook @: Geneeskunde; @ Onderwijs - Sectie 9 - Deel 15).

 

@: Kloosterorden
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Knip
zie @: Landhuizen.

 

@: Knip-groep

is de op Curaçao voorkomende serie afzettingsgesteenten van Boven-Krijt ouderdom, voor een groot deel bestaande uit kiezelzuurrijke sedimenten (zie @: Geologie).

 

@: Koehoorn
zie @: Kachu.

 

@: Koeli
zie @: Indiër

 

@: Koffervissen

komen in verschillende soorten voor: de trunk fishes, kaha di morto en chapin (Lactophrys) en de cowfish, chupachupa (Acanthostracion), die veel groter wordt en die ook gegeten wordt. De koffervissen hebben een huidpantser, dat zo gesloten is, dat alleen aan snuit, vinnen en staart enige speling gelaten is. Zij zwemmen gewoonlijk niet met de staart, maar met rug- en aarsvin; jonge dieren houden hun staartje zelfs vaak naar voren tegen een van de flanken geklapt. Vooral een van de chapins (Lactophrys) heeft bijzonder giftig huidslijm: als hij gealarmeerd wordt, geeft hij zoveel gifstof aan het water af, dat in een aquarium zelfs taaie vissen als muraenes binnen een kwartier onder krampverschijnselen sterven. Koffervissen zijn zeer vreedzaam en knabbelen aan koraal e.d. Vooral jonge dieren passen zich in een aquarium snel aan.

 

@: Kokerworm
zie @: Wormen.

 

@: Koko
zie @: Palmen.

 

@: Kokolishi
zie @: Slakken.

 

@: Kokospalm
zie @: Palmen.

 

@: Kol, Henri Hubert van

(Eindhoven 23 mei 1852 - België 22 augustus 1925) Nederlandse socialistische politicus, die van 1876-1892 als waterstaatsingenieur in het toenmalige Nederlands Oost-Indië werkzaam was. In 1903 bezocht hij de Nederlandse Antillen, voornamelijk met het doel de economische en sociale toestanden te bestuderen. Hij was onder meer voorstander van wettelijke dwang tot hervatting van de ontginning van fosfaat. De mijnverordening kan als een gevolg van zijn streven worden beschouwd.

Wrk.: Een noodlijdende kolonie (1901); Naar de Antillen en Venezuela (1904).

 

@: Kolbino

is de naam voor enkele vissoorten behorende tot de familie der croakers (Sciaenidae), soorten die met behulp van een resonerende zwemblaas ook voor de mens hoorbaar geluid kunnen produceren. De kolbino behoort tot de meest gewone vissen langs de Nederlands-Antilliaanse kusten en is ook talrijk in de binnenbaaien, waar hij nogal eens aan fregatvogels ten prooi valt.

 

@: Kolebra Bèrdè
zie @: Muraene; @: Voedselvergiftiging.

 

@: Kolebra di awa
zie @: Muraene.

 

@: Kolibrí

  • 1. Blenchi, doctor bird of hummingbird. Op de Benedenwindse Eilanden zijn twee soorten algemeen, de groene blenchi bèrdè (Chlorostilbon mellisugus) en de donkerbruine blenchi dornasòl (Chrysolampis mosquitus); de wijfjes van beide soorten worden blenchi hudiu genoemd. Zelfs in de vlucht zijn de mannetjes nog duidelijk van elkaar te onderscheiden: de groene is kleiner en aan onder- en bovenzijde glanzend, de andere heeft een roodbruine staart en krijgt bij bepaalde invalsrichting van het zonlicht een paarsrode bovenkop en een goudglanzende keel. De groene is bij huizen talrijker en ‘brutaler’, nestelt ook in tuinen. Kolibri’s zijn typische bloembezoekers, die met snelle vleugelslagen ‘stilstaan’ en dan nectar en kleine insekten opzuigen uit alleriei soorten grote tot zeer kleine bloemen. De nestjes zijn ca. 3 cm in doorsnede en bestaan vaak uit zaadpluis van Asclepiadaceëen of het wolhaar uit de cefaliën van de milon di seru (bushi), afgewerkt met stukjes dor blad, en bijeen gehouden door spinragdraden, die heel omzichtig uit een web worden losgetrokken. De eieren, meestal 2 per legsel, zijn weinig meer dan 1cm groot; de pas uitgekomen jongen ter grootte van een honingbij hebben nog een korte snavel. Het wijfje, dat het nest bouwt en de jongen verzorgt, pompt met snelle verticale bewegingen het voedsel in de slokdarm van de jongen.

  • 2. Op de Bovenwindse Eilanden is de talrijkste soort de kleine kuifkolibri (Orthorhyncus cristatus), waarvan alleen het mannetje een plat kuifje heeft, overwegend glanzend groen van boven en grijs van onderen. Algemeen is ook de blauwkeelkolibri (Sericotes holosericeus), groen met een glanzende blauwe vlek op de borst en met een lange, naar beneden gebogen snavel. Op Mount Scenery (Saba) en op de Quill (St. Eustatius) vindt men een derde soort, Eulampis jugularis, de grootste van de drie, die bijna zwart lijkt en grote vleugels en een purperrode keel en borst heeft. Van de leefwijze van deze soorten is weinig bekend. Alle kolibri’s zijn bij de wet beschermde vogels.

  • 3. Editorial Kooperativo Antiyano, een in 1983 opgerichte uitgeverij op coöperatieve grondslag.

 

@: Koloniale Raad

Naam van het bij het Regeringsreglement van Curaçao van 1865 (Stbl. nr. 56; P.B. nr. 18) ingestelde vertegenwoordigend lichaam voor de kolonie Curaçao. De Koloniale Raad was samengesteld uit de vijf leden van de Raad van Bestuur als vaste leden en uit acht door de Koning benoemde leden. Zowel in de samenstelling als in de bevoegdheden zijn in de twintigste eeuw herhaaldelijk wijzigingen aangebracht. Samenstelling: in 1901: 13 leden door de Koning te benoemen; in 1936 (het college heet sindsdien de Staten): 15 leden, van wie 10 rechtstreeks door de kiezers en 5 door de Gouverneur benoemd; in 1948: 21 leden in kieskringen door de kiezers gekozen; in 1950: 22 leden in kieskringen gekozen (voor de zetelverdeling over de kieskringen zie Staten).

Bevoegdheden: vanaf 1865 beraadslaagde de Koloniale Raad over de verordeningen, die hem door de Gouverneur werden aangeboden. Hij had de rechten van initiatief, amendement, petitie en interpellatie en stelde het reglement van orde voor zijn vergadering vast. Vanaf 1903 werd de ontwerp-begroting aan de Koloniale Raad aangeboden en door de Gouverneur voorlopig vastgesteld zoals zij door de Koloniale Raad was goedgekeurd. In bijzondere gevallen (art. 104 Staatsregeling) kon daarna de definitieve vaststelling bij wet plaatshebben in afwijking van de voorlopige vaststelling. Deze laatste bepaling verviel in 1948; sindsdien geschiedt de vaststelling van de begroting bij landsverordening evenals het slot der rekening (jaarrekening). Vanaf 1936 moet de Gouverneur de ontwerp-landsverordeningen ter goedkeuring aan de Staten aanbieden en moeten de Staten worden gehoord over ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en van wetten uitsluitend of in belangrijke mate Curaçao betreffende. De Gouverneur heeft de bevoegdheid een door de Staten goedgekeurde ontwerp-landsverordening niet vast te stellen. (Zie @: Bestuursregeling.)

Literatuur:

  • H.W.C. Bordewijk, Ontstaan en Ontwikkeling van het Staatsrecht van Curaçao (1911);
  • idem, Handelingen over de reglementen op het Beleid der Regering in de koloniën Suriname en Curaçao (1914);
  • B. de Gaay Fortman, Schets van de Politieke Geschiedenis der Nederlandsche Antillen in de twintigsre eeuw (1947).

 

@: Koloniale Staten
zie @: Bestuursregeling

 

@: Koloniërs

Overzicht van het behandelde:

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
  • Hoofdstuk 2: Periode ca. 1580-1648
  • Hoofdstuk 3: De Wilde Kust
  • Hoofdstuk 4: Periode 1648-1674
  • Hoofdstuk 5: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

  • Koloniers: Hoofdstuk 1: Inleiding

Groepen vrijwilligers die bereid waren, onder bepaalde voorwaarden, door particulieren, later door de West-Indische Compagnie (W.I.C.), uitgezonden te worden naar het westelijk halfrond om nederzettingen te stichten en produkten te verbouwen die geschikt waren voor de Europese markt. Deze moesten zij tegen een vastgestelde prijs aan de patroon of aan de vertegenwoordiger van de W.I.C. verkopen.

 

Koloniers: Hoofdstuk 2: Periode ca. 1580-1648

Tegen het einde van de 16de eeuw, reeds vóór Spanjes zeemacht in 1588 gebroken was, ondernamen de Zeeuwen pogingen tot kolonisatie aan de zogenaamde Wilde Kust, het gebied tussen de Amazone en de Orinoco. De lieden die zich voor deze pogingen leenden werden koloniërs genoemd, de toenmalige benaming voor kolonisten. Zij gingen een overeenkomst aan met een patroon of een Kamer van de West-Indische Compagnie, waarbij zij zich voor een bepaald aantal jaren verbonden om in een genoemde streek een kolonie te vestigen, of indien deze er reeds was, te versterken. De rechten en plichten van deze koloniërs waren in zo’n overeenkomst nauwkeurig omschreven.

Kolonisatie was van secundair belang in het octrooi van de West-Indische Compagnie. Oorlog tegen de erfvijand stond op de voorgrond. Niettemin trachtte de compagnie van de aanvang af zich ook van haar tweede taak te kwijten; het drong pas laat tot haar door, dat piraterij en vreedzame kolonisatie twee moeilijk te verenigen doeleinden waren. Dadelijk na haar oprichting kwam het probleem ter sprake hoe de in Nieuw Nederland en aan de Wilde Kust reeds georganiseerde ’patroonschappen’ met hun onderhebbende koloniërs zich zouden hebben te verhouden ten opzichte van de W.I C. Een voorlopige oplossing werd gevonden - althans in Zeeland - door de patroons op te nemen in de Kamer; zij werden dus participanten in de Compagnie. Verder werd hun onder dit toezicht de vrije hand gelaten in hun patroonschappen. Deze procedure werd gevolgd niet alleen met de reeds bestaande nederzettingen, maar ook met kolonies die na 1621 werden geplant. Tot diep in de jaren vijftig van de 17de eeuw werden de nieuw gestichte nederzettingen in het Caribisch gebied en aan de Wilde Kust in de vorm van patroonschappen opgezet. Kolonisatie onder de auspiciën van de West-Indische Compagnie, al of niet in de vorm van patroonschappen, vond plaats in Nieuw Nederland, het Caribisch gebied en in Brazilië. Uit laatstgenoemde kolonie werden de Nederlanders voorgoed verdreven in 1654. De kolonie Nieuw Nederland gaf zich aan de Engelsen over in 1664 en werd na een kort intermezzo van 1673-1674 in laatstgenoemd jaar voorgoed een Engelse kolonie. De kolonisatie in het Caribisch gebied beperkte zich tot enkele kleine eilanden, waarvan de Curaçao-eilanden (Curaçao, Aruba en Bonaire) met St. Maarten, St. Eustatius en Saba permanent in Nederlandse handen bleven.

 

Koloniers: Hoofdstuk 3: De Wilde Kust

De oudste Nederlandse koloniën dateren van het einde van de 16de eeuw en bevonden zich op de zogenaamde Wilde Kust. Hier was misschien reeds voor 1580 een Zeeuwse nederzetting maar deze zal meer een handels- dan een landbouwkarakter hebben gehad. Vóór het sluiten van het Twaalfjarig Bestand waren er waarschijnlijk reeds twee Zeeuwse nederzettingen aan de Xingu, een zijarm van de Amazône, beschermd door de forten Fort Oranje en de Fort Nassau. Een derde fort, Fort Adriaensz genaamd, werd daar gedurende het Bestand aan de Ginipape gebouwd. Ook was er een Zeeuwse kolonie aan de Essequibo waar op een eilandje in de rivier bij de samenvloeiing met de Cuyani en Mazaruni een fort werd gebouwd dat de welsprekende naam kreeg van Fort Kijkoveral. Gedurende het Bestand ging de kolonisatie van de Wilde Kust door. Misschien was er in 1613 een Nederlandse kolonie in Paramaribo. Zeker is dat Nederlanders en Engelsen omstreeks die tijd een lucratieve handel in tabak dreven in deze streken. Ofschoon hun kolonies herhaaldelijk verwoest werden door Spanjaarden en Indianen, de laatsten meestal aangezet door de eersten, was er steeds genoeg animo, vooral in Zeeland, tot een nieuwe kolonisatiepoging. In 1615 arriveerden koloniërs in Suriname onder leiding van Theodoor Claessen van Amsterdam en waren er kolonies in Cayenne, de Wiapoco en in de Amazônedelta. In 1616 stichtte Aert Adriaensz Groenewegen - Gromwegle in Engelse, Llanes in Spaanse rapporten - een kolonie in het westelijk deel van de Guyanas, bij de Essequibo, die voor vele jaren floreerde en vanwaar de Spanjaarden in Trinidad en San Tomé aan de Orinoco werden bedreigd. Groenewegen stierf in 1664 in de hoge leeftijd van drieëntachtig jaar na de kolonie bijna vijftig jaar te hebben bestuurd. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand werden de Nederlandse koloniën in de Amazônedelta door de Spanjaarden verwoest maar dit schrikte de ondernemingslust, vooral van de Zeeuwse koloniërs, niet af. In 1623 zeilde vanuit Texel Het Duifken onder Jesse De Forest met een aantal koloniërs naar de Amazône; sommigen hadden duidelijk herkenbare Franse namen; vermoedelijk waren zij Hugenoten. Zij kwamen daar begin oktober aan, maar geruchten omtrent Spaanse actie tegen Engelse, Ierse en andere Nederlandse kolonies deden De Forest besluiten om een veiliger plaats op te zoeken. Hij meende die gevonden te hebben aan de Wiapoco-rivier. Hier had Jan de Moor reeds in 1615 als patroon een kolonie gesticht, de zogenaamde Jan Pieterse kolonie, maar het is onbekend of de koloniërs van Het Duifken deze intact vonden. In ieder geval floreerde de kolonie van De Forest niet en de koloniërs waren waarschijnlijk opgelucht toen in mei 1625 een jacht, De Vliegende Draeck genaamd, onder bevel van Ghelem van Stapels de rivier opvoer met bevel van de Heeren XIX om hun passage naar huis te bieden. Van Stapels kwam van de Amazône waar hij als deel van een eskader bestaande uit drie schepen onder bevel van Admiraal Lucifer een nieuwe groep Zeeuwse koloniërs had gebracht onder de leiding van een zekere Nicolaes Oudaen. Deze kolonie, onder Oudaen en Philip Purcell, de laatste vermoedelijk een Ier, bestond uit 200 leden, die zich nederzetten aan de oever van de Curupa en op het eiland Tocujos. Weldra werd zij versterkt door Engelse en Ierse kolonisten. De Spanjaarden en Portugezen in die streek waren spoedig op de hoogte van deze indringing en een expeditie onder Pedro Teixeira verliet Para eind mei 1625 om de Oudaen/Purcell-nederzetting aan te vallen. De aanval had succes: Purcell werd gevangen genomen, Oudaen wist te ontsnappen met meer dan veertig man, maar de Indianen slaagden er in hen allen later te doden met uitzondering van drie, van wie uiteindelijk echter slechts één de slachting overleefde, waarschijnlijk omdat hij één of meer Indiaanse dialecten meester was. Misschien waren het deze droeve ervaringen en het feit dat er nogal wat kosten waren verbonden aan het planten van coloniën die de Heeren XIX ertoe bewogen voorlopig deze ondernemingen over te laten aan particulieren, de zogenaamde patroons, gelijk dit vóór de stichting van de West-Indische Compagnie had plaatsgevonden. Immers, de Heeren XIX hadden grootsere plannen in gedachten. Officieel echter stonden deze patroonschappen onder het toezicht van de Compagnie.

In december 1626 stonden twee nieuwe pogingen tot kolonisatie op het progamma van de niet ontmoedigde Zeeuwen, te ondernemen door twee kapiteins, Jan van Ryen en Claude Provost. De eerste zou een kolonie stichten aan de Wiapoco, de laatste in Cayenne. Hoewel de expedities officieel uitgingen van de Kamer Zeeland van de W.I.C. schijnen ze gefinancierd te zijn door twee van haar voornaamste leden: Jan de Moor en Abraham van Pere. Een ontwerp voor het planten van een colonie, waarschijnlijk opgesteld door Van Pere, werd met enige correcties door de Heeren XIX aanvaard. Enige tijd later kwam Van Pere met een soortgelijk ontwerp voor een te stichten kolonie aan de Berbice.

Wat de koloniën, gesticht door Van Ryen en Provost overkwam, was zeker niet bemoedigend. Provost verliet Vlissingen in het begin van 1627. Hij kwam in Cayenne aan maar dat is ongeveer alles wat bekend is. Zijn kolonie verdween evenals haar voorgangster onder Theodoor Claessen. Van de pogingen van Van Ryen is meer bekend. Hij werd door een klein eskader onder bevel van Lucifer naar de Wilde Kust gebracht met een aantal Zeeuwse kolonisten. Lucifer ontscheepte deze aan de Wiapoco maar de voortdurend vijandige houding van de Indianen maakte het bestaan voor de koloniërs uitermate moeilijk en tenslotte verlieten zij de streek om zich naar de Kleine Antillen van het Caribisch gebied te begeven. Slechts een viertal kwam behouden in Trinidad en Tobago aan. Degenen die op Tobago aankwamen werden opgenomen in de aldaar gestichte kolonie van Jan de Moor, die zestig koloniërs telde die daar juist, in 1628, waren aangekomen (zie @: Nieuw Walcheren).

Een meer permanent karakter droeg de kolonie door Abraham van Pere gesticht aan de Berbice, bestaande uit zestig eters, veertig mannen en twintig jongens. Veel is niet bekend, maar de kolonie overleefde de eerste kritieke jaren en genoot een zekere welstand tot aan de Tweede Engelse Oorlog. Aan de Essequibo schijnen zich in de jaren twintig twee koloniën te hebben bevonden, een reeds genoemd onder Groenewegen, die onder het patroonschap stond van het De Moor/Courteen concern en die zich in een zekere mate van bloei mocht verheugen en een andere die onder meer rechtstreekse controle van de Kamer Zeeland van de W.I.C. schijnt te hebben gestaan, die zich doorlopend in een kwijnende toestand bevond en waarvan de namen van de commandeurs bekend zijn. De eerste was een zekere Jacob Canijn, die in 1627 of 1628 werd vervangen door Jan van der Goes. In 1644, met de dood van Jan de Moor, schijnen beide koloniën onder her bestuur van Groenewegen te zijn gekomen en vond dus in zekere zin fusie plaats.

Behalve deze pogingen tot koloniseren aan de Wilde Kust vonden eveneens soortgelijke ondernemingen plaats in her Caribisch gebied, waar Nederlandse nederzettingen werden gesticht op verscheidene Bovenwindse Eilanden (zie @: Geschiedenis: Bovenwindse Eilanden) en op Tobago of Nieuw Walcheren. Ondanks Spaanse pogingen om deze kolonisatie, die eveneens door Fransen en Engelsen werd bedreven, te verhinderen, werd zij in de jaren dertig voortgezet.

In 1634 werd door de Kamer Amsterdam van de W.I.C. een poging ondernomen om opnieuw een kolonie te stichten in Cayenne. Zeeland werd hierdoor gealarmeerd; deze provincie beschouwde de Wilde Kust als uitsluitend haar en haar inwoners toegewezen terrein, ofschoon op haar requesten van die strekking de Heeren X IX steeds negatief geantwoord hadden. De door de Kamer Amsterdam ondernomen poging had de bijzondere belangstelling van Jan Bicker die financieel geïnteresseerd was. Ze stond onder de leiding van David Pietersz de Vries van Hoorn. De expeditie bestond uit één schip, de Koning David en vervoerde slechts dertig koloniërs. Begin september 1634 liet de Koning David het anker vallen in Cayenne, bij een klein eiland, Mecoria genaamd. Dicht bij deze plaats had Prevost zeven jaar vroeger zijn kolonie gesticht, maar wat de Amsterdammers vonden waren slechts de ruïnes van een fort, misschien niet eens door Prevost’s koloniërs gebouwd, maar door Fransen die zich daar reeds in 1613 gevestigd hadden. De Vries vond er echter wel een zeven of acht Zeeuwen, het droevig overschot van een kolonie daar gesticht door Jan de Moor in 1632 of 1633. De Vries’ kolonie deed het aanvankelijk niet slecht. Enige tijd later ging de Kamer Zeeland van de W.I.C. in op een Project voor de ontdekking van Zilvermijnen aan de Orinoco van Jan van der Goes, commandeur van de Compagnies kolonie aan de Essequibo. Deze onderneming werd echter een mislukking.

 

Koloniers: Hoofdstuk 4: Periode 1648-1674

Met het beeindigen van de langdurige oorlog met Spanje scheen de verwachting gewettigd van een opbloeien van de Nederlandse koloniën aan de Wilde Kust en in het Caribisch gebied. Maar de West-Indische Compagnie was reeds jarenlang in financiële moeilijkheden en nu met de vrede beroofd van vrijwel haar enige bron van inkomsten: piraterij op de Spanjaard. De slavenhandel, die spoedig deze bron van inkomsten zou gaan vervangen, was in 1648 nog niet genoegzaam ontwikkeld en met een vrijwel voortdurend lege kas miste de Compagnie het nodige kapitaal om haar koloniën tot ontwikkeling te brengen.

Ook werden ondernemingen van die aard gaandeweg te kostbaar voor particulieren - de patroons - en te riskant om daarvoor veel animo te hebben; na 1650 is er een gestadig geringere belangstelling van die zijde voor koloniserende avonturen. De Engelse oorlogen, waarin ook Frankrijk gemoeid was, bevorderden ongetwijfeld niet een gevoel van veiligheid bij de koloniërs en het is begrijpelijk dat daarom, toen een Deense West-Indische Compagnie enige eilanden, o.a. Santa Cruz, begon te koloniseren, de Nederlandse koloniërs die in deze ondernemingen participeerden, er de voorkeur aan gaven om onder de veiliger Deense vlag te opereren.

Met de val van Brazilie vond een toevloed van Nederlands / Portugees / Braziliaanse planters in het Caribisch gebied plaats. Deze nieuwe koloniërs brachten met zich mede hun technische kennis om suiker te maken en veroorzaakten daardoor binnen enige jaren een totale verandering van de eilandeconomie. In plaats van tabak werd nu suiker het voornaamste produkt en daarmede ging gepaard een toename van de slavenhandel in dit gebied, een feit waarvan vooral Curaçao ten zeerste profiteerde. Dit feit moet één der redenen geweest zijn waarom de Kamer Zeeland omstreeks 1655 de Wilde Kust openstelde voor kolonisatie op voorwaarde, dat de zich aldaar vestigende koloniërs al- hun voorraden van Zeeland zouden betrekken en daarheen hun produkten zouden verschepen. Ook de Heeren XIX schonken nu meer aandacht aan wat in het octrooi van de Compagnie altijd een tweede plaats had ingenomen en stelden een soort concept op van vrijheden voor de stichters van koloniën, wat door de Staten-Generaal in november 1658 bevestigd werd. In overeenstemming met dit charter steunde de Kamer Amsterdam de plannen van een zekere Jan Claessen Langendyck. Deze koopman rustte een expeditie uit naar Cayenne en bracht daarheen dertig of veertig koloniërs die evenals de kolonie van De Vries aanvankelijk vrij voorspoedig waren. In 1659 droeg Langendyck zijn patroonschap over aan de Amsterdamse Kamer, die hem daarop tot commandeur van de door hem gestichte kolonie benoemde. Hij bleef commandeur tot 1663. In dat jaar werd hij vervangen door Quirijn Spranger die in Cayenne aankwam met een nieuwe groep koloniërs. Drie maanden na Sprangers aankomst vielen de Fransen de Nederlandse kolonie aan, of schoon er tussen Frankrijk en de Verenigde Provinciën geen oorlogstoestand bestond en zij zelfs door een verdrag, gesloten in 1662, bondgenoten waren. Nog vóór de val van Nieuw Holland (Brazilië) vestigden zich talrijke koloniërs van dit gebied aan de Wilde Kust, vooral Joden. Door deze immigratie werden sommige nederzettingen, o.a. die aan de Pomeroon en de Berbice spoedig welvarend. Deze bloei bracht echter nieuwe moeilijkheden die de Kamer Zeeland niet wilde of niet kon oplossen. Zij bood aan de op de Wilde Kust gevestigde koloniën over te doen aan de Provinciale Staten van Zeeland. Deze, zich wel bewust van de sterke banden die de provincie Zeeland aan de Wilde Kust bonden, had naar dit voorstel wel oren, maar onderhandelingen tot dat doel hadden geen resultaat. Daarop boden de drie belangrijkste Zeeuwse steden - Middelburg, Vlissingen en Veere - aan, de Wilde Kust-koloniën onder hun hoede te nemen. De koloniërs aan de Wilde Kust, Essequibo, de Pomeroon en de naburige Moruca-rivier kregen de belofte dat zij zouden worden voorzien van slaven. In hoeverre de West-Indische Compagnie hieraan daadwerkelijk heeft medegewerkt, is onbekend. In januari 1658 werd een zekere David Nassi gecontracteerd voor de levering van een aantal slaven, maar Nassi vervulde nooit zijn deel van het contract, misschien omdat hij tegelijkertijd een vergunning had gekregen om een kolonie te stichten in Cayenne en hij hiermede te druk bezig was. Deze Cayenne-kolonie, bestaande uit Joodse koloniërs uit Brazilië en Livorno, was gevestigd op korte afstand van de Langendyck-Sprangernederzetting.

Een derde kolonie gesticht aan de Aperwacque in 1659 leidde een kwijnend bestaan vanaf haar begin. De beide Cayenne-kolonies werden door de Fransen genomen in 1664, die aan de Aperwacque door de Engelsen in 1665. David Nassi was geen onbekende op de Wilde Kust noch in het Caribisch gebied. Reeds in 1644, met het vertrek van Graaf Johan Maurits van Pernambuco moet hij aan de Commewijne een kolonie van zijn Joodse geloofsgenoten hebben gesticht, die in 1654 met meer Joden uit Brazilië werd versterkt. Misschien was er ook reeds een Joodse kolonie aan de Essequibo in 1651 ofschoon het bestaan van zulk een nederzetting voor 1658 door sommige historici wordt ontkend. Niettemin is het zeker, dat Nassi in 1652 octrooi kreeg voor het stichten van een Joodse nederzetting op het eiland Curaçao (zie @: Joodse gemeenten). Gedurende enige jaren kon de Nederlandse kolonisatie op de Wilde Kust ongestoord voortgaan, maar met het uitbreken van de oorlog van 1672 waarin Frankrijk ditmaal de zijde van Engeland had gekozen, bleven de Nederlandse bezittingen aan de Wilde Kust niet ongemoeid. Pas nadat met Engeland in 1674 vrede was gesloten, en alleen met Frankrijk de oorlog bleef voortduren, werden deze koloniën daarin betrokken.

 

Koloniers: Hoofdstuk 5: Literatuur

  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680 (1971);
  • V.T. Harlow, Colonizing Expeditions to the West Indies and Guianas, 1623-1667 (1925);
  • Voor de kolonisatie op de Wilde Kust is nog steeds onontbeerlijk: J.J. Hartsinck, Beschrijving van Guiana of de Wilde Kust in Zuid America, 2 delen (1770, 1974);
  • Voorts P.M. Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequibo, Demerary en Berbice (1888);
  • L. Storm van ‘s Gravesande, The rise of British Guiana (1941);
  • C.A. van Sijpesteijn, Beschrijving van Suriname (1854);
  • J.A. Williamson, English Colonies in Guiana and on the Amazon (1923);
  • J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname (1861, 1970).

 

@: Kolonisatie
zie @: Koloniërs; @: Patroonschap.

 

@: Kolonisten
zie @: Koloniërs.

 

@: Komader
zie @: Verwantschap.

 

@: Komehein

Foto: Een wel heel erg grote komeheinnest, zoals die niet al te vaak voorkomt

zijn tot de orde Osoptera behorende insekten, die ook wel witte mieren of houtluizen worden genoemd. Het best bekend is de soort die bolvormige nesten in bomen maakt en die in woningen alle bereikbare houtwerk, inclusief meubelen en boeken kan aantasten. De dieren verspreiden zich vaak ondergronds en maken boven de grond donkerbruine tunnels uit gronddeeltjes en uitwerpselen. Maakt men zo’n gang stuk, dan komen onmiddellijk de lichtbruine zwartkoppige soldaten naar buiten; hun beet is pijnlijk. Verder zijn er in het volk nog grijsachtige, enigszins doorschijnende werksters, en in de regentijd verschijnen de gevleugelde voortplantingsdieren, die hun grote vleugels vrij snel afwerpen. Ze zwermen meest ‘s avonds en worden sterk door lamplicht aangetrokken. Er is verder nog een kleinere wittige soort, die veel in dode plantestengels, stammetjes en kistenhout voorkomt en geen grote nesten bouwt; de tunneltjes van deze soort zijn maar enkele mm in doorsnede. Hoewel termieten voor houtconstructies erg schadelijk zijn (en lastig te bestrijden!) is hun opruimingswerk in de vrije natuur onmisbaar, aangezien door het droge klimaat schimmels te weinig effectief zijn.

 

 @: Kompader
zie @: Verwantschap.

 

@: Kompa Nanzi
zie @: Nanzi.

 

@: Kompa Sese
zie @: Nanzi.

 

@: Konhunto

(Spaans: conjunto = ensemble), benaming van de moderne Antilliaanse dansorkesten. Het verschil tussen een konhunto en een combo ligt in de grootte van de bezetting, alhoewel de beide termen vaak door elkaar worden gebruikt. Van een konhunto of band mag worden gesproken als bij de samenstelling een blazersgroep (saxofoons, trompetten en trombones) wordt ondersteund door bas, piano en slagwerk. Een combo is kleiner, kan wel individuele blazers hebben, maar geen melodiegroep als zodanig. Van andere instrumenten als gitaar en vibrafoon zal in een combo eerder gebruik worden gemaakt. In de meeste kleine ensembles worden door de leden afwisselend verschillende instrumenten bespeeld, teneinde met de beschikbare mankracht een zo groot mogelijk kleureffect te sorteren. Konhunto is na ca. 1930 ontstaan door samenvoeging van de ritmische elementen van de sextetos habaneros (tambora, tres, repicador, bongo, guiros en timbales) aan de bestaande dansorkesten, terwijl men afstand deed van instrumenten als viool, banjo en slagwerk met grote trom.

 

@: Koning

Foto: H.M. Koningin Juliana met aan haar zijde Z.K.H. Prins Bernard zit de NA Staten voor tijdens haar bezoek aan Curacao in 1965.

Het koningschap is geregeld in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en in de Nederlandse Grondwet. De Koning is hoofd van het Koninkrijk en van elk der landen of, zoals art. 2 Statuut zegt: De Koning voert de regering van het Koninkrijk en van elk der landen. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. Hij wordt in de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd door de Gouverneur, dit op grond van de feitelijke situatie, dat hij aldaar zijn bevoegdheden niet persoonlijk kan uitoefenen.
Het feit, dat de Koning de hoogste autoriteit in het Koninkrijk is, brengt mee dat in verschillende moeilijke situaties hoger beroep op de Koning mogelijk is gemaakt (art. 52 Statuut).

  • Koningschap geregeld in de Grondwet

Het had voor de hand gelegen dat het koningschap in het Statuut regeling zou hebben gevonden; maar omdat het al bevredigend in de Grondwet geregeld was, leek het eenvoudiger naar die regeling te verwijzen. Hetzelfde is trouwens geschied ten aanzien van verschillende andere onderwerpen, omdat anders het Statuut nodeloos een veel grotere omvang zou hebben gekregen.

  • Schorsings- en vernietigingsrecht

heeft de Koning als hoofd van het Koninkrijk ten aanzien van alle wetgevende en bestuurlijke maatregelen in de Nederlandse Antillen, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur, dan wel met belangen, welker verzorging of waarborging aangelegenheid van het Koninkrijk is. De voordracht daartoe geschiedt door de Raad van Ministers (waarin de gevolmachtigde minister zitting heeft) en de beslissing wordt genomen in een gemotiveerd Koninklijk Besluit (art. 50 Statuut). De Gouverneur als vertegenwoordiger van de Koning heeft in deze procedure een belangrijke taak door of reeds de eerste stappen te doen ter voorkoming van de strijdigheid of althans de Koning in staat te stellen kennis te nemen van de getroffen maatregelen (artt. 23-29 Reglement van de Gouverneur).

 

@: Koningin Wilhelmina Tehuis
zie @: Protestantse Vereniging voor liefdadigheid en maatschappelijk werk.

 

@: Koninklijk Besluit

is een door de Koning of één of meer ministers ondertekend besluit ten aanzien van een maatregel, van niet-wetgevende aard, bijv. een benoeming of ook een schorsing of vernietiging (zie onder Koning). Ook algemene maatregelen van bestuur worden bij Koninklijk Besluit vastgesteld (art. 89 Grondwet). (Zie @: Algemene maatregel van bestuur).

 

@: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. / @: K.L.M. / @: KLM

Foto: Sinds vele jaren onderhoudt de K.L.M. de communicatie tussen Nederland en Curacao door middel van de beroemde Jumbo Jet, een Boeing 747 vliegtuig, die met zijn enorme afmetingen en passagierscapaciteit steeds voor een bijzonder spektakel op de Hato luchthaven zorg draagt.

Het West-Indische bedrijf van de K.L.M. heeft sedert 1934, tot de oprichting van de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij N.V. (A.L.M.) in 1964, het luchtvervoer verzorgd in het Caribisch gebied; eerst het intereilandelijk verkeer, spoedig daarna met vele buitenlandse luchthavens, onder anderen Venezuela, Colombia, Costa Rica, Centraal Amerika, Suriname, de Verenigde Staten, enz. (Zie ook @: Kerstvlucht).

 

@: Koninklijke Marine
zie @: Marine.

 

@: Koninklijke West-Indische Maildienst
zie @: Geschiedenis – Sectie 2: Nederlandse periode – Deel 2: Geschiedenis tot ca 1900.

 

@: Koninkrijk
zie @: Koning.

 

@: Koninkrijksaangelegenheden

of aangelegenheden van het Koninkrijk, zijn alle onderwerpen, die het gehele Koninkrijk raken of althans waarbij het Koninkrijk betrokken kan worden. In beginsel worden zij in samenwerking tussen Nederland en de Nederlandse Antillen behartigd. De opzet van het Statuut is deze aangelegenheden tot een minimum te beperken, opdat het aantal onderwerpen, waarover ieder land geheel zelfstandig kan beslissen, zo groot mogelijk kan zijn. Zelfs spoort het Statuut ertoe aan waar mogelijk bij de behandeling daarvan de landsorganen en dus ook eventueel de eilandsorganen in te schakelen (art. 6 Statuut) en opent het de mogelijkheid, dat een land over een bepaalde koninkrijksaangelegenheid geheel zelfstandig beslist. Zo is bijvoorbeeld de defensie een koninkrijksaangelegenheid, maar over de gehele regeling van de Nederlandse militie wordt door Nederland alleen beslist en de beslissing of in de Nederlandse Antillen al dan niet dienstplicht zal worden ingevoerd, behoort geheel aan de Nederlandse Antillen zelf (art. 31 Statuut). Ook wordt uitdrukkelijk in art. 14, 3de en 4de lid Statuut bepaald, dat regelen omtrent koninkrijksaangelegenheden, welke niet in de Nederlandse Antillen gelden en naturalisatie van personen, die niet in de Nederlandse Antillen woonachtig zijn, door Nederland alleen worden getroffen. Om buiten twijfel te stellen welke onderwerpen koninkrijksaangelegenheden zijn, worden zij in het Statuut limitatief en met name opgesomd en daaraan kan geen uitbreiding gegeven worden dan in onderling overleg door de procedure, die voor wijziging van het Statuut is voorgeschreven (art. 3 Statuut).

 

@: Koninkrijksdag
zie @: Statuutdag.

 

@: Koninkrijksorganen

In het Statuut is de regeling, de samenstelling en de functionering van de organen van het Koninkrijk vastgelegd. Dank zij de opzet van het Statuut het aantal koninkrijksaangelegenheden tot een minimum te beperken, was het niet noodzakelijk nieuwe koninkrijksorganen in het leven te roepen, maar kon gebruik gemaakt worden van enkele Nederlandse organen, waarin bij de behandeling van koninkrijksaangelegenheden aan de Nederlandse Antillen (en tot 25 november 1975 ook aan Suriname) een passende invloed zou toekomen. Daardoor was het ook niet nodig de volledige regeling van de organen in het Statuut op te nemen, maar kon worden volstaan met aan te geven welk aandeel Suriname en de Nederlandse Antillen daarin zouden hebben bij de behandeling van koninkrijksaangelegenheden en overigens te verwijzen naar de regeling van die organen, zoals die voor Nederland geldt. Dank zij deze werkmethode is het Statuut tot 61 artikelen beperkt gebleven, terwijl het ontwerp-rijksgrondwet, dat de regeling van alle nieuwe organen bevatte, uit enige honderden artikelen bestond. Art. 5 Statuut geeft aan op welke koninkrijksorganen het bovenstaande van toepassing is:

Het Koningschap met de troonopvolging, de in het Statuut genoemde organen van het Koninkrijk, de uitoefening van de koninklijke en wetgevende macht in aangelegenheden van het Koninkrijk worden voor zover het Statuut hierin niet voorziet, geregeld in de Grondwet van het Koninkrijk. Bedoelde organen van het Koninkrijk zijn: de wetgever, de ministers, de Raad van State, de Hoge Raad der Nederlanden. Als het Statuut naar artikelen van de Grondwet verwijst in plaats van zelf dergelijke artikelen op te nemen, zijn die artikelen van de Grondwet op het niveau van het Statuut gekomen (maar het Statuut prevaleert) en kunnen alleen gewijzigd worden op de wijze waarop het Statuut gewijzigd wordt.

 

@: Koninkrijksspelen
zie @: Sport.

 

@: Kònkòmber

(Cucumis anguria) of pumpkin, plantesoort uit de familie der Cucurbitaceae. Meestal neerliggend kruid met ruw behaarde, rankendragende stengels; bladeren 3-lobbig, waarvan de zijlobben meestal 2-delig zijn; de eivormige vrucht is bezet met weke stekels. Vrucht wordt als groente gegeten. Gekweekt en wild. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Konkomber marga (Cucumis dipsaceus) of konkomber shimaron. Bladeren ovaal tot bijna rond; vrucht met dikke, stijve haren. Benedenwindse Eilanden.

 

@: Konofes
zie @: Makreelachtigen.

 

@: Kontra man

heeft betrekking op de eerste klant van de dag, die al of niet geluk aanbrengt. Vergelijk Ken ta kontra man? met ‘Wie geeft me jatmous?’ Ervaringen van een Amsterdamse taxichauffeur door Harry Boting (1982).

 

@: Konvoi
zie @: Autobusbedrijf Curaçao N.V.

 

 

@: Konijn / @: Konènchi

(Sylvilagus jloridanus nigronuchalis) konènchi of coneú is verwant aan de Amerikaanse cottontail en komt op Curaçao en Aruba voor; overblijfselen zijn reeds bekend uit pre-colombiaanse tijd. Een verschil met de meeste vormen van het Zuid-Amerikaanse vasteland is een zware zwarte streep van de kruin tot op de schouders. In allerlei terreinen worden de dieren aangetroffen, tot in de nabijheid van menselijke woningen toe. Ze graven geen holen, maar houden zich overdag schuil in de vegetatie; ‘s avonds en ‘s nachts zijn ze actief. Het wijfje werpt voornamelijk tussen oktober en april enkele malen 2 á 3 jongen na een draagtijd van omstreeks 4 weken. De jongen, die behaard maar blind ter wereld komen, blijven aanvankelijk in een ondiep kuiltje met een rand van grasworteltjes en buikharen en worden, als de moeder ze alleen laat, met bladeren afgedekt. De zwarte streep verschijnt pas na ongeveer 3 weken. (Zie ook @: Dierenbescherming; @: Jacht).

 

@: Koolwijk, Antonius van

(Winssen, gem. Ewijk, 1836 - Nederland 1913) was werkzaam als missionaris in Suriname (1869-1871) en op Curaçao, Aruba (1880-1886) en Bonaire. Deed onderzoek naar Indianencultuur op de drie Benedenwindse Eilanden, stuurde materiaal en gegevens op naar het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden (zie @: Archeologie).

 

@: Kooperador pastoral
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Koopkrachtpariteit

Het Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland heeft in 1983 op de Nederlandse Antillen een hernieuwde prijsenquete uitgevoerd betreffende artikelen die representatief zijn voor het consumptiepatroon van Nederlandse werknemersgezinnen met een inkomen boven de loongrens van de ziekenfondsverzekering. In het onderzoek zijn niet betrokken de consumptiecategorieën woninghuur, medische verzorging, kapitaalverzekering en voeding buitenland. Uit het onderzoek bleek dat men in april 1983 voor elke 100 Nederlandse guldens, in Nederland besteed aan het onderzochte pakket van goederen en diensten, op de Nederlandse Antillen gemiddeld 108 Antilliaanse guldens nodig had. De wisselkoers op dat tijdstip was: 1 Nederlands-Antilliaanse gulden is gelijk aan 1,53 Nederlandse guldens. Op de Nederlandse Antillen had men in April 1983 dus 108 x 1,53 = 166 Nederlandse guldens nodig om het pakket te kopen dat in Nederland op dat moment 100 Nederlandse guldens kostte. (Door afrondingen klopt de vermenigvuldiging niet exact). Een uitkomst als deze 166 noemt men ook wel de koopkrachtpariteit van de Nederlandse Antillen ten opzichte van Nederland.

 

@: Kimi
(Pisbikoni) zie @: Snappers.

 

@: Koraal

(marine fauna) verzamelnaam voor recente en fossiele kalkformaties, afgezet door uiteenlopende diergroepen: steenkoralen, brandkoralen en mosdieren, alsook door kalkalgen. Daartussen kunnen ook nog skeletten van andere kalkvormende organismen zitten, zoals van schelpdieren, zeeappels, wormen en zeepokken. Dat geheel heet dan koraal.

Indien men echter koraal in biologische zin gebruikt, verstaat men er onder de vertegenwoordigers der holtedieren (Coelenterata) die een skelet bezitten: brandkoraal, steenkoraal en schorskoraal met enkele verwante groepen.

De belangrijkste kalkalgen, de Corallinaceae, behoren tot de roodwieren. Zij zijn talrijk over het hele rif. In de branding op koraalkalkkusten zijn zij, tezamen met de vermetide slak Spiroglyhus irregularis, verantwoordelijk voor de dammetjes rondom horizontale plateautjes, waardoor het ondiepe bekkens worden van een paar cm diep, en enkele tot tientallen meters oppervlakte. Ook de koraalpuinwal die Lac (Bonaire) van zee scheidt, is voor een deel met kalkalgen begroeid (Zaneveld). Brandkoraal (Millepora) is een kolonievormende Hydrozoe; de koralen, die levend een bruinige of gele kleur hebben, kunnen de meest uiteenlopende vorm hebben, van rond tot schijfvormig of gevingerd. De poliepjes, die het koraal opbouwen, scheiden een netelgif af, dat de menselijke huid sterk irriteert. Brandkoraal vindt men vooral in ondiep water, ook op pijlers e.d. Steenkoraal en schorskoraal behoren samen met o.a. de zeeanemonen tot de Anthozoen. Steenkoralen (Scleractinia) zijn in ongeveer 60 soorten van de Nederlandse Antillen bekend. Vele soorten zijn zeer variabel van vorm, al naar de standplaats. Het elandsgeweikoraal (Acropora palmata) bijvoorbeeld vertoont nabij de branding een lage, gedrongen vorm, maar in rustig water een stam met een vaak fijn vertakte kroon. In heen en weer stromend water, zoals in de St. Jorisbaai (Curaçao), vormt het langgestrekte geweien, terwijl op plaatsen waar het water een neer (draaikolk) vormt, het koraal schroefvormig kan zijn. Andere soorten vertonen in ondiep water de bolvorm, maar beneden 15m de paddestoelvorm (Roos). Het blijkt, dat de vorm afhankelijk is van de hoeveelheid licht, die uit een bepaalde richting tot de bodem doordringt. In de Nederlandse Antillen kan beneden 90m geen enkele rifkoraalsoort groeien. Er groeien in de diepte wel andere, niet-rifbouwende soorten.

Een brok levend koraal bestaat voor het grootste deel uit een dode kern met slechts aan de periferie de levende poliepjes, die voor verdere kalkafzetting zorgen. Bij de rifbouwende koralen bevinden zich in de poliepjes eencellige algjes (Zooxanthellae), die bij de kalkafzetting een belangrijke rol schijnen te spelen. Het koraal kan wel leven zonder die algjes, maar de kalkafzetting is dan gering. Deze koralen zijn aan ondiep water gebonden, waar voor die algjes voldoende licht doordringt.

De niet-rifbouwende koraalsoorten bezitten geen zooxanthellen en kunnen toch kalk afzetten, zij het op bescheiden schaal; zij zijn niet aan de aanwezigheid van licht gebonden en komen dan ook dieper voor. (Zie ook @: Wieren.) Sommige koralen bestaan uit slechts een poliep, wat bij de prachtig groen of bruinrood gekleurde paddestoelvormige Scolymia lacera goed te zien is. Soms zijn in een kolonie de afzonderlijke poliepen nog duidelijk zichtbaar, zoals bij het rode koraaltje Tubastrea coccinea, dat in recente tijd vanuit de Stille Oceaan het Caribische gebied veroverd heeft en hier nog steeds in aantal toeneemt; men vindt het vooral in brandingsnissen.

Bij de meeste soorten vormen de poliepen een gesloten oppervlak, waarbij de mondopeningen der poliepen nog slechts herkenbaar zijn als stervormige poriën (bijvoorbeeld Madracis, Montastrea en Porites), of de mondopeningen lopen als slingerende groeven over het oppervlak, zoals bij het Meandroide type, de zogenaamde hersenkoralen. Slechts enkele koraalsoorten, zoals Dendrogyra cylindrllm en Madracis mirabilis vertonen hun poliepen overdag. Bij de meeste soorten houden de poliepen zich overdag ingetrokken en komen pas ‘s nachts met hun tentakels te voorschijn om plankton te vangen. Hoewel koraal zich hoofdzakelijk vegetatief voortplant door knopvorming of door deling van de poliepen, treedt ook geslachtelijke voortplanting op. Uit de bevruchte eieren komen 1mm grote larfjes, die zich, na enige tijd van rondzwemmen, ergens vestigen en een nieuwe kolonie stichten.

Steenkoralen bieden schuilplaats aan talloze organismen. Sommige, zoals kalkkokerwormen en zeepokken, kunnen geheel in de koraalkalk ingekapseld zitten met slechts een nauwe opening naar buiten. Boorsponsen (Cliona) kunnen het koraal zo doorboren, dat het uiteen valt. Andere soorten knagen aan het dode koraal, zoals weekdieren en zeeappels. Enkele, zoals de harige zeerups (een worm), zuigen het levende weefsel van de spitse koraal-toppen af, en de papegaaivissen knabbelen met hun sterke kaken ook aan het levende koraal. Het zijn echter orkanen, die de meeste schade aan de koraalriffen toebrengen: de geweldige golven slaan het koraal op ondiep water aan brokken, waarna het jaren duurt voor het koraal zich weer enigszins hersteld heeft. Nog gevaarlijker lijkt voor de toekomst echter het duiktoerisme met haar steeds groeiende aantal duikers, die in het koraal een souvenirartikel ziet. In de Verenigde Staten heeft men al jaren geleden ingezien, dat riffen nabij recreatiegebieden wettelijke bescherming tegen plundering dienen te genieten. In 1979 kwam rondom Bonaire het eerste onderwaterpark tot stand, terwijl de start voor Curaçao in 1982 plaats vond (zie @: Parken).

Schorskoralen of hoornkoralen (Gorgonaria) behoren, samen met nog enkele groepen, tot de octocorallia. Zij vormen de wuivende bossen, die men van even beneden de getijzone tot enige tientallen meters diep aantreft. Uit het Caribisch gebied zijn een tachtigtal soorten bekend (Bayer). Sommige soorten, zoals waya di awa (Gorgonia), bezitten een ragfijne structuur, andere soorten zien er meer uit als bossen dikke of dunne pijpewissers (o.a. Plexallralle, Elinicae en Pterogorgia), of zijn fijn geveerd (zoals Pselldopterogorgia). Schorskoralen groeien langzaam en daarom is het raadzaam niet alleen de steenkoralen, maar ook de prachtige waaierbossen der schorskoralen als ook het zwarte koraal der Nederlandse Antillen tegen de mens te beschermen.

Op schorskoraal grazen dikwijls enkele mooie slakken, o.a. de teer gekleurde Cyphoma en de naaldvormige Simnia. Verder zit de basketstar als een bijna onzichtbare knoedel in de waaiers, en ook vele andere diersoorten vinden er een schuilplaats. Een verwant van de gorgonaria, Telesto riisei, vindt men vaak op nieuwe steigers en boeien; in de eerste maanden zien zij er uit als geelbruine veters met regelmatige uitwasjes, en na een jaar vormen zij al een sierlijk wuivende kraag. Ook het zeeviooltje (Renilla) behoort tot de oetoeorallia; het is een paddestoelvormig, week koraaltje van enkele cm doorsnee, dat met zijn paarse steel in de zandbodem zit en ‘s nachts licht geeft.

  • Literatuur:
  • P.J. Roos, Reef corals in Curaçao, in: Stud. Fauna Curaçao dl. 20 (1964);
  • Speciaal koraalrifnummer, Stinapa no. 4 (1969);
  • P.L. Colin, Caribbean reef invertebrates and plants, T.F.H. Publ. (1978);
  • E.H. Kaplan, A field guide to coral reefs of the Caribbean and Florida, Houghton Miflin Cy. (1982);
  • R.P.M. Bak & T. v.’t Hof, The reefs, in: Stinapa no. 23 (1982).

 

@: Koriente

(Achyranthes indica) of rattail, plantesoort uit de familie der Amaranthaceae. Tamelijk hoogopgroeiend kruid; bloemen in langgerekte bloeiwijzen, direct na de bloei teruggeslagen en tegen de as van de bloeiwijze gedrukt; vruchtjes blijven gemakkelijk aan kleren hangen. Algemeen onkruid op ruderale standplaatsen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Korkó
zie @: Grunt.

 

 @: Korkobá
(Korkó) zie @: Horsmakrelen.

 

@: Korps Mariniers

omvat op Aruba en Curaçao gelegerde eenheden respectievelijk in de kampen Sabaneta en Suffisant. Het korps vormt aan mankracht het grootste onderdeel van de Koninklijke Marine in de Nederlandse Antillen; zijn voornaamste taak is de bescherming te land van de Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Korsow FM
Omroepstation op Curaçao (zie @: Radioomroep).

 

@: Kraal

naam door Nederlandse zeevaarders gegeven aan de Caribische zee. Deze was aanvankelijk een Spaanse mare clausum of gesloten zee. Waarschijnlijk is de benaming afkomstig van het Spaanse corral of het Portugese curral (afgesloten ruimte). Het woord wordt in de 17 de- en 18de-eeuwse Nederlandse documenten en geschiedschrijving doorlopend gebruikt en komt tot diep in de 19de eeuw in Nederlandse publikaties voor.

 

@: Krabben

Kangreu of crabs kunnen worden onderscheiden in echte krabben en heremietkrabben of sòldachi. De meeste soorten leven in zee. De echte krabben (Brachyura) zijn rondom de Nederlandse Antillen door vele tientallen soorten vertegenwoordigd. In de slikkige grond langs de binnenbaaien zitten de kleine wenkkrabben (Uca spec.), guengu of fiddler crabs, waarvan de mannetjes met hun ene grote schaar zwaaien en op die wijze hun territorium demonstreren tegenover soortgenoten. Op de stranden lopen de zandkrabben (Ocypode spec.) of ghostcrabs, die bij nadering snel hun holletjes opzoeken. In de mangroves bergen de grote mangrovekrabben (Sesarma spec.) zich door zich in het water te laten ploffen. In de getijzone en in ondiep water zit de grootste verscheidenheid van krabsoorten, van nog geen cm groot, tot de grote panikrak. Sommige soorten, zoals de prachtig gemarmerde en zwaar gepantserde dooskrabben (Calappa spec.), graven zich geheel in het zand in. Tussen de begroeiing aan palen e.d. vindt men vaak de hooiwagenkrab of pijlkrab (Stenorynchus spec.), die met zijn lange dunne schaarpoten overal wat eetbaars vandaan peutert. De echte krabben hebben ook enkele vertegenwoordigers die op het land leven; een soort, red shank, (Gecarcinus ruricola) kan men tot ver van zee aantreffen, zoals op de heuvels van Suffisant (Curaçao), waar zij overdag in holen leven en ‘s nachts tot in de huizen komen om te fourageren. Toch zullen althans de wijfjes af en toe naar zee moeten trekken, want uit de eieren, die zij onder tegen het achterlijf meedragen, komen larven die alleen in zee worden gevonden. Andere landkrabsoorten leven zo dicht bij zee, dat er op de bodem van hun diepe holen water staat.

De meeste krabben fourageren ‘s nachts. Het zijn alleseters. Zoals bij alle kreeftachtigen gaat de groei sprongsgewijs per vervelling. Hoewel de grotere soorten gegeten worden, met name de panikrak (Callinectes spec.) en de kangreu di ulanda (Carpilius corallinus), komen zij niet in zulke hoeveelheden voor, dat zij economisch van veel betekenis zijn.
Lit.: Voor een systematisch overzicht van de echte krabben zie M.J. Rathbun, Scient. Survey Porto Rico & Virgin Islands dl. 15 pt 1 (1933).

 

 

@: Krafft, Arnoldus Johannes Cornelius

(Curaçao 22 september 1892 -  Utrecht 8 januari 1964). Vóór de Tweede Wereldoorlog werkzaam bij de zending op Celebes en Java en later bij het onderwijs. Na de oorlog werkzaam op Aruba en Curaçao in velerlei functies o.a. als leraar aan het Peter Stuyvesant College te Willemstad. Was actief op publicistisch terrein betreffende de Nederlandse Antillen. Had als redactiesecretaris aandeel in de samenstelling van Oranje en de zes Caraïbische parelen, een gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina (1948).

  • Wrk.: Historie en oude families van de Nederlandse Antillen (1951); Atlas: de Nederlandse Antillen, Suriname, Nederland en de Wereld (1956).

 

@: Kralendijk
Hoofdstad van Bonaire (zie @: Bonaire).

 

@: Kranshi
Troetelnaam in het Papiamentu voor de burgerlijke stand.
Zie @: Burgerlijke stand.

 

@: Krayenhoff, Cornelis Rudolphus Theodorus

(sinds 1815 baron), (Nijmegen 2 juni 1758 - 24 november 1840) bekende, cultureel vooraanstaande patriot, die reeds in de revolutietijd op militair gebied een grote rol speelde; werd onder Koning Willem I luitenant-generaal en inspecteur der fortificaties. Dit verklaart zijn uitzending met een belangrijke staf, onder andere in de zomer van 1825, ter uitvoering van ‘s Konings grote bedoelingen met Curaçao; anderzijds kan deze missie hebben samengehangen met (onverdiende) aanvechting van zijn beleid in het vaderland. Zijn bezoek resulteerde in directe zin in de forten van Krayenhoff bij de haventoegang van Willemstad en voorts in het grotendeels door zijn equipe samengestelde belangrijke verslag over vele facetten van het bestel in de West. Dit werd een paar jaar later aan commissaris-generaal Van den Bosch ter verdere behandeling toevertrouwd en is ons in zijn geschrift bewaard gebleven.

Lit.: M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959); vergelijk ook het door Krayenhoff zelf uitgegeven extract uit het Verbaal van den Inspecteur-generaal betreffende de dienst van het Corps Ingenieurs gedurende het tijdvak 1814-1827 (1840); zie ook J. Brandt-van der Veen, Het Thorbecke archief, 1798-1872, speciaal III (1825¬-1830), Werken Hist. Gen. 4de serie, nr. 8 (1967).

 

@: Kredietcooperaties
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen; @: Credit Unions.

 

@: Kredietwezen
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Kreeft

(Panulirus argus) kreft of lobster van de Nederlandse Antillen behoort tot het kreeftentype dat geen scharen bezit en dat in Europa met de naam langoeste wordt aangeduid. De kreeft leeft overdag verscholen en gaat er ‘s nachts op uit om voedsel te bemachtigen. Vroeger werden zij dan wel met behulp van een flambeu (fakkel) opgespoord. Een groot raadsel vormen de kreeften-processies: duizenden grotendeels halfwas kreeften lopen achter elkaar voort in een soms vele honderden meters lange, aaneengesloten rij van slechts 1 tot 3 exemplaren naast elkaar. Als een aantal wordt weggevangen, sluit de rij zich opnieuw.

Kreeften groeien snel in hun eerste levensjaar, waarbij zij na de larvale periode nog vele malen (ca. 8x) vervellen. In de volgende levensjaren loopt het aantal vervellingen geleidelijk terug tot één per jaar en als zij ouder dan 7 jaar zijn slaan zij wel eens een jaartje over en groeien dat jaar dus niet. Na elke vervelling neemt de lengte met ongeveer 5% en het gewicht met 15% toe, bij jonge dieren nog meer. Enkele dagen of weken na de paring komen de eieren te voorschijn, die aan de achterlijfspoten gekit worden. Een jong wijfje van 23cm heeft een half miljoen eieren, een groot wijfje van 34cm kan er wel 4 miljoen hebben. Na 3 weken komen de larven uit de eieren en deze leven ruim een jaar lang in het plankton en kunnen over grote afstanden door de stroom worden vervoerd (tot meer dan 1000 km), maar er zijn ook aanwijzingen dat zij er in slagen dicht bij honk te blijven.

Overal waar de kreeftvisserij, hetzij met de kanaster dan wel met de speer, intensief beoefend wordt, neemt de kreeftenstand snel af. Op de Benedenwinden is de kreeftenstand mager geworden, op de Bovenwinden is de visserij nog steeds van betekenis, maar daar zijn ook veel meer geschikte terreinen voor de kreeft. Ter bescherming van de kreeftenstand is de meest gehanteerde maatregel het vaststellen van een minimummaat. In alle gebieden waar een gecentraliseerde verkoop is, kan aan de naleving van zulke bepalingen goed de hand gehouden worden, maar waar de meeste kreeft ondershands verkocht wordt, is de naleving moeilijker te controleren. In de Nederlandse Antillen zijn verschillende bepalingen van kracht (zie @: Visserij).

Een oplossing voor het probleem van achteruitgang van de kreeftenstand zou zijn het opkweken uit het ei tot ze een lengte van ca. 5 cm bereikt hebben; dan hebben ze hun meest riskante periode achter de rug, zodat ze kunnen worden uitgezet met een redelijke kans op succes. Het kweken van deze soort kreeften is echter nog nergens het experimentele stadium te boven.

Naast de gewone kreeft wordt ook regelmatig gevangen en gegeten de beerkreeft, kreft sapatu, sand lobster, crayfish of crawfish (Scyllarides aequinoctia/is), maar zijn vlees staat veel minder hoog aangeschreven. In totaal komen er in de Nederlandse Antillen 6 soorten kreeft voor.

  • Lit.: L.B. Holthuis en J.S. Zaneveld, De kreeften van de Nederlandse Antillen (Carmabi Coli. Pap. nt. 5, 1958).

 

@: Kreft
zie @: Kreeft.

 

@: Krekels
zie @: Kriki.

 

 @: Kría

is het voeden, verzorgen en grootbrengen van kinderen van een andere moeder. Door talloze omstandigheden kan een kind in de huishouding van een andere vrouw dan zijn moeder worden grootgebracht. Men spreekt dan van yu di kriansa en van mama di kriansa. In een zogenaamde grootmoederfamilie (zie @: Familierelaties) kan het voorkomen, dat één van de kinderen door de grootmoeder volledig wordt verzorgd en opgevoed als haar yu di kriansa. Gewoonlijk is de eigenlijke moeder echter niet inwonend en is het pleegkind een minder rechtlijnig afstammende verwant of een niet verwant.

 

@: Kriki

(Gryllidae) In bepaalde maanden is de veldkrekel (Gryllus assimilus) vrij algemeen, een glanzend, pikzwart dier, dat holletjes maakt in de gronden een kort kri-kri getjirp voortbrengt. Opvallend is in het donker het regelmatig onderbroken ‘rollende’ gefluit van de boomkrekel (Oecanthus niveus), een lichtgroen slank diertje met wittige vleugels, dat met een zaklantaarn wel op bladeren kan worden gelokaliseerd. Buitengewoon enerverend is het snerpende geluid van een grijsbruinige, in spleten tussen stenen, maar ook in huis achter kasten te vinden grondkrekel (Gryllodes spec.); het geluid van een dier schijnt voortdurend uit een andere richting te komen. Alleen de mannetjes maken geluid door hun voorvleugels over elkaar te wrijven; de geluiden dienen ter aanlokking van wijfjes en om concurrerende mannetjes uit het territorium te weren.

 

@: Kristensen, Ingvar

(Leiden, 11 februari 1918) studeerde biologie in Leiden en specialiseerde zich in zeebiologie. Van 1960 tot 1964 en van 1970 tot 1981 directeur van Carmabi, en tot 1983 secretaris van Stinapa in welke functie hij ijverde voor natuurbeheer op de Nederlandse Antillen, zowel op het land als in zee.

  • Wrk.: Differences in density and growth in a cockle population in the Dutch Waddensea (diss. 1957);
  • met betrekking tot de Nederlandse Amillen publikaties over walvissen, vissen, pekelkreeftjes, schelpdieren, zeeegeis en kwallen en verder allerlei populaire artikelen over flora en fauna en over natuurbeheer op de Nederlandse Antillen.

 

@: Kristòf
zie @: Pers; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

 

@: Kroon, Willem Eligio / @: Willem Kroon

(Curaçao 1 december 1886 - 26 januari 1949) wiens nagelaten gedichten postuum werden uitgegeven, heeft zijn populariteit voornamelijk aan zijn in het Papiamentu geschreven romans te danken (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

  • Wrk.: Proza: Giambo bieuw ta bolbe na wea (1928), derde druk verzorgd door Dienst Onderwijs en Cultuur van het Eilandgebied Curaçao onder de titel Giambo bieuw a bolbe na wea (1979);
  • Yiu di su mama, o castigo di un abuso (1947). -
  • Poezie: Algun Poesía (1966).

 

@: Krottenwijken

zijn delen van nederzettingen, bewoond door de sociaal-economisch laagste klassen. Op Curaçao zijn er na de vestiging van de Shell aan de stadsranden verscheidene van deze wijken ontstaan als bijvoorbeeld Buena Vista, Fleur de Marie, Sans Souci enz. Op Aruba ontstond, ten gevolge van de toestroming van arbeiders voor de raffinaderij van de Standard Oil of New Yersey (Lago), de zogenaamde Village bij San Nicolas. De bevolking van deze buurten is in de Benedenwindse Eilanden bijna volledig negroide. Op St. Maarten behoren de bewoners ervan zowel tot de blanke als de gekleurde groep, op St. Eustatius uitsluitend tot de gekleurde, evenals op Saba, met uitzondering van de Sabaanse blanken op Promised Land. Op de Bovenwindse Eilanden staan de krotten vooral aan de randen van Philipsburg en aan de noordoostkant van de Crabzoutpan (St. Maarten), Niggertown in The Bottom (Saba) en The North (St. Eustatius). Het zijn armoedige doosvormige een- of tweepersoons hutten, vaak gemaakt van een verzameling planken en zelfs delen van pakkisten, met als dakbedekking gegolfd plaatijzer of verweerde dakpannen. Het gehele bouwsel wordt gewoonlijk 30 tot 60cm boven de grond geplaatst op houten blokken of keien. Deuropeningen zijn alleen voorzien van uit latten bestaande houten luiken. Voor sanering en. volkswoningbouw zie ondermeer @: San Nicolas; @: Willemstad; @: Volkshuisvesting.

 

@: Kruiden
zie @: Geneeskrachtige kruiden en giftige planten.

 

@: Kruisvaarders van Sint-Jan
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Kruythoff, Evert Stephanus Jordanus

(St. Maarten 14 november 1893 - Curaçao 26 April 1967), is vooral op de voorgrond getreden door zijn kennis van geschiedenis, literatuur en folklore van de Bovenwindse Eilanden (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

  • Wrk.: The Netherlands Windward Islands or a few interesting items on French Sr. Martin (1938, 1939);
  • The Netherlands Windward Islands of the Windward group of the Netherlands Antilles (1964).

 

@: Kuarta

Een in de Spaanstalige landen in en om het Caribisch gebied, alsook in de Nederlandse Antillen, bij het spelen van de regionale dansmuziek veel gebruikte kleine, viersnarige gitaar. Het snarental wordt al aangeven in de naam, het Spaanse cuatro (= vier). De stemming der snaren is a-d- fis-b.

 

@: Kuentanan di Nanzi
zie @: Nanzi.

 

@: Kuï

1. val die door jongens wordt gezet om vogeltjes te vangen. Men spreekt ook wel van trampa;

2. privé rendez-vous huisje, meestal buiten de stad gelegen, dat gebruikt wordt voor amoureuze ontmoetingen.

 

@: Kuifkwartel
zie @: Sloké.

 

@: Kuíhi / @: Kwihi
zie @: Indju.

 

@: Kuiperi, N.A.
Eerste predikant die zich in 1858 op Aruba vestigde (zie @: Protestantisme - geschiedenis).

 

@: Kuki di laman
(Seapel) zie @: Zeeappels.

 

@: Kuli
zie @: Indiërs.

 

@: Kumbu

  • 1. dwaallichtje dat vooral langs het water wordt waargenomen. Het volksgeloof wil dat het afkomstig is van een dwaalgeest. In feite wordt het veroorzaakt door een vuurkevertje. Ook wel lehi of gungu genoemd, op Aruba bol’i fuego;
  • 2. primitief petroleumlampje, gemaakt uit een jeneverfles met een stukje stof als pit.

 

@: Kunstkring

Zowel op Aruba als op Curaçao hebben muziekliefhebbers zich verenigd in een kunstkring om het muziekleven te stimuleren. In samenwerking met de culturele centra en de Vereniging van Geëmployeerden van de Koninklijke Shell (V.G.K.S.) worden buitenlandse artiesten geëngageerd, die anders voor een optreden op de eilanden geen belangstelling zouden hebben.

 

@: Kunstonderwijs

wordt gegeven aan de Curaçaosche Akademie voor Beeldende Kunsten. De academie opende voor het eerst haar poorten op 4 juni 1969. Zij ressorteert onder de Dienst Onderwijs en Cultuur van het bestuur van het Eilandgebied Curaçao. De leerlingen hebben de mogelijkheid van keuze tussen een vrije en een gebonden afdeling. De vrije afdeling bestaat uit: vrij tekenen en schilderen, fotografie, keramiek en drama. De gebonden afdeling omvat de opleidingen algemeen beeldende en grafische vormgeving en architectonische vormgeving. Het aantal leerlingen voor alle afdelingen bedroeg in totaal in het jaar 1983: 118.

 

@: Kunuku

is de algemene naam voor het landelijke gebied van de Benedenwindse Eilanden, al of niet in gebruik voor landbouw of veeteelt. Het woord is afgeleid van het Indiaanse conuco, een naam later overgenomen door de Spanjaarden in de Antillen en Venezuela. Kunuku betekent ook een stuk landbouwgrond al of niet in gebruik.

 

@: Kurioso
zie @: Volksgeneeswijzen.

 

@: Kuststation
zie @: Curaçao Radio.

 

@: Kwal

(Papiamentu luna di awa) is de naam voor twee verschillende groepen van dieren, de echte kwallen en de ribkwallen. De echte kwallen of jellyfishes (Scyphomedusae en Hydromedusae) behoren evenals zeeanemonen en de koralen tot de holtedieren. Zij bezitten tentakels met kleefcellen en netelcellen, waarmee zij hun prooi vangen. Bijna alle kwallen maken een generatiewisseling door: zij geven hun geslachtsprodukten af en uit het bevruchte ei ontwikkelt zich een vastzittende poliep, die zich door spruitvorming kolonievormig kan uitbreiden. Bij bepaalde poliepindividuën ontstaan aan de top een aantal onder elkaar gelegen tentakelkransen, die zich afsnoeren en als kwalletjes een zelfstandig leven gaan leiden. Verreweg de meeste soorten blijven klein (minder dan 1cm doorsnee), maar enkele soorten worden groter. De meeste soorten treft men aan in het rustige water van baaien, waar ze door pulserende bewegingen van de schijf zich een weg door het water banen. In de lagunen komt de vrij grote lagunenkwal (Cassiopea) voor, die maar zelden zwemt en bijna doorlopend op zijn rug op de bodem ligt te pulseren. Deze schijfkwal heeft een bruin-groene kleur, die veroorzaakt wordt door eencellige algjes (Zoöxanthellen), die in de kwalleven en die met de kwal in symbiose leven. Het netelgif van deze lagunenkwal is voor de mens op de huid nauwelijks waarneembaar.

Een kwal van afwijkend type is het beruchte Portugese oorlogsschip (Physalia arethusa) of Portuguese man of war, die een brandende pijn veroorzaakt zodra men ermee in aanraking komt. Eigenlijk is het geen meduse, maar een kolonie poliepen, die drijvende wordt gehouden door een met gas gevulde blaaspoliep. Deze lila blaas kan 30 cm groot worden. De paarse kolonie die eronder hangt, bestaat uit verschillende typen poliepen: sommige voor de afweer, andere voor de voeding of de voortplanting. Het zijn de afweerpoliepen, die bij de mens zware brandwonden kunnen veroorzaken, wat in ernstige gevallen gepaard gaat met shock. Zelfs de ingedroogde tentakels van aangespoelde dieren kunnen nog brandwonden veroorzaken. De kwalkolonie voedt zich zowel met klein plankton als ook met visjes, die door het zware netelgif gedood worden. Dikwijls zwemt een zwart en zilver gekleurd visje (Nomeus gronovi) argeloos tussen de lange tentakels rond; dit visje is niet immuun voor het netelgif, maar schijnt met zijn slijmcellen een stof af te geven, die maakt dat de netelcellen niet afgeschoten worden. Betrekkelijk ongevoelig voor het netelgif zijn de zeeschildpadden, die (met de ogen gesloten) de Portugese oorlogsschepen verslinden. Een andere roofvijand is het tere, lilakleurige drijvende slakje janthina, dat zomaar ergens aan de talloze malen grotere kwal gaat zitten knabbelen. Doordat de grote, met gas gevulde blaas boven het water uitsteekt, wordt de kolonie door de passaatwinden westwaarts gedreven en is daardoor vooral op de oostelijke kusten der eilanden aan te treffen.

In de Nederlandse Antillen komen nog enkele vertegenwoordigers voor van deze groep kolonievormende blaaskwallen (Siphonophora), zaals de purple sail (Velella spec.), die nogal eens stranden en een enkele maal de gevaarlijk stekende, vrij kleine sea wasp (Carybdea), een cubomeduse.

Ribkwallen of comb jellies (Ctenophora) behoren niet tot de holtedieren, maar vertonen meer verwantschap tot de platwormen. Zij pulseren niet, maar bewegen zich voort met behulp van rijen trilhaartjes (cilia). Sommige soorten zijn bijna kogelrond, andere zijn bandvormig, zoals de mysterieuze, volkomen doorzichtige venusgordel (Cestus spec.).

 

@: Kwartszand

Het kwartszand van Aruba, verweringsprodukt van de kwartsdioriet, is een waardevolle grondstof voor de bereiding van metselspecie en beton. Als ‘zoet zand’ is het in de 1930ger jaren verscheept naar de Curacaosche Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) op Curaçao. Mogelijkheden om dit zand als grondstof voor de glasindustrie te gebruiken zijn wel onderzocht maar zonder resultaat. Ook op St. Maarten komt een van dioriet afkomstig zand voor.

 


De letter L

De letter l is de 12e letter van het Nederlandse alphabet. Zij stamt af van het Semitische woord of aanduiding voor krom (buiging) en prikkelen en is mogelijk geïnspireerd op een Egyptische hyrogliefe, door de Semieten aangepast voor de uitbouw van hun alphabet. Van hieruit ontwikkelden de Grieken hun letter lambda, die de l-klank kwam te vertegenwoordigen. Deze handelswijze werd ook door de Etrusken en de Romeinen overgenomen. Ook deze volkeren namen het teken over ter aanduiding van de l-klank.

In het Nederlands is het gebruik van de l redelijk homogeen zowel als beginletter (lang, leerling, lied, loopstal, luchtvaart) als ergens midden in het woord (beklagen, collectie, diligent). Het gebruik van de dubbele l is, zoals dat in het Nederlands steeds het geval is (de enkele uitzondering daarbij gelaten) ter precisering van de uitspraak van de klinker die ervoor komt: Hetzij een korte stugge of scherpe uitspraak bij een dubbel gebruik van de medeklinker (bolle, ellendig, tellen, zullen) versus een lange aanhouding van de uitspraak als deze medeklinker enkelvoudig wordt gebruikt (celebrant, delen, element, heler). Niet dus zoals het gebruik in de Spaanse taal, waar de dubbele l een j-klank aanduidt (llano: spreek uit op een Nederlandse jano = steppe; callar: op zijn Nederlands kajar = zwijgen). Het Papiamentu kent geen gebruik van de dubbele l, ook niet bij het overnemen van die bepaalde woorden van Spaanse oorsprong. Voor die woorden gebruikt Papiamentu een j, danwel een y (kaya vs calle = straat) Het gebruik van de l in het Engels is zeker gevarieërder. In verscheidene woorden heeft zij de krachtige klank die in het Nederlands en het Papiamentu gewoon is als in love, lower, lockable, lady of ook in vulgar en milk. Maar in verscheidene andere woorden wordt de l wel geschreven, maar niet of nauwelijks uitgesproken: Half  (spreek uit: hèf), would (wud), salmon (salmon met een hele zachte l). In woorden als little en syllable wordt de laatste l helemaal aan het einde van het woord uitgesproken (dus uitspraak is littel; sillebel).

De l is als beginletter nog in goed gebruik in de taal en dat blijft voorlopig waarschijnlijk ook zo; er is geen andere letter die zijn klank benaderd. Met een l als beginletter is dat enorme geografisch gebied waar Curaçao dagelijks mee te maken heeft (Latijs-Amerika), maar ook landen als Laos, Libanon, Liberia, Liechtenstein, Libya en Luxemburg hebben een l als beginletter. Daarnaast befaamde steden als de Engelse hoofdstad Londen en de Amerikaanse stad Los Angeles, ook zeer bekend vanwege de stadswijk Hollywood, het filmcentrum van de wereld. Beroemde namen uit de geschiedenis met een l als beginletter zijn Lenin, de grote leider van de Russische marxistische revolutie, Leonardo da Vinci, schilder van de vermaarde schilderij Mona Lisa, Abraham Lincoln, de bekende Republikeinse Amerikaanse president, die de slavernij in dat land afschaftte, Charles Lindbergh, die als eerste non-stop over de Atlantische oceaan (New York-Parijs) vloog, Louis IV de vermaarde zonnekoning van Frankrijk, Martin Luther, de godsdienstige hervormer uit Duitsland en uit deze encyclopedie onze eigen Pierre Lauffer, één van de grootste schrijvers / dichters uit de Curaçaosche geschiedenis.

 


 

@: Labega, William Frederick Adolphus

(St. Maarten 9 januari 1871 - Curaçao 26 augustus 1937) populair hoofdonderwijzer op St. Maarten, vertrok in 1924 naar de Dominicaanse Republiek, waar hij in San Pedro de Macoris nog 13 jaar onderwijs gaf. Behalve Spaans beheerste hij ook het Nederlands, Engels en Frans. In de laatste drie talen heeft hij in nieuwsbladen menige bijdrage geleverd. Zijn romans en gedichten waren voor die tijd te ‘gedurfd’ om gepubliceerd te worden.

 

@: Lac

Groot binnenwater aan de oostkust van Bonaire (zie @: Bonaire).

 

@: Ladji
zie @: Geep.

 

@: Ladronchi

of damsel fishes (fam. Pomacentridae) komen in een groot aantal soorten langs de kust voor. De jongen zijn steeds feller en soms ook anders gekleurd dan de volwassen dieren. Bekende soorten zijn de beau gregory (Eupomacentrus leucostictus) met zijn als blauwe edelstenen fonkelende stippen, en het sergeant-majoortje of catabalis (Abudefduf saxatilis) met zijn geel-zwarte strepen, die tot in de kleinste rotspoeltjes te vinden is. In ondiep water rondom de Benedenwinden is bijzonder algemeen de ladronchi pretu (Eupomacentrus fuscus). In geval van broeden wordt het terrein door mannetje en wijfje eendrachtig verdedigd, maar omdat het mannetje soms polygaam is, kunnen meer wijfjes in een broedgebied zitten; deze wijfjes zijn echter weinig tolerant ten opzichte van elkaar. Het zijn gemakkelijke aquariumvissen, alleen zijn de meeste soorten tegenover soortgenoten vrij onverdraagzaam.

 

 @: Laet, Ioannes de

(Antwerpen 1582 - 1649) was evenals zovele andere prominente figuren uit het einde der 16de en het begin van de 17de eeuw van Zuid-Nederlandse afkomst. Als vurig Gomarist (volgeling van Franciscus Gomarus: Januari 30 1563 - Brugge: Januari 11 1641 of 43) en contra-remonstrant (remonstrant = volgeling van Jac. Arminius - 1560-1609 - remonstratie: bezwaarschrift in 1610 door de Arminianen aan de Staten van Holland ingediend) had hij zittmg in de synode van Dordrecht. Wegens zijn ijveren voor de oprichting van een West-Indische Compagnie werd hij spoedig tot bewindhebber van deze instelling gekozen, een functie die hij vele jaren vervulde. Zijn gedegen kennis, grote ervaring en bezonken oordeel maakten hem tot één van de toonaangevende geleerden van zijn tijd in de Verenigde Nederlanden, een man die het zelfs aandurfde met de beroemde Grotius te redetwisten over de oorsprong van de Indianen in Amerika. Hij publiceerde een aantal delen in de zogenaamde Elsevierse Respublica, staatkundige en aardrijkskundige beschrijvingen van verscheidene landen. Voor het Caribisch gebied en de West-Indische Compagnie heeft hij zich roem verworven met de publikatie van twee boeken, Nieuwe Wereldt en Iaerlyck Verhael.

De Nieuwe Wereldt ofte Beschrijvinghe van West-Indiën verscheen op een zeer gunstig moment, in 1625, toen de jonge West-Indische Compagnie haar vleugels begon uit te slaan. Na een aanvankelijk gereserveerde houding van Hunne Hoog Mogenden werd het werk ten zeerste door hen geprezen. De zeer fraaie kaarten, gegraveerd door de bekende Hessel Gerritsz droegen zeker bij tot de populariteit van dit werk dat als het ware een handboek werd voor de Nederlandse zeeman in de Nieuwe Wereld. Met toestemming van de auteur Dierick Ruyters nam De Laet verscheidene gegevens van diens Toortse der Zeevaert over, met het gevolg dat Ruyters’ werk werd overschaduwd. Het werk kreeg al een herdruk in 1630 en weldra zagen vertalingen het licht. In 1633 werd een Latijnse versie gepubliceerd onder de titel Novis Orbis, seu Descriptio Indiae Occidentalis en in 1640 verscheen een Franse editie. Niet voor de zeeman maar voor de historicus is van nog veel groter belang De Laets Historie ofte Iaerlyck Verhael van de Verrichtinghen del’ Geoctroyeerde West-Indische Compagnie. Dit werk, dat in 1644 te Leiden verscheen, beschrijft de activiteiten van deze compagnie vanaf het jaar 1623 tot aan het jaar 1636 in dertien boeken. Het werk is gebaseerd op een grondige studie van het toenmalige archief van de West-Indische Compagnie en daar dit archief ten dele is verloren gegaan, werd De Laets werk een eerste bron. Het vormt bijvoorbeeld vrijwel onze enige bron voor de geschiedenis van de "conqueste" van Curaçao, Aruba en Bonaire, voor zover dit de Nederlandse zijde aangaat. Historisch onderzoek heeft bewezen, dat De Laet betrouwbaar is. Dit werk, dat geen herdruk beleefde in de 17de eeuw, werd in onze tijd opnieuw uitgegeven in de serie van de Linschoten Vereeniging, verzorgd door S.P. l’Honoré Naber (1931-1937), terwijl ook diverse vertalingen verschenen. Hoewel het werk de verscheidene expedities, uitgerust door de West-Indische Compagnie met bestemming West-Indië nauwkeurig vermeldt, concentreert de auteur het grootste gedeelte van zijn aandacht op de Braziliaanse verovering in 1630 en komt het Caribisch gebied meer op de achtergrond van zijn belangstelling. Voor onze kennis van dit gebied voor de genoemde jaren blijft het evenwel onmisbaar.

Werken:

  • Iaerlyck Verhael van de Verrichtinghen der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie in derthien Boecken (1644), heruitgegeven door S.P. l’Honoré Naber, Linschoten Vereeniging, XXXIV, XXXV, XXXVII en XL (1931-1937);
  • Fragmentarische gegevens in de werken van: A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden, 12 dln, (1852-78), Aitzema, Saecken van Staet en Oorlogh, C. Ligtenberg, Willem Ussclinx, (1914);
  • Nicolaes van Wassenaer, Historisch Verhael.

 

@: Lagarú

Metgezel van èzè, een moeilijk te definieren geestesverschijning, die het op de kinderen gemunt heeft. De benaming lagarú roept associaties op met de loup garou (= weerwolf) die o.a. in het Haïtiaanse volksgeloof wordt aangetroffen. Tegenwoordig wordt lagarú vooral gebruikt ter aanduiding van een ongewenst individu of een geldwolf.

 

@: Lagedrukgebied
zie @: Depressie.

 

@: Lago Oil & Transport Company, Ltd.

Een vennootschap opgericht in 1924 naar Canadees recht; eigenaresse van een petroleumraffinaderij op Aruba. Later werd de vennootschap een dochtermaatschappij van de Pan American Petroleum & Transport Company en na deel uitgemaakt te hebben van de Standard Oil Company of Indiana als gevolg van de overname van Pan American door deze maatschappij, in 1932 gekocht door de Standard Oil Company of New Jersey, het bekende Esso Concern (nu Exxon).

Op 17 november 1927 werden de vastewalfaciliteiten in gebruik genomen voor het overlaadstation voor de ruwe aardolie gewonnen uit het Meer van Maracaibo. In 1927 werd besloten een raffinaderij te bouwen; op 29 januari 1929 werd een aanvang gemaakt met de raffinage. De bouwperiode van het raffinage-complex duurde van 1928 tot 1931. In 1938 en 1942 vonden belangrijke uitbreidingsinvesteringen plaats. De periode sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt gekenmerkt door modernisering en reorganisaties bij het bedrijf. Begin 1970ger jaren is de installatie van een centraal côntrôlehuis gerealiseerd, waarin het gehele raffinageproces met behulp van computers, closed-circuit-T.V.’s en andere elektronische hulpmiddelen, tot in de kleinste details kan worden gevolgd en geregeld; de investeringen hiermee gemoeid bedroegen rond $ 2,5 miljoen. Tevens is er een tweede haven gebouwd, geschikt voor tankers van grote omvang, tezamen met een installatie waarmee op elektronische wijze de oliestroom door het bedrijf, en van en naar de havens kan worden gevolgd en geregistreerd.

De constructie van een ontzwavelingsinstallatie, met een capaciteit van 75.000 barrels per dag, werd in 1974 afgerond; de totale investering bedroeg US$ 220 miljoen. De ontzwavelingsinstallatie was nodig gebleken vanwege de voorwaarden die de Verenigde Staten stellen aan olieprodukten in verband met het milieubeleid. Gedurende de laatste jaren is er ook geïinvesteerd in verschillende projecten voor energiebesparing binnen het bedrijf, gezien de sterk gestegen energiekosten sinds 1973. De raffinaderij met haar 35 raffinage-eenheden verwerkt rond 300.000 barrels per dag. Eind 1982 waren er 1.350 mensen in dienst van de Lago. De Lago-concessie beslaat een oppervlakte van ongeveer 11 km2 en strekt zich langs de zuidkust uit van de Commandeursbaai tot Punta Basora. Hier treffen we de raffinaderij, het uitgestrekte tankpark en de zogenaamde Lago Colony: een bungalowwijk voor de in hoofdzaak buitenlandse employés.

In november 1984 deelde de directie van de Lago mede dat de raffinaderij per 31 maart 1985 zal sluiten. Venezuela had besloten - door de rem van de O.P.E.C., de Oil Producing & Exporting Countries, op de olieproduktie - de voorkeursprijs die Aruba voor de olie betaalde, af te schaffen. De Lago die door de teruggelopen vraag naar olieprodukten en het verouderde systeem van de raffinaderij met verliezen begon te kampen, trok hieruit de voor Aruba rampzalige consequëntie.

 

@: Lagrima di San Pedro
(lett.: tranen van Sint Petrus), kleine, grijze pitjes die men een kind om de hals laat dragen opdat de tandjes zonder moeilijkheden zullen doorkomen.

 

@: Lagún

(1) Kleine baai aan de oostkust van Bonaire; door haar ligging aan de ruwe oostkust is zij slechts bij kalme zee bereikbaar voor kleine vissersboten.

(2) dorp dichtbij Westpunt (Curaçao), ook bekend van haar baai die evenals die van Bonaire, Lagun is genaamd.

 

@: Lampe, Juan Chahaya / @: Padú Lampe

beter bekend als Padú Lampe (Aruba 26 april 1920) pianist en componist van Antilliaanse dansmuziek, een der populairste Arubaanse musici, die door zijn grammofoonplaten ook buiten de zijn geboorte-eiland en de overige Nederlandse Antillen bekendheid verworven heeft onder zijn artiestennaam Padú del Caribe. Zijn loopbaan is wellicht het sprekendste voorbeeld van de gave van vele Antilliaanse musici om met beperkte middelen een eigen stijl te ontwikkelen. Samen met Rufo Wever heeft hij muziek en tekst van het Arubaanse volkslied Aruba dushi tera verzorgd (zie ook @: Beeldende Kunsten).

 

@: Lampe, Willem Frederik Meinhardt

(Aruba 5 december 1896 - 21 februari 1973) Antilliaans ambtenaar en politicus, van 1955 tot 1967 gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen te ‘s-Gravenhage. Zijn memoires publiceerde hij in 1968 (In de schaduw van de gouverneurs) en in 1971 (Buiten de schaduw van de gouverneurs).

 

@: Land

is in staatsrechtelijke zin de benaming die in het Statuut voor ieder der rijksdelen van het Koninkrijk wordt gebruikt. In de Nederlandse fntillen wordt het in vele samenstellingen, gebezigd: landsbesluiten, landsburgerschap, landsverordeningen.

 

@: Landbouwcoöperatie Scherpenheuvel

6 juni 1964 opgericht door een groep kleine landbouwers met het doel het bedrijven van landbouw en veeteelt op Curaçao. De coöperatie heeft van het gouvernement een stuk grond van 25 ha te Scherpenheuvel in huur gekregen. Het terrein wordt thans voornamelijk gebruikt voor tuinbouw. Een gedeelte der gronden is overgedragen aan particulieren die los van de coöperatie tuinbouw en veeteelt bedrijven. De coöperatie zelf omvat nog ongeveer 10 ha.

 

@: Landbouwmechanisatie

vindt in de Nederlandse Antillen vrijwel alleen toepassing bij het rooien van bomen en struiken om de grond plantklaar te maken en het ploegen van het terrein vóór het invallen van de regen. Om op Curaçao de landbouw te stimuleren, stelt de L.V.V., de dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij voor deze doeleinden rupstrekkers beschikbaar tegen 60% van de kostprijs. Vele tuinbouwers schaffen zelf voornamelijk Japanse tuinbouwtrekkers (tillers) aan.

 

@: Land- en tuinbouw / @: Landbouw / @: Tuinbouw.

Overzicht van het behandelde

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
  • Hoofdstuk 2: Rapporten betreffende de landbouw in de periode 1900-1965
  • Hoofdstuk 3: Toestand van de akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt sedert 1965
  • Sectie 1: Akkerbouw
  • Sectie 2: Tuinbouw
  • Sectie 3: Fruitteelt
  • Hoofdstuk 4: Stimulering
  • Sectie 4: L.V.V.
  • Sectie 5: S.O.L.T.U.N.A.
  • Hoofdstuk 5: Landbouwkundig onderzoek

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Land- en tuinbouw Hoofdstuk 1: Inleiding

Na de afschaffing van de slavernij in 1863 ontstond in de Nederlandse Antillen, evenals elders in het Caribischgebied, op landbouwkundig terrein de tegenstelling tussen plantagelandbouw en klein bedrijf (peasant farming). Uit de Compagnieplantages waren door usurpatie vele particuliere plantages ontstaan door de individuele eigenaren geëxploiteerd en daarnaast kwam nu de kleine landbouwer op, de peasant farmer, die als freeholder een stukje grond in ‘eigendom’ bezit of als pachter (leaseholder) over een huurgrondje beschikt. Door de geringe afmetingen (zie Grondbezit) en het marginale karakter van de gronden, de klimatologische omstandigheden, de extensieve cultuurmethoden en het gebrek aan kennis, konden deze kunuku-bedrijfjes nauwelijks in het levensonderhoud van de kleine landbouwer en zijn gezin voorzien. Vooral op de Bovenwindse Eilanden vormen onduidelijke rechtsverhoudingen met betrekking tot de grond een grote belemmering voor de ontwikkeling van de landbouw en veeteelt. De grootte en begrenzing van vele percelen zijn niet vastgelegd, terwijl in het geval van onverdeelde boedels de situatie geheel ondoorzichtig kan zijn, zowel bij de eigendoms- als bij de pachtgronden. Vanouds zijn de plantages en kunuku’s op de Nederlandse Antillen gemengde bedrijven, waar zowel veeteelt als akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt bedreven wordt.

Terwijl elders in het Caribisch gebied agrarische produktenverwerkende industrieën ontstonden, ontwikkelde de landbouw / veeteelt zich in de Nederlandse Antillen in de richting van exportprodukten. Aloë, dividivi, houtskool, geitevlees, geitevellen werden de hoofdprodukten voor de planters, die ook de produkten van de kleine landbouwers opkochten. De komst en ontwikkeling van de olie-industrie veroorzaakte de bekende trek naar de stad waar hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden lokten. De stijgende levensstandaard schiep vraag naar buitenlandse landbouwprodukten en levensmiddelen, ten koste van het lokale produkt.

 

Land- en tuinbouw Hoofdstuk 2: Rapporten betreffende de landbouw in de periode 1900-1965

Onder het bestuur van Gouverneur J.O. de Jong van Beek en Donk (1901-1909), die veel belangstelling had voor de landbouwkundige ontwikkeling, werden achtereenvolgens drie rapporten uitgebracht, waarin, vooral voor Curaçao, de toestand op het gebied van landbouw, veeteelt en de natuurlijke hulpbronnen ernstig werd bekritiseerd en wegen voor verbetering werden aangegeven. F.A.F.C. Went publiceerde zijn Rapport omtrent den toestand van land- en tuinbouw op de Nederlandsche Antillen in Koloniaal Verslag 1902. D.H. Havelaar’s Rapport betreffende ... een onderzoek in het belang der cultures op de Nederlandsche Antillen... verscheen in Koloniaal Verslag 1903, terwijl R.H. Rijkens in 1905 en 1907 een verhandeling publiceerde onder twee verschillende titels, respectievelijk De landbouw van Curaçao en zijne toekomst en Curaçao: Verbetering van den landbouw aldaar als middel ter verheffing der kolonie (maandblad Cultura, Tiel). Genoemd in dit verband moeten ook worden de boeken van het Nederlandse parlementslid H. van Kol: Een noodlijdende kolonie (1901) en Naar de Antillen en Venezuela (1904), het artikel van P.A. Euwens: De tegenwoordige economische toestand van Bonaire (1907, Neerlandia), en het Rapport van de door den Gouverneur van Curaçao benoemde Commissie, ten einde den toestand van het groot landbouwbedrijf in de kolonie na te gaan, de oorzaken van den achteruitgang der plantagehouders op te sporen en middelen tot verbetering aan te geven (Koloniaal Verslag 1910) .

Het was vooral Havelaars rapport dat in 1904 en volgende jaren de aanleg van grotere en kleinere dammen in de rooien en langs de hellingen, ten behoeve van de waterconservatie, heeft gestimuleerd. Zijn studie was voor L.C. van Panhuys aanleiding tot het schrijven van Het rapport Havelaar en de toestanden in de kolonie Curaçao (1905, T.K.N.A.G.); dit artikel bevat een ontwerp-verordening voor het houden van schapen en geiten met het oog op de conservering van bodem en vegetatie. Op grond van een advies van I.G.J. Kakebeeke in zijn Rapport omtrent de landbouw op Curaçao (1912) en in verband met plannen tot het introduceren van de dry-farming methode op Curaçao maakte G.B. Dussel in 1913 een reis naar de Verenigde Staten en schreef over zijn bevindingen in het Rapport omtrent dry-farming (Koloniaal Verslag 1914). Genoemd moet ook worden het in 1920 door Gouverneur O. L.Helfrich ingediende plan voor de ontwikkeling van landbouw en veeteelt, vooral op Curaçao.

Uit iets latere tijd dateert het onderzoek van de Fransman B. Havard Duclos, expert van de Food and Agriculture Organization (F.A.O.) van de Verenigde Naties bij de Caribische commissie, die zijn bevindingen vastlegde in Report on agricultural development in the Netherlands Antilles, 1954 (1. Agricultural development plan for Bonaire; 2. Reafforestation plan for Aruba; 3. Proposals for rehabilitating the agricultural economy of the Netherlands Windward Islands of St. Martin, St. Eustatius and Saba). Achtereenvolgens verschenen voorts van E.S. Pieters Kwiers een rapport over de ontwikkeling van de landbouw en veeteelt op Bonaire (1956) en van M.E.A. Meister in hetzelfde jaar Rapporten betreffende landbouw, veeteelt en visserij op de Bovenwindse Eilanden. De Technisch Economisch Raad voor de Nederlandse Antillen (T.E.R.N.A. 1954 t/m 1962), die onder leiding stond van P.C. Henriquez, bracht een Rapport over een onderzoek naar de mogelijkheid van een ontwikkelingsplan voor Bonaire (1956). Jac. P. Thijsse, algemeen adviseur van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, ondernam daarop in opdracht van T.E.R.N.A. een reis naar Bonaire en de Bovenwindse Eilanden ter bestudering van de mogelijkheden tot verhoging van het welvaartspeil, met speciale aandacht voor het toerisme. Het in hetzelfde jaar verschenen Rapport over een studiereis naar Bonaire en de Bovenwindse Eilanden bevat ondermeer hoofdstukken over vegetatie-, bodem- en waterconservering, het geitenprobleem en natuurbescherming. T.E.R.N.A. gaf in 1960 een Toelichting bij de plannen voor Bonaire en de Bovenwindse Eilanden (driejarenplan), en R. Winkel schreef in dat jaar een Rapport over de ontwikkeling van de landbouw, veeteelt en visserij op Curaçao. In 1962 en begin 1963 deed op verzoek van T.E.R.N.A. en het Bestuurscollege van Bonaire de botanicus M. Arnoldo Broeders een onderzoek op Bonaire over de mogelijkheden met betrekking tot herbebossing. Zijn ervaringen verschenen in de Handleiding tot het gebruik van inheemse en ingevoerde planten op Aruba, Bonaire en Curaçao (1967, Curaçao).

Het Tienjarenplan Curaçao (februari 1962) vestigde de aandacht op de noodzaak van onderzoekingen en maatregelen met betrekking tot water- en bodemconservatie, het behoud van houtopstanden en het tegengaan van ongecontroleerde extensieve geitenteelt; ook is daarin sprake van een natuurreservaat van minimaal 500 hectare in het gebied van de Sint Christoffelberg, Zevenbergen en Sint Hironimus. In verband met dit Tienjarenplan Curaçao en tevens met het Ontwikkelingsplan Aruba werden in 1963, na een bezoek in 1962, door P.A. Blijdorp en F.F. Leupen adviezen uitgebracht in De landbouw in Curaçao en Aruba; in dit rapport komen de bovengenoemde problemen weer aan de orde. In 1965 bestudeerde de F.A.O. landbouweconoom Mohammed El-Moghazi, in het kader van de technische bijstand van de Verenigde Naties, de economische mogelijkheden van landbouw onder droge klimaatsomstandigheden, op Aruba, Curaç;ao en Bonaire. (Zie @: Bodemonderzoek.)

 

Land- en tuinbouw Hoofdstuk 3: Toestand van de akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt sedert 1965

  • Sectie 1: Akkerbouw

Men kent in de Nederlandse Antillen geen akkerbouw op grote schaal. De gewassen die als akkerbouwgewassen beschouwd kunnen worden zijn: sorghum, aloë, watermeloenen, aardnoten en bonensoorten. De watermeloen (patía - Citrullus vulgaris), wordt in regenrijke jaren op alle eilanden verbouwd en plaatselijk verkocht in supermarkets en markten. De watermeloensoorten gedijen goed in semi-aride landen en brengen onder de Antilliaanse omstandigheden, indien men wat aanvullende irrigatie geeft, bij een groeiduur van 3-4 maanden per ha 20-25 won aan vruchten op. De aardnoot (pinda, penda, peanut - Arachis hypogaea), werd van oudsher op de Benedenwindse Eilanden geteeld en stond vroeger zelfs als Curaçaosche amandel of Kersoussie bekend. De pinda gedijt het beste op Aruba en wordt daar nog steeds aangeplant; de verse vrucht wordt geroosterd of gekookt gegeten. Op de Bovenwindse Eilanden worden op kleine schaal voornamelijk de volgende gewassen verbouwd: maïs, sorghum, sweet potatoes (zie @: Ipomoea), yams, cassave, tajer, tannia, arrowroot en pinda.

 

  • Sectie 2: Tuinbouw

In aride gebieden als de Nederlandse Antillen is, zonder speciale voorzieningen, tuinbouw alleen goed rendabel in natte jaren. In droge jaren, wanneer het weinige water, dat men op kan pompen, dan bovendien nogal brak kan zijn, kan men slechts een paar soorten groente telen, zoals warmoes (snijbiet), rode biet, spinazie (Baesella alba), meloen, patía (watermeloen), pompoen en guiambo (ocra). Op de Bovenwinden, waar gemiddeld wat meer regen valt dan op de Benedenwinden, zijn meer mogelijkheden voor tuinbouw, met name op Saba waar het in de hogere delen bovendien koeler is: aardappelen, tomaten, aubergines, allerlei koolsoorten, enz., zonder dat er speciale bevloeiing nodig is. Op de Benedenwinden is voor een rijke oogst wel bevloeiing nodig. Het putwater wordt doorgaans met windmolens of motorpompen opgepompt. De hoeveelheden water, die men kan oppompen, zijn echter beperkt, zoals recente grondwaterstudies hebben aangetoond. Na lange droogteperioden, zoals die op de Benedenwinden vaak voorkomen, drogen vele putten op en andere verzilten sterk. Dit geeft sterke fluctuaties in de produktie hetgeen afzet-problemen met zich meebrengt. Door de introductie van nieuwe technieken, zoals de druppelirrigatie, wordt minder water verbruikt. Dit systeem wordt nu vrij algemeen gebruikt en geeft naast waterbesparing ook een aanzienlijke arbeidsbesparing, terwijl hiermee terreinen kunnen worden geïrrigeerd die met het vorensysteem niet of zeer moeilijk irrigeerbaar waren. Voor zware, weinig poreuze gronden blijft het gevaar bestaan, dat bij verdamping van zilt bevloeiingswater, ophoping van zouten in de bovenste bodemlaag kan ontstaan. Maar indien voldoende water van goede kwaliteit beschikbaar is, kunnen ook op de Benedenwinden tomaten, komkommers, paprika’s, pepers, kouseband, zoete aardappelen, chinese kool e.d. gekweekt worden. Om aan de vraag naar water verder tegemoet te komen zal in de toekomst wellicht gezuiverd rioolwater van belang kunnen worden.

Een andere methode om het hoofd te bieden aan het tekort aan goed water, is het systeem van kascultuur of hydroponics, waarbij het verlies van water door verdamping, tot een miminum teruggebracht wordt. Bij Paradijs (Aruba) werd in 1957 grintcultuur in kassen opgezet, maar dit hydroponic-project werd stopgezet omdat het niet rendeerde. Er is daar thans een nieuw project van 2 ha opgezet, waar de zogenaamde Nutrient Film Technique (N.F.T.) wordt toegepast, evenals op de Curaçaosche plantage Groot Sint Joris: vanuit een centraal reservoir laat men water met voedingsstoffen door het systeem circuleren. De planten staan met hun wortels direct in de voedingsoplossing. Het geheel staat afgeschermd tegen te felle zon.

Op Boka Sint Michiel (Curaçao) werd in 1983 gestart met het 1 ha grote Aquasol-project: men gebruikt daar een variant van de N.F.T., met speciale kunststofplaten in plaats van glas, elektrisch gekoeld en het hele systeem via een computer geregeld. Bij S.O.L.T.U.N.A. (Curaçao) werd in 1983 een kas gebouwd van 2800 m², waar de planten in de volle grond staan ten einde de buffercapaciteit van de grond te benutten, terwijl een voedingsoplossing via een automatisch geregeld druppel-irrigatiesysteem bij de planten gebracht wordt. Koeling vindt via verneveling van water plaats.

Alle methodes om het gebrek aan water te ondervangen zijn kostbaar, waardoor de kostprijs van groenten steeds hoger ligt dan in de omringende landen. Daardoor kunnen alleen weinig-houdbare produkten met de import concurreren. In de Nederlandse Antillen wordt ca. 10% van de totale omzet aan groenten lokaal geproduceerd.

 

  • Land- en tuinbouw Sectie 3: Fruitteelt

Fruitteelt wordt bedreven in de hofjes en, in het klein, op eigen erf. De meest geteelde vruchten op de Benedenwinden zijn kokosnoten, mango, mispel, papaya, guyaba, banaan, zuurzak, tamarinde en citrussoorten zoals lemoen en larahá (Curaçaosche sinaasappeltjes). De meest geteelde vruchten op de Bovenwindse Eilanden zijn diverse soorten bananen, citrussoorten, mango, avocado, zuurzak, guave, cocosnoten en broodvruchten.

 

Land- en tuinbouw Hoofdstuk 4: Stimulering

Stimulering van de landbouw geschiedt door de overheid via hun L.V.V.-diensten (op de Benedenwinden) of via speciale projecten (op de Bovenwinden) en ten tweede door S.O.L.T.U.N.A., een particuliere stichting.

  • Sectie 4: L.V.V.

Op de drie Benedenwinden werden door de eilandsoverheid diensten voor Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.’s) opgericht. Deze diensten werken nauw samen, waartoe in 1973 een samenwerkingsovereenkomst gesloten werd. Op het gebied van agrarische ontwikkeling worden de volgende activiteiten ontplooid:

  • het geven van voorlichting, zowel in het veld als op de eigen proefbedrijven. Bovendien wordt op Curaçao het krantje Agronoticia uitgegeven;
  • het geven van adviezen aan de Bestuurscolleges;
  • het bestrijden van insekten en planteziekten;
  • het verkopen van zaden, meststoffen en insekticiden;
  • het fokken van geselecteerde veerassen;
  • het in stand houden van een zaadcollectie;
  • het verhuren van landbouwwerktuigen;
  • het aanleggen en onderhouden van dammen;
  • het voorbereiden en uitvoeren van projecten;
  • het verrichten van bodemonderzoek, inclusief hydrologisch onderzoek;
  • vergelijkend onderzoek bij rassen van gewassen;
  • medewerking aan agrarische planning. 

Daarnaast verrichten de L.V.V.’s ook werk op ander gebied, zoals:

  • het aanleggen en onderhouden van voorzieningen ten behoeve van de visserij, zoals vissersverblijven, winches en scheepshellingen;
  • het aanleggen en instandhouden van plantsoenen;
  • het exploïteren van een plantenkwekerij;
  • het beheren van de dieren- plantentuin (op Curaçao);
  • het schoonmaken van baaien.

 

  • Land- en tuinbouw Sectie 5: S.O.L.T.U.N.A.

In 1973 werd op initiatief van een aantal bedrijven gesticht de Stichting tot Ontwikkeling van Land- en Tuinbouw in de Nederlandse Antillen (S.O.L.T.U.N.A.). De doelstelling is:

  • het verzorgen van opleiding voor het zelfstandig en op commerciële basis bedrijven van land- en tuinbouw;
  • het geven van voorlichting en advies over bedrijfsvoering in land- en tuinbouw;
  • het geven van voorlichting en advies betreffende marketing van de produkten;
  • het voeren van een eigen land- en tuinbouwbedrijf.

Met het oog op dit laatste punt werd een terrein van 9.5 ha bij Zapateer (Curaçao) in exploïtatie genomen. Aanvankelijk was het de bedoeling om hier een aantal zelfstandige tuinders rond een kernbedrijf te groeperen, doch deze gedachte moest men laten varen toen bleek, dat er slechts voldoende irrigatiewater voor 1½ ha was. Deze oppervlakte wordt gebruikt voor:

  • het nemen van proeven op het gebied van groenteteelt;
  • het kweken van goed plantmateriaal;
  • het opleiden van jonge agrariërs;
  • het bevorderen van de verkoop van tuinbouwprodukten;
  • het doorgeven van resultaten aan geïnteresseerden.

S.O.L.T.U.N.A. houdt zich ook bezig met het introduceren van nieuwe technieken, zoals kasteelt en water-ontzilting door middel van omgekeerde osmose.

 
Land- en tuinbouw Hoofdstuk 5: Landbouwkundig onderzoek

concentreerde zich de laatste decennia op bodemonderzoek, vooral wat betreft de beschikbare hoeveelheden grondwater (hydrologisch onderzoek).

 

@: Landhuizen

(De met een sterretje en in gecursiveerde letters aangeduide landhuizen worden in dit artikel ook apart behandeld. Om snel hier naar toe te navigeren tikke men in de zoekmachine de naam van het betrokken landhuis voorafgegaan door het opschrift ‘landhuis’)

In de Nederlandse Antillen worden hieronder verstaan de herenhuizen op de overwegend niet meer als zodanig geëxploiteerde plantages of hofjes, die te midden van lagere dienstgebouwen veelal op een gunstig gelegen verhoogd terras werden opgetrokken. Het bouwmateriaal is steeds breuk- of koraalsteen, met spaarzame bakstenen details; de hoge zadeldaken werden met Hollandse dakpannen belegd, waarbij het hemelwater via gemetselde goten naar vrijstaande bovengrondse regenbakken werd geleid. Op Curaçao is nog een zeventigtal van dit soort huizen in min of meer redelijke staat overgebleven (al dan niet gerestaureerd), waaronder:

  • 1. een aantal grote, monumentale 18de eeuwse huizen, veelal nog met bijgebouwen (van west naar oost): *Knip, Santa Cruz, San Nicolas, *Groot Santa Martha, *Savonèt, San Juan, *Ascencion, Rif, *Jan Kok, Malpaïs, *Brievengat, Ronde Klip en Klein St. Joris;
  • 2. een groep wat kleinere 18de-, vroeg 19de-eeuwse huizen als: Klein Sta. Martha, Pannekoek, Cas Abou, San Sebastian, Siberie,  Daniël, Groot Piscadera, Jan Thiel, Brakkeput Abou, Sta. Catharina en Groot St. Joris;
  • 3. een aantal dat dateert  uit de latere 19de eeuw, of dat  in de 19de of 20ste eeuw ingrijpend werd vernieuwd als Dokterstuin, Hermanus, Papaya, Groot Sint Michiel, *Klein Sint Michiel, Blauw, Klein Piscadera, Hato, Stenen Koraal, *Zuurzak, Brakkeput Ariba en Mei-Mei, Jan Sofat, Sta. Barbara en Koraal Tabak;
  • 4. tenslotte de kring van grotere en kleinere landhuizen en hofjes uit de 18de en 19de eeuw rond het Schottegat, waar veel kleinere stukken grondgebied bij horen. Voorts (nog steeds van west naar oost): Veeris, *Habai, Koningsplein, Groot Kwartier, Gaïto, Bever, Pos Cabai, *Roi Catochi, Suikertuintje, Bloempot, *Groot Davelaar, Zeelandia, Hèl, Chobolobo, *Girouëtte en Van Engelen.

Aan enkele van de voornaamste wordt hieronder aandacht besteed. Door het nagenoeg opgeven van de landbouw in deze eeuw zijn veel landhuizen voor recreatieve doeleinden in gebruik. De slaven, later de landarbeiders, plachten het landhuis waarvoor zij werkten kas di shon (huis van de heer) of kas grandi (groot huis) te noemen.

  • Landhuis Ascención

  • voormalige Curaçaosche plantage nabij Boka Ascencion, aldus genoemd naar een verdwenen Indiaans dorpje uit de Spaanse periode. Het hoog gelegen landhuis uit ca. 1700, dat met zijn door lage vierkante hoektorens ingesloten voorterrein bewaard was gebleven, is na aankoop door de Stichting Monumentenzorg Curaçao in 1963 gerestaureerd (architect S. Alexenko) en in 1965 ingericht tot vormingscentrum van de Koninklijke Marine.
  • Landhuis Brievengat

  • vermoedelijk vroeg-18de-eeuws Curaçaosch landhuis, dat op één van de verlaten grotere plantages uit de Oostdivisie is overgebleven. Het landhuis, met zijn door lage hoektorens gemarkeerde hoge voorterras en zijn door in- en uitgezwenkte gevels afgesloten en van sierlijke dakkapellen voorziene langgerekte kern, met aan de voorzijde open galerijen, alsmede bijgebouwen, is één der voornaamste van het eiland. Dankzij schenkingen kon het in 1954 op het laatste ogenblik aan de nieuwe opgerichte Stichting Monumentenzorg Curaçao worden overgedragen en gerestaureerd (architect S. Alexenko). Het landhuis wordt thans geëxploiteerd door de heren A.J. de Swart en S.M. Hoetjes en wordt onder andere als toeristencentrum gebruikt.
  • Landhuis Girouette
    voormalige kleine plantage op Curaçao. Het landhuis (± 1750), begin 1970 door de eigenaar D. Debrot gerestaureerd (architect S. Alexenko), met de karakteristieke indeling van een grote zaal in het midden en aan weerszijden galerijen, wordt thans als woonhuis gebruikt.
  • Landhuis Groot Davelaar
    curieus onderkelderd huis op Curaçao in classicistische vormen met achtkante hogere kern, aan vijf zijden omgeven door een gesloten en een open galerij, en met breder voorgedeelte. Het huis zou in 1864-‘67 gebouwd zijn voor de uitgeweken Venezolaanse revolutionair, later regeringshoofd Guzman Blanco 
  • Landhuis Groot Santa Martha
    vroeger als Groot Sint Maarten één der voornaamste zoutplantages. Het landhuis met aanbouwen, stallen, magazijnen en koralen, kwam in 1960 in handen van het Eilandgebied Curaçao. Het op een gemetseld terras opgetrokken hoofdgebouw van omstreeks 1700 onderscheidt zich door recht naar voren springende zijvleugels met puntgevels, welke de laatste particuliere eigenaar door een monumentale poort heeft verbonden. Het landhuis wordt als dagverblijf voor geestelijk gehandicapte kinderen gebruikt.
  • Landhuis Habai

  • een van de overgebleven fraaie 18de-eeuwse Curaçao landhuizen, op de vroeger het Schottegat omzomende plantages, die vaak het karakter van buitenverblijven hadden. Aan de voorzijde heeft het landhuis een open bogengalerij; het hoge zadeldak heeft uit- en ingezwenkte geveltoppen. In het laatste driekwart der 19de eeuw was Haba(a)i een in de wijde omgeving bekend pensionaat (zie ook @: Bisdom Willemstad). Het landhuis wordt thans gebruikt voor concerten, voordrachten, lezingen enz.
  • Landhuis Jan Kok
    aantrekkelijk voorbeeld van een onderkelderd oud landhuis met aansluitende schuurgebouwen zonder kenmerkende stijldetails nabij St. WiIlibrordus, dat in de 1960ger jaren door de vroegere eigenaar S.W.M. Diemont weer in goede staat is gebracht en thans als recreatieoord wordt geëxploïteerd.
  • Landhuis Klein St. Michiel
    aan de zuidzijde van Boka Samí (St. Michielsbaai). Het landhuis is in 1862 herbouwd, zoals blijkt uit het jaartal in de oostelijke topgevels; vertoont in de hoofdtrekken van het traditionele type bij een vrijer opgevatte plattegrond, zoals onder meer de aan de noordzijde uitgebouwde vleugel onder eigen zadeldak met puntgevel; daarnaast heeft het typerende details uit de bouwtijd zoals de opengewerkte borstweringen van het ingangsterras.
  • Landhuis Knip
    een in 1693 uitgegeven plantage in het uiterste westen van Curaçao, is eind 1960ger jaren eigendom van de eilandelijke overheid geworden. Het mooi gelegen landhuis met nog een hoektoren op het voorterras en daarbij aansluitend opmerkelijk stalgebouw, is in verval geraakt. In de huidige staat draagt dit huis, behoudens de zaal, hoofdzakelijk een begin 19de-eeuws stempel; in 1939 vond een wijziging plaats door het openen van twee zijden van de galerijen, die daar toen van getoogde raamopeningen werden voorzien. In 1984 is met de restauratie ervan aangevangen om er een dependance van de Afdeling Jeugdzaken van het Eilandgebied Curaçao in te vestigen.
  • Landhuis Roi Catochi
    oorspronkelijk de plantage Rust en Vreugd, gaaf voorbeeld van een hofje nabij WiIlemstad. Het vermoedelijk van omstreeks 1833 daterende huis heeft de late vorm van een rechthoekige kern met verdieping onder een flauw hellend dak; is geheel omgeven door gesloten lagere galerijen. Het huis geniet mede bekendheid door de in 1954 hier gehouden Ronde Tafel Conferentie ter vastlegging van de autonomie van de Nederlandse Antillen. Een nieuwe villawijk in de omgeving (Rooi Catootje) is naar dit huis genoemd.
  • Landhuis Ronde Klip

het enige landhuis dat ca 1860 in monumentaal classistische trant werd opgetrokken. Heeft ook als decor gediend voor het maken van een Amerikaanse speelfilm; werd toen speciaal voor de gelegenheid (gedeeltelijk) gerestaureerd

  • Landhuis Savonèt
    één der eerste, grootste en voornaamste voormalige.plantages op Curaçao, vóór 1661 aangelegd. Het landhuis, standaardtype van een middelgroot landhuis, met 18de-eeuws aspect, ligt hoog temidden van uitgebreide belendende personeelshutten, magazijnen, koralen en stallen, welke o.a. thans ingericht zijn als kantoor voor het beheer van het Christoffelpark. Aan de overkant van de weg naar Westpunt ligt nog een duidelijk herkenbare nederzetting van bij het landhuis behorende slavenhuisjes.
  • Landhuis Zuurzak
    één der oudste plantages op Curaçao; het landhuis, gebouwd omstreeks 1725, verbouwd in 1876, in 1977 gerestaureerd (architect F. Julian); thans ambtswoning van de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao. Op een hoger terras gebouwd, met hoektorens aan de oostzijde, onderscheidt het zich door een patiobouw aan de westzijde. De hoofdingang, vroeger aan de oostzijde, ligt thans door de verkeersontsluiting aan de westzijde.

Aruba heeft alleen zogenaamde kleine landhuizen, als bijvoorbeeld Washington; op St. Eustatius staat de ruïne van het 18de-eeuwse bakstenen landhuis De Veer. (Voor Bonaire en St. Maarten zie @: Architectuur.)

Literatuur:

  • A.H.H.M. Huijgers, Landhuizen van Curaçao (1982);
  • E.A.J. Kamerbeek, Landhuis Ascencion (1980).

 

@: Landingsrechten
zie @: Retributie.

 

@: Landraden

twee in getal, hadden ingevolge art. 117 van het Regeringsreglement van Curaçao van 1865 (Stbl. 1865, nr. 56; P.B. 1865, nr. 18), tot taak, de gezaghebbers van de eilanden die door een gezaghebber werden bestuurd, te weten de eilanden Aruba, Bonaire en de Bovenwindse Eilanden, bij te staan in de uitoefening van het dagelijks bestuur van het eiland. De landraden werden door de stemgerechtigde ingezetenen van het betrokken eiland voor vier jaren gekozen en vormden met de gezaghebber de Raad van Politie. Om de twee jaren trad één der landraden af; aanstonds herkiesbaar (zie @: Bestuursregeling).

Lit.: H.W. Bordewijk, Handelingen over de reglementen op het beleid der regering in de koloniën Suriname en Curaçao (1914).

 

@: Landsaccountantsdienst
zie @: Accountantsdiensten en -bureaus.

 

@: Landsbegroting
zie @: Begroting.

 

@: Landsbemiddelaar

heeft op grond van de Arbeidsgeschillen Landsverordening (P.B. 1946 nr. 119) de wettelijke bevoegdheid te bemiddelen in ontstane geschillen tussen werkgevers en werknemers over arbeidsaangelegenheden. Tevens bezit hij de bevoegdheid referenda te organiseren onder één of meerdere categorieën van werknemers in bedrijven teneinde vast te stellen welke vakvereniging door de meerderheid van die werknemers wordt aangewezen om hen te vertegenwoordigen (P.B. 1977 nr. 44). In het algemeen staat hij partijen bij tijdens collectieve arbeidsovereenkomsten (C.A.O.) onderhandelingen met alle hem ten dienste staande middelen. In 1979, het verslagjaar waarover de laatste beschikbare gegevens bestaan, werd op Curaçao in 55 geschillen de bemiddeling van de landsbemiddelaar ingeroepen. 40 hiervan betroffen geschillen omtrent arbeidsvoorwaarden; 9 gingen over de erkenning van de vakbond als onderhandelingspartner; 4 betroffen de interpretatie van bestaande C.A.O.bepalingen en 2 hadden betrekking op het ontslag van één of meer werknemers. Het aantal conflicten waarbij de landsbemiddelaar bemiddelend optrad bedroeg voor Bonaire 5 en voor St. Maarten 7. Op Curaçao vonden in datzelfde jaar 8 stakingen plaats, op Bonaire 2 en op St. Maarten 1. Op Curaçao werden in 1979 39 C.A.O.’s afgesloten waarvan 4 voor het eerst. Het totaal aantal geregistreerde C.A.O.’s bedroeg aan het eind van het verslagjaar 142. Onder de werkingssfeer van de geldende C.A.O.’s vielen toentertijd 17.361 werknemers op een totaal van 45.199 loonafhankelijken werkzaam op Curaçao.

  • Bron: Jaarverslag van de Landsbemiddelaar over het jaar 1979.

 

@: Landsbesluiten
(houdende algemene maatregelen)

zijn beslissingen van de regering van de Nederlandse Antillen, welke niet het karakter van een wettelijke regeling (landsverordeningen) hebben, bijvoorbeeld benoemingen of andere bestuurlijke maatregelen. De  Koning heeft ook ten aanzien van deze besluiten het schorsings- en vernietigingsrecht.

Landsbesluiten houdende algemene maatregelen zijn de door de Gouverneur, de Raad van Advies gehoord, binnen de grenzen zijner bevoegdheid uitgevaardigde besluiten, die het karakter van een wettelijke regeling hebben en dan ook in art. 2 Staatsregeling genoemd zijn onder de wettelijke regelingen, die in de Nederlandse Antillen geldig zijn. De artt. 19, 20, 24-27 Staatsregeling geven enige nadere voorschriften. Zij mogen geen bepalingen inhouden omtrent punten, waarin bij hogere wettelijke regelingen is voorzien; wordt later bij een hogere wettelijke regeling voorzien in enig punt van een dergelijk besluit, dan vervallen de lagere bepalingen. Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die besluiten niet gemaakt dan krachtens een algemene verordening. De afkondiging geschiedt in het Publicatieblad en het besluit werkt in de regel vanaf de 30ste dag daarna. Zij worden door de Gouverneur én één of meer ministers ondertekend.

  • Lit.: C.E. Dip, De Gouverneur als wetgever, in: Een decennium later (1982).

 

@: Landsdienaren
zie @: Ambtenaar.

 

@: Landsfinanciën
zie @: Financiën.

 

@: Landskinderen
zie @: Yu di tera.

 

@: Landsminister

is de term waarmede de leden van de Regeringsraad, - welk college bij de wijziging van de Staatsregeling in 1950 het College van Algemeen Bestuur verving - in de praktijk werden aangeduid.

 

@: Landsontvangers

Op elk der zes eilanden van de Nederlandse Antillen is een Landsontvanger. Hij is de kassier van het Land. Hij voert opdrachten tot betaling uit en is belast met de invordering van de door het Land te ontvangen gelden. De invordering en ontvangst geschiedt ten dele zelfstandig en gedeeltelijk in opdracht van de minister van Financiën, de Administrateur van Financiën of de gezaghebbers. De invordering van de premiën voor de verplichte Ziekteverzekering en Ongevallenverzekering geschiedt door de landsontvangers krachtens kohieren opgemaakt door de Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.). Op Bonaire, Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius is de landsontvanger tevens eilandsontvanger. De landsontvangers op Curaçao en Aruba staan onder controle van de Landsaccountantsdienst.

 

@: Landsorganen

is de verzamelnaam voor alle colleges en functionarissen die deel uitmaken van de regering, de wetgevende en de rechterlijke macht. Deze uitdrukking is in het Statuut meermalen gebruikt om aan te geven dat een taak of bevoegdheid bij het land de Nederlandse Antillen berust, terwijl aan het Land zelf de vrijheid wordt gelaten te beslissen aan welk orgaan die taak of bevoegdheid toevalt. Zo bepaalt art. 6 Statuut dat bij de behartiging van koninkrijksaangelegenheden wáár mogelijk de landsorganen worden ingeschakeld. Deze grondgedachte is nader uitgewerkt in de artt. 14, 25, 26 en 30 Statuut.

 

@: Landsradio- Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen / @: Landsradio- en telefoondienst / @: Landsradio

onderhoudt alle telegraaf- en telefoonverbindingen tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen en alle internationale telefoon-, telex- en telegraafverbindingen. De dienst heeft kantoren op alle eilanden. Aan Landsradio behoren tevens de kuststations. De dienst houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden waaronder radiozendvergunningen worden verleend, op de bepalingen van het radioreglement van de Internationale Telecommunicatie Unie en bepaalt de frequenties van alle radiostations in de Nederlandse Antillen (zie ook telegraaf- en telefoonverordening). Landsradio is ontstaan in 1908, toen luitenant ter zee A.J.W. van Anrooij het eerste radiostation plaatste in het Riffort. Op zijn advies werden in 1910 ook op Aruba en Bonaire stations geplaatst. De eerste telegrammen ten behoeve van het publiek werden in 1911 gewisseld. In 1927 werd de telefoondienst (vóór die tijd een particulier bedrijf) bij de Landsradiodienst gevoegd en ontstond de Landsradio- en Telefoondienst. In 1952 werden de telefoondiensten als gevolg van de Eilandsregeling zelfstandig en werd de naam Landsradio- en Telegraafdienst (zie @: Telefoondienst). In 1973 werd de naam van de dienst wederom veranderd in Landsradio- Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen. Deze naamswijziging viel samen met een grote modernisering van het intereilandelijk en internationaal verbindingsnet. De eilanden werden door middel van straalverbindingen met elkaar verbonden, terwijl er van Curaçao naar St. Maarten en St. Thomas een zeekabel met een capaciteit van 160 kanalen werd gelegd. De verbinding met Venezuela kwam tot stand door middel van een troposcatter-verbinding van 120 kanalen tussen Willemstad en Caracas. Voor de verbinding met Europa wordt gebruik gemaakt van een satelliet-grondstation in Martinique en van de Columbuszeekabel van Venezuela naar Spanje. De verbindingen met de U.S.A. lopen via de Antilliaanse zeekabel en via een klein satelliet-grondstation op Curaçao. Vanuit St. Maarten worden ook verbindingen geleid over de Eastern Caribbean Microwave die van Tortola naar Trinidad loopt, mede via Saba. Het interinsulair / internationaal telefoonverkeer wordt geleid via twee telefooncentrales respectievelijk op Curaçao en St. Maarten. Rechtstreekse verbindingen worden onderhouden met de U.S.A., Canada, Nederland, de Dominicaanse Republiek, Puerto Rico, de Virgin Islands (U.S.), de Oost Caribische Eilanden, Venezuela en Colombia. Dit telefoonverkeer is geheel geautomatiseerd. Ook het telexverkeer verloopt thans geheel automatisch via centrales op Aruba en Curaçao.

Lit.: Gedenkboek 50 jaar radiodienst op de Nederlandse Antillen, 1908-1958 (1958),

 

@: Landsregeling
zie @: Staatsregeling.

 

@: Landstaal
zie @: Papiamentu

 

@: Landsverordeningen

zijn de in de Nederlandse Antillen geldige algemene verordeningen, die met gemeen overleg der Staten door de Gouverneur zijn vastgesteld (art. 2 Staatsregeling). Zij regelen de onderwerpen de eigen aangelegenheden van de Nederlandse Antillen betreffende en andere onderwerpen, waarvan de regeling ingevolge een Rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur bij landsverordening moet geschieden (art. 18 Staatsregeling).

Behandeling van ontwerp-landsverordeningen

De ontwerp-Iandsverordeningen worden door de Gouverneur aan de Staten aangeboden. Aan de openbare beraadslagingen daarover gaat een onderzoek van het ontwerp vooraf op de wijze als door de Staten is bepaald in hun reglement van orde (art. 68 Staatsregeling). Als de Staten het ontwerp goedkeuren, wordt het door de Gouverneur vastgesteld. De Staten hebben echter het recht van amendement (art. 74). Dan ontstaat de kans dat het karakter van het ontwerp dusdanig veranderd is, dat de Gouverneur er niet mee instemt en de gewijzigde ontwerp-landsverordening niet vaststelt (art. 76 Staatsregeling). De briefwisseling ter zake tussen Gouverneur en Staten geschiedt middels in de Staatsregeling vastgestelde formulieren (artt. 68-76 en 79 Staatsregeling), zodat geen misverstanden kunnen ontstaan door verscheidenheid van formulering. Evenzo in het geval de Staten het initiatief nemen tot het ontwerpen van een landsverordening (art. 77 en 78 Staatsregeling). Als de Gouverneur een landsverordening heeft goedgekeurd en deze door hem en één of meer ministers is ondertekend, zorgt hij voor haar onmiddellijke afkondiging door plaatsing in het Publicatieblad, met vermelding van de datum van uitgifte. Is geen ander tijdstip vastgesteld, dan treedt de afgekondigde landsverordening in werking met ingang van de 30ste dag na die der uitgifte in het betrokken Publicatieblad (artt. 18, 22, 23 en 27 Staatsregeling). Op de landsverordeningen is een klapper verschenen.

Begrenzing van het terrein van de landsverordening

  • 1. De landsverordeningen mogen geen bepalingen inhouden omtrent punten voorzien bij hogere wettelijke regelingen, tenzij daartoe vrijheid is gegeven, dan wel de inhoud en de strekking der bepalingen gelijk zijn (art. 19 Staatsregeling). Bevat een landsverordening bepalingen omtrent punten in welker onderwerp wordt voorzien bij een hogere wettelijke regeling, dan vervallen die bepalingen op het ogenblik, dat zodanige regeling in de Nederlandse Antillen in werking treedt, tenzij de inhoud en de strekking der bepalingen gelijk zijn (art. 20 Staatsregeling). De bepalingen van een landsverordening blijven verbinden totdat zij ingevolge een latere landsverordening of ingevolge art. 20 Staatsregeling zijn vervallen of ingeval van schorsing en vernietiging (art. 21 Staatsregeling).
  • 2. Er zijn gevallen dat een door de Gouverneur goedgekeurde landsverordening (of een wijziging daarvan) niet in werking kan treden, dan nadat een hogere instantie daaraan haar goedkeuring heeft verleend of haar instemming daarmede heeft betuigd. Dit is het geval ten aanzien van in art. 149 Staatsregeling opgesomde bepalingen of artikelen van de Staatsregeling, terwille van het homogeen handhaven van enkele hoofdbeginselen van staatsrecht.
  • 3. Zeer belangrijk is het terrein van de landsverordeningen beperkt door de instelling van de Eilandgebieden met de bevoegdheid bij eilandsverordening wettelijke voorzieningen te treffen voor de verzorging van eigen aangelegenheden. De vrees van de eilandgebieden dat het Land onvoldoende rekening zou houden met de belangen van de eilandgebieden heeft ertoe geleid, dat in art. 70 Staatsregeling bepaald is, dat eventueel bij algemene maatregel van rijksbestuur regelen worden gesteld, waarbij een door de Staten goedgekeurde ontwerp-landsverordening niet zou kunnen worden vastgesteld dan na goedkeuring van een hogere instantie. Bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is nimmer vastgesteld.

Naast deze beperkingen van het terrein van de landsverordening is er ook een verruiming ontstaan:

bij de inwerkingtreding van het Statuut zijn namelijk de tevoren vastgestelde wetten en algemene maatregelen van bestuur welke betrekking hadden op eigen aangelegenheden, teruggebracht op het niveau van landsverordeningen (art. 57 Statuut). Het kan wel eens zijn, dat deze wetten amfibie-wetten (zie rijkswetten) zijn geworden, namelijk dat zij zowel bepalingen bevatten die op het niveau van rijkswetten komen, als bepalingen die op het niveau van landsverordeningen komen.

Een principiële verruiming van het arbeidsveld van de landsverordening is te danken aan het beginsel van het Statuut, in art. 6 tot uitdrukking gebracht: dat bij de behartiging van koninkrijksaangelegenheden waar mogelijk de landsorganen worden ingeschakeld.

 

@: Lansberg, Salomon Moses

(‘s-Gravenhage 25 februari 1821 - Curaçao 12 augustus 1901). Vestigde zich in 1858 op Curaçao; in de functie van stadsgeneesheer, toentertijd de belangrijkste medische autoriteit op het eiland.

 

@: Lanternu

Deze guia pa nos historia (gids voor onze geschiedenis) is een dienstpublikatie van het Centraal Historisch Archief, die tweemaal per jaar verschijnt onder redactie van N.C. Romer-Kenepa, M.R. Francisco-Granviel en G.S. Joubert. Het tijdschrift stelt zich ten doel het stimuleren van de geschiedenis en de geschiedschrijving met nadruk op het gebruik van archiefbronnen, die betrekking hebben op de geschiedenis van de Nederlandse Antillen.

 

@: Larahá

zie @: Curaçao likeur; @: Geneeskrachtige kruiden en giftige planten; @: Land- en tuinbouw.

 

@: Laret W.F.H. (Willem Frederik Hendrik)

 

(Amsterdam November 11 1821)

Nederlandse Protestantse priester; huwde mevrouw C.E. Boers hoogstwaarschijnlijk op oktober 2, 1856, niet lang voordat hij naar de West vertrok om in deze omstreken zijn beroep te komen uitoefenen. Benoemd tot priester met als ambtsgebied Nederlands West -Indië op juni 10, 1856. Bevestigd als priester mogelijk te ‘s Gravenhage op juni 20. Hierna volgt de reis naar de West:

Gaat aan boord van het schip Pegasus onder kapitein J. Hofken op November 9, 1856. Het schip zeilt uit naar de oceaan en de nieuwe bestemming vanuit het nieuwe Diep op November 20. Het werd een lange ongunstige reis van 51 dagen met veel storm en tegenwind. Men arriveert echter behouden aan te Sint Maarten op januari 11, 1857. Hierna wordt de reis richting St. Eustatius vervolgd, alwaar men op januari 16 aankomt.

In 1857, als predikant Laret op St. Eustatius aankomt, is de welvaart die het eiland ongeveer een eeuw voor zijn komst had gekend, als sta­pelplaats van betekenis en een centrum voor de slavenhandel allang voorbij. Ook de plantagelandbouw, die na de uitschakeling als handelscentrum, weer aan  betekenis begon te winnen - in het be­gin van de 19de eeuw telde men aldaar nog een veertigtal plantages en werd het be­schikbare landbouwareaal vrijwel ge­heel gebruikt – was sinds de 1840er jaren op de teruggang, welke nog versneld werd door de af­schaffing van de slavernij in 1863. Laret zou de afschaffing van de slavernij echter niet op Sint Eustatius meemaken.

In het midden van de 18e eeuw waren er onder Engelse invloed Presbyteriaanse- en Anglikaanse kerkgenootschappen op de Bovenwinden gesticht; zeer waarschijnlijk ook op Sint Eustatius. Als predikant Laret echter op het eiland aankomt, bloeit daar het Methodisme. Op dit Sint Eusta­tius werd hij belast met het onderwijs van het jeugdige deel van de bevolking en de godsdienstige zorg van de alle inwoners. Zoals al vermeld, beleeft priester Laret het einde van de slavernij echter niet op St. Eustatius. In 1861 vestigt hij zich op Bonaire, alwaar hij de zielzorg van de bewoners overneemt van onderwijzer W.F. Meinhardt, die dit werk tussen 1849 -1860 verrichtte.

@: Lashley, Leonard Archibald Gerhardus Othniel

(Nieuw Nickerie, Suriname 24 maart 1903 - Amsterdam 1 augustus 1980) studeerde geneeskunde aan de toenmalige Geneeskundige School te Paramaribo en in Utrecht. Van 1931 tot 1934 opleiding in de oogheelkunde aan het Ooglijdersgasthuis te Utrecht, dat onder leiding stond van prof. dr. H.J.M. Weve. Eind 1948 vertrok hij naar de Nederlandse Antillen en vestigde zich als oogarts in Willemstad, waar hij tot 1976 praktijk uitoefende. Als gouvernementsoogarts was hij tevens werkzaam op Bonaire en op de Bovenwindse Eilanden. Jarenlang is hij voorzitter geweest van de Medische Vereniging op Curaçao. Op cultureel en sociaal gebied zeer actief: voorzitter J.P.F., bestuurslid Cultureel Centrum Curaçao, bestuurslid Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs.

  • Wrk.: De bewegingen van de choreoidea, de retina en het glasvocht bij de accommodatie (diss. 1933).

 

@: Latinisering

Ten gevolge van de frequente contacten tussen de Benedenwindse Eilanden en de landen aan de noordkust van Zuid-¬Amerika ondergingen sommige groepen op deze eilanden Latijns-culturele invloeden. In dit verband moeten ook de vele huwelijken tussen bewoners van beide gebieden genoemd worden. En daarnaast natuurlijk de beïnvloeding van de Papiamentu door de in deze gebieden gangbare Spaanse taal.

 

@: Lauffer, Pierre Antoine / @: Pierre Lauffer

(Curaçao 22 augustus 1920 - 14 juni 1981) Alhoewel schrijvers als Joseph Sickman Corsen, W.M. Hoyer e.a. vóór Lauffer zich bedienden van het Papiamentu, is het toch vooral Lauffer geweest, die - na de Tweede Wereldoorlog - de aanzet heeft gegeven tot en de stuwende kracht is geweest achter de ontwikkeling van de letterkunde in het Papiamentu. Door zijn ongeëvenaarde rijkdom aan taal en ritme, zijn verrassende afwisseling van lyriek en realisme, zijn innige betrokkenheid met het land, de taal en de bevolking van het eiland, behoort Lauffer tot de belangrijkste dichters die in het Papiamentu hebben gepubliceerd.

De veelzijdige aspecten van Lauffers schrijverschap zijn typerend voor de mate waarin hij zich inzette voor de ontwikkeling van de Papiamentu-letterkunde. Publiceerde hij in eerste instantie enkele Nederlandstalige gedichten in het tijdschrift De Stoep, na het verschijnen van zijn poëziebundel Patría publiceerde hij bijna uitsluitend in het Papiamentu. Een enkele keer maakte Lauffer gebruik van een pseudoniem: de novelle Carmen Molina (Jose A. Martis) en de novelle Martirio di amor (1943) (Carlos M. Fernandes).

Hij heeft zich ook beijverd voor de tijdschriften Simadan en Antillano, terwijl hij met diverse publikaties ook een bijdrage leverde aan de studie van het Papiamentu, de uitbouw van de jeugdliteratuur in die taal en de kennis van oude woorden, gewoonten en gebruiken. Lauffer wordt heden ten dage steeds intenser in ere gehouden door de nieuwe lading artiesten van het eiland. Een van zijn meest bekende gedichten Lamento di Mosa Nena, oftewel de geschiedenis van de slaaf Buchi Fil, heeft zich als zodanig ontwikkelt onder andere omdat de zeer bekende Curacaosche zanger / componist / artiest Cedric Ridderplaat (artiestennaam Ced Ride) het in het begin van de 1970 jaren tot een lied verwerkte en op plaat opnam. Het is tot een van de grootste hits van Ced Ride verworden en wordt recentelijk ook door Izaline Callister, wellicht de meest succesvolle Curacaosche vertolkster op internationaal niveau op een CD verwerkt: De CD Kanta Helele van mei 2006.

Werken:

  • Poezie: Patría (1944); Kumbu (1955); Kantika pa bjentu (1964);
  • Proza: Wid-wid (1961, met gedichten); Njapa (1961, met gedichten); Raspa (1962, met gedichten); Seis anja kaska bèrdè (1968); Kwenta pa kaminda (1969); Un pulchi pa dia (1970); Lagrima i sonrisa (1973, met gedichten);
  • Jeugdlectuur: Ora solo baha (1968); Djogodó (1972); Un dia tabatin ... (1975); Mi buki di bestia (1981, postuum). Un skèr ta bai keiru (1984, postuum);
  • Taalkunde: Mi lenga (1 1970, II 1971); Un selekshon di palabra i ekspreshon (I 1971, II 1975); Arte di palabra (1973);
  • Diversen: Di Nos (bloemlezing Papiamentu letterkunde, 1971); Sukuchi (1974); Mangasina (1974); Zumbi, spiritu almasola (1975); Mangusá (1975).

 

@: Lavadommen

ontstaan door omhoogpersing en stolling van taaivloeibare lava uit kraterpijpen en spleten (zie @: Geologie: Saba).

 

@: Lazaristen
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Leasehold

is het systeem op de Bovenwindse Eilanden, waarbij de landbouwer zijn grond in huur of pacht heeft (zie @: Grondbezit; @: Land- en tuinbouw).

 

@: Lebacs, Diana / @: Diana Lebacs

Schrijversnaam van Diana Domacasse-Lebacs (Curaçao, 12 september 1947). Studeerde allereerst als lagereschool juffrouw en haalde hierna ook de bevoegdheid tot het lesgeven op het speciaal onderwijs niveau en de derde graads akte Nederlands. Op latere leeftijd volgt ook nog een bachelor in Antilliaanse literatuur en taal (Papiamentu) aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen (UNA). Schrijft proza, poezie en toneelstukken in het Nederlands en in het Papiamentu en is tevens actief als toneelspeelster. Voegt aan dit steeds verder uitdijende oeuvre op latere leeftijd ook nog het schrijven van scripts voor televisieproducties bij.  

Publiceerde haar eerste (tiener)roman in 1971: Sherry, het begin van een beginHoewel er ook in het Papiamentu kinderboeken van haar hand zijn verschenen, is zij vooral bekend om haar in het Nederlands geschreven kinderboeken, die zich in de Antillen afspelen. Ontving in 1976 een Zilveren Griffel voor Nancho van Bonaire haar tweede roman ooit. Hierna volgt in 2003 de Cultuurprijs van de Prins Bernhard Cultuurfonds Nederlandse Antillen en Aruba voor de roman Caimins geheim. De erelijst kent in 2007 een voorlopig hoogtepunt met de toekenning aan Diana van de condecoratie Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Werken:

  • Toneel:
  • Regels voor ezels (1966);
  • Buchi Wan pia fini (1974);
  • Jeugdboeken:
  • Sherry (1971);
  • Nancho van Bonaire (1975, 1982);
  • Kompa Datu ta konta (1975);
  • Chinina-kome-lubidá (1976);
  • Nancho Matroos (1977);
  • Kenken pia di wesu (1977);
  • Nancho Niemand (1979);
  • Sabio, Nanchi i Bueno (1979);
  • Nancho Kapitein (1982);
  • Yòmi, yòmi (1982);
  • Suikerriet Rosy (1983).

 

@: Lee, William

(Edinburgh 1786 - Curaçao 5 augustus 1823) kwam in 1812 uit Caracas, Venezuela, met een drukkerij naar Curaçao. Oprichter en drukker van Curaçaosch eerste krant, The Curaçao Gazette and Commercial Advertiser, waaruit in 1816, na het einde van het tweede Engelse bewind, de Curaçaosche Courant voortkwam. Curaçaosch eerste journalist (zie Pers).

 

@: Leerplicht

bestaat niet in de Nederlandse Antillen (zie @: Onderwijs – Hoofdstuk 3: Onderwijstypen in detail – Sectie 2: Basisonderwijs).

 

@: Leeuwen, Boeli van / @: Boeli van Leeuwen

Schrijversnaam van de jurist Willem Cornelis Jacobus van Leeuwen (Curaçao 10 oktober 1922) Nederlandstalige auteur, wiens romans, waarin de problematiek van de innerlijke verscheurdheid van het christelijke existentialisme steeds duidelijker op de voorgrond treedt, hun betekenis en waarde toch in de eerste plaats ontlenen aan de indringende wijze waarop samenleving en landschap van Curaçao worden beschreven. Zijn eerste roman De Rots der Struikeling werd bekroond met de Vijverbergprijs 1960 (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). Van 1976 tot 1982 is hij secretaris van het Eilandgebied Curaçao geweest. Van zijn hand verschenen ook Verslag aan de Parlementaire Statuutcommissie uit de Staten van de Nederlandse Antillen met betrekking tot onze toekomstige staatkundige structuur (1970) en De Nederlandse Antillen en Venezuela (Position Paper 1972).

Werken:

  • De Rots der Struikeling (1959, 1982);
  • Een Vreemdeling op Aarde (1963, 1977);
  • De eerste Adam (1966, 1979);
  • Corsow, filmscenario (1966);
  • Eén vader, één zoon (1978).

Literatuur:

  • J. de Roo, Antilliaans Literair Logboek (1980);
  • Pablo M. Walter, Op weg naar kontakt. Een poging tot situëring van de roman Een vreemdeling op aarde in de Caribische literatuur (scriptie 1979).

 

@: Leger des Heils

Deze organisatie was van 1927 tot 1981 op Curaçao werkzaam. Hoewel er aanvankelijk ook evangelisatiewerk werd gedaan, strekten de activiteiten zich later voornamelijk uit tot de zeevarenden. In 1933 werd het Zeemanshuis Leger des Heils in de Hoogstraat geopend dat grote bekendheid verwierf door de geweldige inzet van het echtpaar Lodder.

 

@: Leges
zie @: Retributie.

 

@: Leguaan
zie @: Hagedissen.

 

@: Lehi
zie @: Kumbu.

 

@: Leíto, Arturo Eduardo
zie @: Tuyuchi.

 

@: Lele

Driepuntige roerstok, gesneden uit pal’i lele (Randia aculeata L.), wordt in de keuken gebruikt, met de functie van een garde.

 

@: Leli

Papiamentse naam van twee plantesoorten van het geslacht Hymenocallis uit de familie der Amaryllidaceae:

  • Hymenocallis caribaea of white lily. Bolgewas met vlezige, zwaardvormige lange bladeren; bloemen wit, buisvormig met 6-lijnvormige, 12 cm lange en 6 mm brede slippen op top van gemeenschappelijke steel, ca. 22 cm in diameter; meeldraden aan basis vergroeid tot een 2,5cm hoge ring. Sierplant. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
  • Hymenocallis speciosa, sierplant met breedlancetvormige, donkerglimmende, groene bladeren; bloemen met groenig, buisvormig deel en 6 mm of meer teruggebogen slippen van 9-10 cm lang en 7 mm breed. Bloemen geurig, gaan tegen de avond open.

 

@: Leli di awa

  • (1) Nymphaea ampla of water lily, plantesoort uit de familie der Nymphaceae. Waterplant met grote witte bloemen en grote, op het water drijvende, ronde bladeren. Bonaire en Curaçao, in tanki of achter dammen, ook gekweekt, evenals op St. Maarten. Andere soorten met gekleurde bloemen worden gekweekt op Curaçao.
  • (2) Eichhornia crassipes, patu di awa of water hyacinth, een drijvende waterplant uit de familie der Pontederiaceae, afkomstig uit Brazilië, gekweekt en verwilderd op de Beneden- en Bovenwindse Eilanden. De glanzende bladeren hebben gezwollen, sponsachtige stelen, die de plant drijvende houden. De donker gekleurde wortels vormen onder water dichtvertakte kluwens, ideale broedplaatsen voor muggen. Uit het midden van de bladrozet komt een bloemstengel met vele lila-kleurige bloemen. De planten maken uitlopers en vermeerderen zich daarmee zo snel, dat zij vooral in moerassige gebieden (bijvoorbeeld de Bubaliplas op Aruba) het wateroppervlak in korte tijd compleet kunnen afsluiten en daardoor een plaag kunnen vormen.

 

@: Lens, Peter Carl Theodoor

(geb. Wiesbaden 6 februari 1864) chirurg en militaire arts op Curaçao. In 1909 werd een penning in goud, zilver en brons geslagen als aandenken met het opschrift Huldeblijk der Curaçaosche bevolking aan den verdienstelijken medicus dr. P.C.Th. Lens . Aan de keerzijde staat: Curaçao aan zijn hooggeschatten medicus.

 

@: Lensu

  • (1) zakdoek;
  • (2) zie @: Klederdrachten.

 

@: Lenz, Rodolfo
(Halle, Duitsland, 6 september 1863 - Santiago, Chili 7 september 1938). Duits-Chileense linguïst, publiceerde in de Anales de la Universidad de Chile (1926 en 1927) een studie over het Papiamentu die in 1928 in boekvorm verscheen: El Papiamento, la lengua criolla de Curazao (zie @: Papiamentu: structuur). Grote bekendheid als linguïst verkreeg hij door zijn studies over het Chileense Spaans en zijn werk over de zinsdelen.

Werken:

  • Chilenische Studien (Phonetische Studien, 1892); Beitrage zur Kenntnis des Amerikanospanischen (Zeitschrift für Romanische Philologie, 1893);
  • La Oración y sus partes (1916).

 

@: Leon, Daniel de

(Curaçao 14 december 1852 - New York 11 mei 1914) studeerde rechten in Leiden waarna hij zich niet op Curaçao maar in New York als advocaat vestigde. Aan Columbia College doceerde hij internationaal recht. In 1889 sloot hij zich aan bij de Socialist Labor Party waar hij zich ontpopte tot één van de ideologen van de socialistische filosofie. In 1902 deed hij een vergeefse poging naar het gouverneurschap van New York State. Produktief als schrijver van artikelen, was hij in 1891 redacteur van het socialistische blad The People en van 1900 tot zijn dood van The New York Daily People. In de Socialist Labor Party, die nog steeds zijn geboortedag herdenkt, staat hij aangeschreven als één van de grote figuren, die een bepalende filosofie heeft ontwikkeld voor het industriële socialisme.

  • Lit.: I.S. and S.A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles (1970).

 

@: Lepra

melaatsheid of ziekte van Hansen (Papiamentu: Laster) werd op Curaçao voor het eerst gemeld door dr. D. van der Stene, die van 1688-1691 op dit eiland verbleef. Waarschijnlijk werd deze ziekte met de slaven uit West-Afrika overgebracht; de lepra was namelijk niet bekend bij de Indianen in het pre-columbiaanse tijdperk. Naar voorbeeld van Europa werd in de 18de eeuw gestreefd naar isolatie van patiënten met deze ziekte. In 1750 werd een poging gedaan om de melaatsen af te zonderen op het Schapeneiland in het Schottegat. Dit mislukte. In 1753 werd de lijder aan deze ziekte verboden om te trouwen. In 1770 schrijft Gouverneur Rodier dat "seedert eenige tijd de droevige en teffens ijsselijke quaal van Lazarus Siekte hoe langs hoe meerder op dit Eylandt wordt ontdekt en wel 't meest onder de Swarten, en daaronder vele Spaansche negers gevonden werden". Er werd besloten, dat alle patiënten met deze ziekte moesten worden aangegeven. Zij mochten niet meer in het openbaar verschijnen en er zou een Lazarushuis, een leprozerie worden gebouwd. Pas 11 jaar later, in 1781, is het Lazarushuis aan die Rif of Kreeken (langs het rifwater bij de zee) klaar om in gebruik te worden genomen. Er komen bepalingen wie voor gedwongen isolatie in dit instituut in aanmerking komen. Bepalingen, die beslist niet vrij zijn van rassendiscriminatie:

  • alle onvermogende blanken die niet door hun familie verzorgd kunnen worden of voor zichzelf zorgen en wel zó, dat zij niet op openbare straten of wegen gezien worden;
  • alle neegers, moulatten en mestisen zonder onderscheyd van vrij of slaaf te zijn.

Ook de krankzinnigen waren in het Lazarushuis ondergebracht. Omstreeks 15 1858 kwam Gouverneur Van Lansberge onder de indruk van de vervuiling en slechte verpleging in het Lazarushuis. Aan de zusters franciscanessen van Breda, die drie jaar tevoren waren begonnen met het verplegen van zieken in het St. Elisabeth Gasthuis, werd door hem verzocht om de zorg voor de melaatsen en krankzinnigen op zich te nemen. Dit gebeurde. In februari 1882 werd de nieuwe leprozerie op Zaquitó in gebruik genomen, in 1936 werd deze verbouwd en gemoderniseerd.
Leprozerieën op St. Maarten en St. Eustatius stammen uit 1823: oude warenhuizen van de West-Indische Compagnie werden als zodanig ingericht. In 1903 werden alle leprapatiënten van de Bovenwindse Eilanden op St. Eustatius geconcentreerd. In 1920 werden deze inrichtingen opgeheven en alle patiënten overgebracht naar Zaquitó op Curaçao, sindsdien de centrale leprozerie voor de Nederlandse Antillen. De uitgaven voor dit gesticht bedroegen in 1859 f 4.043,41. Ultimo december 1859 werden aldaar verpleegd 9 leprozen, 10 krankzinnigen en 5 aan andere ziekten lijdenden.
Van der Sar heeft de lepra ‘incidence’ voor de Nederlandse Antillen verzameld over de periode 1869-1944. Deze gegevens werden uitgebreid tot 1966 en weergegeven in een grafiek. Het grootste aantal werd in 1876 gevonden, namelijk 61; 15 op Curaçao, 28 op St. Eustatius en 18 op St. Maarten. Op een totale bevolking van 41.492 was dit een incidence van 14.8 per 10.000 inwoners. Het aantal gevallen was op de Bovenwinden vroeger altijd groter dan op de Benedenwinden. Op 1 januari 1944 waren 27 patiënten in Zaquitó geïsoleerd: 18 mannen en 9 vrouwen. Voor de individuele eilanden was de frequëntie: Saba 1:600, St. Maarten 1:2000, St. Eustatius 1:1000, Bonaire 1:1900, Curaçao 1:4400, terwijl van Aruba maar 1 geval bekend was (1:37.303). Tussen 1869 en 1910 is een snelle progressieve daling in de frequëntie waar te nemen, waarschijnlijk ten gevolge van de strenge isolatie, maar mogelijk ook door andere factoren. Na 1910 gaat de daling van de ‘incidence’ verder, zij het in een wat trager tempo. Bijzonder interessant is, dat men in deze regelmatig dalende lijn geen veranderingen ziet voor de periode na 1947, toen begonnen werd met de behandeling der patiënten met krachtige anti-lepramiddelen (promine, D.D.S.). Geleidelijk gaat de daling verder tot het praktisch verdwijnen van de ziekte. Op 9 november 1966 werd de leprozerie gesloten: er waren nog 2 patiënten over, waarvan één werd ontslagen en een overgebracht naar het hospitaal.

Literatuur:

  • A. van der Sar, Lepra op de Nederlandse Antillen, Lux. (1944) p. I;
  • idem, Lepra en las Antillas Neerlandesas. Rev. de la Policlinica Caracas (1944) 13, 1-17;
  • L.W. Statius van Eps en E. Luckman-Madura, Van Scheepschirurgijn tot Specialist (1973);
  • M.D. Teenstra, De Nederlandsche West-Indische Eilanden in derzelver tegenwoordigen toestand, 2 delen (1836-1837, 1977).

 

@: Letterkunde in de Nederlandse Antillen

Overzicht van het gebodene:

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
  • Hoofdstuk 2: Mondelinge literatuur
  • Hoofdstuk 3: Geschreven literatuur
  • Hoofdstuk 4: Spaanse literatuur
  • Hoofdstuk 5: Papiamentu-literatuur
  • Hoofdstuk 6: Engelse literatuur
  • Hoofdstuk 7: Nederlandse literatuur
  • Hoofdstuk 8: Toneelliteratuur
  • Hoofdstuk 9: Letterkundige tijdschriften
  • Hoofdstuk 10: Literatuur:


Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 1: Inleiding

Waar op de eilanden van de Nederlandse Antillen drie officiële talen (Papiamentu, Engels en Nederlands) gesproken worden en er door de eeuwen heen een sterke band heeft bestaan met het Spaanssprekende omliggende gebied, is het niet verwonderlijk dat van alle vier genoemde talen gebruik werd en wordt gemaakt door de Nederlands-Antilliaanse schrijvers. Een even vanzelfsprekend kenmerk van de Antilliaanse literatuur is de beïnvloeding door verschillende culturen: via het geschreven woord door de Ibero-Amerikaanse en Nederlandse literatuur en via het gesproken woord door de van oorsprong Afrikaanse volksliteratuur.

Alhoewel de geschreven literatuur van de Nederlandse Antillen oorspronkelijk vrijwel geïdentificeerd kon worden met die van het eiland Curaçao, heeft zij in de loop van deze eeuw ook op de andere eilanden een steeds groeiend aantal beoefenaren gevonden. Vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft zich steeds duidelijker het eigen karakter van de Antilliaanse literatuur ontwikkeld, niet in de laatste plaats door de steeds belangrijker wordende positie, die de eigen taal (Papiamentu) erin innam.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 2: Mondelinge literatuur

Van de literatuur van de oorspronkelijke (Indiaanse) bewoners van de eilanden zijn nauwelijks aanwijsbare resten bewaard gebleven. Via de op de andere Caribische eilanden opgetekende mythologische verhalen zou men zich mogelijk een beeld kunnen vormen van hetgeen op geen enkele andere wijze meer te achterhalen is. De huidige gesproken literatuur vindt haar uitdrukking in de specifieke volkstaal (Papiamentu op de Benedenwindse en Engels op de Bovenwindse Eilanden). Zij wordt, behalve door de couleur locale, beheerst door een sterk Afrikaans element. Verschillende genres kunnen worden onderscheiden:

  • 1. volksliedjes;
  • 2. spotrijmen, banderita’s en tambuliederen;
  • 3. verreweg het belangrijkste aandeel wordt geleverd door de gemakshalve als spin-verhalen aangeduide varianten op oude vertellingen van Afrikaanse herkomst, die ook elders in het Caribisch gebied en op het Zuid-Amerikaanse continent worden aangetroffen.

Over het ontstaan van deze verhalen zijn in de loop der jaren een groot aantal hypothesen opgesteld, dat met het verschijnen van de dissertatie van W.J.H. Baart (Leiden, 1983) als achterhaald kan worden beschouwd. Baart toonde aan dat de Nanzi-verhalen oorspronkelijk afkomstig zijn uit het West-Afrikaanse gebied dat wij nu als Ghana kennen. De verhalen, die daar als de Anansesem (verhalen van Ananse) bekend staan, hadden een duidelijke mythologische achtergrond. Terwijl in de oorspronkelijke vertellingen sprake is van Ananse als tussenpersoon tussen de Schepper Nyankopon en de mens, van Ananse als cultuurbrenger en trickster-figuur, is er ten gevolge van het transculturatieproces een verschuiving opgetreden in de Caribische en Curaçaosche Nanzi-verhalen. Zo is de Scheppersfiguur geheel verdwenen om plaats te maken voor Shon Arei, de koning en heeft Nanzi zijn cultuurbrengende functie praktisch geheel verloren. Daarentegen is de Antilliaanse Nanzi veel sterker dan de West-Afrikaanse een figuur die de gevestigde orde ondermijnt en de machtigen beetneemt. De Antilliaanse Nanzi-vertellingen dienden derhalve niet alleen tot vermaak, maar boden de verteller een mogelijkheid tot het uiten van zijn gevoelens omtrent de sociale wanverhoudingen in een slavenmaatschappij: een soort protestliteratuur avant-la-lettre.

Het gaat in de verhalen veelal om de sluwe spin, die herhaaldelijk door zijn overmaat aan primaire levenslust, meestal vraatzucht, in een hoogst precaire simatie geraakt, waaruit hij zich evenwel steeds weer op een even vernuftige als komische wijze weet te redden, niet zelden ten koste van anderen. Een groot aantal van deze spinverhalen werd in het Papiamentu opgetekend door Nilda Geerdink-Jesurun Pinto, terwijl Elis Juliana en Pater Paul Brenneker O.P. een uitgebreide collectie bandopnamen van de verschillende uitingen van de mondelinge literatuur hebben aangelegd.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 3: Geschreven literatuur

De geschreven (kunst)literatuur op de Nederlandse Antillen als continu verschijnsel is van relatief recente datum. Afhankelijk van de gehanteerde norm zou het beginpunt van de geschreven literatuur met evenveel recht aan het eind van de 19de eeuw of in de periode rondom de Tweede Wereldoorlog kunnen worden geplaatst. Immers, pas wanneer de eigen bevolking zich waagt aan de literatuurbeoefening en een eigen vorm ervoor heeft weten te vinden, kan met recht gesproken worden van een Antilliaanse literatuur. Dit punt werd voor wat betreft de Papiamentu-literatuur omstreeks de eeuwwisseling bereikt (al zou het tot na de Tweede Wereldoorlog duren voor er van een werkelijk ononderbroken ontwikkeling gesproken kan worden). Voor de literatuur in het Nederlands kan de periode rondom de Tweede Wereldoorlog als startpunt genomen worden. Dit betekent geenszins dat er vóór deze data geen sprake zou zijn van literatuurbeoefening op de eilanden. Vanaf de komst van de eerste Europese kolonisten op de eilanden is er - sporadisch - sprake van literaire uitingen. Niet zelden gaat het hier om werk van ‘passanten’, niet van de eilanden afkomstige personen, die relatief korte tijd op de eilanden verbleven maar in hun werk toch beïnvloed zijn door hun verblijf op de eilanden. Deze passanten hebben in de loop der eeuwen een belangrijke rol gespeeld in de literatuur op de eilanden, met name zij die de eilanden in de loop van de negentiende en twintigste eeuw aandeden.

Juan de Castellanos (1522-1607), die in 1540 Curacao bezocht en in zijn 150.000 verzen tellende Elegías de Varones Ilustres de Indias een achttiental stanzen aan Curaçao wijdt, is de eerste in de lange rij schrijvers die als passanten kunnen worden aangeduid. Onduidelijk is in hoeverre ook Lazaro Bejarano, die omstreeks dezelfde tijd Curaçao als encomienda bezat, tot deze groep gerekend kan worden. In dat geval zou hij de eerste schrijver in de Antilliaanse geschiedenis zijn die vervolgd werd vanwege zijn werk: in 1558 moest hij zich voor het Santo Oficio (de Inquisitie) op Hispaniola verantwoorden.

Van de Nederlandstalige passanten van het eerste uur kunnen worden genoemd Peter Stuyvesant en zijn secretaris Johan Farret, van wie een ‘briefwisseling’ in versvorm bewaard is gebleven. Van Farret zijn overigens ook bewaard gebleven een toneelstuk en een uit 1635 daterend episch gedicht over zijn reis naar Curaçao Texel’s Uijttocht naer ‘t Eijlandt Curaçao. Van later datum zijn o.a. Exquemelin (De Americaensche Zee-roovers, 1678) en H.J. Abbring (Weemoedstonen of een reis naar Curaçao, 1834); ook andere reis- en geschiedschrijvers zouden hier genoemd kunnen worden.

Terwijl in de twintigste eeuw het onderscheid tussen de Antilliaanse schrijvers en de van elders afkomstige schrijvers (de passanten) zich duidelijker aftekent, zijn er toch ook passanten die vanwege hun innige verbondenheid met de eilanden en hun literatuur als 'Antilliaanse schrijvers' worden beschouwd. In dit kader kunnen de namen van Luc Tournier (pseudoniem voor Ch.J.H. Engels) en René A. de Rooy worden genoemd. Beiden hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van een eigen Antilliaanse literatuur; eerstgenoemde vooral wat betreft de letterkunde in het Nederlands, De Rooy voornamelijk voor wat betreft de Papiamentu-literatuur.

De ontwikkeling van de kunstliteratuur in de negentiende en twintigste eeuw is tot stand gekomen onder invloed van een aantal impulsen van buitenaf en uit de gemeenschap zelf. Alhoewel het niet altijd even scherp aan te geven is welke invloed het belangrijkste is geweest voor een bepaalde schrijver of voor een bepaalde periode (aangezien de impulsen elkaar vaak overlapten), kan het volgende onderscheid gemaakt worden:

  • 1. De impuls, uitgegaan van de relaties met de Spaans sprekende omgeving, de Dominicaanse Republiek, Panama, Cuba, Puerto Rico en gedurende de laatste anderhalve eeuw vooral Venezuela, dat gedurende deze gehele periode in een revolutionaire situatie heeft verkeerd. Dit had tot gevolg dat een groot aantal Venezolaanse intellectuelen genoodzaakt was een belangrijk deel van hun leven in ballingschap door te brengen. In de 19de eeuw heeft de literatuur op Curaçao vooral gefloreerd, omdat het eiland een emigrantencentrum van onfortuinlijke exiliados, voornamelijk Venezolanen, is geweest.
  • 2. Een tweede impuls vindt zijn oorsprong in de Nederlandse cultuursfeer. De bloei van kunsten en wetenschappen, bekend als de ‘beweging van tachtig’, dringt pas in de 20ste eeuw door in de koloniën. De Nederlandse invloedssfeer wordt bovendien bevorderd door de gewijzigde verhouding tussen het aantal Nederlandse en Venezolaanse intellectuelen op het eiland. De intensivering van de communicatiemiddelen, in het bijzonder van het luchtverkeer, leidt ertoe, dat de Venezolaanse emigranten zich niet tot Curaçao beperken, maar verder uitzwermen naar Mexico, New York en Madrid. Het aantal Nederlanders daarentegen neemt aanzienlijk toe door de vestiging van de olieraffinaderijen op Aruba en Curaçao, zowel door het grote aantal employés als door de daarmee gepaard gaande uitbreiding van het ambtenarencorps.
  • 3. Een derde impuls, nu van binnenuit, gaat uit van de beweging van de abolitie caso quo (c.q.) emancipatie in de 19de eeuw en de beweging om een zelfstandig bestuur (autonomie, onafhankelijkheid) in de 20ste eeuw. Deze bewegingen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de volkstalen, het Papiamentu op de Benedenwindse en het Engels op de Bovenwindse Eilanden.

Deze laatste en zo belangrijke impuls is in feite één welke is samengesteld uit een achtereenvolgende reeks van impulsen die het uitdragen en erkennen van het eigene gemeen hebben. Naast de al genoemde beweging van de abolitie en het onafhankelijkheidsstreven zijn er nog enkele deelinvloeden op de ontwikkeling van de letterkunde in de Nederlandse Antillen te noemen o.a. invloeden, die uitgingen van de gebeurtenissen van 30 mei 1969 en het daarop volgende streven naar een ‘eigen identiteit’. Niet te verwaarlozen zijn tevens de invloed die uitging van de Antilliaanse studenten die vanuit den vreemde hun radicale bijdrage leverden aan het eigene in de Antilliaanse literatuur en de meer algemene stromingen als de negritude, de Black-Power- en de vrouwenbeweging. Al deze deelinvloeden zijn in zekere zin in te passen in de bovengenoemde derde impuls.

Het is op grond van deze impulsen, dat de meertaligheid van onze samenleving ook haar uitdrukking heeft gevonden in de meertaligheid van de literatuur van de Benedenwindse Eilanden. Het verschijnsel der meertaligheid mag niet leiden tot de conclusie, dat er sprake is van drie in zich zelf besloten taal- en cultuurentiteiten. Het tegendeel is waar. Men mag zelfs stellen, dat het werk van de belangrijkste auteurs als tussen- en mengvormen van taal- en zeker van cultuursferen moet worden beschouwd. Er zijn verscheidene schrijvers die zich met meer of minder gemak van verschillende talen bedienen. Als belangrijker nog moet worden beschouwd, dat de cultuursferen interferenties en fusies ondergaan en aangaan. De gesproken (volks)literatuur vindt haar oorsprong in Afrikaanse vertellingen en mythen, maar heeft ook duidelijke invloeden ondergaan van haar aanraking met de Europese cultuur. De geschreven literatuur behoort tot de Spaanse en Nederlandse varianten der Europese cultuur, maar zij hebben elkaar wederkerig beinvloed en vertonen bovendien in vele gevallen typische niet-Europese kenmerken, die onder het begrip creolisering plegen te worden samengevat.

In het laatste kwart van de 19de eeuw scheppen de bovengenoemde impulsen het geschikte klimaat voor een actieve literatuurbeoefening, die aanvankelijk een imitatief en later een steeds meer creatief karakter zal dragen. Zowel de Spaanse als de Papiamentu-literatuur wordt gekenmerkt door een dualisme, dat bepaald wordt door een zweven tussen het gebruik van Spaans dan wel Papiamentu en een voorkeur voor romantische dan wel realistische motieven. Als tenslotte het gebruik van het Spaans in onbruik raakt, rest slechts de tweedeling tussen romantiek en realisme. De Nederlandstalige schrijvers vertonen in mindere mate het taaldualisme en vinden hun oorsprong niet in de romantiek van de 19de eeuw, maar in de ‘ismen’ surrealisme, expressionisme en existentialisme van de 20ste eeuw.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 4: Spaanse literatuur

De belangrijkste schrijvers die zich van het Spaans bedienden kunnen geplaatst worden rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. De auteurs uit deze periode vertonen een voorkeur voor romantische motieven uit het begin van de 19de eeuw, vooral van Gustavo Adolfo Becquer. De meeste schrijvers hebben bijdragen geleverd voor de weekbladen Notas y Letras en El Poema die hun ontstaan in het bijzonder danken aan de bekende uitgever Agustin Bethencourt. Tot de belangrijkste representanten van deze generatie behoren de dichters A.A. Wolfschoon, David M.Chumaceiro, Joseph Sickman Corsen en tenslotte D. Dario Salas, die zowel in poëzie als proza heeft geëxcelleerd. Tot de prozaïsten behoren John de Pool en B.A. Jesurun. Na de dertiger jaren van de 20ste eeuw heeft de literatuurbeoefening in het Spaans steeds meer aan belang ingeboet, terwijl in dezelfde periode het gebruik van het Papiamentu en Nederlands juist toenam.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 5: Papiamentu-literatuur

In de Papiamentse beweging kunnen twee perioden worden onderscheiden, waarvan de eerste haar bloeitijd tijdens het fin de siècle beleeft, terwijl de tweede haar hoogtepunt pas na de Tweede Wereldoorlog bereikt. De auteurs van de eerste periode maken (bij voorkeur) ook gebruik van het Spaans en hebben - mogelijk daardoor - een voorkeur voor romantische motieven. Typisch realistische trekken worden echter ook bij de beste schrijvers aangetroffen, o.a. bij Corsen. Als representanten van deze generatie kunnen naast de meermalen genoemde J.S. Corsen nog genoemd worden Willem E. Kroon, S.M. Suriel, M.A. Fraai en W.M. Hoyer.

Naarmate de eeuw vordert, neemt de voorkeur voor motieven en uitdrukkingsmiddelen van het realisme toe, hetgeen ook in het werk van toneelschrijvers en humoristen merkbaar is. De humoristische literatuur zou als een voortzetting van het volksverhaal kunnen worden opgevat. Hiertoe hebben vooral O.E. van Kampen (pseudoniem Azijn Banana) en A.E. Leito (pseudoniem Tuyuchi) bijgedragen.

Een ‘tweede generatie’ Papiamentuschrijvers diende zich aan het eind van de 1940ger jaren aan, met als belangrijkste gangmaker de dichter en prozaïst Pierre A. Lauffer. Deze beweging, waarvan de exponenten nauwelijks gebruik maakten van het Spaans, maar die zich nog wel op de tweesprong van romantiek en realisme bevonden, kenmerkt zich door sterk nationalistische tendensen:

  • - een bewuste keuze voor het Papiamentu,
  • - aandacht voor land en natuur,
  • - het putten uit de volksoverleveringen
  • - en in het algemeen aandacht voor de Antilliaanse mens.

In de beginfase heeft vooral het tijdschrift Simadan bijgedragen tot het vorm geven aan deze beweging. Tot de belangrijkste dichters en prozaïsten behoren de reeds genoemde Pierre Lauffer en Elis Juliana, die een synthese van romantiek en realisme beogen en deze in hun beste momenten ook hebben bereikt. Daarnaast kunnen genoemd worden Ornelio Martina, Hubert Booi, Edward A. de Jongh, Nicolas A. Pifia Lampe en Luis H. Daal. Terwijl De Jongh zich naast het Papiamentu ook van het Nederlands bedient (met name voor zijn proza), bedienden Luis Daal en Nicolas Pifia zich ook van het Spaans. De Curaçaosche romancier Guillermo Rosario neemt een ietwat eigen plaats in: hij vertegenwoordigt de sociale en raciale roerigheid van het Caribisch gebied. De pamflettenschrijver Amador Nita zou kunnen worden beschouwd als een voortzetter van de pamflettentraditie die haar oorsprong vindt in het derde kwartaal van de 19de eeuw en het duidelijkst vertegenwoordigd is door de advocaat A.M. Chumaceiro.

Een derde periode binnen de Papiamentu-beweging begon zich aan het eind van de 1960ger jaren af te tekenen, beïnvloed door de grote veranderingen op maatschappelijk terrein binnen de Antilliaanse samenleving. Deze stroming vertoont evenals die van de laatste jaren van het 1940ger decennium duidelijk nationalistische trekken; zij onderscheidt zich van deze laatste stroming door haar enigszins radicaler karakter en haar sterkere sociale bewogenheid. De exponenten van deze jongste stroming hebben veelal een voortgezette opleiding in Nederland gevolgd en zouden derhalve kunnen worden aangeduid als ‘jonge intellectuelen’. Tot deze groep behoren ondermeer de dichter en redacteur van het tijdschrift Watapana, Henry Habibe, Pedro Velasquez, Ramon Todd Dandaré, Frank Booi en Federico Oduber (allen Arubaan), Enrique Muller, Norman de Palm en Yerba Seku (pseudoniem voor Richard Hooi; Yerba Seku is de Papiamentu vertaling van "hooi") van Curaçao.

Sommige van de oudere schrijvers vertonen in hun latere werk evenzeer overeenkomst met deze jongere generatie: het duidelijkst wellicht Guillermo Rosario, die al in zijn vroegere werk een duidelijke sociale bewogenheid tot uiting bracht.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 6: Engelse literatuur

Op een enkele uitzondering na, zoals de Curaçaoenaar Walter Palm en de Arubaan Cyril Berkel, zijn alle Engelstalige schrijvers afkomstig van de Bovenwindse Eilanden. Een onderscheid in verschillende stromingen en bewegingen is voor de Engelstalige literatuur van de Antillen moeilijk te maken. Enerzijds is er het relatief beperkte aantal auteurs, anderzijds is er de bijzondere plaats die het Engels van het begin af innam op de Bovenwindse Eilanden. Terwijl op de Benedenwindse Eilanden sprake is van een op gang komen van een eigen literatuur in een andere dan de volkstaal, gevolgd door een stroming welke zich juist inzette voor deze taal (het Papiamentu), hebben de Bovenwindse schrijvers zich steeds bediend van hun moedertaal. Terwijl de oudere dichters als thema de natuur van de eilanden en niet zelden religieuze motieven gebruikten, is er bij de jongere generatie een duidelijker zoeken naar eigen waarden en een sterke sociale bewogenheid te bespeuren. Als exponenten van de oudste ‘generatie’ kunnen Fred Labega en Steve Kruythoff genoemd worden; de belangrijkste vertegenwoordigers van de jongere generatie zijn Camille Baly, Will Johnson, Wycliffe Smith en Lasana Sekou (pseudoniem voor Harold Lake).

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 7: Nederlandse literatuur

Van een werkelijke ontwikkeling van een Nederlandstalige literatuur op de Antillen is pas in de loop van de 20ste eeuw sprake. In eerdere eeuwen is er bijna uitsluitend sprake van werk van passanten in het Nederlands, alhoewel er ook van enkele hekeldichten van ‘lokale oorsprong’ sprake is, die het karakter dragen van de spotrijmen uit de volksliteratuur en van gelegenheidsgedichten. De pionier van de Nederlandstalige literatuur op de Antillen is wel Cola Debrot, die vanaf het verschijnen van zijn novelle Mijn zuster de negerin in 1935 tot aan zijn dood in 1981 één van de stuwende krachten is geweest van de Antilliaanse literatuur in het algemeen en de Nederlandstalige in het bijzonder. Een meer algemene beoefening van de Nederlandstalige letterkunde begint met de oprichting van het tijdschrift De Stoep (1940), gestuwd door het enthousiasme van de belangrijkste redacteur Luc Tournier.

In de ontwikkeling van de Nederlandstalige literatuur kunnen drie perioden worden onderscheiden:

  • - de periode van de veertigers, tussen 1940 en 1950,
  • - de periode van de vijftigers die zich vooral in de 1950ger en 1960ger jaren doen gelden
  • - en ten slotte de periode van de zeventigers.

De eerste periode speelt zich voornamelijk af rondom het tijdschrift De Stoep. De dichters uit deze periode zijn vrijwel allen door het internationale expressionisme en surrealisme geïnspireerd. Tot de belangrijkste exponenten behoren Luc Tournier, Oda Blinder en Charles Corsen. Marcel de Bruin (pseudoniem van René de Rooy) met zijn romantische inslag en Wim van Nuland met zijn deels impressionistische (impressionisme: richting in de kunst van omstreeks 1870-1900, die met grote zintuiglijke ontvankelijkheid de indruk van één enkel moment wilde weergeven. Exponenten: Manet; Jongkind; de Marissen; Van Deyssel) proza (deels realistische verhalen), nemen een uitzonderingspositie in. Tip Marugg, die als dichter in De Stoep debuteerde, zou later vooral als romancier bekendheid genieten. Het verschil tussen de veertigers en vijftigers moet worden gezocht in de verschillende vorm van levensinstelling. Het werk van de veertigers draagt het karakter van een ontboezeming, meer van emotionele dan levensbeschouwelijke aard. Het werk van de vijftigers vertoont meer het karakter van een belijdenis, waaraan zo niet een scherp omlijnde levensbeschouwing dan toch een duidelijk levensgevoel ten grondslag ligt. De meeste vijftigers hebben gedebuteerd in Antilliaanse Cahiers. Tot de meest representatieve figuren van de tweede periode kunnen worden gerekend de dichteres Alette Beaujon en de romanciers Tip Marugg en van Boeli Leeuwen. Vooral bij Boeli van Leeuwen valt het niet moeilijk de invloeden van de christelijke existentialisten, van Kierkegaard tot Karl Jaspers, aan te wijzen.

Zoals de dichter Tip Marugg als romancier in de tweede periode thuishoort, hoort ook de dichter Frank Martinus Arion - voor wat betreft zijn vroege gedichten, - in de tweede periode thuis, terwijl zijn latere gedichten en zijn romans hem eerder in de generatie der zeventigers plaatsen.

De zeventigers sluiten bij hun tijdgenoten uit de Papiamentu-literatuur aan voor wat betreft hun nationalisme, hun sociale bewogenheid en hun intellectuele achtergrond. Niet zelden maken zij zowel van het Nederlands als van het Papiamentu gebruik, dit in tegenstelling tot de veertigers en vijftigers, bij wie de tweetaligheid slechts een incidenteel karakter draagt. De meeste zeventigers debuteerden aan het eind van de 1960ger jaren in de tijdschriften Kambio, Watapana en Ruku. Tot de belangrijkste exponenten van deze periode kunnen gerekend worden de romanciers Frank Martinus Arion en Edward de Jongh en de dichters J.M. Eustatia, Frank Booi, Walter Palm, Norman de Palm en Carel de Haseth.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 8: Toneelliteratuur 
Toneel heeft door de jaren heen steeds een belangrijke plaats ingenomen in het culturele gebeuren op de Antillen. Bood het in de tweede helft van de 19de eeuw vooral de gegoede burgerij een dankbare vorm van vrijetijdsbesteding, in de tweede helft van de 20ste eeuw is het één van de meest bereikbare vormen van massacommunicatie voor de literatuur. Tenslotte draagt ook de volksaard van de Antilliaan in niet geringe mate bij tot de belangstelling die er voor het toneel bestaat. Van Dario Salas is bekend dat hij het stuk Los Escollos schreef, terwijl Cola Debrot in 1940 De automaten publiceerde en in 1952 het stuk Tula van Pierre Lauffer genoemd kan worden. Een groot aantal vertalers heeft werk van min of meer bekende schrijvers in het Papiamentu vertaald. Namen van May Henriquez, Raul Rómer, Nydia Ecury en Jules de Palm dienen hier genoemd te worden. Oorspronkelijk werk in het Papiamentu werd geschreven door de Arubaan Ernesto Rosenstand en de Surinamer René de Rooy. In de 1970ger jaren kreeg het toneel een verdere impuls door het werk van een aantal jonge auteurs: Pacheco Domacasse (Tula; Konsenshi di un pueblo; Opus I), Edsel Samson (Naamloos, naamloos; Dagdromer; Situaties; On the dark side of the moon); Felix de Rooy (Mama Korsow i su ju sin trabow) en Dennis Henriquez (Mañan Dalia lo ta mi Dalia; Fènchi a gana e premio mayo). In dezelfde periode bloeide ook het Arubaanse toneel door de inzet van Ernesto Rosenstand en Burny Every met origineel en vertaald werk. Door de jaren heen heeft Eligio Melfor volle zalen getrokken met zijn produkties waarbij het accent meer op het recreatieve dan op het kunstzinnige aspect van toneel viel, zoals op Aruba de groep Mascaruba meer dan 30 jaar verdienstelijk (volks)toneel heeft gebracht. De dichter Norman de Palm (Onderweg Na Kaminda, 1977; Enzovoorts - Padilanti, 1979) schreef in 1982 Desiree, waarmee hij ook in Europa grote bekendheid vervierf en in 1984 Lippenschrift.

 

Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 9: Letterkundige tijdschriften

Letterkundige tijdschriften hebben een bijzondere plaats ingenomen in de ontwikkeling van de Antilliaanse letterkunde. Meer nog dan de Europese tijdschriften dragen zij, voortgekomen uit een gemeenschap met beperkte mogelijkheden tot het publiceren van letterkundig werk, het karakter van manifesten, die een bepaald streven vertegenwoordigen. Vandaar hun menigvuldigheid, ongeregelde verschijning en kortstondig leven. In tijden waarin geen zuiver letterkundig tijdschrift verscheen, voorzagen niet zelden algemeen culturele tijdschriften en dagbladen in de behoefte van de schrijvers aan een forum. Een overzicht in vogelvlucht geeft het volgende beeld.

  • Notas y Letras was gewijd aan de kunst in het algemeen, voornamelijk muziek en letteren.
  • In El Poema wordt voor de eerste maal een letterkundige specialisering nagestreefd.
  • Miniaturas was een society tijdschrift, waarin literatuur slechts een bijkomstige rol speelt.
  • De Stoep legde een voorkeur aan de dag voor de grote internationale stromingen.
  • Simadan was een poging het Papiamentu een plaats in de voorste rijen te verschaffen.
  • Antilliaanse Cahiers streefde naar een synthese van kunststromingen, ongeacht taalgebruik en stijlvorm.
  • Kambio, het orgaan van een radicaal ingestelde groep, wordt hier vooral genoemd om het werk van Federico Oduber en Jose Maria Eustatia, arts-bacterioloog, wiens gedichtenbundel Episoden (1977) getuigt van een welhaast virtuoze beheersing van het Nederlands.
  • Watapana vatte de draad van Simadan weer op, waarbij relatief veel aandacht werd besteed aan taalkundige aspecten.
  • Ruku, het eenmanstijdschrift van Frank Martinus Arion zocht naar een mogelijkheid cultuur in haar algemeenheid in te passen in het dagelijkse (politieke) leven.
  • In zekere zin als opvolger van het tijdschrift Christoffel (dat in de tweede helft van de 1950ger jaren verscheen en later opgenomen werd in de Nieuwe West-Indische Gids) verschijnt KristOf  sedert februari 1974 als algemeen sociaal cultureel tijdschrift, waarin aandacht wordt besteed aan sociale, economische, politieke, culturele, taal- en letterkundige onderwerpen. De medewerkers kunnen zich bedienen van Papiamentu, Nederlands, Engels of Spaans.

De conclusie kan worden getrokken, dat stromingen van geheel uiteenlopende aard elkaar opvolgen en dat de synthese slechts in uitzonderlijke gevallen wordt bereikt. Ook als de synthese slaagt, blijven toch de antithesen doorschemeren. Kennis van de tijdschriften, met hun vaak synthetische maar nog vaker antithetische strekking, kan in belangrijke mate tot beter inzicht in het werk van de individuele schrijvers en het streven van de literaire bewegingen bijdragen.


Letterkunde Ned. Antillen Hoofdstuk 10: Literatuur:

  • W.J.H. Baart, Cuentanan di Nanzi ... (diss. 1983);
  • C. Debral, Verworvenheden en leemten van de Antilliaanse literatuur, in; Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
  • J. de Roo, Antilliaans literair logboek (1980);
  • W. Rutgers, diverse publikaties o.m. in Ons Erfdeel (1979, 1981, 1982), KristOf, Antillen Review en Amigoe;
  • C.G.M. Smit en W.F. Heuvel, Autonoom (1975, 1976);
  • A. van der Wal en F. van Wel, Met eigen stem (1980).

 

@: Levensonderhoud, Kosten van

 

De prijsindex voor de gezinsconsumptie wordt samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (C.B.S.) en gepubliceerd in de Statistische Mededelingen en het statistisch jaarboek. In de meeste Collectieve Arbeids Overeenkomsten (C.A.O.) is een clausule opgenomen waarbij de lonen aan deze prijsindex worden gekoppeld. Deze index geniet daarom grote belangstelling (zie ook @: Koopkrachtpariteit).

 

@: Libanezen

Evenals op de andere eilanden in het Caribisch gebied en in Zuid-Amerika hebben zich in het begin van de 20ste eeuw Libanezen gevestigd op Curaçao en in geringere mate ook op Aruba en Bonaire. Zij legden zich toe op de handel. Aangetrokken door de economische opbloei na de vestiging van de raffinaderij van de Shell, is hun aantal na 1920 op Curacao relatief sterk gestegen; in de detailhandel spelen zij thans een belangrijke rol. Enkelen hebben ook in sociaal en politiek opzicht een plaats van betekenis weten te veroveren. Door de bewoners van de Benedenwindse Eilanden worden zij als Arabieren aangeduid (zie ook Islam).

 

@: Libellen

(Odonata) yeye di awa of ‘helikopters’. Voor een zo droog gebied als de Benedenwindse Eilanden valt het aantal soorten niet tegen; alleen op Curaçao werden reeds 18 soorten verzameld. Dit komt doordat vele soorten niet alleen in zoet, maar ook in sterk brak water kunnen broeden. De meeste soorten behoren tot de groep der Anisoptera, die ongelijke voor- en achtervleugels hebben. De larven kruipen op de bodem van plassen rond en zwemmen schoksgewijs door het uitspuiten van water uit hun einddarm. De volwassen dieren hebben een tamelijk fors lichaam en zitten in rust met uitgespreide vleugels; in snelle vlucht vangen ze andere insekten. Er komen rode, groene en bruingele soorten voor. Van enkele is bekend, dat zij ook over zee trekken. De groep van waterjuffers of damselflies (Zygoptera) die na het neerstrijken hun vleugels langs het slanke lichaam samenklappen, vindt men vlak bij het water. Meestal hebben ze een lichtblauw of oranje of groen borststuk en een blauwe achterlijfspunt. De larven hebben drie bladachtige aanhangsels aan het achterlijf waarmee ze kwispelend zwemmen.

 

@: Liberaal Joodse Gemeente
zie @: Emanu-El.

 

@: Lima, José Maria Emirto de

(Curaçao 25 januari 1890 - Baranquilla 14 augustus 1972) musicus, kreeg zijn eerste viool- en pianolessen van zijn vader, Paul Quirino de Lima, vestigde zich als musicus in Colombia, waar hij als componist en leraar goede naam verwierf. Hij verdiepte zich in en schreef over de Colombiaanse folklore; componeerde enkele stukken in de Antilliaanse stijl.

 

@: Lima, Paul Quirino de

(Curaçao 4 juni 1861 - 18 februari 1926) musicus, vader van José Maria Emirto de Lima, speelde als instrumentalist en leraar een voorname rol in het muziekleven van Curaçao. Eén van zijn leerlingen op de viool was Rudolf Boskaljon. Paul de Lima was organist van de Israëlitische Gemeente en muziekleraar aan het pensionaat Welgelegen. In 1886 richtte hij een orkest op, El Progreso, dat evenwel geen lang leven beschoren was. Een aantal van zijn Antilliaanse danswerken is bewaard gebleven. Om hem te eren is in de wijk Brievengat, een van de grootste dorpen van Curacao, een straat naar zowel hemzelf als vioolleerling Boskaljon vernoemd.

 

@: Lintendans
zie @: Bail’e sinta.

 

@: Lionsclub
zie @: Serviceclubs.

 

@: Liplap

(1) werd gebruikt ter aanduiding van een persoon geboren uit een blanke en een niet-blanke, vooral in het vroegere Nederlands Oost-Indië. Op Curaçao werd het in de 18de en 19de eeuw gebruikt met betrekking tot personen van gemengde afkomst, die maar weinig somatische verschillen vertoonden met een blanke. Een persoon geboren uit een blanke en een liplap werd als blanke beschouwd;

(2) zie @: Palmen.

 

@: Lipvissen

(fam. Labridae), omvatten zowel enkele grote soorten, zoals de hogfishes, alsook een groot aantal kleine soorten: pèpchi. Bij vele soorten hebben de wijfjes en jonge mannetjes een kleurpatroon, dat weinig afwijkt van dat der jonge dieren; terwijl de uitgegroeide mannetjes een heel andere, sterk opvallende kleur bezitten. Extreem is dat het geval bij de bluehead (Thalassoma bifasciatum), waarbij de jongen, de wijfjes en de nog niet volgroeide, maar toch wel aan de voortplanting deelnemende mannetjes geel van kleur zijn; bij het ouder worden krijgen deze mannetjes, die zich dus in het jeugdkleed reeds voortgeplant hebben, een prachtig fel gekleurd bruidspak: blauwe kop, twee wittige dwarsbanden ter borsthoogte en een knalgroen achterlijf maar merkwaardigerwijze zijn deze prachtmannen geslachtelijk vrijwel seniel.

 

 

@: Lisinbein

(Scolopendra gigantea) duizendpoot, entipede of scolopender, berucht en gevreesd groot insekt, wordt tot ca. 30 cm lang. Er komen ook duizendpootsoorten uit andere families voor (Geophilidae en Scutigeridae). De grote duizendpoot leeft op vochtige, donkere plaatsen, onder boomschors, stenen, houtstapels en komt nogal eens woningen binnen. Hij kan met een paar van gifklieren voorziene kaakpoten aan de kop steken; het gif is echter, waarschijnlijk zelfs voor kleine kinderen, niet dodelijk. De enkele gevallen van ‘beten’ met dodelijke afloop moeten toegeschreven worden aan complicatie door een reeds aanwezige ziekte of door secundaire infecties. Het voedsel bestaat uit insekten (kakkerlakken), maar ook wel kikkers en kleine reptielen; misschien zelfs wel muizen. De wijfjes leggen eieren in een zelfgemaakte holte en bewaken eieren en uitgekomen jongen door zich er omheen te wikkelen.

 

@: Lisinbein di awa
zie @: Wormen.

 


@: Literatuur
zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

 

@: Literatuur, Stichting voor Antilliaanse

Opgericht in 1967 op Curaçao met het doel de literatuur in de Nederlandse Antillen te bevorderen en zodoende de Antillianen meer bewust temaken van de eigen cultuur. Zij trachtte dit doel te bereiken door:

  • a. degenen, die blijk geven literaire talenten te bezitten, daadwerkelijk aan te moedigen die begaafdheid tot ontwikkeling te brengen;
  • b. al het nodige te doen om literaire werken van Antilliaanse auteurs en/of dichters alsmede werken betreffende de Nederlandse Antillen te helpen of te doen uitgeven en verspreiden;
  • c. het literaire werk in/over de Nederlandse Antillen zoveel mogelijk bekendheid te geven door middel van lezingen, tentoonstellingen en publiciteit. In de Cadushireeks, onder auspiciën van de Stichting, verschenen de romans In de straten van Tepalka van Tip Marugg en E raís ku no ke muri van Guillermo Rosario, alsook de verhalenbundel Echa kuenta van Elis Juliana. Sedert 1970 leidt de Stichting een sluimerend bestaan.

 

@: Lobster
zie @: Kreeft.

 

@: Local, The
zie @: Pers.

 

@: Lôge
zie @: Vrijmetselarij.

 

@: Lokaal veto
zie @: Internationale overeenkomsten.

 

@: Lol’i awa / @: Lolo di awa

(Holothuria), zeekomkommers behoren evenals bijvoorbeeld de zeeappels en de zeesterren tot de stekelhuidigen. Het bekendst is de grote zwarte lol’i awa (Ludwigothuria mexicana), die men vooral in de zeegrasvelden aantreft. De zeekomkommers eten de tritusrijke bodemgrond, zodat hun darm meestal met zand gevuld is. Als de dieren belaagd worden, werpen zij soms door krampachtig samentrekken hun ingewanden via de aarsopening naar buiten; zij zijn dan in staat hun darm in korte tijd te regenereren. Soms bevinden zich kleine levende slakjes (Balcis intermedia) in de huid van de grootste soorten. De zwarte lolo di awa herbergt soms ook de pearl fish (Carapus bermudensis), een 20cm lange, aalvormige vis, die zich met zijn haardunne staart via de aars van de lolo naar binnen werkt en dan af en toe zijn kop naar buiten steekt; daar binnen voedt hij zich met de gonaden en het kieuwweefsel van zijn gastheer.

De zeekomkommers van de zuidelijke Grote Oceaan worden wel gegeten (bijvoorbeeld de Tripang van Indonesië), maar onder de Caribische soorten staat er geen als eetbaar bekend.

  • Lit.: E.S. Tikasingh en E. Deichmann geven een overzicht van de zeekomkommers van Caribische kusten (Stud. Fauna Cura,ao dl. 14, 1963).

 

@: Lombrishi

Om een kind een lang leven te verzekeren diende de navelstreng (kabuy’e lombrishi) onder de deurpost van het ouderlijk huis begraven te worden. Deze gewoonte is in onbruik geraakt, ook al omdat de geboorte in steeds toenemende mate buiten het ouderlijk huis ging plaatsvinden. Om iemands plaats van herkomst aan te duiden gebruikt men de uitdrukking su lombrishi ta den / na (letterlijk zijn navel ligt begraven te). Er is hier echter sprake van een verdichting omdat niet zijn lombrishi (= navel) maar zijn kabuy’e lombrishi (= navelstreng) wordt bedoeld.

 

@: Lonen

Het loonpeil in de Nederlandse Antillen is moeilijk vast te stellen omdat er een grote verscheidenheid is in de lonen voor eenzelfde beroep. De lonen bij de oliebedrijven liggen doorgaans hoger dan die van de andere industrieën; vrouwelijke arbeid wordt veelal lager gewaardeerd dan mannelijke. De lonen op Bonaire, Saba en St. Eustatius liggen over het algemeen lager dan op Aruba, Curaçao en St. Maarten. De vakverenigingen hebben zich na 1969 intensiever ingezet om loonsverhogingen te bedingen ter compensatie van de gestegen kosten van levensonderhoud. De Bestuurscolleges van de verschillende eilandgebieden stellen minimumlonen vast voor de verschillende sectoren zoals winkelpersoneel, bakkerijpersoneel enz.

 

@: Loodsdienst

De loodsdienst ressorteert onder de Dienst Haven- en Loodswezen, een overheidsdienst. Aangezien vijf van de zes eilanden van de Nederlandse Antillen worden bezocht door grote zeeschepen en de havens van de Benedenwindse Eilanden drukke havens zijn (Curaçao 10.000 schepen en Aruba 3.000 schepen per jaar) speelt de loodsdienst een zeer belangrijke rol in het economisch gebeuren van de Nederiandse AntiIlen. Deze wordt voornamelijk geregeld in de Loodsdienstverordening (Publicatieblad 1937 nr. 93).

Een loods treedt op als wegwijzer en adviseur van de kapitein (gezagvoerder) van een schip, dat de haven moet in- of uitvaren. Hij begeeft zich aan boord van het schip en neemt in overleg met de kapitein de leiding van de navigatie over. Hij beoordeelt hoe het schip op een veilige manier kan worden ingepast in het verkeerspatroon van de haven, coördineert en leidt de sleepbootassistentie, regelt het meren en ontmeren van het schip en bepaalt hoe in de haven moet worden gevaren. De loods geeft hierbij aanwijzingen welke manoeuvres moeten worden gemaakt met het roer en de machine(s) van het schip en welke handelingen aan boord moeten worden verricht om het schip op een veilige manier op zijn bestemming te brengen. Indien men de schepen zonder loods de havens zou laten in- en uitvaren, zouden er onvermijdelijk ongelukken gebeuren. Deze kunnen rampzalige gevolgen hebben, zoals brand, ontploffing, vergiftiging door vrijgekomen chemicaliën, milieuverontreiniging op grote schaal, verlies van mensenlevens en schade aan schepen, steigers, bruggen en de bebouwde kom in de omgeving van de haven. Om dit te voorkomen en de veiligheid te waarborgen, heeft de overheid bij wet bepaald dat de kapitein van een zeeschip verplicht is zich te gedragen naar de door de loods gegeven aanwijzingen met betrekking tot de regeling van de scheepvaart, voordat het schip de haven mag binnenvaren, uitvaren of van ligplaats veranderen in de haven (Publicatieblad 1936 nr. 104). Een loods dient dus in opdracht van de overheid de veiligheid in en om de haven.

Een loods is een ervaren zeeman die zich heeft gespecialiseerd in het manoeuvreren met alle voorkomende soorten van schepen en zich bekend heeft gemaakt met alle bijzonderheden van de vaarwaters in de haven en met aIle voorschriften, regelingen en wettelijke bepalingen, die er van toepassing zijn. Doorgaans heeft een loods vele jaren gevaren als stuurman en ook wel als kapitein aan boord van schepen in de grote handelsvaart, alvorens aan te vangen met zijn opleiding tot loods. De loodsdienst is een vol-continu dienst, die dus zowel bij dag als bij nacht wordt uitgevoerd.

 

@: Loodsgelden
Zie @: retributie

 

@: Loodskantoor
Zie @: Haven- en loodswezen

 

@: Looistoffen
zie @: Dividivi.

 

@: Loontechnische Dienst

is een afdeling van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken welke in 1971 werd ingesteld en die ondermeer tot taak heeft het verzamelen van gegevens bij de bedrijven inzake de feitelijke ontwikkeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden alsmede de door het bedrijfsleven gehanteerde beloningstelsels. Tevens houdt zij zich bezig met functie-classificatie en arbeidsanalyse en dient zowel de overheid als het bedrijfsleven hierover van advies.

 

@: Lopes, Ellis

Geboren in 1936 op Sint Eusfatius, groeide op Aruba op en verbleef daarna 16 jaar in de V.S. waar hij werkzaam was als illustrator en dansinstructeur in New York. Keerde in 1976 naar Sint Eustatius terug; schreef het toneelstuk Independence ... or slow death?, dat ook buiten Sint Eustatius veel succes oogstte en door Tele Curaçao werd verfilmd. Twee sociaal-kritische stukken van zijn hand zijn Forsaken Children en Dirty Hands. Alle stukken werden opgevoerd door de Sint Eustatius Action Theatre waarvan Ellis mede-oprichter, regisseur en toneelspeler is. Ook de Statia Folkloric Dance Troupe werd onder zijn bezielende leiding opgericht.

 

@: Lopi

en snepi zijn de Papiamentse namen voor een veertigtal steltlopers, op de Bovenwindse Eilanden meestal met de namen pond bird en snipe aangeduid. Men treft deze vogels meestal aan langs zandstranden, modderige binnenbaaien, na regen ontstane plassen in het binnenland, ook wel langs de koraalpuinwallen. Zeer algemeen is de kleine geelpootruiter (Tringa flavipes), die men op allerlei plaatsen waar maar water is kan ontmoeten en die aan zijn alarmerende tjii-tjiigeroep herkenbaar is. Ook talrijk is de veel kleinere Amerikaanse oeverloper (Actitis macularia). Zeer algemeen het hele jaar door is de kleine grijze strandloper (Calidris pusilla), die in groepjes rondrent over modderige vlakten, daarbij herhaaldelijk in de grond pikkend. Broedvogel is de steltkluut (Himantopus himantopus), een zwart met-witte vogel met zeer lange roze poten; typerend is zijn Bonairiaanse naam kaweta di patu, daar hij andere watervogels met zijn geroep ‘waarschuwt’. De steenloper, guiripitu (Bonaire) (Arenaria interpres) valt op door zijn merkwaardige gewoonte om met zijn snavel steentjes om te keren op zoek naar prooi.

 

@: Lorito Real

Humoristisch weekblad, verschenen van 1948-1958, onder de eenhoofdige redactie van Azijn Banana (pseudonym van Oscar Enau van Kampen) (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Lorredraaier

of enterloper - dit laatste woord is een verbastering van het Engelse interloper - werd in het begin van de 17de eeuw de term waarmee men diegenen aanduidde die zonder autorisatie van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) en na 1621 van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) handel poogden te drijven binnen de grenzen van het monopolie dezer compagnieën. De lorredraaiers ontdoken niet alleen de recognities, maar ook de konvooi- en licentgelden, die de West-Indische Compagnie vereiste.

 

@: Loterij

Bij Landsverordening 1949, nr. 16 (geldende tekst P.B. 1965 nr. 122) is de Landsloterij in de plaats gekomen van de in 1932 opgerichte loterijbond Fortuna. De landsloterijbegroting wordt door de Staten van de Nederlandse Antillen in het openbaar behandeld en is aan de goedkeuring van dit college onderworpen. Door de directeur wordt jaarlijks vóór 30 mei in overeenstemming met de Raad van Toezicht en Advies door tussenkomst van de Administrateur van Financiën bij de Gouverneur een begroting ingediend van de inkomsten en uitgaven van het volgende dienstjaar. Deze begroting wordt door de Gouverneur, de Raad van Toezicht en Advies gehoord, uiterlijk op de eerste augustus aan de Staten ter goedkeuring aangeboden. De gelden per saldo verkregen uit de landsloterij worden conform deze begroting uitgekeerd aan verenigingen, stichtingen en andere instellingen die een liefdadig of een cultureel doel nastreven of op andere wijze actief zijn in het belang van de Antilliaanse gemeenschap. Het beheer van de geldmiddelen is opgedragen aan een directeur.

De Raad van Toezicht en Advies is samengesteld uit een voorzitter en ten hoogste zeven leden die benoemd en ontslagen worden door de Gouverneur. De procureur-generaal en de Administrateur van Financien zijn ambtshalve lid. De landsloterij en de instellingen die subsidie ontvangen staan onder controle van de Landsaccountantsdienst. De illegale loterij heeft in de loop der jaren de landsloterij overwoekerd. De grondslag van deze illegale loterij, die op Curaçao number en op Aruba catochi wordt genoemd, is de dagelijkse trekking van de loterij in Venezuela en in de Dominicaanse Republiek. Over het algemeen wordt gegokt op de laatste twee cijfers van het lot waarop de eerste, de tweede en de derde prijs vallen, waarbij respectievelijk 40, 20 en 10 maal de inzet wordt uitbetaald. Men kan f 0,50 riskeren en dezelfde avond f 20,-, f 10,- of f 5,- innen, wat de aantrekkelijkheid van deze loterij voor de ‘kleine man’ verklaart. (Bij de landsloterij is de inzet hoger terwijl er om de veertien dagen een trekking plaatsvindt.) Het is ook mogelijk op de laatste drie of vier cijfers te gokken, wat weliswaar de risico-factor verhoogt maar waarmee dan de eerste prijs 500 respectievelijk 4000 maal de inzet is. In 1983 is aangevangen met een overgangsbepaling om de eilanden in staat te stellen zelf met een loterij te beginnen; op Curaçao is de gezaghebber als plaatselijk hoofd begonnen de illegale number aan te pakken.

 

@: Low Lands-formatie

Een kalkige en mergelige gesteenteserie van laat-oligocene tot oud-miocene ouderdom, Sint Maarten (zie @: Geologie).

 

@: Luangu

  • (1) de naam van een groep stammen uit West-Afrika die het koninkrijk Luango vormden;
  • (2) aanduiding voor de minst geaccultureerde slaven. Deze luangu’s zouden de kunst verstaan om naar Afrika terug te vliegen, mits zij geen zout hadden gegeten;
  • (3) aanduiding voor de zogenaamde Afrikaanse taal der slaven; is synoniem met gueni of guene;
  • (4) aanduiding voor mensen met een weinig verfijnde smaak (hende luangu) die zich opzichtig kleden en opvallen door hun gedrag (hasi kos di luangu);
  • (5) (Stemodia maritima), plantesoort uit de familie der Scrophulariaceae. Plant van kustgebied en brakke grond, gemakkelijk te herkennen aan de ½ cm lange blauwe (soms witte) bloem en de kleverig behaarde, dichtopeenstaande, 2½ cm lange zittende bladeren. Benedenwindse Eilanden.

 

@: Luchtdruk
zie @: Klimaat.

 

@: Luchthavens

Foto: Dr. Albert Plesman luchthaven - Curacao

Alle eilanden van de Nederlandse Antillen zijn thans ook per vliegtuig bereikbaar. Er zijn 6 luchthavens.

  • Aruba: Aeropuerto Internacional Reina Beatrix is internationaal, en gelegen in het gebied Dakota, waaraan de vroegere naam werd ontleend. Aanvankelijk was de startbaan 300 meter lang, thans 2.745m.

 

 Foto: Koningin Beatrix luchthaven - Aruba

  • Bonaire: Flamingo-luchthaven, genoemd naar de op het eiland nestelende flamingo’s, is naar moderne eisen gebouwd. In verband met de vrijwel constant waaiende oostelijke wind heeft de start- en landingsbaan slechts een lengte van 2.400m.
  • Curaçao: De op de vlakte van Hato gebouwde internationale Aeropuerto Hato is de grootste in de Nederlandse Antillen. De oorspronkelijke startbaanlengte van 300 meter bedraagt thans 3.410m.
  • Saba: De kleine voor lokaal verkeer ingerichte Juancho E. Yrausquin-luchthaven verloste het eiland uit zijn isolement. Gezien de natuurlijke beperkingen op dit bergachtige eiland is de startbaan slechts 400m lang en alleen te gebruiken door kleine vliegtuigen.
  • St. Eustatius: President Franklin D. Roosevelt luchthaven heeft een lengte van 600m en ontleent zijn naam aan het feit dat president Roosevelt het eiland in 1939 aandeed. Er bestaan plannen tot uitbreiding met ± 400 meter.
  • St. Maarten: De internationale Prinses Juliana luchthaven voorziet wat het toerisme betreft in een grote behoefte. Door verbetering van de faciliteiten is het luchtverkeer met grote sprongen omhooggegaan. De lengte van de startbaan bedraagt 2.150 meter. (Zie ook @: Luchtverkeer).

 

@: Luchtkartering

van de zes eilanden van de Nederlandse Antillen is in opdracht van de Nederlands Antilliaanse regering verzorgd door K.L.M.-Aeracarto N.V. Topografische kaarten, vervaardigd met behulp van de luchtfotografie, zijn reeds geruime tijd in gebruik (zie @: Kadaster).

 

@: Luchtmacht, Koninklijke

Per 1 maart 1982 werd door het Ministerie van Defensie beslist om de Marine Luchtvaartdienst op te heffen en op de Nederlandse Antillen een esquadron (336) van de Koninklijke Luchtmacht te stationeren. Het esquadron, bestaande uit twee verkenningsvliegtuigen (Fokker Friendships) staat onder bevel van een Majoor der Koninklijke Luchtmacht.

 

@: Luchtvaart Brigade (J.L.B.), Jeugd
zie @: Jeugd Luchtvaart Brigade.

 

@: Luchtvaartcommunicatie

omvat niet alleen de verbindingen met vliegtuigen voor het verstrekken van gegevens voor een veilige vlucht, maar ook verbindingen tussen de Nederlandse Antillen en de buitenlandse vliegbeveiligingscentra Colombia, Puerto Rico, Dominicaanse Republiek, Jamaica en Venezuela (zie ook @: Radio Navigatie Hulpmiddelen).

 

 
@: Luchtvaart, Departement van de

is de door de Antilliaanse overheid ingestelde dienst, welke de côntrôle uitoefent op de naleving van alle wettelijke bepalingen en voorschriften inzake de veiligheid van de luchtvaart in de ruimste zin.

 

@: Luchtvaartmaatschappijen

Behalve de nationale luchtvaartmaatschappij Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij N.V. (A.L.M.), die samenwerkt met de K.L.M., zijn er nog de Caraibische Lucht Transport Mij. (C.L.T.M.) en Windward Islands Airways (Winair), in de Nederlandse Antillen gevestigd; daarnaast opereren o.a. de volgende buitenlandse luchtvaartmaatschappijen in geregelde en/of ongeregelde diensten op de Nederlandse Antillen:

  • Avianca (Colombia),
  • C.D.A. (Dominicaanse Republiek),
  • L.A.V. (Venezuela),
  • Panam, (Verenigde Staten van Amerika - USA),
  • American Airlines (USA) 
  • Eastern Airlines (USA)
  • V.I.A.S.A. (Venezuela).

 

@: Luchtvaartovereenkomsten

Blijkens artikel 54 lid 1 van het Statuut was het aangaan van luchtvaartovereenkomsten een aangelegenheid van het Koninkrijk. Sedert januari 1967 is zulks niet meer het geval, omdat de Nederlands Antilliaanse regering gebruik heeft gemaakt van de in lid 2 geschapen mogelijkheid de evengenoemde bepaling te doen vervallen. Hierdoor zijn de Nederlandse Antillen in staat zowel rechtstreeks als door tussenkomst van het Koninkrijk luchtvaartovereenkomsten te sluiten.

 

@: Luchtverkeer

In de Nederlandse Antillen bestaat een binnenlands d.w.z. intereilandelijk luchtverkeer, verzorgd door de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij N.V. (A.L.M.). Tussen St. Maarten, St. Eustatius en Saba wordt de verbinding verzorgd door de Windward Islands Airways International N.V. (Winair). De A.L.M. neemt ook deel aan de instandhouding van enkele buitenlandse luchtverbindingen. Deze worden grotendeels verzorgd door een aantal luchtvaartmaatschappijen o.a. naar de volgende landen: Panama Canal Zone, Colombia, Dominicaanse Republiek, Frans Guyana, Haïti, Jamaica, Nederland, Panama, Puerto Rico, Suriname, Trinidad & Tobago, Venezuela en de Verenigde Staten. Het luchtverkeer vertoonde gedurende de afgelopen jaren een sterke toename.

 

@: Luchtverkeers beveiliging

is een organisatie, deel uitmakend van het Departement van de Luchtvaart van de Nederlandse Antillen, welke de veiligheid van het gehele, in het aan haar zorgen toevertrouwde luchtverkeersgebied verzorgt. Zij is opgezet volgens internationale voorschriften van de I.C.A.O. (International Civil Aviation Organization). Het gecontroleerde gebied heeft een oppervlakte van ruim 582.000 km², waarin thans per jaar ongeveer 120.000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden.

 

@: Lufah

(Luffa cylindrica) of sèrbètè di pober, behoort tot de familie der Cucurbitaceae. De jonge vrucht wordt als groente gegeten. De rijpe, 50 cm lange vrucht heeft een netwerk van vezels en wordt als pannespons gebruikt.

 

@: Luizen

is de benaming van onderling zeer verschillende typen van insekten. Onderling nog wel verwant zijn bladluizen (Aphididae), wandluizen (Cimicidae) en schildluizen (Coccidae), maar vachtluizen en veerluizen (Mallophaga) en stofluizen (Psocoptera) behoren tot heel verschillende insektenorden; visluizen (Argulidae) zijn kreeftachtige dieren. Opvallend is, dat bladluizen en schildluizen (Pispis), die sapzuigers op bladeren, Iakjes en wortels zijn, vaak door mieren bezocht worden. Deze nemen de suikerhoudende uitwerpselen van de luizen als voedsel op en verzorgen en beschermen hen als een soort melkkoeien. Andere soorten bladluizen scheiden grote wasvlokken af, zoals de soort die men veel op trinitaria en negrita loko pa oro ziet. Schildluizen zijn vaak niet als insekten te herkennen, vervormd als ze zijn tot platte schubjes (scale insects). Sommige soorten zijn door dikke wasafscheidingen omgeven. Ook pèrla di vruminga behoren tot de schildluizen. De platte vleugelloze wandluizen komen ‘s nachts uit spleten in houten muren te voorschijn en zuigen bloed, ook bij de mens. Hoofd- en kleerluizen of pieú (Anoplura) zijn parasieten bij zoogdieren en vogels. Zij schijnen in de Nederlandse Antillen zeldzaam te zijn. Stofluizen kunnen in huis nog wel eens schadelijk zijn door het aanvreten van boekbanden. Alleen van de schildluizen is een soortenlijst gepubliceerd.

 

@: Luminescentie

is het verschijnsel dat organismen licht geven, wat uiteraard vooral in het donker zichtbaar is. Het lichtverschijnsel is het gevolg van een chemische reactie. De lichtgevende stof wordt met de naam luciferine aangeduid; deze stof kan bij aanwezigheid van het enzym luciferase geoxideerd worden, hetgeen met een lichtverschijnsel gepaard gaat. Hierbij is geen fosfor betrokken zoals de oude naam fosforescentie doet verwachten. Luminescentie komt voor bij sommige soorten bacteriën, schimmels, eencellige planten en dieren, bij enkele insekten (o.a. vuurvliegen) en bij zeer veel zeedieren, vooral bij soorten die in diep water (beneden 500m) leven. Het lichten der zee wordt veroorzaakt door ééncellige plankton-organismen, zoals ‘zeevonk’ (Noctiluca) en enkele zweepalgen behorend tot de Peridineeën. In het voedselarme water van de Benedenwinden komt het lichten der zee zelden voor; een enkele maal ziet men het verschijnsel in de binnenbaaien (Santa Marthabaai), die rijker aan voedingszouten zijn. Het lichten der zee is op de keten van de Bovenwindse Eilanden beter bekend. Beroemd is de Bahía Fosforecente aan de zuidkust van Puerto Rico. De functie van de luminescentie kan velerlei zijn. Vuurvliegen geven elkaar signalen met hun lichtflitsjes. Bij enkele vissen, inktvissen en vlokreeftjes heeft het lichtgeven waarschijnlijk een functie bij het scholen-vormen van deze dieren. Sommige diepzeevissen stoten lichtgevende wolken uit, die wellicht dezelfde functie hebben als het ‘rookgordijn’, dat door belaagde inktvissen door het uitstoten van ‘inkt’ gelegd wordt.

 

@: Lutherse gemeente
zie @: Protestantisme: geschiedenis. 

einde van deze lettergroep! 


- Dutch -