English -Dutch -   home   contact
 
Letter E t/m H

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch gebied: Bonaire

Illustratie: Schilderij "Fantasy" van H.M.L. Sint Jago-Wanga (biografie bij @: Wanga Sint Jago H.M.L.)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

 

De letter E

e is de vijfde letter van het Nederlandse alphabet en de tweede klinker. Hij wordt in de verste verte niet zo vaak als de a gebruikt (althans als beginletter in deze encyclopedie), maar is desondanks een belangrijke letter. Zonder de e zouden wij veel woorden niet of niet zonder veel moeite kunnen schrijven. De Semieten staan ook bij de e aan de voet van haar ontwikkeling. Zij is naar alle waarschijnlijkheid gebaseerd op de Egyptische hieroglyfe, die een biddende of zingende man uitbeeldt. Van deze eerste indruk vormden de (Proto) Semieten het teken H, in eerste instantie geschreven als een op een menselijk wezen gelijkende poppetje; later als een soort omgekeerde E, die meer op een kam leek. Het teken werd gebruikt om zowel de h als de e-klank mee weer te geven vooral voor vreemde woorden. Bij de overname door de Grieken ter vorming van hun letter epsilon met de daaraan verbonden e-klank, schijnen zij aanvankelijk de omgekeerde schrijfwijze te hebben handhaafd. Deze schrijfwijze schijnt met de Griekse zeelui naar oud Italië te zijn meegereisd en door de Etruskische beschaving op die manier overgenomen. Later werd de e door de Grieken omgedraaid in de richting waarin wij haar nu kennen, waarna de Romeinen deze schrijfwijze vervolgens van de (West) Grieken hebben overgenomen (dus kennelijk niet van de Etrusken) en hebben zij haar de ons nu ook bekende vorm gegeven. De Oud Engelsen ontwikkelden de e overigens in een andere richting: Het werd hun letter voor de i-klank.
In het Nederlands heeft de e doorgaans vier klanken: Ten eerste de korte scherpe è die wij horen in woorden als weg, pech, stempel (in dit laatste woord de eerste lettergreep e). Bij de meervoudsvorm van woorden met deze è wordt erachter een dubbele medeklinker geschreven, ter aanduiding van de korte, scherpe uitspraak als in (wetten, vellen, kennen). De andere veel voorkomende klank is die van de lange e, gepresenteerd als een dubbel geschreven e zoals wij die kennen in woorden als meel, zeef, twee. Bij het schrijven van de meervoudsvorm van deze woorden, wordt de e vóór slechts één mede-klinker geschreven, zoals bij eten (enkelvoudig eet), weten (weet), velen (veel).

De tweede lettergreep van het woord ‘stempel’ geeft al een andere klank van de e aan: Eén naar de u van ‘vlug’ neigende klank, ook in woorden als drempel, tempel. Tenslotte kent het Nederlands een naar de i van ‘wip’ neigende uitspraak van de e, zoals die voorkomt in woorden als gepresenteerd, keren, leren, weer. Een lastige diversiteit, die het aanleren van de Nederlandse taal er niet gemakkelijker op maakt.

In het Papiamentu zijn de afspraken voor het gebruik van de e iets eenvoudiger dan in het Nederlands. Daar verkrijgt de e met korte scherpe klank als in "weg" een naar links neigende accent als in pètji, tolèlè, stèrki; een naar rechts neigende accent geeft een e aan waar de nadruk op komt te staan tezamen met een zware uitspraak ervan (muhé, sapaté). Daarnaast gebruikt het Papiamentu ook de e met trema (als in Israël, Samuël) die aan de lezer de informatie doorgeeft, dat de beide klinkers naar elkaar toe worden getrokken. Hierdoor is het voor de lezer steeds duidelijk welke e er bedoeld wordt.

De e is de beginletter van een grote verscheidenheid aan onderwerpen. In de naam Europa, de enige werelddeel met een andere beginletter dan a. Ook het beginletter in namen van landen als Ecuador, het in dit onderdeel veel genoemde Egypte, het hierbij ook veel genoemde Engeland en ook het Midden-Amerikaanse El Salvador. Verschillende vermaarde personages uit de geschiedenis hebben ook een (achter)naam die met een e beginnen onder andere de bijzonder intelligente onderzoeker Albert Einstein en de bekende Amerikaanse president Dwight Eisenhower. En dat al diegenen, die niet meer zonder hun computers kunnen zich ervan bewust blijven, dat dit apparaat niet mogelijk zou zijn zonder electriciteit en electronica.

 

@: Ebenezer Church
Ten behoeve van de Engelssprekende werknemers bij de olie-industrie op Curaçao werd deze kerk in 1943 gesticht met gouvernementssubsidie, nadat zij vanaf 1929 als ‘huiskerk’ had bestaan en geleid was door lekepredikers, voor het merendeel Aglicanen en Methodisten, afkomstig van de Bovenwindse Eilanden. De kerk was een aparte afdeling van de Verenigde Protestantse Gemeente, mede omdat de kerkdiensten uitsluitend in het Engels gehouden werden. In 1957 werd een van de predikanten van de Verenigde Protestantse Gemeente tevens belast met de geestelijke verzorging van de groep; door de steeds grotere integratie werd in 1963 de Ebenezer Church als aparte afdeling opgeheven, al behield deze groep haar eigen karakter.

 

@: Echado di kuenta
(ook hinchadó di kuenta) verteller van volksverhalen, o.a. de *Nanzi-verhalen. Een goed verteller wist het verhaal altijd met persoonlijke fantasieën te verrijken, vandaar dat hij ook hinchadó di kuenta werd genoemd (hincha = opzwellen of doen opzwellen).

 

 

 

@: Ecker, Enrique Eduardo


(Curaçao 26 januari 1887 - Cleveland, Ohio 5 maart 1966) studeerde tot 1907 aan de Landbouwhogeschool te Wageningen, was hierna enige tijd in Indonesië werkzaam in landbouwproefstations. Vervolgens medische studie te Chicago waar hij in 1917 zijn Ph.D.-graad haalde in hygiëne, bacteriologie en anatomie. In 1918 ‘demonstrator’ in hygiëne en bacteriologie aan de Western Reserve University, Cleveland, Verenigde Staten, waar hij in 1942 gewoon hoogleraar werd. Werkte in 1924 samen met M. Arthus te Lausanne en in 1927 met Sir Frederick Gowland Hopkins en Sir J. Barcroft te Cambridge, Engeland. Zijn wetenschappelijk werk heeft betrekking op vele aspecten van de bacteriologie en immunologie. Was mede-auteur, met Howard J. Karsner van standaardwerk: The Principles of Immunology. Ecker was o.a. andere lid van de Royal Society of Medicine en van een aantal Spaanse wetenschappelijke instellingen.

 

@: E.C.L.A.
zie Economic Commission for Latin America.


 
@: Ecôle de Danse
Dans- en ballet school in 1971 geopend onder leiding van Lucia Schnog-de la Fuente, danspedagoge en toneeldanseres, opgeleid aan de Stichting Stedelijke Balletschool te Delft. Samen met Thelma Bakhuis en Leny Kleyn werd in 1979 een semi-professionele dansgroep opgericht: Antillean Dance Theatre.


 
@: Economic Commission for Latin America
Orgaan van de Verenigde Naties, gevestigd te Santiago (Chili) samengesteld uit vertegenwoordigers van alle Latijns-Amerikaanse landen en van Frankrijk, Groot-Brittannië en het Koninkrijk der Nederlanden met als doelstellingen o.a. uitbreiding van de handel (vooral door verbetering van de verbindingen) en het beschikbaar krijgen van meer kapitaal hetzij door aanmoediging van buitenlandse investeringen, hetzij door opvoering van de nationale besparingen.

 

@: Economie van de Nederlandse Antillen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Economische ontwikkeling
Hoofdstuk 2: Huidige economische structuur
Hoofdtuk 3: Olieraffinage en olieoverslag
Hoofdtuk 4: Toerisme
Hoofdstuk 5: Scheepsreparatie-industrie
Hoofdstuk 6: Economische situatie
Hoofdstuk 7: Werkloosheidspercentage
Hoofdstuk 8: Prijsontwikkeling
Hoofdstuk 9: Betalingsbalans
Hoofdstuk 10: Economische planning
Hoofdstuk 11: Economische politiek
Hoofdstuk 12: Economische samenwerking Aruba-Nederlandse Antillen
Hoofdstuk 13: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

 

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 1: Economische ontwikkeling 

De vestiging van de olie-raffinaderijen op Curaçao (1916) en op Aruba (1925) kan gezien worden als de aanzet voor de economische groei en ontwikkeling die de Nederlandse Antillen sindsdien gekend hebben. In de eerste helft van de twintigste eeuw (1900-1950) werd de Antilliaanse economie bijna uitsluitend beheerst door de olieraffinage-industrie. Import van arbeidskrachten was noodzakelijk; in de periode 1930-1960 nam de *bevolking toe met 150.070 inwoners. In de 1950ger jaren ging de olieindustrie over tot rationalisatie: het invoeren van arbeidsbesparende produktie-methoden. Mede hierdoor kan in het midden van de 1960ger jaren een stijging van de werkloosheid van de beroepsbevolking geconstateerd worden. Op Curaçao is er sprake van een ernstig structureel werkloosheidsprobleem: door de sterke bevolkingstoename, de toenemende participatie van vrouwen en de sterke achteruitgang van de olieindustrie qua werknemersbestand, bedroeg het werkloosheidspercentage in 1981 ruim 20%. 

De ontwikkeling van het toerisme kwam in de 1960ger jaren op gang. Vooral Aruba en St. Maarten hebben zich tot sterke toeristeneilanden ontwikkeld. Op St. Maarten is het toerisme de pijler van de economie. Curaçao heeft de meest gediversificeerde economie. Een relatief sterk ontwikkelde industriesector (naast olieraffinage en scheepsreparatie diverse op de lokale markt gerichte kleine industrieën), het toerisme (hoewel minder professioneel aangepakt en minder ontwikkeld dan op Aruba, is de toeristenindustrie op Curaçao een belangrijke deviezengenererende sector vanwege het Venezolaans kooptoerisme), de financiële dienstverlening (off-shore-sector vooral) en belangrijke doorvoeractiviteiten (olieoverslag en vrije zone).
Op Aruba heerst er een grotere voorkeur voor ontwikkeling via het toerisme en internationale dienstverlening (financiële off-shore, vrije zone en uitbreiding van de havenactiviteit). Het centraal marktbeschermingsbeleid ter stimulering van de industrie wordt door de lokale overheid bekritiseerd.
Wel tracht Aruba, evenals de andere eilanden, op export gerichte industrie aan te trekken.
Bonaire heeft een zeer kleine economie, met als voornaamste bronnen het toerisme, de *zoutindustrie, de *Trans World Radio (internationale dienstverlening) en het olieoverslagbedrijf *Bonaire Petroleum Corporation N.V. (Bopec). Uit werkgelegenheidsoogpunt is van belang de textielindustrie *Cambes Textiles N.V. die voor de lokale markt produceert. Gewerkt wordt aan opbouw van een exportmarkt.
St. Maarten heeft een sterk ontwikkelde toeristenindustrie; Saba en St. Eustatius kennen enig toerisme maar zijn hoofdzakelijk afhankelijk van de landsbijdrage (bijpassing van de eilandelijke begrotingstekorten met landsgelden) en uitvoering van ontwikkelingsprojecten met behulp van Nederlandse ontwikkelingshulp, voor financiering van hun economische activiteit. Op St. Eustatius heeft zich in 1982 een olieoverslagbedrijf gevestigd. Aangezien op Bonaire en St. Maarten niet voldoende middelen worden opgebracht voor dekking van de overheidsuitgaven, ontvangen de overheden van deze eilandgebieden ook de zogenaamde landsbijdrage.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 2: Huidige economische structuur

De Nederlandse Antillen zijn, voorzover bekend, schaars bedeeld met natuurlijke hulpbronnen. In de zeeën rond Aruba en Curaçao komt mogelijkerwijs olie voor. Boringen zijn er nimmer verricht. Proefboringen op de Sababank hebben tot nu toe geen economisch exploiteerbare bronnen aangewezen voor de Bovenwindse Eilanden. Vanwege de natuurlijke gesteldheid zijn op de Benedenwindse Eilanden landbouw en veeteelt evenmin goed ontwikkeld. Op de Bovenwindse Eilanden is er enige tuinbouw.
Visserij op de Benedenwindse Eilanden is zuiver gericht op de lokale consumptie. Op St. Maarten is een visverwerkingsbedrijf gevestigd. De Nederlandse Antillen zijn, gegeven het bovenstaande, voor vrijwel alle benodigde goederen (inclusief voedselvoorziening) afhankelijk van invoer. De Antilliaanse eilanden hebben een zeer open economie (zie Invoerquote). Historisch gezien is de economische ontwikkeling gebaseerd op een liberaal economisch beleid waarbij, en dit geldt vooral de eilanden Aruba en Curaçao, men handig wist in te spelen op de internationale marktomstandigheden.
Teneinde de benodigde deviezen voor betaling van de importen te verkrijgen, is de exportsector (goederen- en dienstenexport) van vitaal belang voor de Antilliaanse economie en wordt bij uitvoering van het economisch beleid in het begin van de 1980er jaren steeds meer het onderscheid gemaakt tussen ‘stuwende’ en ‘verzorgende’ sectoren. De voornaamste deviezenproducenten zijn de olieraffinage en -overslag, de toeristenindustrie, de scheepsreparatieindustrie, de handel voor wat betreft het kooptoerisme, de vrije-zone-activiteit en de financiële off-shore-sector. Van grote betekenis in dit verband is eveneens de Nederlandse ontwikkelingshulp.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdtuk 3: Olieraffinage en olieoverslag

In het begin van de 20ste eeuw was de petroleumindustrie determinerend voor de stand van de economie. Momenteel is de werkgelegenheid in deze sector voor zowel Aruba als Curaçao ongeveer 5% van de totale beroepsbevolking, terwijl de bijdrage aan de nationale produktie tussen 17 en 20% ligt. De olie-industrie bestaat uit twee raffinaderijen (*Shell Curaçao N.V. en *Lago Oil and Transport Co.) en 4 olieoverslagbedrijven, op elk der Benedenwindse Eilanden één; sinds 1982 is er op St. Eustatius eveneens een olieoverslagbedrijf (Statia Oil Terminal).
De raffinaderijen verwerken hoofdzakelijk Venezolaanse ruwe olie ten behoeve van de export en hebben het karakter van entrepotraffinaderijen.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdtuk 4: Toerisme
@: Toerisme

Dit is vooral ontwikkeld op Aruba en St. Maarten waar het eveneens de voornaamste vorm van economische activiteit is. Het toerisme op Aruba en St. Maarten is hoofdzakelijk gericht op Amerikanen. Het toerisme vanuit de V.S. naar Curaçao is sterk gedaald sinds het begin der 1970ger jaren. Sinds het midden van deze jaren zeventig is er evenwel een sterke groei van het (koop) toerisme vanuit Venezuela, hetgeen de daling van het Amerikaans stay-over-toerisme compenseerde. In het begin der 1980er jaren kan evenwel een afname van het Venezolaanse toerisme geconstateerd worden en in de eerste helft van 1983 een bijna totaal wegblijven van de Venezolaan vanwege de financiële problemen van hun land, en de door hun regering genomen maatregelen. Voor wat betreft Bonaire kan gewezen worden op de blijvende mogelijkheden voor groei van het toerisme gericht op het natuurschoon dat het eiland te bieden heeft (‘duiktoerisme’).
Curaçao, St. Maarten en Aruba zijn belangrijke havens voor het cruisetoerisme. M.n. Curaçao had in dit aspect een belangrijke positie in de 1960er jaren, toen het eiland nog bekend stond als de shoppingcenter of the Caribbean. Dit toerisme heeft heden ten dage geringe economische betekenis vanwege de verminderde kooplust van de Amerikaanse toerist en de sterke concurrentie van andere ‘koopparadijzen’, zoals de U.S. Virgin Islands. (Zie ook Toerisme).

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 5: Scheepsreparatie-industrie
@: Scheepsreparatie-industrie

Betreft de op Curaçao gevestigde * Curaçaosche Dok Maatschappij N.V. (C.D.M.) die van belangrijke economische betekenis is. In 1982 is gebleken dat het bedrijf in ernstige financiele moeilijkheden verkeert, vanwege de zwakke markt voor de scheepsreparatieindustrie maar eveneens vanwege het relatief hoog kostenniveau. De noodzaak van saneringsmaatregelen (personeelsinkrimping en bevriezing van lonen) is benadrukt. De C.D.M. had begin 1983 ruim 1.100 mensen in dienst en is in de loop van 1983 overgenomen door de overheid.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 6: Economische situatie
@: Economische situatie

Door een groot gebrek aan economische statistieken, is het moeilijk een uitgebreide cijfermatige analyse te geven van de Antilliaanse economie. De meest recente Nationale Rekeningen anno 1983, zijn van 1979. Het Bruto Nationaal Produkt (B.N.P.) bedroeg NA fl 3.15 miljard (US $ 1,76 miljard - 1 US $ = NAf 1,79). Het BNP per hoofd bedraagt NA fl 13.604 (US $ 7.600). De reeks Nationale Rekeningen 1972-1977 geeft aan dat de gemiddelde groei van het Nationaal Produkt per hoofd, in reële termen, gemiddeld met 5% per jaar is toegenomen. Hoewel geen data hieromtrent bekend zijn, is de algemene verwachting dat het Nationaal Produkt per hoofd sinds het begin van de 1980er jaren enigszins is afgenomen, dit gebaseerd op de ontwikkelingen in de stuwende sectoren van de economie.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 7: Werkloosheidspercentage
@: Werkloosheidspercentage

Het werkloosheidspercentage voor de gehele Nederlandse Antillen is zeer hoog, namelijk 15,4% volgens de Census 1981. Op Curaçao is de situatie het meest nijpend, de werkloosheid bedraagt ruim 19% van de beroepsbevolking of wel 11.000 mensen in 1981. De werkloosheid onder de mannelijke beroepsbevolking bedraagt 11,8% en bijna 29% onder de vrouwelijke. Het werkloosheidspercentage bedraagt voor Aruba 9,4%, Bonaire 10,7%, St. Maarten 7,7%, St. Eustatius 14,5% en voor Saba 2,3%.
Over het algemeen geldt voor alle eilanden een hoge werkloosheid onder vrouwen en jongeren. De participatiegraad (= beroepsbevolking in procenten van de totale bevolking), is voor alle eilanden over het algemeen 80 tot 85% voor mannen en 44 tot 48% voor vrouwen.
Gezien het structureel karakter van de werkloosheid, lijkt een korte-termijnoplossing niet mogelijk. De werkgelegenheidssituatie dreigt voorts te verslechteren vanwege de gevolgen van de internationale economische recessie. Pas eind 1982, begin 1983 is de Antilliaanse economie noemenswaardige gevolgen gaan ondervinden van de wereldrecessie die in 1980 aanving.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 8: Prijsontwikkeling
@: Prijsontwikkeling

Samenhangend met de internationale economische situatie, en de val van de olieprijzen, bedroeg de Antilliaanse prijsinflatie over 1982 4,7%. Gezien de sterk open economie is de importcomponent van de inflatie erg groot. Niet-officiële calculaties van het Departement van Economische Zaken, gedaan in 1974, duiden op 75% geïmporteerde inflatie. Het merendeel van de Antilliaanse import is vanuit de Verenigde Staten, en de inflatie volgt dan ook vrij nauwkeurig de Amerikaanse:
De tendens is dat de inflatie in 1983 lager zal zijn dan in 1982. Een positief effect op de prijsontwikkeling heeft in 1982/1983 voorts gehad de appreciatie van de Amerikaanse dollar tegenover een aantal Europese valuta. Door de vaste koersverhouding tussen de Antilliaanse gulden en de dollar (1 US $ = NA fl 1,79 sinds 23 december 1971) werd de import vanuit Europa en Japan goedkoper. Eind 1970er jaren was 45% van de non-olie-import afkomstig uit de V.S., 17% uit Nederland en uit Groot-Brittannië en Japan beide elk 5%.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 9: Betalingsbalans
@: Betalingsbalans

Gezien de open economie van de Nederlandse Antillen is er bijzondere aandacht voor de betalingsbalans en de ontwikkeling van de deviezenreserves. De Antilliaanse betalingsbalans vertoont traditioneel een negatief saldo op de goederenrekening en een positieve dienstenbalans, de laatste jaren vooral veroorzaakt door deviezeninkomsten uit bunkeractiviteiten, scheepsreparatiediensten, toerisme, activiteiten betreffende opslag en transportsector, en de off-shore. De deviezenreserves bedroegen ultimo 1982 NA fl 391 miljoen. Sinds 1979 ontwikkelt de Antilliaanse betalingsbalans zich vrij gunstig, met een toename van de reserves met gemiddeld NAf 63 miljoen per jaar.
In 1978 is een zeer zorgelijke financiële ontwikkeling op de Nederlandse Antillen geconstateerd. Vanwege het gecombineerd probleem van de groeiende schuld van de eilandsoverheden Aruba en Curaçao aan de Centrale Overheid en de daardoor ontstane inflatoire financiering door het Land, was er sprake van een grote overbesteding. De totale afvloei van deviezen bedroeg in dat jaar NAf 78 miljoen, of wel 36% van de deviezenvoorraad ultimo 1977. Een stringent pakket maatregelen inhoudende het terugbrengen van overheidsuitgaven, verhoging van enkele indirecte belastingen en invoerrechten en een strengere côntrôle op de afbetalingsregeling werden doorgevoerd om de situatie het hoofd te bieden. In 1983/1984 wordt een matige ontwikkeling van de Antilliaanse betalingsbalans verwacht, vanwege de lagere activiteit in de belangrijkste sectoren.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 10: Economische planning
@: Economische planning

Deze bevindt zich nog in de kinderschoenen en beperkt zich voornamelijk tot ‘project planning’. Kwantitatieve gegevens omtrent de Antilliaanse economie worden nog niet in voldoende mate op continue basis geleverd. Nationale Rekeningen zijn slechts beschikbaar voor de jaren 1972 t/m 1977 en 1979.
Door het ontbreken van kwantitatieve gegevens kunnen prognosewerkzaamheden, lange-termijnbeleid en planningsfunctie niet adequaat uitgevoerd worden.
Een door de Regering van de Nederlandse Antillen ingestelde Interdepartementale Werkgroep voor Sociaal- en Financieel-economische Vraagstukken tracht een aanzet te geven tot voornoemde werkzaamheden. Deze werkgroep (momenteel samengesteld uit de Departementen van Financiën, Economische Zaken en de Centrale Bank) heeft in 1982 eveneens de zogenaamde Bedrijvenenquete geïnitieerd, waarbij getracht wordt een inzicht in de economische situatie te verkrijgen aan de hand van een dwarsdoorsnede van de situatie bij handel en bedrijfsleven. Door de decentralisatie van bevoegdheden die zich in sterke mate in de 1970er jaren heeft doen voelen, zijn diverse landsaangelegenheden overgedragen aan de eilanden (bijvoorbeeld Vestigingsregeling Bedrijven). Hierdoor zijn op Aruba en Curaçao diensten ingesteld die in eerste instantie de ‘projectplanning’ voor hun rekening nemen (daarvóór gedaan door het Departement van Ontwikkelingssamenwerking) en die dienen uit te groeien tot een volwaardig sociaal-economisch planbureau. Het zijn de DECO (Dienst Economische Ontwikkeling) op Aruba, en het S.E.P. (Sociaal Economisch Planbureau) op Curaçao. Dezelfde tendens is er bij de kleinere eilanden. Momenteel is het evenwel nog zo dat veel macro-economische instrumenten voor economisch beleid bij de Centrale Overheid liggen (prijsbeleid, belastingtarieven, invoerrechten, marktbescherming, monetair beleid).

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 11: Economische politiek
@: Economische politiek

Gedurende enkele decennia voorafgaande aan de 1950er jaren was de economische situatie in de Nederlandse Antillen betrekkelijk zorgeloos, dankzij de op Aruba en Curaçao gevestigde olieraffinaderijen. De economische politiek in deze jaren werd - afgezien van de oorlogsjaren, waarin enkele noodmaatregelen moesten worden genomen - gekenmerkt door een vrijwel geheel ontbreken van overheidsingrijpen. Omstreeks 1950 was de vestigingsregeling voor bedrijven vrijwel de enige wet van betekenis op economisch gebied. Met deze wet werd de mogelijkheid geopend bescherming tegen excessieve concurrentie van nieuwe bedrijven te bieden aan reeds in de Nederlandse Antillen gevestigde bedrijven. Eind 1970er jaren heeft de wet een meer restrictief karakter gekregen waarbij voor enkele sectoren geen buitenlandse investeringen worden toegelaten en weer in andere sectoren een zeker percentage lokale participatie vereist wordt. Sinds het midden van de 1950er jaren begint zich een ernstig werkloosheidsprobleem af te tekenen in de Antillen. Door reorganisaties bij de oliebedrijven liep het personeelsbestand terug van 21.000 in 1952 tot ruim 5.000 in 1966, terwijl er een sterke bevolkingsgroei plaatsvond.
In 1966 was ruim 20% van de beroepsbevolking werkzoekend. In 1953 kwam de * Landsverordening Industrievestiging en Hotelwezen tot stand (P.B. 1953, nr. 194) welke tot doel had de economische basis van de economie te verbreden en werkgelegenheid te stimuleren door stimulering van toerisme en industrie. De belangrijkste bepaling van deze wet is dat onder bepaalde voorwaarden aan industriële bedrijven en hotels vrijstelling van winstbelasting kan worden gegeven voor een periode van 10 jaar. Ook kwam de * Landsverordening Vrije Zônes (P.B. 1956 nr. 63) tot stand die beoogt de Nederlandse Antillen uit te bouwen tot internationaal distributiecentrum.
Het overheidsbeleid was voorts gericht op het uitvoeren van meerjarenprojecten ter verbetering van de infrastructuur, teneinde te proberen het investeringsklimaat te verbeteren. Door de Prijzenverordening (P.B. 1961, nr.117) van 1961 heeft de Overheid de bevoegdheid gekregen regelen voor te schrijven in verband met prijsvaststelling van goederen en diensten. Anno 1983 worden voor een uitgebreide categorie goederen (voornamelijk eerste levensbehoeften) door de minister van Economische Zaken maximumprijzen vastgesteld. Reeds eerder zijn de huren van woningen gebonden aan de zogenaamde Huurcommissieregeling (P.B. 1948 nr. 135). In de commissie zijn huurders, verhuurders en overheid vertegenwoordigd. Als richtlijn geldt dat de jaarlijkse huur van woningen een bepaald percentage bedraagt van de bouwkosten (anno 1983 12%).
In oktober 1964 kwam de associatie tot stand van de Nederlandse Antillen met de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Het belang voor de Antillen van deze associatie lag in de beschikbaarheid van fondsen voor financiering van ontwikkelingsprojecten en in het feit dat produkten van Antilliaanse origine in de Euromarkt preferentie genieten.
Na de gebeurtenissen van 30 mei 1969 kan in het Regeringsbeleid meer aandacht ontwaard worden voor de sociaaleconomische en juridische positie van de Antilliaanse werknemer. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een versneld bewustwordingsproces onder de werknemers, de versterking van de vakbeweging en toenemende samenwerking van vakbonden (dit laatste vooral op Curaçao). 31 mei 1972 kwam de Landsverordening Minimumlonen tot stand. Daarvóór werd de *Loonregeling gehanteerd. Het minimumloon is in 1972 op 4 niveaus bepaald. Ingaande 1983 is een schema ingegaan waarbij de 4 niveaus naar één dienen toe te groeien. 31 mei 1972 kwam eveneens tot stand de Landsverordening Beëindiging Arbeidsovereenkomsten (de zogenaamde Ontslagwet), welke in 1974 in werking trad. Een ontslagcommissie waarin overheid, werkgevers en werknemers zitting hebben, adviseert de Directeur van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken, die de beslissingsbevoegdheid in dezen heeft omtrent ontslag-aanvragen. Een wetsvoorstel is in 1983 in behandeling, die ten doel heeft een efficiënte werking van de ontslagprocedure te garanderen.
Vóór de 1970er jaren zijn ter bescherming van de lokale industrie in een drietal gevallen de invoerrechten verhoogd, namelijk voor chocola en suikerwerk, sigaretten en bier.
In de 1970er jaren werd meer nadruk gelegd op het industrialisatiebeleid, met name op het importsubstitutie-beleid, teneinde het werkloosheidsprobleem op te lossen. Gezien de beperkte mogelijkheid tot ware importsubstitutie - in feite wordt slechts een gedeelte van de factor arbeid gesubstitueerd - is de importsubstituerende industrie geen groei-genererende sector.
Bescherming van de lokale industrie geschiedt door hetzij een importverbod of contingentering, hetzij door een economische heffing op het geïmporteerde produkt.
Een importverbod geldt voor grondstoffen die input zijn voor de meeste lokale industrie. Voorts is er contingentering op import van oliën voor de consumptie.
Economische heffingen zijn van kracht op import van o.a. papieren en plastic zakken, tarwemeel en bloem, zepen en wasmiddelen, toiletpapier, papieren handdoeken en servetten, bier, verf en aanverwante produkten, limonade, kaarsen, matrassen, brood en banketbakkersprodukten, radiatoren, kippeeieren en enkele lokaal verbouwde agrarische produkten. Aangezien de Bovenwindse Eilanden een vrijhandelsgebied vormen, gelden voornoemde maatregelen slechts voor de Benedenwindse Eilanden.
Aan het einde van de 1970er jaren is men weer sterke nadruk gaan leggen op de exportgerichte industrie. De faciliteitenwetgeving is in een proces van herziening. Bovendien wordt de mogelijkheid bekeken eveneens de verwerkende industrie tot de Vrije Zone toe te laten. In 1983 is de Regering begonnen met de instelIing, per Eilandgebied, van tripartite overleg-organen, waarin voorstellen ter bestrijding van de economische malaise geformuleerd dienen te worden. De behoefte aan dergelijke overlegorganen is vooral geïnspireerd door de moeilijke periode die de Antillen vanaf eind 1982 doormaken (zie eveneens de paragraaf Economische situatie).
1 juni 1983 is het overlegorgaan voor Curaçao ingesteld. De instelling van het ‘sociaal economisch overlegorgaan’ typeert het overlegkarakter van de Antilliaanse economie.
De directe participatie van de overheid in het economisch gebeuren is zeer beperkt. De Antilliaanse Regering is o.a. eigenaresse (meerderheidsbelang) van de * AntiIliaanse Luchtvaart Maatschappij N.V., de * Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V. en heeft beperkte participatie in een aantal ondernemingen (bijvoorbeeld tot medio 1983 in de Curaçaosche Dok Maatschappij N.V. (C.D.M.).
Op eilandelijk niveau zien we over het algemeen dat de eilandsoverheid eigenaresse is van nutsbedrijven en hotels. De Curaçaosche overheid nam medio 1983 de C.D.M. over na de financiële problemen van het bedrijf. De Eilandgebieden Aruba en Curaçao en de Centrale Regering hebben N.V.’s opgericht met het oog op eventuele exploitatie van bodemrijkdommen. De Antilliaanse economie is sterk gericht op het vrije ondernemerschap.

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 12: Economische samenwerking Aruba-Nederlandse Antillen

Op de Ronde Tafel Conferentie van maart 1983 zijn afspraken gemaakt rond de economische samenwerking tussen Aruba en de Nederlandse Antillen na het realiseren van respectievelijk de aparte status (1 januari 1986) en de uiteindelijke onafhankelijkheid (1996) van Aruba. Deze samenwerking geschiedt binnen een zogenaamd Unieverband.
In september 1983 zijn de diverse werkgroepen ingesteld die op de R.T.C. bereikte consensuspunten vóór 1986 moeten concretiseren. De uitgangspunten voor economische en monetaire samenwerking luiden:

• het bereiken van een douane-unie met een gezamenlijk buitentarief;
• mogelijkheid van een uniforme beschermende economische heffing ter bescherming van lokale industrie;
• vrij verkeer van diensten, kapitaal en beroepspersonen;
• gemeenschappelijke wetgeving voor belastingen die de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de twee landen beinvloedt;
• afspraken rond het begrotingsbeleid;
• hechte monetaire samenwerking (waarbij Aruba voor een eigen munt opteert).

Economie van de Ned. Antillen - Hoofdstuk 13: Literatuur

Literatuur:

  • A. J. Butter, Wat heet onafhankelijk? Aspecten van de buitenlandse handel van de Nederlandse Antillen in relatie tot de vraagstukken van economische, sociale en staatkundige ontwikkeling. Diss. (1979);
  • Centraal Bureau voor de Statistiek, Statistische mededelingen Nederlandse Antillen;
  • Centraal Planbureau, Marcha pa progreso. Verkenning van de economische mogelijkheden van de Nederlandse Antillen (1979);
  • J. J. H. Dekker, Curaçao zonder / met Shell. Een bijdrage tot bestudering van demografische, economische en sociale processen in de periode 1900-1929 (1982);
  • H. J. Duller, Antilliaanse economie en ondernemerschap (1975);
  • M.F. Hasham, Arbeidsmarkt en arbeidsmarktverhoudingen op de Nederlandse Antillen (1983);
  • R. Kagie, De laatste kolonie. De Nederlandse Antillen: afhankelijkheid, belastingprofijt en geheime winsten (1982);
  • M. Kok, De economische situatie in de Antillen in 1974 en 1975 (1977);
  • E. Nordlohne, De economisch-geografische structuur der Nederlandse Benedenwindse Eilanden. Diss. (1951);
  • J. van Soest, Olie als water. De Curaçaosche economie in de eerste helft van de twintigste eeuw (1976);
  • Idem, Trustee of the Netherlands Antilles. A history of money, banking and the economy with special reference to the Central Bank van de Nederlandse Antillen 1828 - 6 February - 1978 (1978);
  • Tienjarenplan Curaçao (1962);
  • M. de Vaan, ‘Abo ta Corsow! Een exploratief onderzoek in de toeristensektor op Curaçao, met bijzondere aandacht voor de werkgelegenheidsaspekten in het hotelwezen (1982).

 

@: Economische Berichten
zie Persdienst.

 

 

@: Ecury, Nydia Maria Enrica / @: Nydia Ecury


(Aruba 2 februari 1926), debuteerde in 1972 samen met Mila Palm en Sonia Garmers met de gedichtenbundel Tres Rosea. Daarvoor reeds actief op toneelgebied, waar zij zich als speelster en vertaalster verdienstelijk maakte. Geniet grote bekendheid om de wijze waarap zij in haar voordracht verschillende typen uit de diverse bevolkingsgroepen weet te karakteriseren. Publiceerde ook jeugdliteratuur (zie Letterkunde in de Nederlandse AntiIlen).


Werken:

  • Poezie:
  • Tres rosea (1972);
  • Bos di sanger (1976);
  • Na mi kurason mará (1978);
  • Kantika pa Mama Tera / Song for Mother Earth (1984).
  • Toneelvertalingen:
  • Gai bieuw ta traha sòpi sterki (1975) naar Cosas de papá y mamá van Alfonso Paso;
  • E rosa tatua (1979) naar The Rose tattoo van Tennesee Williams;
  • E dos kríanan (1980) naar De Meiden van Jean Genet.
  • Jeugdboeken:
  • Di kon anasa tin korona (1981).

 

 

 

@: Ecury, Segundo Jorge Adelberto (Boy)


(Aruba 23 april 1922 - Den Haag 6 november 1944). Studeerde tijdens de bezetting in Nederland. Deed verzetswerk; werd als gevolg hiervan in juli 1944 gegrepen en op 6 november daaropvolgend op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Na de oorlog is in Oranjestad (Aruba) een plein naar hem genoemd waar ook een borstbeeld voor hem is geplaatst.

 

@: Eed
is met aanroeping van Gods naam een plechtige betuiging der waarheid of een gelofte iets te zullen doen of na te laten. Zowel in Nederland als in de Nederlandse Antillen wordt de vrijheid gelaten om in plaats van de eedsformule een belofte of verklaring af te leggen zonder aanroeping van Gods naam. Een ambtseed, waarbij een ambtenaar zweert met ijver en trouw zijn werkzaamheden te zullen verrichten, wordt van hoge functionarissen gevorderd alvorens zij een betrekking aanvaarden; het Statuut vermeldt: een eed van trouw aan de Koning en aan het Statuut van de gevolmachtigde minister (art. 9), van de ministers en de leden van het vertegenwoordigend lichaam in de landen (art. 47). Het niet nakomen ervan wordt niet als meineed maar als ambtsmisdrijf gestraft.
Een zuiveringseed is een verklaring van benoemde, dat hij aan niemand iets heeft beloofd om zijn benoeming te verkrijgen, een belofte van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken te zullen aannemen om iets te doen of te laten. In de meeste gevallen worden beide beloften en verklaringen in één eedsformulier samengevat, zo in de Staatsregeling: voor de leden van de Raad van Advies (art. 30), voor de ministers (art. 38), voor de Statenleden (art. 52); in het Reglement voor de Gouverneur (art. 3), voor de waarnemend Gouverneur (art. 16); in de Eilandenregeling: voor de leden van de Eilandsraad (art. 22), voor de gedeputeerden (art. 47, 3de lid), voor de gezaghebber (art. 65), voor de waarnemend gezaghebber (art. 66).

 

@: Eend
zie @: Patu.

 

@: Egelvis
zie @: Ballonvissen.

 

@: Eigendommen
Zowel het Land als de Eilandgebieden hebben onroerende en roerende goederen in eigendom, d.w.z. zij hebben op die goederen een zakelijk recht, in beginsel de volledigste heerschappij daarover. In het algemeen worden de gronden die geen andere eigenaar hebben, beschouwd als eigendom (domein) van het Land. De Gouverneur heeft het bestuur van’s Lands domeinen (art. 14 Staatsregeling). Dergelijke domaniale gronden kunnen in eigendom of pacht worden uitgegeven. De regeling daarvan en van het beheer geschiedt bij Landsverordening (art. 133 Staatsregeling; P.B. 1867 nr. 4, 1894 nr. 26, 1952 nr. 40, 1953 nr. 13). Toen de eilandgebieden werden ingesteld was het noodzakelijk deze de beschikking te geven over domeingronden. De mogelijkheid tot overdracht werd in de Staatsregeling (art. 133, 2de lid) en in de Eilandenregeling geopend; de overdracht is geschied bij de besluiten van de Gouverneur (landsbesluiten) met inachtneming van overgangsbepaling IX *Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA). Zij waren voorlopig ter beschikking gesteld bij Landsbesluit in 1951 (P.B. nr. 126). Krachtens art. 2, 1ste lid onder B van de ERNA behoort de regeling betreffende domeingronden tot de zorg van de eilandgebieden, zodat de uitgifte in eigendom enz. van de aan een eilandgebied overgedragen domeinen niet geregeld wordt bij landsverordening, doch bij eilandsverordening. Deze eilandsverordening en besluiten ter zake behoeven de *goedkeuring van de Gouverneur; daarna staat hoger beroep op de Koning open, (art. 97 ERNA, A.B. Cur. 1953 nr. 29, A.B. Ar. 1953 nr. 19). Het beheer behoort tot het dagelijks bestuur van het * Bestuurscollege (art. 57, 3de lid sub e en g). De Eilandsraad mag ter zake geen besluit nemen in een besloten vergadering (art. 36, 2de lid sub e en f). Bij de Staten van de Nederlandse Antillen was in april 1982 een ontwerp-lands¬verordening aanhangig om artikel 97 ERNA te schrappen.

 

@: Eigendomsuitwijzing
is ingesteld bij Landsverordening van 14 december 1944, houdende de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een authentiek afschrift van een rechterlijk vonnis in de in art. 665, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde registers te laten overschrijven (P.B. 1944 nr. 219). Het verzoek om zulks te doen kan door de bezitter van gronderven en hetgeen daarop is gebouwd worden gedaan aan het *Gerecht in Eerste Aanleg. Wanneer bedoelde overschrijving heeft plaatsgehad, wordt de bezitter geacht dezelfde rechten van eigendom op het onroerend goed te hebben verkregen als indien het goed hem krachtens rechtsgeldige titel van eigendom was geleverd door degene, te wiens name het in de daartoe bestemde openbare registers stond vermeld.

 

@: Eilanden beneden de wind
of Benedenwindse Eilanden, zie @: Antillen; @: Nederlandse Antillen.

 

@: Eilanden boven de wind
of Bovenwindse Eilanden, zie @: Antillen; @: Nederlandse Antillen.

 

@: Eilandenregeling Nederlandse Antillen / @: ERNA

Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Totstandkoming
Hoofdstuk 2: Waarborgen

De ERNA is tot stand gekomen bij Algemene Maatregel van Bestuur (A.M.v.B.) van 3 maart 1951 nr. 91 (Stb. 1951 nr. 64, P.B. nr. 39) en in werking getreden op 14 maart 1951. De wens om in plaats van de zeer gecentraliseerde bestuursvorm een gedeelte der overheidstaak aan lokale gemeenschappen over te dragen was van oude datum, maar pas na de Tweede Wereldoorlog bleek de urgentie steeds meer, vooral door het zelfstandigheidsstreven van Aruba.

Eilandenregeling NA -  Hoofdstuk 1: Totstandkoming
De regeling is door een intensief en veelzijdig overleg ter plaatse grondig voorbereid, hoewel gemis aan exacte gegevens en cijfermateriaal vooral met betrekking tot de belastingverdeling tussen Land en Eilandgebieden pijnlijk werd gevoeld (zie @: Financiën). In een op het departement van Overzeese Gebiedsdelen ontworpen voor-ontwerp hebben de Antilliaanse ambtenaren C. Süthoff, W.Ch. de la Try Ellis en L.C. Kwartsz een belangrijk aandeel gehad. Dit werd in maart 1949 aan de Staten ter kennisneming voorgelegd. Een door de Gouverneur benoemde commissie ter bestudering van de financiële consequenties aan de zelfstandigmaking der eilanden verbonden, onder het voorzitterschap van W.R. Plantz bracht in december 1949 een verslag uit, dat tot belangrijke wijzigingen in het voor-ontwerp aanleiding gaf. Van niet minder grote invloed was het rapport van het in juli 1949 door de Gouverneur ingestelde werkbureau-Kerstens. Het bijgewerkte ontwerp werd in mei 1950 aan de Staten om advies aangeboden, hetwelk op 20 oktober d.a.v. werd uitgebracht. Om tot zo groot mogelijke overeenstemming te komen, begaven de vice-minister-president J.R.H. van Schaik, de staatssecretaris van Economische Zaken W.C.L. van der Grinten en W.H. van Helsdingen, vergezeld van P.G. Hooghoudt als secretaris, zich in januari 1951 naar de Nederlandse Antillen. Uitvoerige besprekingen met de Gouverneur volgden, met de Raad van Advies, de Regeringsraad, een commissie van negen leden uit de Staten, met verschillende groeperingen in Aruba, met de gezaghebber en leden van de Bovenwindse Eilanden en met verscheidene ambtenaren. Het resultaat: ten aanzien van aIle punten op één uitzondering na (namelijk de benoeming van de gezaghebber) werd een gezamenlijk aanvaardbare solutie bereikt.

 

Eilandenregeling NA -  Hoofdstuk 2: Waarborgen
Waarborgen werden gesteld om te voorkomen dat in de praktijk weinig van de zelfstandigheid zou terechtkomen, wanneer de centrale regering door wijziging van de bepalingen bevoegdheden wederom aan zich zou trekken. Die waarborgen zijn:

a. De vaststelling van de ERNA bij A.M.v.B.; zij kan echter overeenkomstig art. 88 Staatsregeling bij landsverordening worden gewijzigd indien deze met de stemmen van twee derde van het wettelijk aantal leden door de Staten is goedgekeurd. De in art. 1, 2 en 2a genoemde taakverdeling staat mitsdien niet bloot aan wijziging naar de wisselende politieke inzichten van het Antilliaans bestuur en van een toevallige meerderheid in de Staten. Ook treedt die landsverordening niet in werking dan na *goedkeuring door de Koning. Bij landsverordening van 21 februari 1983 (P.B. 1983 nr. 42) werd echter teneinde de decentralisatie soepeler te doen verlopen, bepaald dat de eis van twee derde van het wettelijk aantal Statenleden, als hiervoor bedoeld, en de eis van Koninklijke goedkeuring niet van toepassing is op een wijziging van de artikelen 2 en 2a van de ERNA, voorzover bij die wijziging een onderwerp dat ingevolge de genoemde artikelen tot de zorg van de Nederlandse Antillen behoort, onder de zorg van een eilandgebied wordt gebracht, noch op wijziging van de artikelen 86 en 87 van de ERNA voorzover die wijziging een verhoging inhoudt van een aandeelpercentage dat aan een eilandgebied toekomt. De hoofdbeginselen van de ERNA zijn neergelegd in de *Staatsregeling artt. 88-93, van welke artikelen een eventuele wijziging niet in werking kan treden dan nadat de regering van het Koninkrijk haar instemming daarmede heeft betuigd (art. 44 Statuut en art. 149 Staatsregeling);
 
b. De limitatieve opsomming in art. 1, 2 en 2a ERNA van de aangelegenheden die niet tot de zorg van een Eilandgebied behoren;


c. De benoeming en het ontslag van de gezaghebber door de Koning (art. 91 Staatsregeling j 0 art. 63 ERNA);
 
d. Het hoger toezicht van de Koning en de Gouverneur (artt. 98-104 ERNA jO art. 92 Staatsregeling en art. 52 Statuut);


e. Het hoger beroep op de Koning krachtens art. 70 Staatsregeling of de bevoegdheid van de Kroon in geval een eilandgebied onbestuurbaar is geworden of wordt verwaarloosd (art. 93 Staatsregeling jO art. 52 statuut). Begin 1968 richtte de Eilandsraad van Aruba zich in een motie tot de Nederlandse regering met het verzoek de in art. 70 Staatsregeling bedoelde * Algemene Maatregel van Rijksbestuur vast te stellen. Deze vaststelling heeft nimmer plaatsgevonden.

Wijzigingen zijn in de ERNA herhaaldelijk aangebracht, het laatst bij P.B. 1983, nr. 41. Belangrijke wijzigingen zijn die van 1978 betreffende de verdeling van de belastingen tussen Land en eilandgebieden en de overdracht van de vestiging en de exploitatie van bedrijven, het wegverkeer en het kiesrecht van het Land aan de eilandgebieden (P.B. 1975, nr. 47). De laatste twee genoemde onderwerpen waren in 1968 (P.B. 1968, nr. 156) gecentraliseerd.
Verder de splitsing van het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden in drie eilandgebieden (P.B. 1983, nr. 21) en de overdracht van het kadaster- en hypotheekwezen (P.B. 1983, no. 41).

Eilandenregeling NA -  Literatuur:

  • J.W. Ellis, M.P. Gorsira en F.C.J. Nuyten, De zelfstandigheid der eilandgebieden (1954);
  • M. P. Gorsira, De gezaghebber (1958);
  • W.H. van Helsdingen, De eilandenregeling Nederlandse Antillen met toelichting (1952, 1963 met literatuuropgave);
  • W.A. Luiten, Teleurgestelde verwachtingen (1981);
  • zie verder Staatsregeling, Lit.

 

@: Eilandgebieden
zijn de lokale gemeenschappen, die tezamen het grondgebied van de Nederlandse Antillen vormen. Tot 1 april 1983 waren dat:
a. het Eilandgebied Aruba, omvattend het eiland Aruba;
b. het Eilandgebied Bonaire, omvattende de eilanden Bonaire en Klein Bonaire;
c. het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden, omvattende de eilanden Saba, St. Eustatius en St. Maarten voor zover het Nederlandse gedeelte betreffende;
d. het Eilandgebied Curaçao, omvattende de eilanden Curaçao en Klein Curaçao.
Bij Landsverordening van 11 februari 1983 (P.B. 1983 nr. 20) - in werking getreden 1 April 1983 - werd het eilandgebied de Bovenwindse Eilanden opgesplitst in drie eilandgebieden, t.w. Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten.
De wettelijke regelen betreffende de Eilandgebieden zijn neergelegd in het Statuut, in de Staatsregeling en vooral in de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA).
De taak tot de zorg van de Eilandgebieden behorend is omschreven in de artt. 1, 2 en 2a van de ERNA. Het hoofdprincipe is, dat de Eilandgebieden zelfstandig zijn ten aanzien van de verzorging van eigen aangelegenheden. Er is geen opsomming gegeven van wat onder eigen aangelegenheden wordt verstaan, maar omgekeerd wordt in de artt. 2 en 2a limitatief opgesomd wat niet tot de zorg van de Eilandgebieden behoort; alle andere onderwerpen behoren tot de zorg van de Eilandgebieden. De criteria voor de splitsing waren: dat aan de zorg van de centrale regering moest blijven:

a. alles wat in het gehele Land geregeld moet worden; dus bijvoorbeeld alle onderwerpen, waarvan de regeling tengevolge het Statuut of de Staatsregeling bij rijkswet of * Algemene Maatregel van Rijksbestuur (A.M.v.R.B.) moet of kan geschieden, behoudens 4 in de artt. 7, 133, 139 en 146 Staatsregeling genoemde onderwerpen (art. 88, 3de lid Staatsregeling);
b. alles wat redelijkerwijze het beste uniform ware te regelen, bijvoorbeeld het burgerlijk en strafrecht, post en telegrafie, rechtstoestand van ambtenaren, de onderwijsorganisatie en vooral de belastingwetgeving, uitvoerig in art. 2a behandeld.

Gelijk bij Eilandenregeling, onder waarborgen is uiteengezet, staat deze taakverdeling niet bloot aan lichtvaardige wijziging door een toevallige meerderheid in de Staten, doch is een tweederde meerderheid van het wettelijke aantal leden van de Staten vereist en bovendien nadere goedkeuring door de Koning. Ingevolge de Landsverordening van 21 februari 1983 (P.B. 1983 nr. 42) gelden deze eisen in een aantal gevallen niet (zie onder Eilandenregeling Nederlandse Antillen).
Bij onbestuurbaarheid van een Eilandgebied is in laatste instantie een oplossing mogelijk door toepassing van art. 93 Staatsreg., namelijk vaststelling van een A.M.v.R.B. die de wijze bepaalt waarop in het bestuur wordt voorzien. Het spreekt vanzelf, dat tot deze maatregel pas wordt overgegaan als het onmogelijk blijkt in het Land zelf volgens de bestaande bepalingen de gerezen moeilijkheden te boven te komen. Dit geval heeft zich eenmaal voorgedaan: bij A.M.v.R.B. van 30 januari 1960 (P.B. 1960 nr.13) werd bepaald, dat in het Eilandgebied Curaçao geen gedeputeerden meer zijn en kwamen de bevoegdheden van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao tijdelijk in handen van de gezaghebber. De onbestuurbaarheid ontstond doordat de kleinst mogelijke Eilandsraadsmeerderheid - na overgang van een lid naar de tegenpartij - alle besluiten en ontwerpen (o.a. de begroting) verwierp die afkomstig waren van het Bestuurscollege, waarvan de gedeputeerden gekozen waren door de Eilandsraad in de oude samenstelling en de gedeputeerden dachten er niet over af te treden, omdat zij van mening waren vertrouwensmannen te zijn van de burgerij, hetgeen zou blijken als nieuwe verkiezingen zouden worden gehouden.
Omdat de wetgeving van de Nederlandse Antillen aan de Antilliaanse regering geen middelen geeft om in casu geëigende maatregelen te treffen door b.v. de Eilandsraad te ontbinden, of gedeputeerden te ontslaan, heeft de regering van het Koninkrijk gestreefd naar een oplossing zoveel mogelijk in de landelijke sfeer. Dank zij deze A.M.v.R.B. werd het Eilandgebied weer bestuurbaar; de urgente besluiten en ontwerpen werden door de Eilandsraad goedgekeurd, zodat bij K.B. van 12 juli 1960 (R.B. 1960 nr. 127) de A.M.v.R.B. vervallen verklaard werd. Na een op 21 juli 1960 gehouden verkiezing van gedeputeerden kwamen de bevoegdheden wederom aan het Bestuurscollege.

 

@: Eilandsambtenaren
(behalve de secretaris van het Eilandgebied) worden door het Bestuurscollege benoemd, geschorst en ontslagen (art. 60 ERNA). De desbetreffende besluiten zijn in het Afkondigingsblad (A.B.) van Aruba en van Curaçao te vinden. Om moeilijkheden bij de instelling van de eilandgebieden te voorkomen, beoogde overgangsbepaling VI ERNA de landsdienaren en gouvernementswerklieden de zekerheid te verschaffen, dat met hun belangen rekening werd gehouden, terwijl de eilandgebieden de gelegenheid werd geboden van ervaren krachten uit ‘s Lands dienst gebruik te maken. De in ‘s Landsdienst zijnde personen bleven namelijk in ‘s Lands dienst op ‘s Lands voorwaarden, zolang niet een eigen regeling van het eilandgebied was getroffen. De ERNA zegt niet, dat de gehele taak van de eilandgebieden door eigen ambtenaren moet worden uitgeoefend; de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van ‘landsdienaren, die ter beschikking worden gesteld van een bepaald eilandgebied.

De rechtstoestand van eilandsambtenaren
Krachtens art. 2, sub E5 behoort de regeling van de rechtstoestand van ambtenaren en werklieden in alle overheidsdienst niet tot de zorg van het eilandgebied. Zij is geschied bij landsverordening (art. 13 Staatsregeling) j° P .B. 1964 nr. 159. Onverenigbaar zijn verschillende ambten met een bepaalde functie om die functie te vrijwaren tegen ongewenste beinvloeding. Zo geeft art. 12 ERNA een aantal betrekkingen aan die onverenigbaar zijn met het lidmaatsehap van de Eilandsraad, art. 64 met de betrekking van gezaghebber en art. 49 met die van gedeputeerde.
In het algemeen zijn eilandsambtenaren niet uitgesloten van het lidmaatschap van de Eilandsraad; art. 12 E ERNA sluit alleen onder “i” uit de ambtenaar met het ontvangen of uitgeven van gelden van het eilandgebied belast of aan enige aan het bestuur van het eilandgebied ondergeschikte administratie rekenplichtig; en onder “j” de geneeskundigen, belast met de armenpraktijk van een overheidsdienst; deze laatste uit vrees dat zij in hun functie invloed op de kiezers zouden kunnen uitoefenen.

 

@: Eilandsbegroting
is de eilandsverordening, waarin de ramingen van de ontvangsten en van de uitgaven betreffende een kalenderjaar zijn opgenomen. Het ontwerp wordt tijdig door het Bestuurscollege opgemaakt en aan de Eilandsraad aangeboden (art. 92 ERNA). Terwille van uniformiteit van inrichting en uitvoering der begroting van de vier eilandgebieden zijn bij landsverordening voorschriften terzake gegeven. Voor Bonaire (art. 110 en 111) en voor de Bovenwindse Eilanden (art. 126-128) waren enige afwijkende bepalingen nodig, omdat te verwachten was, dat die begrotingen niet uit eigen middelen sluitend zullen zijn. Het nadelig saldo wordt door de Nederlandse Antillen gedragen, hetgeen meebrengt, dat die eilandgebieden zich enige bemoeienis van het centraal gezag moeten laten welgevallen.
De begroting treedt in werking met ingang van 1 januari van het betrokken dienstjaar, indien zij pas later wordt openbaar gemaakt dan met ingang van die dag. De begroting van het vorige dienstjaar (boekjaar) blijft dan tot die dag als grondslag gelden (zie ook Comptabiliteitsvoorsehriften).

 

@: Eilandsbelastingen
zie @: Belastingen.

 

@: Eilandsbesluiten houdende algemene maatregelen
zijn besluiten van het Bestuurseollege (art. 59 Eilandenregeling Nederlandse Antillen – ERNA), die behoren tot de in art. 2 Staatsregeling genoemde wettelijke regelingen die in de Nederlandse Antillen gelden. Deze bevoegdheid van het Bestuurseollege beperkt de regelende bevoegdheid van de Eilandsraad. Bepalingen door straffen te handhaven mogen daarin niet worden opgenomen dan krachtens een nadrukkelijke bepaling van een eilandsverordening. Die eilandsverordening moet de regelen in acht nemen, die bij landsverordening zijn gesteld betreffende in eilandsverordeningen te bedreigen straffen (art. 82 ERNA); dat is de Strafregeling Eilandsverordeningen van 11 januari 1952 (P.B. art. 3) gewijzigd bij P.B. 1959 nrs. 23 en 29. Regels voor de publikatie enz. worden gegeven bij eilandsverordening; voor de eerste maal (overgangsbep. 1) bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen van 8 augustus 1951 (P.B. nr. 116), voor Aruba gewijzigd bij eilandsverordening (A.B. Aruba 1952 nr. 2), voor Curaçao eveneens (A.B. Curaçao 1952 nr. 6). De eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen zijn aan hoger toezicht onderworpen (artt. 98-104 ERNA).

 

@: Eilandsontvangers
zijn de kassiers van de eilandgebieden. De door het Land (Inspectie der Belastingen) opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting, de winstbelasting, de grondbelasting en de gebruiksbelasting worden door de eilandsontvangers ingevorderd. Deze ontvangers zijn tevens belast met de invordering van de premiën van de Algemene Ouderdomsverzekering (A.O.V.) en de Weduwen- en Wezenverzekering (A.A.W.) geheven door of vanwege de Inspectie der Belastingen. Op de Bovenwindse Eilanden heeft elk eilandgebied een eilandsontvanger. Deze functionaris is evenals op Bonaire tevens landsontvanger. Op de eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius is de functie lands-eilandsontvanger gecombineerd met die van chef-postkantoor. De eilandsontvangers op Curaçao en Aruba worden gecontroleerd door de desbetreffende eilandsaccountantsdiensten en de Algemene Rekenkamer. Op Bonaire en de Bovenwindse Eilanden geschiedt de côntrôle vanwege de gezaghebber en door de Algemene Rekenkamer.

 

 

 

@: Eilandsraad

Foto: Vergaderzaal van de Eilandsraad Curacao in het Eilandsraadsgebouw te Pietermaai.

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Introductie
Hoofdstuk 2: Lidmaatschap
Hoofdstuk 3: Vergaderingen
Hoofdstuk 4: Bevoegdheden
Hoofdstuk 5: Voorzitter
Hoofdstuk 7: Secretaris


Eilandsraad Hoofdstuk 1: Introductie
De Eilandsraad is het vertegenwoordigend lichaam in elk der eilandgebieden, waarover art. 91 Staatsregeling enige hoofdbeginselen bevat. Voor Aruba en Curaçao is de regeling daaromtrent gegeven in artt. 4-46 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA); voor Bonaire en de Bovenwindse Eilanden zijn enkele afwijkende bepalingen neergelegd in de derde titel (artt. 105 e.v.).

Eilandsraad Hoofdstuk 2: Lidmaatschap
De Eilandsraden van Aruba en Curaçao bestaan elk uit 21 leden, die van Bonaire uit 9, die van St. Maarten uit 7 en die van St. Eustatius en Saba elk uit 5, rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van het eilandgebied die Nederlander zijn, 18 jaar en voldoen aan de eisen gesteld voor het kiesrecht, dat bij eilandsverordening is geregeld. Uitgesloten van de verkiesbaarheid zijn dezelfde personen die krachtens art. 48 Staatsregeling van de verkiesbaarheid voor de Staten uitgesloten zijn en bovendien de gezaghebber (artt. 5-8 ERNA). De zittingsduur is vier jaren. Ontstaat een vacature, dan treedt de nieuw-gekozene af op hetzelfde tijdstip als de andere leden (art. 16). Noch in de Staatsregeling noch in de ERNA is een instantie genoemd, die het recht heeft een Eilandsraad te ontbinden.
De gekozene legt tijdig aan de Raad over zijn geloofsbrief, het bewijs dat hij verkozen is, zomede de bewijzen dat hij aan de vereisten voldoet (art. 9). Binnen 30 dagen worden die stukken onderzocht (bij tussentijds inkomende leden binnen 15 dagen) en neemt de Raad de beslissing (art. 18). Zijn die termijnen verstreken zonder dat de Eilandsraad een beslissing heeft genomen, dan beslist het Hof van Justitie daarover (art. 19). Binnen 14 dagen na de beslissing van de Eilandsraad is beroep bij het Hof van Justitie mogelijk (art. 20). Artt. 11 en 12 geven aan dat bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk niet mag bestaan tussen de gezaghebber en de leden van de Raad, noch onderling, en welke betrekkingen onverenigbaar zijn met het lidmaatschap. Zie voor Curaçao A.B. Curaçao 1964 nr. 39. Die personen zijn dus wel verkiesbaar, doch als zij verkozen zijn moeten zij nader beslissen. De leden moeten zich onthouden van privéhandelingen, die ten gevolge zouden hebben dat zij het belang van het eilandgebied niet objectief kunnen behartigen (art. 13). Neemt een lid deze voorschriften niet in acht, dan houdt hij op lid te zijn of wordt geschorst. Beroep staat open bij het Hof van Justitie of bij de Koning (artt. 14 en 15). De leden leggen voor de aanvaarding een eed af (art. 22). Bij eilandsverordening kan schadeloosstelling van presentiegeld worden toegekend (art. 23).

Foto: Gebouw Parlamento di Aruba; voor 1986 Eilandsraadsgebouw. Aruba heeft vanaf Januari 1, 1986 geen Eilandsraad meer aangezien het eiland vanaf die datum geen deel (= eilandgebied) meer uitmaakt van de Nederlandse Antillen, maar als apart land (status aparte) in het Koninkrijk der Nederlanden is opgenomen.

Eilandsraad Hoofdstuk 3: Vergaderingen
De Raad vergadert zo dikwijls de voorzitter of het Bestuurscollege het nodig oordeelt, of het door drie leden wordt gevraagd. De voorzitter bepaalt dag en uur der vergadering; tijdig worden oproepingsbriefjes, waarop de agenda, bezorgd; artt. 29-30 bevatten de nodige voorschriften daarvoor, alsook het reglement van orde, dat bij eilandsverordening wordt vastgesteld (art. 46). De vergaderingen worden in de regel in het openbaar gehouden (art. 35), zij zijn geldig als tenminste de helft der zitting hebbende leden aanwezig is (art. 41), vacatures tellen dus niet mee; dit zou wel het geval zijn als de tekst luidde: de helft van het organieke aantal leden. Dit is wél de uitleg die aan art. 62 Staatsregeling wordt gegeven voor het quorum der Staten. Over zaken wordt mondeling gestemd, over personen schriftelijk. Een stemming is nietig, indien niet meer dan de helft der zitting hebbende leden aan de stemming heeft deelgenomen. Een besluit wordt met volstrekte meerderheid van stemmen genomen (art. 42-45). om te voorkomen, dat een lid dank zij zijn stem privé voordeel zou trekken, moet hij zich in bepaalde gevallen van medestemmen onthouden (art. 38). De sprekers zijn terzake van hetgeen zij in de vergadering gezegd of schriftelijk aan haar overgelegd hebben niet gerechtelijk vervolgbaar, tenzij in geval van schending van geheimhouding (art. 39).
Een besloten vergadering wordt gehouden als - nadat door de voorzitter eventueel op verzoek van vier leden de deuren zijn gesloten - met twee derde der uitgebrachte stemmen daartoe wordt besloten. Hoezeer beraadslagingen en besluiten in geheime vergadering nodig zijn, er zijn toch onderwerpen ten aanzien waarvan de verantwoordelijkheid ten volle in het openbaar tegenover de kiezers moet gedragen worden, bijvoorbeeld over de begroting; over andere zaken kan wet in besloten vergadering worden beraadslaagd, maar geen besluit genomen, bijvoorbeeld over ontwerpen van eilandsverordeningen, het aangaan van geldleningen (art. 35-36).

Eilandsraad Hoofdstuk 4: Bevoegdheden
Aan de Eilandsraad behoort met betrekking tot de regeling en het bestuur van de eigen aangelegenheden van het eilandgebied alle bevoegdheid die niet aan gezaghebber of aan het Bestuurscollege is opgedragen, in het bijzonder het maken van eilandsverordeningen. Hij benoemt de secretaris van het eilandgebied en is bevoegd de belangen van het betrokken eilandgebied voor te staan bij de Koning, bij de Staten-Generaal, bij de Gouverneur en bij de Staten (artt. 24-26).

Eilandsraad Hoofdstuk 5: Voorzitter
Voorzitter van de Raad is de gezaghebber, of de waarnemend (wnd.) gezaghebber en bij ontstentenis van deze beiden de in leeftijd oudste gedeputeerde (art. 27). De voorzitter heeft grote zelfstandige bevoegdheid (zonder dat beroep van de Raad is toegelaten) tot handhaving van de orde in de Raad, tot het verlenen van het woord en corrigeren van sprekers (artt. 31-34). Omdat de gezaghebber wordt geacht boven alle partijen te staan, speelt hij een belangrijke rol bij de toelating van de leden (art. 14), en bij het hoger toezicht (art. 98).

Eilandsraad Hoofdstuk 7: Secretaris
De secretaris wordt door de Raad benoemd, geschorst en ontslagen. Hij is de Raad, het Bestuurscollege en de gezaghebber in alles behulpzaam. Alle stukken die van de Raad en van het Bestuurscollege uitgaan, worden door hem mede-ondertekend. Zijn bezoldiging wordt bij eilandsverordening vastgesteld (art. 25).

Literatuur:

  • J. van Soest, De stem van Curaçao (1981).

 

@: Eilandsverordeningen
behoren tot de in art. 2 Staatsregeling genoemde wettelijke regelingen die in de Nederlandse AntiIIen geldig zijn. Zij hebben betrekking op onderwerpen die tot de zorg van het eilandgebied behoren (art. 24 Eilandenregeling Nederlandse Antillen - ERNA). Ook kan de regeling van enkele onderwerpen die volgens de Staatsregeling bij landsverordening moeten worden geregeld, bij eilandsverordening geschieden, nl. de aangelegenheden bedoeld in artt. 7; 133, 139 en 146 van de Staatsregeling. Het ontwerp wordt in de regel door het Bestuurscollege ter vaststelling aan de Raad aangeboden, doch raadsleden kunnen ook het initiatief nemen. Aan de openbare beraadslagingen gaat een onderzoek vooraf, zoals in het Reglement van Orde aangegeven. De Raad heeft het amendementsrecht. Straffen kunnen alleen worden bepaald met inachtneming van regelen bij landsverordening gesteld, d.i. de Strafregeling Eilandsverordeningen (P.B. 1959 nr. 23 en 34). Alles betreffende publikatie wordt bij eilandsverordening geregeld (A.B. Aruba 1952 nr. 2, A.B. Curaçao 1952 nr. 6). Wanneer geen ander tijdstip is bepaald, treedt de afgekondigde eilandsverordening in werking met ingang van de 10de dag na de tijd van afkondiging (artt. 79-84).

Strijd met andere wettelijke verordeningen
De bepalingen van een eilandsverordening verbinden niet voor zover zij in strijd zijn met een hogere wettelijke regeling (art. 85). De Koning kan alsdan zijn schorsings- of vernietigingsrecht toepassen (artt. 98-101) terwijl toetsing van de eilandsverordening aan de hogere wettelijke regeling door de rechter mogelijk is.

 

@: Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao / @: E.R.O.C.
ambtelijke afkorting van Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao, is vervat in Afkondigingsblad Curaçao A.B. 1980 nr. 6, en vormt de wettelijke grondslag voor de ruimtelijke ordening van het eiland. De E.R.O.C. is op 3 oktober 1983 in werking getreden en verschaft de overheid de juridische basis om regulerend op te treden ten aanzien van stedelijke uitbreidingen en vernieuwingen, de bescherming van behoudenswaardige stads- en dorpsgezichten, en het voorschrijven van toe te laten bestemmingen voor grondgebruik.

 

@: Eilandsverslagen
over de toestand van een Eilandgebied worden vanaf 1951 door het Bestuurscollege jaarlijks vóór 1 april aan de Eilandsraad overgelegd en verkrijgbaar gesteld (art. 61).

 

@: Eldorado
Maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen, verschenen van 1948 tot 1950, onder een Surinaams-Antilliaanse redactie waarin, naast beschouwingen van algemene culturele en sociale aard, ook letterkundige bijdragen werden opgenomen.

 

 

Foto: Elektriciteitscentrale Kodela (nu Aqualectra) te Pater Eeuwensweg; in 2007 ontruimd t.g.v. bouw Renaissancehotel

@: Elektriciteitsvoorziening


Elektriciteitsvoorziening Aruba
Van 1923 tot 1930 verzorgden A.J.P. en J. van Meeteren de opwekking en distributie van elektriciteit in Oranjestad, geleverd door een fabriek aan de Windstraat. In 1931 verkreeg J.G. Eman een 25-jarige concessie voor Oranjestad en omgeving (leverancier: * Lago Oil & Transport Co. Ltd.). De Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij N.V. (N.I.G.M.), later Overzeese Gas- en Electriciteitsmaatschappij N.V. (O.G.E.M.), verkreeg in 1950 een 50 jarige concessie; voor de exploitatie werd de N.V. Electriciteits-Maatschappij Aruba (Elmar) opgericht. Het Water- en Energiebedrijf (W.E.B.) van de eilandelijke overheid heeft vanaf 1964 de elektriciteitsproduktie in handen, zodat Elmar zich tot distributie beperkt. In 1965 werd de elektrificatie van het eiland voltooid. De Lago betrekt sinds 1963 een deel van haar energie van het W.E.B. In 1982 waren ca. 23.600 verbruikers op het openbare net met een periodental van 60 Hz aangesloten.

Elektriciteitsvoorziening Bonaire
In 1922 begon gezaghebber R.J. Beaujon jr. met elektriciteitsvoorziening op coöperatieve basis. In 1931 verwierf de firma Herrera Hermanos een meerderheidsbelang en verplaatste en vergrootte de centrale, maar moest in 1941 liquideren. In dat jaar werd door L.D. Gerharts de N.V. Electriciteits-Maatschappij Bonaire opgericht, die in 1944 een nieuwe centrale in gebruik nam. In 1951 kocht de O.G.E.M. dit bedrijf op en verkreeg een concessie die sedert 1964 het gehele eiland omvat.
De centrale van het eilandelijke Water- en Energiebedrijf (W.E.B.) nam in 1963 de elektriciteitsproduktie over terwijl de O.G.E.M.-centrale als stand by dienst bleef doen. Op 1 juli 1977 werden de aandelen van O.G.E.M. voor 50% overgenomen door de Bonairiaanse overheid en door de landelijke overheid ook voor 50%. In 1981 waren ca. 2.919 verbruikers op het openbarenet met een periodental van 50 Hz aangesloten.

Elektriciteitsvoorziening Curaçao
In september 1897 brandde op Curaçao het eerste elektrische licht in de Nederlandse Antillen, geleverd door de Curaçaosche Inrichting voor Electriciteit bij Plantersrust. Concessiehouder voor het opwekken en distribueren van elektrische energie was de Amerikaanse consul L.B. Smith. In 1901 werd zijn concessie overgenomen door de firma S.E.L. Maduro & Sons, die in 1902 een centrale bij het Riffort bouwde en tot 1927 de elektriciteit verzorgde. In dat jaar werd het bedrijf verkocht aan de te Rotterdam gevestigde N.V. Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij (N.I.G.M.) - vanaf 1950 de N.V. Overzeese Gas- en Electriciteitsmaatschappij (O.G.E.M.) - die tezelfdertijd een 50-jarige concessie ontving, die vanaf 1963 het gehele eiland omvatte. Een gecombineerd water- en elektriciteitsbedrijf van het Eilandgebied Curaçao (Dienst Water & Energie Productie - D.W.E.P.) verzorgde vanaf 1959 een deel van de opwekking. In 1967 werd de elektrificatie van het eiland voltooid. De * Shell Curaçao N.V. voorziet sinds 1917 in eigen behoefte. Op 1 juli 1977 nam de Curaçaosche overheid het elektriciteitstransmissie- en distributienet alsmede de dieselcentrale op Rif en op het C.D.M.-terrein over. Als enige aandeelhouder bracht zij het geheel onder in de N.V. Kompanía di Produkshon i Distribushon di Awa i Elektrisidad, kortweg KODELA. In 1981 waren er ca. 39.154 verbruikers op het openbare net met een periodental van 50 Hz aangesloten.

Elektriciteitsvoorziening Saba
In 1963 begon de N.V. Saba Electric Company met de openbare elektriciteitsvoorziening. In 1964 kreeg deze een 10-jarige concessie. Het Gemeenschappelijk Electriciteitsbedrijf Bovenwindse Eilanden (G.E.B.E.) nam in 1967 de activa en concessie over. Tot 1968 werd iedere avond gedurende 5 a 6 uur energie afgeleverd met een periodental van 60 Hz; thans is er een continu-voorziening van elektriciteit. Eind 1983 waren er ruim 500 verbruikers.

Elektriciteitsvoorziening Sint Eustatius
In 1965 verkreeg het G.E.B.E. een 46 jarige concessie voor opwekking en distributie van elektriciteit terwijl in hetzelfde jaar een provisorische centrale in bedrijf werd gesteld. In 1966 kwam het distributienet geheel gereed. In 1983 waren er ca. 576 verbruikers op het net met een periodental van 60 Hz aangesloten. Binnenkort zal een compleet nieuwe centrale gebouwd worden met een capaciteit van 1200 kW.

Elektriciteitsvoorziening Sint Maarten
In 1924 werd aan de door de gezaghebber R.J. Beaujon jr. opgezette gelijkstroomvoorziening een coöperatieve basis verleend. In 1935 ging de voorziening over in handen van de Philipsburgsche Electriciteitsmaatschappij N.V. Een nieuw opgerichte N.V. Gemeenschappelijk Electriciteitsbedrijf Sint Maarten (vanaf 1965 de N.V. Gemeenschappelijk Electriciteitsbedrijf Bovenwindse Eilanden (G.E.B.E.) verkreeg in 1961 een 50-jarige concessie terwijl tegelijkertijd een nieuwe centrale bij Cole Bay in bedrijf werd gesteld. In het G.E.B.E. waren de rechtspersonen der Nederlandse Antillen en de O.G.E.M. gelijkelijk vertegenwoordigd; op 1 juli 1977 werd de rest van de O.G.E.M.aandelen aan de Antilliaanse overheid overgedragen. In 1982 waren er ca. 5.023 verbruikers op het openbare net met een periodental van 60 Hz aangesloten.

 

@: Elisabeth hospitaal Sint

zie @: Geneeskunde

 

 

@: Ellis, William Charles de la Try


(Curaçao 26 augustus 1881-1977), Curaçaosche jurist van grote eruditie, werd in 1917 benoemd tot lid van het Hof van Justitie op Curaçao. Van 1929-1934 president van het Hof. Lid en ondervoorzitter van de toenmalige Koloniale Raad en lid van tal van commissies. Is vooral bekend geworden om zijn bijdragen op het gebied van de Caribische geschiedenis en om zijn artikelen betreffende het eigentijdse privaat- en publiekrecht. Aan de jaarlijks weerkerende lezingencyclus, georganiseerd door de Universiteit van de Nederlandse Antillen is zijn naam verbonden.


  • Literatuur: J.E. Spruit en E. Voges, Antilliana. Verzameld werk van dr. W.Ch. de la Try Ellis (1981).

 

@: Eman, Cornelis Albert (Shon A)
(Aruba 17 mei 1916 - Curaçao 13 juli 1967), Antilliaans politicus, was sedert het overlijden van zijn vader * Henny Eman voorzitter van de * Arubaanse Volks Partij (A.V.P.). Was vanaf 23 september 1958 tot aan zijn overlijden lid van de Staten van de Nederlandse Antillen en sedert 1951 lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Aruba. Hij maakte deel uit van de Antilliaanse delegatie naar de *Ronde Tafel Conferentie van 1948 en die van 1952-1954.

 

@: Eman, Jan Hendrik Albert (Henny)
(Aruba 7 augustus 1887 - 17 oktober 1957). Antilliaans politicus en oprichter van de *Arubaanse Volks Partij (A.V.P.). Hij werd in 1921 als landraad in de toenmalige Raad van Politie gekozen; had sedert 1941 tot aan het tijdstip van zijn overlijden onafgebroken zitting in de Staten van de Nederlandse Antillen. Hij maakte deel uit van de Antilliaanse delegatie naar de *Ronde Tafel Conferentie Nederland, Suriname, Nederlandse Antillen van 1952. In Oranjestad is een standbeeld voor hem opgericht.

 

@: Emancipatie
Toen bij de aanvang van de 19de eeuw een aantal landen, onder pressie van Engeland, de slavenhandel verboden, was het duidelijk, dat bij het ophouden van de aanvoer van nieuwe slaven de afschaffing van de slavernij slechts een kwestie van tijd was. In Nederland was de belangstelling voor deze problematiek gering, zowel bij de regering als bij het grote publiek. Maar naarmate de omringende koloniën tot emancipatie van hun slaven overgingen (Engeland 1833, Frankrijk 1848) werd het probleem in Nederlands West-Indië nijpender, want de ontvluchting naar vrije gebieden en de onrust onder de slaven zou natuurlijk toenemen. Vooral in West-Suriname, grenzend aan Brits-Guyana, was dit merkbaar. De slaveneigenaars in Nederlands St. Maarten raakten in een dwangpositie, toen in 1848 de emancipatie in Frans St. Maarten vrij plotseling gerealiseerd werd (revolutiejaar 1848, Frankrijk een republiek). Aangezien de Nederlandse regering hun verzoek tot onmiddellijke vrijverklaring tegen schadeloosstelling niet inwilligde, besloten zij hun slaven als vrije arbeiders te behandelen en deze maatregel, gevoegd bij de gehechtheid der slaven aan hun geboortegrond, was de oorzaak dat het overlopen naar Frans gebied niet toenam. Op St. Eustatius zijn de slaven in hetzelfde jaar 1848 in opstand gekomen, maar hier stonden de eigenaars sterker. Na een moeizame strijd waarbij twaalf muiters de dood vonden, werd de orde hersteld. Twaalf vrije kleurlingen die gemene zaak met de muiters hadden gemaakt, werden verbannen.
Op de Benedenwindse Eilanden was van onrust onder de slaven voorshands geen sprake; voor 1848 werden noch door de overheid noch door de slaveneigenaars plannen voor een wezenlijke verandering geopperd. Wel werd van de zijde der RK geestelijkheid aangedrongen op verbetering van de sociale toestand der slaven. Pater J. Stoppel o.f.m. die van 1816 tot 1818 op Curaçao onder de slaven werkte, wendde zich in 1817 in een brief tot koning Willem I. Stoppel verklaarde dat zijn werk onder de slaven door overheid en slavenhouders nauwelijks werd gesteund en op diverse punten zelfs ernstig belemmerd, zoals bij het dopen en onderwijzen. Het aangaan van een wettig huwelijk was verboden, als gehuwd levende paren werden door verkoop dikwijls gescheiden, terwijl voor oude en zieke slaven onvoldoende werd gezorgd. Vooral de wensen tot verbetering van de toestand die Stoppel aan het eind van zijn brief formuleerde, verwekten op Curaçao aanzienlijke opschudding. Voordat de overheid iets tegen de haars inziens weerspannige priester kon ondernemen, stierf deze aan gele koorts. Veel van hetgeen Stoppel beoogde, werd later gerealiseerd door Martinus Joannes Niewindt (1796-1860) die na 1824 eerst als pastoor, later als apostolisch vicaris op Curaçao werkte. Evenmin als Stoppel heeft Niewindt geijverd voor emancipatie in de zin van een plotselinge bij de wet afgedwongen verandering in de juridische status van de slaaf, met al zijn implicaties van vergoeding aan de eigenaren, veranderde arbeidsverhoudingen enz. Wel heeft hij gestreefd naar maatregelen (met name op het gebied van onderwijs, godsdienstuitoefening, huwelijks- en gezinsverhoudingen) die de geesten aan beide zijden van de kleurbarriëre rijp zou maken voor een uiteindelijke en waarachtige bevrijding.
Deze uiteenlopende strevingen en gezichtspunten (bescherming van de eigendom; continuïteit van de plantagearbeid; christelijk/humanitaire beginselen) hebben de emancipatie in de Nederlandse koloniën tot een uiterst moeizame, langdurige en vooral verwarde zaak gemaakt. Mede daarom is de anti-slavernijbeweging in Nederland nooit een volkszaak geworden die de massa’s aansprak, zoals in Engeland. Steeds lag het accent op de toestand in Suriname en op de gebeurtenissen in Brits-Guyana na 1833/1834. Partijen in deze strijd waren de Nederlandse regering en de koloniale besturen, christelijke en liberale groeperingen in Nederland en slaveneigenaren in de koloniën.
Pas omstreeks 1840 kwam in Nederland de actie voor emancipatie op gang, onder invloed van de emancipatiebeweging in Engeland (British and Foreign Anti-Slavery Society). Aanhangers van de protestants-christelijke Reveilbeweging richtten een maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij op. De Reveil-mannen stelden positief-christelijke beginselen voorop en wilden met name het godsdienstig onderwijs onder de slaven bevorderen om hen zo rijp te maken voor de uiteindelijke emancipatie. Dit was de oorzaak van de breuk met de liberale voorstanders van afschaffing, die zuiver op humanitaire gronden zo spoedig mogelijk een einde wilden maken aan de slavernij. Ook de liberalen vormden een ‘maatschappij’ en maakten propaganda d.m.v. een adresbeweging, vlugschriften enz. De regering reageerde op dit particuliere initiatief tamelijk afwijzend - tot de grondwetswijziging van 1848 waren koloniale zaken een prerogatief van de Kroon - en hield vooral het oog gevestigd op de economische consequenties (schadevergoeding aan de eigenaars, inschakelen van de vrijgelatenen in het arbeidsproces). Een regeringsvoorstel van 1851-1852 sneuvelde in de Tweede Kamer omdat een regeling tot schadevergoeding ontbrak. In 1853 werd een staatscommissie ingesteld die het vraagstuk moest bestuderen. Twee jaar later werd een rapport uitgebracht betreffende Suriname. Dit bevatte 29 ontwerpen voor emancipatie, waaraan de commissie nog eens drie eigen ontwerpen toevoegde. Het tenslotte aangenomen ontwerp beoogde ‘emancipatie door concentratie’ (een bewerking van een regeringsplan van 1844). De slaven zouden met de plantages worden onteigend en onder leiding van het gouvernement door verplichte suikerverbouw hun eigen emancipatie verdienen. De achtereenvolgende, op dit plan gebaseerde wetsontwerpen ontmoetten van alle zijden veel kritiek. Bij het insteIlen van de staatscommissie in 1853 hernieuwden ook de Reveil-vrienden en de liberalen hun activiteiten.

Van de boeken en brochures over de gruwel der slavernij die in deze jaren het licht zagen, maakte W.R. van Hoevell’s Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet (1845) de meeste indruk. Men heeft het, om zijn uitwerking op het publiek in die dagen, wel vergeleken met Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe, dat in 1852 in Amerika verscheen. Maar deze vergelijking is vooral leerzaam in het volgende opzicht: terwijl De Negerhut nog in onze dagen wordt gelezen, is Van Hoevell’s werk vrijwel vergeten. De strijd voor de emancipatie was toen (en later) een zaak van weinigen; de koloniën, vooral de West-Indische, lagen zowel in geografisch als in sociaal en economisch opzicht te ver van Nederland af. Als voorvechters in deze kleine groep mogen nog M.D. Teenstra en J. Wolbers worden genoemd. Teenstra’s adres aan de Tweede Kamer leidde uiteindelijk tot herziening van de slavenreglementen van Suriname (1851) en Curaçao (1824) in resp. 1856 en 1857. In de nieuwe reglementen waren een aantal verbeteringen betreffende voeding en kleding en côntrôle op de straffen vastgelegd.

De staatscommissie van 1853 bracht in 1856 rapport uit over de emancipatie op de eilanden. Het rapport bevatte zeven ontwerpen (o.a. één van mgr. Niewindt en twee van de oud-gouverneur Rammelman Elsevier) waaruit de commissie tenslotte een eigen ontwerp destilleerde, dat mede gebaseerd was op uitvoerige enquetes over de toestand op de eilanden. Op 1 januari 1854 bedroegen de aantallen slaven op de Nederlandse Antillen: Curaçao 7.189, Aruba 332, Bonaire 769, St. Maarten (opgave 1848) 1.000 á 1.200, Saba 649, St. Eustatius 1.071. Op Curaçao schatte men het aantal vrije kleurlingen (gemanumitteerden) op 8.000. Het merendeel van de gekleurden op dit eiland was dus al vrij. Van de slaven werkte bijna de helft in Willemstad; het gemiddelde aantal slaven per plantage bedroeg slechts 34. De karige opbrengst uit de landbouw, de geregeld mislukkende oogsten en het vrijwel ontbreken van andere middelen van bestaan leverden krachtige prikkels tot arbeidzaamheid, zowel van vrije kleurlingen als van aanstaande geëmancipeerden. De commissie meende dan ook, dat van leeglopen van de plantages zoals in Suriname werd geducht, op Curaçao en de andere eilanden geen sprake zou zijn. Een periode van staatstoezicht en gedwongen arbeid leek dan ook niet noodzakelijk. In plaats daarvan zouden de districtmeesters een bijzondere toezichthoudende functie krijgen, moeten waken tegen lediggang en zwerverij en behulpzaam zijn bij het zoeken naar werk. Niettemin bleef men vasthouden aan het beginsel van restitutie van de emancipatiekosten door de geëmancipeerden, zoals in het voorstel voor Suriname. De wijze van uitvoering hiervan op de eilanden zou nader onderzocht moeten worden. Dit beginsel, gevoegd bij de overtuiging dat de emancipatie in geheel Nederlands West-Indië gelijktijdig moest plaatsvinden, maakte de oplossing van het vraagstuk tot de kwadratuur van de cirkel. Het moest nog duren tot 1862 voordat de wet op de emancipatie kon worden aangenomen. De vergoeding van kosten door de slaven zelf werd uiteindelijk verworpen; deze zou door de regering aan de eigenaars worden betaald. (De gelden hiervoor werden geput uit de opbrengsten van het Oost-Indisch Cultuurstelsel).

De wet van 9 augustus 1862 Staatsblad 165, die de emancipatie van de slaven op de Nederlandse West-Indische eilanden in het vooruitzicht stelde, werd op 30 september 1862 op Curaçao afgekondigd. Ook daarna hadden nog *manumissies plaats, hetgeen vreemd aandoet omdat onttrekking aan het tienjarig staatstoezicht op de geëmancipeerde slaven, zoals dat in Suriname was ingesteld, hier geen drijfveer kon zijn. De oorzaak was gelegen in de omstandigheid, dat een gemanumitteerde hoger aanzien genoot dan de vrijgelatenen. De emancipatie zelf vond overal zonder ordeverstoringen plaats. Op Curaçao verkregen 67 gouvernementsslaven en 6.684 particuliere slaven de vrijheid. In totaal dus 6.751 slaven. In de Nederlandse Antillen werden in totaal 11.654 slaven geëmancipeerd, in Suriname was het totaal aantal 33.621. De ‘tegemoetkoming’ aan de eigenaars bedroeg op de eilanden f 200 per slaaf (behalve op St. Maarten, waar de slaven al in 1848 de facto geëmancipeerd waren) of f 30 indien deze het recht had op manumissie. Op St. Maarten werd f 30 (in 1864 verhoogd tot f 100) gegeven voor een slaaf die geen recht had op manumissie; had hij dit wel dan kreeg de voormalige eigenaar niets. De gouvernementsslaven werden uiteraard zonder meer in vrijheid gesteld. In totaal werd f 11.876.260 uitgekeerd, waarvan f 2.011.900 voor de eilanden.
De term ‘tegemoetkoming’ in plaats van ‘schadevergoeding’ werd gehanteerd omdat de emancipatie geen onwettige of onbehoorlijke handeling was; ‘een fraai voorbeeld van de rechtsfiguur van schadevergoeding wegens rechtmatige overheidsdaad’ (Kunst 1981: 260).

Van de 26 artikelen van de emancipatiewet waren er dertien (art. 3-15) gewijd aan de regeling van de vergoeding en slechts drie (art. 16-18) aan de geëmancipeerden zelf. Art. 16 bepaalde dat zij een geslachtsnaam moesten aannemen en zich moesten laten inschrijven, art. 17 dat het gewoon burgerlijk en strafrecht op hen van toepassing was en art. 18 dat zij werden beschouwd als ingezetenen der kolonie en de bijzondere bescherming genoten van het bestuur (Römer 1979: 38). Artikel 21 (onder ‘Algemene bepalingen’) stelde vast: Lediggang en zwerverij zijn strafbaar volgens vast te steIlen algemeene verordening. Bedoelde verordening is ruim voor de eigenlijke emancipatiedatum vastgesteld en afgekondigd (K.B. 16 januari 1863 n. 117, P.B. 1863 nr. 18). Artikel 22 verplichtte de eigenaars om de vrijgemaakten nog gedurende uiterlijk drie maanden na 1 juli 1863 van huisvesting te voorzien, terwijl omgekeerd de vrijgemaakten gehouden waren hiervoor tenminste vier dagen arbeid per week te leveren. Deze bepaling sloot aan op het reeds bestaande paga tera-systeem (betaling van grondhuur) dat t.a.v. de vrije kleurlingen in de buitendistricten werd toegepast.

De emancipatie heeft weliswaar een juridische verandering gebracht, in sociaal en economisch opzicht bleef het oude patroon bestaan: de wederzijdse afhankelijkheid van (ex-)meester en (ex-) slaaf. Omdat de domeingronden op Curaçao al voor een belangrijk deel door vrije negers en mulatten in gebruik waren genomen, bleef voor de geëmancipeerden niet veel anders over dan op de plantages te blijven wonen en de eigenaar met arbeid te betalen (zie verder Plantages). Voor de vrijgemaakten in de stad gold mutatis mutandis hetzelfde.
Lit.: Emancipatienummer van De West-Indische Gids, 34 (1953); C.Ch. Goslinga, Emancipatie en emancipator: de geschiedenis van de slavernij op de Benedenwindse eilanden en van het werk der bevrijding (1956); M. Kuitenbrouwer, De Nederlandse afschaffing van de slavernij in vergelijkend perspectief, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 93, 1 (1978); A.J.M. Kunst, Recht, commercie en kolonialisme in West-Indië (1981); A.F. Paula, The ‘pass the buck’ policy of the Dutch government concerning the emancipation of slaves on the island of St. Martin (Dutch-side) in 1848, in: Lanternu I, I (1983; emancipatienummer); Rapport der Staatscommissie, benoemd bij K.B. van 29 november 1853 nr. 66 tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandse koloniën. II. De Nederlandsche West-Indische eilanden en bezittingen ter Kuste van Guinea (1856); R. Reinsma, Een merkwaardige episode uit de geschiedenis van de slavenemancipatie (1963); J.P. Siwpersad, De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863) (1979).

 

@: Emanu-El, Nederlands Hervormde Israëlitische Gemeente
gewoonlijk Tempel Emanu-El genoemd, werd gesticht in 1864 door een groep Sefardische Joden. In 1867 bouwde de gemeente een synagoge aan het Hendrikplein; zij voorzag het gebouw van een orgel en volgde het ritueel van het Noord-Amerikaanse Reform, d.i. de meest radicale vleugel van het liberaalreligieuze Jodendom. Ondanks haar liberale instelling ontkwam de gemeente in de loop der jaren niet aan een zekere verstarring. De grote veranderingen die zich, vooral na de Eerste Wereldoorlog, in het vrijzinnig Jodendom voltrokken in de Verenigde Staten, Europa, Zuid¬Afrika en andere landen, gingen lange tijd aan Curaçao geheel voorbij. Hierin kwam eerst verandering toen omstreeks 1940 een aantal leden van de jongere generatie zich voor de aangelegenheden van de Tempel ging interesseren. Nadat in 1949 de naam was veranderd in Vrijzinnig Israëlitische Gemeente Emanu-El, werd de gemeente Emanu-El in 1964 herenigd met de gemeente Mikvé Israël. (Zie ook Joodse gemeenten.)
Lit. M. Goudeket, De Vrijzinnig-Israëlitische gemeente Emanu-El, Christoffel jrg. 1, fir.4 en 5 (1955).

 

@: Emmastad
Woonwijk gelegen aan de noordzijde van het Schottegat op Curaçao. Tot Emmastad behoren ook terreinen als de voormalige plantage Asiento, Valentijn en Rio Canario, het vroegere eilandje Negropont, waarop de installaties en woonwijken van de Koninklijke Shell zijn opgetrokken. Het geheel kreeg in 1929 zijn naam naar de toenmalige Koningin-Moeder. Lange tijd was het terrein van deze wijk uitsluitend voor de vestiging van Shell-employes bestemd, en door afscheidingen omgeven. Dit geografisch en sociaal isolement is sinds de 1960er jaren langzamerhand opgeheven.


 
@: Empaná
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië
is van 1914-1917 in afleveringen verschenen onder redactie van dr. H. D. Benjamins en Joh. F. Snelleman. Op initiatief van de Stichting Encyclopaedie Suriname, de Universiteit van de Nederlandse Antillen en dankzij medewerking van Sticusa is deze encyclopedie, die een schat aan informatie bevat over Suriname en over de Nederlandse Antillen in 1981 ongewijzigd uitgegeven.

 

@: Enfasis
zie @: Pers.

.

 

 

@: Engels
wordt op de eilanden St. Eustatius, St. Maarten en Saba als moedertaal gesproken. Afhankelijk van de ontwikkeling van de spreker vertoont zijn taalgebruik grotere of geringere verschillen met het standaard-Engels, zonder dat het tot een totale scheiding (absolute onderlinge onverstaanbaarheid) komt, zoals bij de creoolse talen het geval is.
Het Engels is ook op de Benedenwindse Eilanden een zeer belangrijke taal: handel, scheep- en luchtvaart, toerisme, techniek, tijdschriften op allerlei gebied, film, televisie. In beide laatstgenoemde media komt men veel Engelstalige produkten tegen, meestal uit de Verenigde Staten afkomstig, waaronder ook televisieseries en reclamespots. Deze worden over het algemeen niet van ondertitels in een andere taal voorzien. Het aantal leenwoorden uit het Engels neemt op deze drie eilanden dan ook nog steeds toe. Reeds op de lagere scholen wordt deze taal als verplicht leervak onderwezen.

 

 

Foto: Engels aan de piano in Stroomzigt, zijn welbekende huis op Otrobanda

@: Engels, Christiaan Joseph Hendrikus / @: Chris Engels
(Rotterdam 19 november 1907 - Curaçao 20 december 1980) studeerde geneeskunde in Leiden, vestigde zich als arts op Curaçao waar hij uitzonderlijk veel activiteiten ontplooide:
Witgele Kruis, Curaçaosch Museum, Stroomzigt, schermsport, inzamelingsactie in de Tweede Wereldoorlog t.b.v. oorlogsslachtoffers, waarvan de opbrengst het Nederlands Studentensanatorium hielp financiëren. Behalve dat hij een belangrijke particuliere kunstcollectie vormde, is hij als kunstenaar intensief bezig geweest: hij componeerde verschillende werken voor orkest, piano; alsmede kamermuziek, die o.a. zijn uitgevoerd door de pianist Eric Landerer en de cellist Adolfo Odnoposoff en het Curaçaosch Philharmonisch Orkest, waarvan hij jarenlang lid is geweest. (Het orkest is inmiddels ter ziele). Zijn schilderwerken werden o.a. geëxposeerd in Amsterdam (1948, 1957), Caracas (1955), São Paulo (1955, 1957, 1961, 1969), Dominicaanse Republiek (1963) en Schiedam (1964).
Onder het pseudoniem
Luc. Tournier verwierf hij grote bekendheid als dichter, schrijver, vertaler en stimulator. Zijn surrealistische en expressionistische gedichten zijn merendeels verschenen in het op zijn initiatief opgerichte literaire tijdschrift De Stoep (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen). Hij is gehuwd geweest met Lucila Boskaljon, die zich in hoofdzaak op de schilderkunst toelegt (zie Beeldende kunsten).


Werken:

  • (CE) Het Curaçaosch Patroon (1948);
  • Curaçao schilderend en geschilderd (1953);
  • Pianostukken van Chris Engels (1957);
  • A propos ponnie en paard (1963);
  • Opgravingen te Malmok op Aruba, de kwestie Gigan (1970);
  • Brieven aan een koerantier (1977);
  • Het St. Elisabeth Hospitaal te Curaçao in West-Indië 1855-1972 (postuum verschenen diss. 1981);
  • (LT) Poëzie: Verzen en penitentie (1936);
  • Kleine Curaçao Verzen (1941);
  • Doffe Orewoed 1948, 1980);
  • Conversatie voor de prauw (1954);
  • Don Juan de dupe (1956);
  • Dichter in New York (vertaling van Federico Garcia Lorca 1959);
  • Kunst en Vliegwerk (1965);
  • Bij de brand van Willemstad aan het werk aan ... brandvrijheid (1969);
  • Corpulent en minuscuul (1972);
  • De Man van Tortuga, schommelbekken, suiten van voortgezette spreekkamer (1973);
  • Geen droom maar eeuwige verte (1977) -
  • Proza: Damas van de eilanden (1975);
  • De papegaaien sterven (1977).


Literatuur:

  • H. Godthelp, Tien jaar De Stoep (West-Indische Gids XXXII, 1951);
  • Cola Debrot e.a., Luc. Tournier 70 (1977);
  • Jos. de Roo, Antilliaans literair logboek (1980).

 

@: Engels-Boskaljon, Lucila
(Curaçao 19 augustus 1920), dochter van * Rudolf Boskaljon en kleindochter van * Johannes Boskaljon, legt zich in hoofdzaak toe op de schilderkunst. Haar stijl is expressionistisch en romantisch verhalend van geest, gekenmerkt door subjectieve vertekening van de werkelijkheid. Haar werk is o.a. verwant aan Matisse, Constant Permeke (Belgie 1886-1952) en Emil Nolde (Duitsland 1867-1956). Belangrijke exposities van haar werken: Amsterdam (1948, 1957, 1983), São Paulo (1955, 1967), Caracas (1955, 1969), Dominicaanse Republiek (1963), New York (1967), Nederland (reizende tentoonstelling 1967), Curaçaosch Museum (1968) en Colombia (1975). Haar werk is o.m. vertegenwoordigd in de collecties van het Curaçaosch Museum, het Stedelijk Museum en de * Sticusa in Amsterdam. Bekend zijn ook haar mozaïek-tableaus en muurschilderingen. (Zie Beeldende kunsten).

 

@: Enqueterecht
Het enqueterecht is een bevoegdheid van de Staten van de Nederlandse Antillen om een onderzoek in te stellen omtrent het Regeringshandelen (art. 82 Staatsregeling). Dit recht is geregeld in de Enqueteregeling (P.B. 1948, no. 158). Het stelt de Staten in staat om buiten de Regering om inlichtingen in te winnen omtrent regeringszaken (zie ook Staten: bevoegdheden).

 

@: Entrejòl
zie @: Antríol

@: Eolianieten
Fossiele kalkzandduinen en afzettingen uit ondiepe zeeën op Curaçao, Aruba en Bonaire en daar van quartaire ouderdom (zie Geologie).

 

@: Erkenning
Door de erkenning van een natuurlijk of *onwettig kind worden burgerlijke banden geboren tussen dat kind en zijn ouder(s). Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle authentieke akten gebeuren, wanneer dat niet reeds bij de akte van geboorte of bij het aangaan van een huwelijk is gedaan. De verwekker van een dergelijk kind kan nooit zonder de toestemming van de moeder de boreling erkennen en is helemaal van de mogelijkheid van erkenning uitgesloten, wanneer hij o.a. zelf meer dan 306 dagen voor de geboorte van het onwettige kind met een andere vrouw dan de moeder gehuwd is. Heeft hij een kind, vóór zijn huwelijk bij een andere vrouw verwekt, erkend en is er zodoende een rechtsband tussen hem en deze yu di ala ontstaan, dan is deze band echter niet schadend voor de rechten die zijn wettige echtgenote en kinderen hebben. Slechts indien de vader het onwettige kind officieel heeft erkend, mag zijn naam op de geboorte-akte worden vermeld. Erkenning dient onderscheiden te worden van wettiging. Het Publicatieblad nr. 26 van 21 februari 1966 tot wijziging van het B.W. van de Nederlandse Antillen bevat een aantal artikelen met nieuwe regelingen van de erkenning (art. 327 e.v.). O.a. behoeft de moeder geen aparte daad van erkenning te stellen.

 

@: Esso
zie @: Exxon.


 
@: Estrees, Jean d’
zie @: Geschiedenis: Nederlandse periode; Nieuw Walcheren.

 

@: Etnologie
zie @: Archeologie; Geschiedenis: Spaanse periode.

 

@: Euphorbia
Plantengeslacht uit de familie der Euphorbiaceae (Wolfsmelkachtigen), waarvan ca. 15 soorten op de eilanden gevonden worden. De planten bevatten melksap. Bloemen in zeer gecompliceerde bloeiwijze ‘cyathium’; centraal een vrouwelijke bloem (slechts een stamper) waaromheen in 5 stralen de mannelijke bloemen (elk uit slechts één meeldraad opgebouwd) staan; die geheel wordt omgeven door 5 witte of gekleurde, kleine omwindselblaadjes, waartussen 4 min of meer halve-maanvormige klieren.
Yerba di lechi (Euphorbia adenoptera), stengeltjes straalsgewijs liggend; sterk behaarde, kleine bladeren; omwindselblaadjes wit of roze; vruchten behaard. Onkruid. Curaçao.
Lagrima di Kristu (Euphorbia heterophylla) of pasion di Kristu, Joseph’s coat, hypica, kuana, hoog kruid; bovenste bladeren direct onder de bloeiwijze, roodgevlekt of rood; cyathium groot. Sierplant, inheems in continentaal Amerika van Midden-Amerika tot Peru.
Tu i yo (Euphorbia splendens) of korona di sumpiña, drops of blood, Christusdoorn, sterk vertakt heestertje met donkerbruine stekels; bladeren verspreid of met 3-tallen bijeen; cyathia klein met daaronder 3 helderrode schutblaadjes. Sierplant. Afkomstig uit Madagascar. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Poinsettia (Euphorbia pulcherrima) of star of Bethlehem, christmas star, flower bush, kerstster, hoge heester met verspreide, lange, vaak gelobde of getande bladeren; schutbladen onder de bloeiwijzen lancetvormig, groot en rood gekleurd. Sierplant. Afkomstig uit Mexico. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Kadush’i Surnam (Euphorbia lactea) of Surinam cactus, hoge, sterk vertakte, op kandelabercactus gelijkende plant, maar met melksap; takken driehoekig aan 2 zijden diep en breed gesleufd waardoor 3 bochtig gerande vleugels ontstaan; op de top van de uitbochtingen staan 2 donkerbruine stekels. Sierplant, gebruikt voor windhagen. Melksap irriteert de huid. Benedenwindse Eilanden.
Kordon santu (Euphorbia neriifolia), heester of boomvormig; takken dik, 5kantig, waarvan de ribben uitbochtingen hebben van ca. 2 cm lengte met op de toppen 2 korte, uitstaande stekels; bladeren groot, vlezig, opeengehoopt aan de top van de twijgen; cyathia groenig-bruin. Sierplant, afkomstig uit Oost-Indië; melksap heeft purgerende eigenschappen. Benedenwindse Eilanden.
Potloodplant (Euphorbia tirucalli) of pencil bush, sterk vertakte, hoge heester met dunne, rolronde takjes die aan de top enige kleine, lancetvormige bladeren dragen; cyathia zeer onopvallend; plant heeft zeer veel wit melksap. Sierplant afkomstig uit Oost-Afrika. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Europese Economische Gemeenschap, Associatie met de;

@: E.E.G., Associatie met de;

@: EEG., Associatie met de 
Sedert 1964 zijn de Nederlandse Antillen geassocieerd met de E.E.G. De huidige associatieregeling die bij Besluit van de Europese Raad van Ministers ten behoeve van de Landen en Gebieden Overzee (L.G.O.) is vastgesteld, loopt van 1 januari 1981 tot 1 januari 1985. De associatieregeling vertoont grote overeenkomsten met de Lomé II Conventie, de overeenkomst tussen de E.E.G. en een zestigtal onafhankelijke staten. De belangrijkste onderdelen van de associatieregeling zijn:

• de handelsregeling. De E.E.G. verleent tariefpreferenties bij de invoer van Antilliaanse produkten op de Europese markt. Het moet dan wel gaan om een produkt van oorsprong, waarvoor de E.E.G. origine-regels bepalend zijn. In 1983 exporteerde een 8-tal Antilliaanse bedrijven naar de Europese markt op basis van de preferentiële regeling.
• de financiële samenwerking. Tot 1981 heeft de E.E.G. een bedrag van ca. NAf 125 miljoen beschikbaar gesteld aan ontwikkelingshulp, deels in de vorm van een schenking en deels als zachte lening. De gelden werden vooral aangewend voor infrastructurele projecten. Voor de periode 1981-1985 is 20 miljoen E.C.U. - Europese rekeneenheid - (± NAf 38 miljoen) beschikbaar.

Bij de aanvang van de associatie waren de verwachtingen over de tariefpreferenties (de handelsregeling) met de E.E.G. hooggespannen. Dit zou een impuls kunnen betekenen voor het aantrekken van nieuwe industrieën, waardoor de eenzijdig gerichte Antilliaanse economie gediversificeerd zou worden en daardoor minder kwetsbaar zou zijn. In de praktijk hebben de door de E.E.G. verstrekte tariefpreferenties echter niet zoveel opgeleverd, omdat de prikkel toch niet zo groot bleek (mede veroorzaakt doordat een algemeen preferentiesysteem voor ontwikkelingslanden is ingesteld en omdat de waarde van de tariefpreferenties is verminderd door algemene verlaging van tarieven binnen het G.A.T.T. (General Agreement on Tariffs and Trade). De waarde van de associatie is veel meer gelegen in de financiële hulp die de E.E.G. in het kader van de associatie heeft verstrekt. Met die hulp zijn belangrijke infrastructurele voorzieningen getroffen die met name de ontwikkeling van de sectoren toerisme en dienstverlening op de diverse eilanden van de Antillen hebben bevorderd.

Tot slot worden nog een tweetal saillante punten uit de associatie met de E.E.G. vermeld:

  • het in 1964 na veel moeilijkheden ingestelde olieprotocol ter beheersing van de Antilliaanse uitvoer van olieprodukten heeft geen aanleiding gegeven tot problemen;
  • in 1976 werden de wederkerige tariefpreferenties die de Antillen bij invoer van E.E.G.-produkten moesten toepassen afgeschaft. Hierdoor is elke vorm van wederkerigheid in de associatieregeling verdwenen en werkt deze in principe uitsluitend ten gunste van de AntiIlen.

 

 

 

@: Evangelical Alliance Mission
Dit zeer krachtige en wijdverspreide zendingsgenootschap (980 zendelingen in 22 landen) van een groep fundamentalistische kerken (Evangelical Churches) in de Verenigde Staten en Canada stichtte in de Nederlandse Antillen de Iglesia Evangelica als zelfstandige kerk: in 1931 op Curaçao, in 1945 op Aruba en in 1954 op Bonaire. Op deze drie eilanden heeft de Iglesia Evangelica thans 9 kerken, waarin 9 predikanten in het Engels (1) en Papiamentu (8) werken. Het totaal aantal leden bedroeg in 1982: 755 (kinderen meegerekend). Op Aruba en Curaçao heeft het zendingsgenootschap verder een boekhandel voor het verspreiden van godsdienstige lectuur, op Curaçao tevens een drukkerij / uitgeverij voor Papiamentse uitgaven: Editorial Evangelica. Ook Radio Victoria op Aruba (zie Radio-omroep) is van dit genootschap, dat haar hoofdkwartier heeft in Wheaton, Illinois, Verenigde Staten.

 

@: Evangelische Broedergemeente
De voor het merendeel bij de olie-industrie op Curaçao en Aruba werkzame Surinamers die lid waren van de Evangelische Broedergemeente, ontvingen aanvankelijk geestelijke bijstand van de andere Protestantse Kerken, waar zij zich bij aansloten. In 1944 werd een eigen gemeente gesticht. De predikant, die op Curaçao woont, verzorgt ook de gemeente op Aruba. Het ledental bedraagt op Curaçao ongeveer 500, op Aruba 200. De leden worden ook Hernhutters genoemd.

 

@: Evenredige vertegenwoordiging
Een kiesstelsel waarbij politieke partijen of andere groeperingen die aan een verkiezing deelnemen, een aantal zetels krijgen, evenredig aan het aantal stemmen dat zij hebben behaald. Voor iedere maal dat de kiesdeler in dat aantal stemmen is begrepen krijgt de partij een zetel. De plaatselijke omstandigheden in de Nederlandse Antillen maakten het wenselijk tot een mengvorm van districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging te besluiten: elk eilandgebied vormt een kieskring en aan elke kieskring is een bepaald aantal zetels toegewezen. Het voorgaande betreft de Statenverkiezingen. Bij Eilandsraadverkiezingen geschiedt in de eilandgebieden de verkiezing op grondslag van evenredige vertegenwoordiging (art. 6, lid 2 Eilandenregeling Nederlandse AntiIlen). (Zie ook @: Kiesrecht).

 

@: Evertsz, Juan Miguel Gregorio (Wancho) / @: Wancho Evertsz / @: Juancho Evertsz
(Curaçao 8 maart 1923) nam actief deel aan politieke en sociale activiteiten sinds 1946. Mede-oprichter geweest van de Nationale Volkspartij (N.V.P.) waarvoor hij verschillende functies heeft bekleed. Van 20 december 1973 tot 30 september 1977 minister-president van de Nederlandse Antillen. Richtte in 1979 Akshon op die zonder succes meedeed aan de Statenverkiezingen. Is thans teruggekeerd in de gelederen van de N.V.P.-U.

 

@: Ewijk O.P., Mgr. Petrus A.H.J. van,
(Wijk bij Duurstede 1827 - Curaçao 1886), apostolisch vicaris van Curaçao (1869-1886), studeerde in Rome, was eerder werkzaam in Zuid-Afrika en Nederland. Aanvankelijk was zijn gezagspositie onzeker: hij was tegelijk bisschop en vicaris der paters dominicanen in de missie van Curaçao (deze taken zijn later gescheiden). Groot vereerder van de rozenkransdevotie; voerde strijd tegen de liberale zeden, leidde een streng bestuur en trachtte door allerlei wetten orde in zijn kerkgebied te scheppen. Titulair bisschop van Camacas. Samensteller van een Papiaments woordenboek.

 

@: Exquemelin, Alexandre Olivier
(Honfleur 1646- ?) schrijver van De Americaensche zeeroovers (1678) (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Extra
zie @: Pers.

 

 

Foto: Olieproductieinstallatie van de Lago-raffinaderij

@: Exxon
Benaming voor
Standard Oil Company (New Jersey), het grootste petroleumconcern ter wereld. De maatschappij is een van de 33 oliemaatschappijen die werden gevormd als uitvloeisel van een in 1911 gedane uitspraak in een anti-trustproces tegen John D. Rockefellers Standard Oil. De Lago Oil & Transport Company Ltd., die de raffinaderij op Aruba exploiteert, behoort sinds 1932 tot het Esso-concern, dat in 1972 Exxon is geworden. Met een verwerking van 300.000 barrels per dag neemt de Lago-raffinaderij bijna 7% van de totale wereldproduktie van het concern voor haar rekening.

 

@: Ezè
Volgens een oud bijgeloof zouden er mensen bestaan die hun huid kunnen afschudden en dan onzichtbaar worden. Zij worden èzè genoemd in de stad, in de kunuku (de buitendistricten). Zelden wordt er ook gesproken van lèngè. De èzè heeft het vooral op de kindertjes gemunt, reden waarom op de achtste dag na de geboorte bij de baby de hele nacht gewaakt wordt (wak èzè = eze in het oog houden) waarbij de tijd met het eten van gepofte maïs, pinda’s en met drank gedood wordt. Om de èzè op een afstand te houden wordt ook wel eens in een kuil aan de oostkant van het huis allerhande stankverspreidend en rookverwekkend materiaal, als koehoorns, geitemest, oude schoenen enz. verbrand. (Op de Bovenwindse Eilanden bestaat een vergelijkbaar geloof in suck-in-jaws). Tegenwoordig wordt èzè ook als scheldnaam gebruikt voor een persoon met een ongunstig voorkomen of voor een persoon waar niet veel van uitgaat (‘Bo parse èzè’ = wat heb jij een gelijkenis met eze).


 
@: Ezel
zie @: Buriku.

 


 
De letter F

f  is de zesde letter van het Nederlandse alphabet met een klank die op verschillende wijzen voortgebracht kan worden onder andere met zichzelf als enkele letter, maar ook met de letter combinatie ph voorkomende in woorden van Griekse oorsprong als philosofie en philantropie. De oorsprong van onze moderne f is waarschijnlijk de Semietische letter die ongeveer met de klank vāv werd uitgesproken en voornamelijk ter aanduiding van hun v werd gebruikt. Hiermee werd mogelijk een haak of een knots aangeduid, mogelijk oorspronkelijk afkomstig van Egyptische hieroglyphen. De Grieken hebben te hunner tijd de Phoenesische vorm van de letter overgenomen als hun letter upsilon, een klinker en voorouder van de ypsilon (Griekse y) maar ook van de Romeinse (Latijnse) u, v en w. Mogelijk hierdoor komt het, dat de f tot en met de dag van vandaag heel sterk met de v gerelateerd is. Daarnaast gebruikten de Grieken ook een afwijkende, zwaardere F als mede-klinker met een w-klank zoals die ook in het Phoenesisch en de taal van de Etrusken bestond. De Grieken hebben deze vorm hoogstwaarschijnlijk van de Foenesische beschaving overgenomen en later op hun beurt aan de Etrusken doorgegeven. Later verdween deze klank echter van het Griekse alphabet en werd het teken F nog alleen gebruikt als cijfer (‘6’). De Etrusken echter handhaafden het gebruik van de F voor de w-klank en gingen op een gegeven ogenblik de letter combinatie fh gebruiken om de echte f-klank mee te vertegenwoordigen, een gebruik die door de Romeinen werd geadopteerd. De Romeinen hadden namelijk al de Griekse upsilon voor de w-klank aangenomen, terwijl de Grieken op hun beurt de inspiratie hadden gekregen om de tweeletter combinatie ph voor de voortbrenging van de f-klank te gebruiken.
Het moderne Nederlands heeft de f-klank bijna uitsluitend met de f-letter gedefinieerd. Met uitzondering van een aantal namen (Phillips) schrijft men dus geen philosophie meer maar filosofie, enz. En ook geen Phillipijnen, maar met een f. Het Papiamentu eensgelijks. Bekende wereldgebieden met een f als beginletter zijn de landen Finland en Frankrijk en de Amerikaanse staat Florida.


@: F.A.L.P.A.: Fundashon Arubano pa Lektura Papiá y Adaptá
zie @: Blindenzorg.

 

@: Familierelaties

Inhoudsopgave:
1: Definities
2: De Antilliaanse huishouding
3: Ruman di mama; ruman di tata
4: Overige familierelaties
5: Yu di kríansa

Familierelaties 1: Definities
De definitie van G.P. Murdock in Social Structure (1949), die de familie omschrijft als een sociale groep met drie fundamentele karakteristieken, te weten
a. samenwoning,
b. economische samenwerking en
c. reproduktie, waaraan de legitimiteit van de man-vrouw-verhouding nog wordt toegevoegd,
blijkt niet in alle samenlevingen zonder meer houdbaar te zijn. In de Nederlandse Antillen kan men veelvuldig woningen aantreffen waarin slechts een vrouw en haar kinderen leven zonder dat er van co-residentie met een man, al dan niet de vader van haar kinderen, sprake is. Ook economische samenwerking bestaat in veel van dergelijke gevallen niet, zodat er alleen van reproduktie gedurende een bepaalde periode van het leven van een vrouw gesproken kan worden, waarbij de legitimiteit van de verhoudingen tussen haar en haar minnaar(s) geen voorwaarde is.

Gegeven deze mogelijke afwezigheid van een mannelijke partner en economische onderhouder en gegeven het karakter van matrifocaliteit van deze sociale eenheden, kan men de moeder-kinderen-eenheid als de meest elementaire biologisch-sociale eenheid beschouwen. Daar in woningen nogal eens anderen dan een vader, moeder en hun kinderen worden aangetroffen, verdient het de voorkeur van huishouding of (Eng.) household unit te spreken ter onderscheiding van gezin.

Familierelaties 2: De Antilliaanse huishouding
De Antilliaanse huishouding kan uit meer dan twee generaties bestaan zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij de grootmoeder-families. Men spreekt dan wel van extended family (d.i. vergeleken bij de eenvoudige huishouding een met andere verwanten uitgebreide eenheid).
De grootmoederfamilie bestaat meestal uit drie generaties en werd vanwege de veelvuldige illegitieme geboorten uit vrouwen die nog deel uitmaakten van hun moeders huishouding, het dominante type in het gehele Caribische gebied geacht. Nadere onderzoekingen wezen echter uit dat dit geenszins het geval is, ook al zijn de huishoudingen, gevormd door een moeder, haar dochter(s) en de kinderen van die dochter(s) niet zeldzaam. Een dergelijke huishoudingsvorm verbindt men wel ten onrechte met het begrip matriarchaat, waarbij de grootmoeder de matriarch zou zijn.
De familiebanden kunnen zeer sterk zijn. Naast de @: famía yegá, de qua verwantschap nabije familie, onderscheidt men ook de famía di aleu (dj’aleu), de qua verwantschap verre familie, waarbij men de genealogische tussenschakels veelal nauwelijks kent. Deze termen worden overigens subjectief gebruikt: wat de een als famía yegá beschouwt, kan bij een ander onder famía di aleu ressorteren. Tot de famía yegá worden naast de gezinsleden in ieder geval de volgende verwanten gerekend:

- @: madrasa (stiefmoeder) voorzover de band tussen haar en het kind geschapen wordt door haar samenwoning en seksuele verhouding met de vader;
- @: padrasa (stiefvader) voorzover de band tussen hem en het kind geschapen wordt door zijn samenwoning en seksuele verhouding met de moeder;
- @: yu di afó (lett. buitenkind), een illegitiem verwekt kind. Daar zulke kinderen als regel door de moeder worden grootgebracht, spreekt men vaker van een yu di afó met betrekking tot een vader dan tot een moeder.

Familierelaties 3: @: Ruman di mama; @: ruman di tata
Door wisseling van seksuele partner komt het voor dat kinderen een broer of zuster hebben, die bij hun moeder door een andere man dan hun vader werd verwekt en samen met hen opgroeit. Deze broer of zuster is dan een ruman di mama (van moederszijde). Met een ruman di tata (van vaderszijde) bestaan gewoonlijk minder nauwe banden daar deze meestal in het gezin van zijn moeder wordt grootgebracht.

Familierelaties 4: Overige familierelaties
Tot familierelaties die al of niet worden onderkend kan men de volgende rekenen:

Een @: ruman di lechi, de fictieve broer of zuster met wie men een sibling (Eng.) relatie heeft vanwege het feit dat deze ‘broer’ of ‘zuster’ door de eigen moeder wordt gezoogd, verzorgd en grootgebracht. Ook personen die alleen door iemands moeder worden gezoogd, duidt men zo aan. Deze hebben een @: mama di lechi of @: yaya di lechi (vgl. het (verouderde) Nederlandse woord: minnemoeder).
Yaya di lechi is de vrouw die het kind van een andere vrouw te zogen heeft. In het algemeen worden Antilliaanse kinderen langdurig gezoogd, hetgeen in verband gebracht kan worden met de idee dat het zòg de persoonlijkheid van de zuigeling beïnvloedt en een bijzondere band tot stand brengt. Daarnaast is het ongetwijfeld economisch voor de lagere en meestal kinderrijke groeperingen in de bevolking om zo lang mogelijk borstvoeding te verstrekken. Indien deze ontbreekt, is men geneigd een eveneens juist bevallen vrouw met overvloedige voeding te verzoeken het kind te zogen, waarbij men zorgvuldig de gevaren van een verkeerde psychologische uitwerking op de zuigeling aan de hand van een waardering van de te vragen mama di lechi of mènchi (= min) afweegt. Het kind wordt geacht later een respectvolle houding ten opzichte van zijn yaya di lechi aan te nemen. De min zal haar yu di lechi (zoogkind) bijna als een eigen kind beschouwen.

Familierelaties 5: @: Yu di kriansa
Een yu di kriansa, een kind, dat ter verzorging en opvoeding in een andere huishouding dan die van zijn moeder is overgenomen. De vrouw des huizes is zijn mama di kriansa.


 
@: Farmacie Geschiedenis
De oudste archiefstukken betreffende geneesmiddelen op de Nederlandse Antillen hebben alle te maken met chirurgijns en geneeskundigen en gaan terug tot het begin van de achttiende eeuw. In de diverse plakkaten over waaggelden worden vanaf 1740 tarieven opgenomen voor verschillende geneesmiddelen, hetgeen op een handel hierin wijst. Rond de eeuwwisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw zijn de eerste apothekers bekend. In de loop van de negentiende eeuw is er ook sprake van verschillende apotheken (waaronder die van de arts David Ricardo Capriles).

 

@: Apotheken
Op Curaçao en Aruba zijn respectievelijk 18 en 8 openbare apotheken gevestigd. St. Maarten is één openbare apotheek rijk, die evenals die op Band’abou (Curaçao) door de overheid wordt geëxploiteerd. De overige drie eilanden van de Nederlandse Antillen zijn voor hun geneesmiddelenvoorziening aangewezen op apotheekhoudende huisartsen. Het instituut apotheekhoudend huisarts komt overigens ook op de grotere eilanden voor, zij het in beperkte mate.
De openbare apotheken (meestal aangeduid als botika en een enkele maal als drugstore) kunnen in eigendom zijn van zowel apothekers als niet-apothekers (in welk laatste geval een apotheker in loondienst aan de apotheek verbonden is). Zij hebben veelal naast hun receptuurafdeling een uitgebreide handverkoopafdeling waar o.a. toiletartikelen, cosmetica, alcoholische dranken en snoepwaren worden verkocht. Naast de openbare apotheken is er op de Antillen een aantal apotheken verbonden aan poliklinieken van grote ondernemingen en zijn er apotheken ondergebracht in ziekenhuizen.

Anno 2008 kent Curacao de volgende botika's:

  • Botika Antilliana
  • Botika Brievengat
  • Botika Brion
  • Botika Cerrito
  • Botika De Goede Hoop
  • Botika De Savaan
  • Botika Dominguito
  • Botika Gosie
  • Botia Groot Piscadera
  • Botika Jan Noorduyn
  • Botika Janwe
  • Botika Juliana
  • Botika Mahaai
  • Botika Mahuma
  • Botika Mampuritu
  • Botika Montanja Abou
  • Botika Muizenberg
  • Botika Nos Deseo
  • Botika Novo
  • Botika Otrobanda
  • Botika Palu Blanku
  • Botika Plasa (te Punda)
  • Botika Popular (te Punda)
  • Botika Santa Maria
  • Botika Santa Rosa 
  • Botika Stakamahachi (Montanja)
  • Botika Suffisant
  • Botika Tera Cora
  • Botika Union (te Otrobana)
  • Botika Zuikertuintje

Een aantal van deze dertigtal botikas hebben zich aangesloten in een vereniging genaamd Samenwerkende Apothekers Curacao (www.apothekerscuracao.com).

Apotheken Wetgeving
De oudste farmaceutische wetgeving dateert van 3 juni 1829 (Wet op de Policie van Apotheken). De huidige wetgeving omvat een drietal Landsverordeningen en hun uitvoeringsbesluiten (resp. de Landsverordening op de geneesmiddelenvoorziening (P.B. 1960 nr. 59); Landsverordening bevoegdheid apothekers en apothekers-assistenten (P.B. 1960, nr. 58) en de Opiumlandsverordening (P.B. 1960, nr. 65). Met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen is belast de Inspectie voor Geneesmiddelen (vóór 1977 een afdeling van het Departement Volksgezondheid, sindsdien een zelfstandige dienst), onder leiding van een inspecteur-apotheker. Naast de inspectie bestaan er een aantal commissies elk met een afgebakende taak (o.a. geneesmiddelenregistratie, examencommissie e.d.), terwijl het Landslaboratorium (heden ten dage het A.D.C.: Agnostisch Diagnostiek Centrum) beschikt over een afdeling Toxicologie en geneesmiddelenonderzoek. De farmaceutische afdelingen van de verschillende G.G.D’s (Geneeskundige en Gezondsheidsdiensten) van de eilandgebieden houden zich slechts bezig met de côntrôle op declaraties van geneesmiddelen afgeleverd aan zogenaamde
pp (pro-paupere) patiënten (zie Sociale voorzieningen) en met de aankoop van geneesmiddelen ten behoeve van gouvernementsartsen e.d.

Apothekers en apothekers-assistenten
De op de Antillen werkzame apothekers en apothekers-assistenten kunnen hun opleiding in verschillende landen hebben genoten. Behalve de mogelijkheid tot opleiding op de Antillen zelf (voor apothekers inmiddels opgeheven) is voor beide de Nederlandse opleiding erkend. In de loop der jaren zijn gedurende kortere of langere tijd ook andere opleidingen erkend geweest: voor apothekers o.a. de Universiteit van Bandung (Indonesië) en die van Puerto Rico.

Apotheken: Import en fabricage van geneesmiddelen
Fabricage van geneesmiddelen en pluimveevaccins vindt plaats op Curaçao op industriële schaal. Invoer van geneesmiddelen uit alle delen van de wereld (maar voornamelijk Europa en Noord-Amerika) vindt plaats via een aantal daartoe bevoegde importeurs (agenturenhandel). Alvorens de invoer van een verpakt geneesmiddel wordt toegestaan, dient het betreffende middel te worden geregistreerd. Op het ogenblik zijn er circa 3.500 middelen geregisteerd in de Nederlandse Antillen.

 

@: Fauna
De dierenwereld van de Nederlandse Antillen is duidelijk armer dan die van het continent. De Benedenwinden tell en ca. 20 zoogdiersoorten, terwijl het nabije vasteland er meer dan 100 heeft. Vogels zijn op de Benedenwindse Eilanden in nog geen 150 soorten aangetroffen, tegen wel 1.500 soorten op het continent. Bij reptielen en landslakken liggen de verhoudingen niet veel anders. Het soorten-aantal van de insekten is onvoldoende bekend, maar het staat wel vast dat het aantal in de Nederlandse Antillen slechts een kleine fractie is van het enorme aantal op het tegenovergelegen vasteland. Dit bevestigt de algemene regel, dat hoe kleiner een eiland is, des te geringer het aantal landdiersoorten is. Daarbij komt dan nog dat het droge klimaat van de Benedenwindse Eilanden door maar weinig soorten verdragen wordt.
De fauna’s van de Bovenwindse Eilanden en van de Benedenwindse Eilanden verschillen sterk. Dat komt niet alleen door het verschil in regenval en andere klimaatsfactoren maar staat ook in verband met de verwantschap van de fauna van de Benedenwindse Eilanden met die van Venezuela en het noordelijker karakter van de Bovenwindse fauna.
Het is merkwaardig, dat de Benedenwindse Eilanden onderling zulke opvallende verschillen vertonen. Spectaculaire voorbeelden zijn het hert - bimi -, dat alleen op Curaçao voorkomt, de ratelslang, die alleen op Aruba zit, en de *papegaai en *flamingo, die nog alleen op Bonaire domicilie hebben; verscheidene systematische geslachten (genera) zijn op elk eiland door een andere soort of soortencombinatie vertegenwoordigd, zoals resp. bij het *hagedissengeslacht Anolis, en bij de landslakken Tudora (zie Slakken). Soms komen zulke soorten alleen op een der eilanden voor en niet op het vasteland. Gezien de geringe afmetingen van de eilanden kunnen zulke soorten licht worden uitgeroeid; hier ligt voor de Natuurbescherming een belangrijke taak. Sommige soorten blijken per eiland constante verschillen te bezitten, zodat men ze in ondersoorten (subspecies) heeft onderverdeeld, bijv. de parkiet, die op Aruba haast geen geel op de kop heeft, op Curaçao wat meer en op Bonaire nog meer (zie Vogels). Ook bij de landslakken worden soorten en ondersoorten gevonden, die voor een bepaald eiland kenmerkend zijn. De zoetwaterfauna is in de Nederlandse Antillen maar spaarzaam vertegenwoordigd, hetgeen verband houdt met de geringe hoeveelheid zoetwaterplassen en -bronnen. Maar juist die bronnen en putten bevatten een merkwaardig groot aantal endemische soorten, zelfs enkele endemische geslachten (genera) (zie Zoetwaterorganismen). De zeefauna van de Nederlandse Antillen onderscheidt zich daarentegen in niets van die men elders in het Caribisch gebied aantreft. Wel zijn er verschillen zowel in soorten-samenstelling als in kwantiteit tussen de Bovenwindse Eilanden en de Benedenwindse Eilanden, maar deze verschillen zijn toch niet groot vergeleken bij die van de landfauna. (Zie ook Biologisch onderzoek in de Nederlandse Antillen).

 Literatuur:

  • A.M. Husson, De zoogdieren van de Nederlandse Antillen (1960);
  • K.H. Voous, The birds of the Netherlands Antilles (1983).

 

@: Faunabescherming
zie @: Dierenbescherming; @: Jacht; @: Natuurbeheer.

 

@: F.A.V.I. / @: FAVI
Fundashon Arubano di esnan Visualmente Incapacitá zie @: Blindenzorg.

 

@: Federatie Antilliaanse Jeugdzorg
zie @: Jeugdbewegingen

 

Het hierna volgende artikel is in het Papiamentu:

@: Felicia Cornelis “Comes” Justiano

Comes ku ta hasi fiësta, manera pueblo konosé, ta yu di un kunukero. For di chikitu Comes a traha den kunuku di su tata, pa despues e haña trabou na DOW. Tabata un trabou di kore konvoi, ku tabata enserá un responsabilidad masha spesial: Comes mester a sali kas for di kwatór di mardugá pa buska trahadónan di DOW trese trabou. Despues di esei e mester a sigui ku su mes trabou di kore parti awa kas pa kas ku su trûk. Ela hasi esaki durante di un periodo di komo trinta aña largu.
Comes a bira popular den bario di Bonam dor di e fiëstanan i torneonan di dominó ku semper e tabata organisá na su kas. E promé fiëstanan na Bonam 38 tabata ku bandanan lokal manera Super Speshal Combo i Jan Clara i su banda. Pero tremendo tabata tambe su fiëstanan di ka’i orgel i te hasta (of kisas espesialmente ) e fiëstanan di "teenager" ku su yunan tabata yuda organisá. Comes tin su mes ka'i orgel ku e ta usa pa toka na aktividadnan kultural. Huntu ku su talento den organisamentu di fiësta, Comes tabata kla pará tambe pa otro responsabilidadnan. Riba e nivel aki por menshoná entre otro ku e tabata forma parti di e direktiva di e gran banda Super Dynamic huntu ku Ronny de Windt. Tal tabata e manera ku hende ta konose Comes, ku e kaya kaminda e ta biba ta konosí komo hanchi di Comes, pa bûsnan i otronan ku ke indiká un direkshon.


 

@: Ferguson, George August Laan (G.A.L.)
(Curaçao 21 april 1825 - november 1912). Kreeg zijn opleiding tot geneeskundige te Curaçao, waarna artsdiploma te Utrecht. Was chef Geneeskundige Dienst te Curaçao en na pensionering geneesheer van de Quarantaine op dit eiland.

 

@: Ferguson, Hendrik
(Curaçao 10 augustus 1862 - Nederland 1 januari 1945). Zoon van G.A.L. Ferguson. Studeerde te Amsterdam, waar tevens specialisatie tot oogarts werd afgerond. Officier van gezondheid eerst in Suriname en later op Curaçao. Daarna particuliere praktijk te Curaçao tot 1922. Genoot grote bekendheid als oogarts en had patiënten uit omliggende Zuid-Amerikaanse landen.

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu:

@: Fernandez Hubert Dirk / @: Humberto Fernandes (4 di augustus 1936 -1 di yüni 2007)

Humberto Fernan tabata su nòmber artístiko. I artista e tabata di berdad. Konosínan ta yam’é un di e kantantenan di mas grandi i mas kompleto ku nos isla tabatin e suerte di konta kuné. Ela kanta entre otro den Trio Los Angeles, Caribbean Diamonds, Estrellas del Caribe i den Combo Ariste. Un di e kantíkanan bunita ku el a graba ku Estrellas tabata ”En Curaçao”. Na 1967 ela kanta pa mas o menos 7 luna ku Cholo Ortiz na Venezuela i tambe ela aktua den programa di televishon di Gilberto Correa. Pero despues e poderoso Asociación de Musicos di Venezuela a reklamá ku e no ta Venesolano i e no ta miembro di e asosashon i e mester a para e trabounan na Venezuela. Humberto a partisipá den varios festival pa Kòrsou, manera Bos di oro di Antillas (1973, finalista), Bos di oro Kòrsou (1974, ganadó), Festival Internacional di Puerto Rico (1973 i 1976, finalista).
Den un di e hopi festivalnan ela interpretá su mes komposishon Antillano soy, Latino soy. Manera hopi di nos músikonan e tabata aktua den nos hotelnan, bou di direkshon di musikonan profeshonal. Despues ela bai biba na St. Maarten kaminda e tabata aktua ku hopi eksito den hotelnan.

 

 

@: Ferry / @: Ferry Almirante Luis Brion / @: Ferry Luis Brion
Op 18 september 1973 is een geregelde veerbootverbinding tot stand gekomen tussen Curaçao, Aruba en Venezuela (Punto Fijo, Coro) die onderhouden wordt door de onder Venezolaanse vlag en met een Venezolaanse bemanning varende @: Almirante Luis Brion. Het schip heeft een bruto scheepsinhoud van 2.360 registerton (van 100 kub. voet of 2,83 m²). De grootste lengte is 92,11m; de breedte is 16,72m; laadvermogen: 711 ton. De maximum vervoerscapaciteit bedraagt 1.200 passagiers en 120 tot 140 auto’s. Er zijn 40 hutten beschikbaar, er is een modern ingerichte eetsalon en een grote cafetaria met zelfbediening. De vaartijd van Curaçao of Aruba naar Venezuela is 3½ uur. In de eerste jaren van het bestaan van deze veerdienst werden per jaar gemiddeld 60.000 passagiers vervoerd, ruim 8.000 auto’s en 4.000 á 5.000 vrachtwagens. Door de devaluatie van de bolivar is het aantal passagiers drastisch verminderd en leidt de ferry thans (1984) een weinig florissant bestaan.

 

@: Figo
(Ficus carica) of vijg, plantesoort uit de familie der Moraceae. Heester met dikke twijgen, bladeren groot, meest 5-10bbig; gemeenschappelijke bloembodem is bolvormig, hol; bloemen op de binnenzijde ingeplant; na bestuiving groeit de bloembodem uit tot een paarsgroene, peervormige schijnvrucht. Bestuiving heeft plaats door insekten die in de bol kunnen komen, maar door gerichte haren (fuik) niet meer weg kunnen; bij vruchtvorming verschrompelen deze haren, zodat ontsnapping mogelijk wordt. Tropen en subtropen. Benedenwindse Eilanden. Gekweekt.

 

@: Film
heeft als modern communicatiemiddel een belangrijke plaats gekregen in de Antilliaanse samenleving, met name in de vorm van videoprodukties ten behoeve van het televisiewezen en het onderwijs. Daarnaast speelt het medium film een belangrijke rol in het propageren in het buitenland van de Antillen als toeristisch oord. Ook als kunstuiting wordt de film toegepast. De eerste Antilliaan die in dit verband werk van betekenis leverde is Frank M. Chumaceiro, die in de vijftiger jaren van de 20ste eeuw filmpjes over landschap en folklore van Curaçao produceerde. Tot de jongere garde Antilliaanse cineasten behoren o.a. Wilbert Tecla, Corry van Heyningen, René Metsch en Felix de Rooy. Verscheidene buitenlandse filmmaatschappijen kozen de Antillen als décor voor hun films.

 

@: Filmkeuring
zie @: Bioscoopverordening. 


 

@: Filmliga
Zowel op Aruba als op Curaçao bestaat een filmliga, die geregeld films vertoont met het doel contact te kweken tussen haar leden, artistieke films te introduceren en filmexperimenten en de waardering voor de filmkunst te bevorderen. De @: Filmliga Aruba werd omstreeks 1950 opgericht; de @: Filmliga Curaçao, op 11 december 1950 in het leven geroepen, staakte haar activiteiten eind 1973; in 1980 werd zij geréactiveerd.

 

@: Filmotheken
De Antilliaanse filmotheek werd opgericht door de Sticusa ten behoeve van de culturele centra in de Nederlandse Antillen. Het beheer werd tot medio 1967 gevoerd door het Cultureel Centrum Curacao (C.C.C). en sedertdien door het C.C.A. De filmotheek staat ten dienste van scholen en verenigingen en bevat 16-mm-speelfilms, kinderfilms, documentaires en educatieve films. De Sticusa zorgt voor regelmatige aanvulling en vernieuwing van deze filmotheek.

 

@: Financiële zelfstandigheid der Eilandgebieden,
zie @: Financiën: financiële verhouding tussen Land en Eilandgebieden.

 

 

Foto: Het oude gebouw van het Departement van Financien aan de Pietermaaiweg, staat nu te wachten op restauratie als monument, na eerst ook dienst te hebben gedaan als schoolgebouw voor I.F.E. (Instituto pa Formashon den Enfermeria - verpleegstersopleiding). De nieuwe kantoren van Financien zijn per 2007 gehuisvest in het oude ABN bankgebouw (foto onderaan) aan de overkant van het oude monumentale onderkomen.

@: Financiën
Administratie van financiën (
Departement van Financiën) heeft tot taak het verlenen van bijstand en het geven van advies in alle zaken van financiële aard aan de regering en in het bijzonder aan de Minister Van Financiën. Aangezien een volledige opsomming van genoemde zaken te ver zou voeren, worden hiervan slechts enkele genoemd:

• de opstelling en uitvoering der begrotingen;
• de heffing en invordering van belastingen, retributies, bijdragen en rechten en
• vaststelling van tarieven voor door het Land geleverde goederen en diensten;
• de financiele verhouding tussen het Land en de Eilandgebieden;
• het aangaan van geldleningen en rekening-courantovereenkomsten;
• het deelnemen in ondernemingen;
• de ontwikkelingsprojecten gefinancierd in het kader van het *Meerjarenplan Nederlandse Antillen en door het Ontwikkelingsfonds van de E.E.G.;
• het verlenen van subsidies;
• de Landseigendommen zoals gebouwen;
• de aanbesteding en gunning van werken en leveranties.
• Onder de benaming Afdeling Landsfinanciën is op Aruba een bijkantoor van de Administratie van Financiën gevestigd.

 

@: Financiële verhouding tussen land en eilandgebieden
Toen besloten werd een deel van de overheidstaak over te dragen aan de Eilandgebieden, was het noodzakelijk deze laatsten de beschikking te geven over gelden ter uitvoering van hun taak. Daartoe werd tot een verdeling van het belastinggebied tussen Land en Eilandgebieden overgegaan. Voor de Nederlandse Antillen (het Land) werd een eigen belastinggebied gereserveerd van zodanige omvang, dat het Land over voldoende eigen middelen zou beschikken ter bestrijding van de kosten van de eigen overheidstaak die het zou behouden of die zou ontstaan. Een eventueel tekort zou volgens een bepaalde maatstaf door Aruba en Curaçao worden gedekt. Deze regeling was de best denkbare aan de hand van de toen beschikbare gegevens. Omdat de lagere gemeenschappen (Eilandgebieden) geen zeggenschap hebben over de wijze van besteding van de landsmiddelen, en zij zelf in een financieel moeilijke positie kwamen te verkeren, werd na enige jaren, nl. in 1956 (P.B. 1956 nr. 113) in de Eilandenregeling een andere verdeling van het belastinggebied vastgesteld, waarbij een meer gelijkmatige verdeling van de invloeden van de conjunctuur werd verkregen. Deze landsverordening gaf een gedetailleerde regeling in de nieuwe artt. 2 a en 86-89 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA). Art. 2a bepaalt, dat tot de zorg van het Land behoort:

onder A, de wetgeving alsmede de heffing en invordering van met name genoemde belastingen en heffingen (o.a. in- en uitvoerrechten);

onder B, de wetgeving inzake de heffing en de oplegging van de aanslagen in met name genoemde andere belastingen (o.a. inkomsten- en grondbelasting), met dien verstande, dat de Eilandgebieden de bevoegdheid hebben binnen zekere grenzen daarop opcenten te heffen;

onder C, de wetgeving inzake invordering.

De artt. 86 en 87 geven aan op welke wijze de opbrengst van de belastingen en heffingen onder het Land en de Eilandgebieden worden verdeeld: van de onder A genoemde heffingen komt de opbrengst ten goede aan het Land, behoudens dat 45% van de opbrengst van enkele met name genoemde heffingen (o.a. in- en uitvoerrechten), die uit een bepaald Eilandgebied is verkregen, aan dat Eilandgebied ten goede komt. Omgekeerd komt de opbrengst van de onder B genoemde belastingen ten goede aan het betrokken Eilandgebied, behoudens dat 35% van de inkomstenbelasting ten goede komt aan het Land. Zie ook P.B. 1955 nr. 100, zoals gewijzigd. Deze percentages kunnen eventueel worden gewijzigd op de wijze als aangegeven in art. 89 ERNA jO artt. 74 en 77 der Staatsregeling (P.B. 1956 nr. 113, P.B. 1961 nr. 80, P.B. 1957 nr. 59 jO, P.B. 1957 nr. 215).

Belastingen en retributies, welker regeling niet aan de zorg van een Eilandgebied is onttrokken, worden geheven uit kracht en volgens voorschriften van een eilandsverordening (art. 91 ERNA). Betreffende de praktijk zie Geschiedenis jongste periode, Curaçao. (Zie verder Begroting; Belastingen; Eigendommen; Geldleningen; Rekening.)

Lit.: J.W. Ellis, M.P. Gorsira en F.C.J. Nuyten, De zelfstandigheid der eilandgebieden (1954).

 

 

@: Fire weed
zie @: Datura.

 

@: Fitó
(Bonaire: vitó), plantage-opzichter.

 

@: Flaim
(Jatropha gossypifolia) seida, tuatúa of physic nut, plantesoort uit de familie der Euphorbiaceae. Heesterachtige plant; zachtbehaard en bladrand en bladsteel met gesteelde klierharen; bladeren langgesteeld en 35-delig; bloemen in schermachtige trossen, eenslachtig, rood aangelopen; vrucht met 3 zaden. Algemeen onkruid. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. (Zie ook @: Geneeskrachtige kruiden en giftige planten).

 


 
@: Flamboyan(t)


(Delonix regia) of july tree, flame tree, plantesoort uit de familie der Fabaceae. Hoge boom; bladeren dubbelveervormig samengesteld, blaadjes 1-1,5cm lang en 0,5cm breed; bloemen groot, ca. 10cm in doorsnede, in schermvormige tuiIen; bloemen verschijnen wanneer de boom bladerloos is; peul houtig, lang en plat. Gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

 

@: Flamingo

 
(Phoenicopterus ruber ruber) chogogo is een opvallende, met geen andere soort te verwarren broedvogel van Bonaire, die op alle drie Benedenwindse Eilanden en vroeger ook wel op St. Maarten is waargenomen. De naam chogogo is een klanknabootsing. Volwassen vogels zijn oranjerood, met zwarte slagpennen, die vooral in de lucht opvallen. De banaanvormige snavel is van een filterapparaat voorzien. Hiermee worden voedseldeeltjes tot 0,5mm uit het water gezeefd met gesloten snavel, maar ze kunnen ook grotere voorwerpen tot ongeveer 10mm binnenlaten. De manieren waarop het voedsel wordt gezocht lopen uiteen: van lopend of zwemmend het oppervlaktewater ‘afschuimen’ op zoek naar pekelkreeftjes (Artemia), het ‘grondelen’ naar poppen van de zoutvlieg (Ephydra), het lopend grijpen van slakjes, zoutvliegpoppen of pekelkreefjes, het met de zwemvliezen opwoelen van zoutvlieglarven en slakjes uit het bodemslib, soms het reigerachtig jagen op kleine tandkarpertjes, tot het lopend opslokken van organisch slib met algen, bacteriën en protozoën (eencellige dieren).
Als drinkwater gebruiken de flamingo’s zeewater; tijdens zware regenbuien kunnen ze ook regen water tussen hun veren opvangen en drinken. Het broeden heeft voornamelijk plaats in het Pekelmeer, maar ook in Gotomeer en in Slagbaai broeden zij soms in kleine aantallen. In 1964 kreeg de Antilles International Salt Company (A.I.S.C.O.) toestemming om op de Zuidpunt van Bonaire op grote schaal zout te winnen, ook daar waar de flamingo’s broeden. Door toedoen van verschillende natuurbeschermingsorganisaties werd een broedreservaat van 55 ha midden tussen de zoutpannen uitgespaard. In 1969 kwam de constructie van dijken enz. klaar en nog datzelfde jaar gingen de flamingo’s daar broeden. Maar er kwam een voedselprobleem: door gipsafzetting op de bodem van de zoutpannen werd hun hoofdvoedsel, de poppen en larven van de pekelvlieg, onbereikbaar. Het voornaamste voedsel bestaat nu uit kleine zeeslakjes in het ringmeer tegen de dijk. Flamingo’s zijn pas geslachtsrijp na 5 of 6 jaar, leggen één ei per jaar en leven lang, waarschijnlijk 20 of meer jaar. Het lage geboortecijfer gaat gepaard met een laag sterftecijfer, daar volwassen flamingo’s weinig natuurlijke vijanden hebben. Wel zijn er aanwijzingen, dat de sterfte in het eerste jaar erg hoog is (tot 50%). Mogelijk zijn 3 succesvolle broedpogingen per 6 á 7 jaar voldoende om de populatie op peil te houden. Niet ieder jaar worden jongen grootgebracht. In droge jaren worden vaak geen broedpogingen ondernomen, of wordt het broeden halverwege opgegeven. Verder is bekend, dat tengevolge van verontrusting veroorzaakt door U.S.A. gevechtsvliegtuigen in 1943 de flamingo’s verjaagd werden, eerst in 1947 terugkeerden en pas in 1950 weer tot broeden kwamen. Er gelden nu verbodsbepalingen voor het overvliegen van de kolonie in het Pekelmeer. Toch vindt er nog vaak verstoring door vliegtuigen plaats, waardoor o.a. in 1973 eieren en jongen omkwamen, verlaten door hun ouders.
Het nest is een modderheuvel in kegelvorm, tot 30 cm hoog en van ongeveer dezelfde topdiameter, van boven met een kuiltje. Ook kan het ei gelegd worden op vrijwel onbedekte rotsgrond, maar altijd omringd door het water. De nestmodder wordt met de snavel bijeengeschraapt en met de voeten aangestampt. De nesten staan sterk aan erosie bloot, maar kunnen toch enkele jaren achtereen, soms na reparatie, opnieuw gebruikt worden. De broedduur is 28 á 30 dagen. Na het uitkomen blijven de jongen enkele dagen op het nest en leven, daarna in groepen, de zogenaamde creches, tussen de nest en in de kolonie en na 4 tot 6 weken ook daarbuiten. Er zitten in elke groep jongen van verschillende leeftijd. De jongen worden alleen door hun eigen ouders gevoerd; de hen vergezellende volwassen vogels voeren noch beschermen hen, zodat het begrip creche in dit verband niet van toepassing is.
De kleur van het dons verandert in de eerste maand van wit naar grijsachtig. Dan breken de veren door, waarbij de kleur in 6 tot 10 maanden verandert van grijsbruin tot rozeachtig grijswit. Na enkele jaren wordt het volwassen kleed bereikt. Met 2½ maand zijn de jongen vliegvlug.

Foto: De snavel van een flamingo, waarin een soort filter het opgeschepte water laat wegvloeien met achterlating van het voedsel


De meest bezochte voedselgebieden zijn het Pekelmeer en Goto, maar ook in Venezuela: speciaal de broedende vogels maken dagelijkse vluchten naar de moerasgebieden aan de Venezolaanse noordkust en met het daar vergaarde voedsel worden de jongen gevoerd. Buiten de broedtijd houdt het grootste deel van de populatie zich langs de kust van Venezuela op. Zo gauw de jongen kunnen vliegen, vertrekken ook deze over zee naar het 100 km zuidelijker gelegen vasteland.
De totale populatie die Bonaire als broedterrein heeft, wordt geschat op 10.000 tot 12.000. Het voortbestaan van deze populatie hangt ten eerste af van een goed gericht management van de zoutpannen op Bonaire, opdat de voedselvoorraad niet nog verder achteruit gaat en ten tweede van een stringente bescherming van de Venezolaanse voedselgebieden, waarbij vooral het door urbanisatie bedreigde reservaat Cuare, bij Chichiriviche in Falcon, van groot belang is. Samenwerking tussen Venezolaanse en Antilliaanse organisaties en overheden kan deze voor Bonaire zo karakteristieke vogels behouden. (Zie ook Natuurbeheer.)
Lit.: J. Rooth, The flamingo’s on Bonaire (1965).

 

@: Flamingo Luchthaven
Luchthaven van Bonaire zie @: Luchthavens.

 

@: Flerchi
zie @: Vliegende vissen.

 

@: Flora

  1. Het totaal aan plantesoorten in een bepaald gebied.

Als gevolg van het droge klimaat op de Benedenwindse Eilanden en in de onderste zône van de Bovenwindse Eilanden, alsmede de geringe oppervlakte van de Nederlandse Antillen is de flora veel armer dan die van de grotere eilanden uit de Antillenboog, maar rijker dan bijvoorbeeld Anguilla, Barbados en St. Bartholomew. Vooral door klimatologische verschillen is de flora van de Benedenwindse Eilanden duidelijk anders dan die van de Bovenwindse Eilanden maar vertoont toch een sterkere overeenkomst met de Antillenboog dan met de flora van het nabij gelegen continent. Flora’s van Aruba, Bonaire en Curaçao komen onderling vrij goed overeen, hoewel Curaçao rijker is, voornamelijk door het gebied rond Sint Christoffelberg. De flora van de Benedenwindse Eilanden omvat ca. 500 soorten, waaronder 8 varens. Zeer algemeen voorkomende soorten zijn o.a. basora pretu, palu di sía, kadushi, tuna, welisali, flor di sanger, wabi, indju, kuchára en anglo; minder algemeen maar zeer opvallend o.a. teku, banana shimaron en oba. Opvallend is dat het aantal zeer algemeen voorkomende soorten gering is evenals het feit dat 40% van de voorkomende plantenfamilies door 1 soort vertegenwoordigd is; van de geslachten is dit zelfs 70%. Veel van de aanwezige soorten moeten beschouwd worden als onkruiden. De flora's van Saba, St. Maarten en St. Eustatius zijn onderling zeer verschillend door de grote fysisch-geografische verschillen tussen de eilanden. In totaal komen op de Bovenwindse Eilanden ca. 700 soorten voor waaronder 69 varens. Opvallend zijn voor Saba o.a. de palm, mountain cabbage en de boomvarens, voor St. Eustatius o.a. silk cotton tree, voor St. Maarten zijn de strandplanten te noemen. Zoetwaterplanten zijn in de Nederlandse Antillen vrijwel afwezig: De kustflora van de Nederlandse Antillen onderscheidt zich niet van die van de andere Caribische eilanden.

  1. Boek waarin de in een gebied voorkomende plantesoorten beschreven zijn.

Voor de Nederlandse Antillen zijn dit onder anderen:
I. Boldingh, Flora voor de Nederlandsch West-Indische Eilanden (1913);

Fr. M. Arnoldo Broeders, Zakflora (1964);

A.L. Stoffers, Flora of the Netherlands Antilles (1963);

Fr. M. Arnoldo Broeders, Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen (1954) (geen flora, maar belangrijk naslagwerk voor de gekweekte planten); Handleiding tot het gebruik van inheemse en ingevoerde planten op Aruba, Bonaire en Curaçao (1967).

 

@: Fogón

  1. Stookplaats in de keuken, waarin op de konfó (vuurpot), gevuld met houtskool, gekookt werd. Via de schoorsteen boven deze stookplaats kon de rook naar buiten trekken. Alleen de woningen van de meer gegoeden onder de bevolking hadden een fogón, o.a. de landhuizen.
  2. Van drie stenen opgebouwd stellage, waarop gekookt werd (tres pied’i fogón).

 

@: Fokker FXVIII
Driemotorig passagiersvliegtuig. Het West-Indisch bedrijf van de K.L.M. heeft in de Nederlandse Antillen met twee van deze toestellen, t.w. de Snip en de Oriol gevlogen van 1934-‘35 tot ver in de 1940er jaren. In de Nederlandse Antillen heeft de Oriol tijdens de oorlogsjaren, omgebouwd tot militair vliegtuig, verkennings- en konvooivluchten uitgevoerd onder commando van res. 1ste Lt. vlieger T.C. van der Kolk. De Snip-cockpit staat tentoongesteld in de tuin van het Curaçaosch Museum (zie Kerstvlucht).

 

@: Fontein

  1. Natuurlijke zoetwaterbron aan de noordkust van Aruba, in de omgeving van Boca Prins. Het regen water dringt in de kalksteen van het kusthoogterras en komt te voorschijn waar de onderliggende diabaaslagen een dagzoom vormen. Er bevindt zich hier een groenten- en vruchtentuin. In de onmiddellijke omgeving van de bron ligt de Grot van Fontein (zie Grotten).
  2. Plantage op Bonaire in het noord-oostelijk deel van het eiland: De naam van de plantage wijst op de aanwezigheid van een zoetwaterbron, die gevoed wordt vanuit het kalksteenplateau van Montana, dat hier met een steile rand aan de kustvlakte grenst. In de onmiddellijke omgeving van de bron ligt een hofje met o.a. kokos- en dadelpalmen.

 

 

@: Forten

Foto: Het belangrijkste fort van het Nederlands Caribischgebied is het op Curacao gelegen Fort Amsterdam, hier met zich op de Fortkerk

Omdat de defensie van de Kolonie Curacao en onderhorigheden hoofdzakelijk gericht was op directe bescherming van de centrale haven bij Willemstad en van de andere ankerplaatsen ontstonden hier de vestingen. Aan de monding van de St. Annabaai werd het grote Fort Amsterdam met de bestuursgebouwen opgericht. Opmerkelijk was voorts de versterking van de Caracasbaai door Fort Beekenburg en van de Oranjebaai op St. Eustatius door Fort Oranje. Deze laatste zou men - met zoveel andere forten het best een hooggelegen batterij kunnen noemen. Voor de approviandering rekende men op de nabij gelegen vesting. In het, de jaren door slepende meningsverschil tussen de militaire bouwtechnici en de zeemacht, die een betere beveiliging van Curaçao sterk in de weg stond, werd, ten gevolge van de missie Krayenhoff, in 1824 tenslotte begonnen met een grootscheepse verdedigingsring om de agglomeratie Willemstad in de vorm van een nieuw Waterfort en een aan de overzijde gelegen Riffort; deze werken kwamen reeds omstreeks 1830 tot stilstand. Nadat reeds eind 19de eeuw het Riffort als zodanig was opgeheven, verliet de marine in 1955 eveneens het Waterfort ten behoeve van de bouw van een hotel. De forten van Curaçao komen hieronder afzonderlijk aan de orde. (Voor die van de andere eilanden zie @: Architectuur).

 

  1. @: Fort Amsterdam (Willemstad, Curaçao)

strategisch op De Punt (Punda) van de oostelijke landtong bij de haveningang gelegen, van vier bastions voorziene maar oorspronkelijk in 1635 vijfhoekig bedoelde en daardoor onregelmatige forteresse. Binnen de ruime ommuring was tevens het overgrote deel van de civiele en militaire compagniesdienaren en -diensten ondergebracht, waaronder van oudsher de Gouverneur en de protestantse kerk. Nadien, tot in de huidige tijd, zetel van voorname organen van de Landsoverheid waaronder Raad van Ministers en Landssecretaris. Ondanks onophoudelijke, in toenemende mate ingrijpende verbouwingen in het verleden, bleef de algemene aanleg in wezen onaangetast: ietwat schuin oplopende hoge fortmuren in gepleisterde koraalsteen met open weergang tussen bastionsplateaus, die vroeger beneden kruitmagazijnen en regenbakken borgen. Hoofdbestanddeel van de bebouwing waren steeds het Gouverneurshuis (oorspronkelijk het gouvernementshuis) boven de hoofdtoegangspoort van het fort en de schuin daartegenover gelegen Fortkerk. De aan weerszijden van het Fortplein gelegen vleugels met kolonnaden op de begane grond zijn in de 1960er jaren van deze eeuw in de oude vormen vernieuwd. De Landssecretarie dateert uit ± 1955 evenals de verbouwing met herindeling van het gebouw van de Raad van Ministers (beide: architect H.J. Nolte).

In dit fort ligt de Fortkerk (Papiamentu: kèrki), de oudste protestantse kerk in de Nederlandse Antillen. Het huidige gebouw heeft waarschijnlijk reeds kort na 1634 een houten voorloper gehad, die later op dezelfde plek vervangen werd door een bescheiden stenen gebouw. In 1745 werd deze kerk vergroot tot haar huidige omvang. Het plafond is een samengesteld tongewelf en rust op vier zware zuilen. Op het gebouw stond een achthoekige toren, die uurwerk en klokken bevatte. Van 1766-1769 had de toenmalige laatste vernieuwing plaats. In 1903 werd het huidige torentje gebouwd. De ruimte onder het dak, die toegankelijk was via de fortmuur, diende vroeger tot pakhuis voor de zeilschepen die hier hun waren opsloegen. De kelders dienden als voedselopslagplaats voor de militairen. In 1964 werd een nieuw pijporgel, gebouwd door de firma Flentrop, geplaatst. Recht tegenover de preekstoel bevindt zich nog steeds de overluifelde Gouverneursbank. De kerk werd in de loop der jaren vele malen gerestaureerd, waarbij de kelderruimte omgebouwd werd tot vergaderruimte, kindercreche, kantoor en keuken.

  1. @: Fort Beekenburg (Caracasbaai schiereiland)

Uitgebreide, door zijn ligging op Shellterrein, thans ontoegankelijke Curaçaosche forteresse op landtong aan de belangrijke Caracasbaai, genoemd naar de stichter Nicolaas van Beek (1700-1704) maar pas omstreeks het midden van de 18de eeuw voltooid. Hoofdmoment is het oudste deel: de gave, zeer doordachte ronde ‘toren’ in breuksteen met bakstenen details. De kern bestaat uit een afgeknotte kegel met kruitmagazijn en regenbak onder het afsluitende batterijplateau, aan de zeezijde halverwege omgeven door een eveneens massief opgetrokken lagere batterij in de vorm van een afgeknotte regelmatige zeshoek. Ook de enceinte en de lage batterij bij de toegang bleven aanwezig; de nog in 1863 grotendeels vernieuwde kazerneringsgebouwen zijn geheel verdwenen. Het fort werd in de historie van het eiland bekend door de mislukte aanval van de Engelsen in 1805 (slag op de Kabrietenberg), waarbij Pedro Luis Brion krijgsroem oogstte (zie Geschiedenis: Nederlandse periode  Curaçao).

  1. @: Fort Nassau

 

Foto: Bebouwing in het Fort Nassau. Het padje voert naar een hoger gedeelte, van waar men een prachtig c.q. strategisch zich heeft op het Schottegat en de Caribische Zee

Zowel de monding van de St. Annabaai naar het Schottegat als een goed deel van Willemstad wordt beheerst door de forteresse op het eertijds ongenaakbare hoogste noordoostelijke punt van de heuvelrug van de wijk Scharloo, gebouwd in de onrustige revolutietijd in 1796 / 97 en kort nadien verbeterd (1804). Ten slotte niet opgenomen in de verdedigingsgordel van Krayenhoff en vrijwel in de oude toestand in 1959 door het gouvernement als schenking overgedragen aan de Stichting Monumentenzorg Curaçao; sedertdien is er vanwege het unieke uitzicht over het Schottegat en Willemstad, een restaurant in gevestigd. Verhoogd massief rechthoekig platform ter geschutsopstelling, waaronder een kruitmagazijn, provoost en een regenbak zijn uitgespaard en waarnaast aangrenzende kazerneringsruimten. Een ten zuidwesten aansluitende, lager gelegen batterij bestrijkt de opgangen naar het fort. In het gesloten front slechts een door karakteristieke dubbele deuren afgesloten ingangspoortdoorgang naar het eigenlijke fortterrein. Op de heuvel binnen het fort is voorts een seinpost van het loodswezen gevestigd.

 

  1. @: Fort Piscaderabaai

Overblijfsel van lage batterij op Curaçao, gelijk die aan de St. Michielsbaai, uit ca. 1744. Het fort is thans opgeno¬men in de situering van het nabijgelegen Hotel Curaçao Concorde.

  1. @: Riffort

Voltooid in 1828 naar ontwerp van Lt. kolonel J.C. Ninaber. De geheel gesloten aanleg werd bepaald door de ligging aan de havenmond, de zeekust en het voormalige Rifwater. Dit fort werd veel eerder opgegeven dan de batterijen van het Waterfort, waarna het met omliggend terrein intensief gebruikt werd door de technische Landdiensten. Een ernstige aantasting vond plaats omstreeks 1928 toen de classicistisch getinte kazerne werd afgebroken, waarmee de westgevel van het fort goeddeels kwam te vervallen. In de noordoostelijke hoek van het fort bevindt zich het oorspronkelijke wachthuis annex officierswoning, in de 1960er jaren tot politiepost verbouwd.

  1. @: Fort St. Michielsbaai

Omstreeks 1744 op Curaçao opgerichte spectaculair gelegen stervormige batterij met ietwat schuin oplopende borstweringsmuur en de ruïne van een vrijstaande vierkante middentoren, bedoeld voor overwelfde kruitkamer, regenbak, provisiekamer en gang met trap naar het afsluitende platform.

  1. @: Fort Waakzaamheid

Fortje ten noorden van de Roodeweg, waarschijnlijk 1803; functioneerde tot 1816; thans eigendom van de Stichting Monumentenzorg Curaçao, ingericht als restaurant vanwege het fraaie uitzicht op Otrobanda.

 

  1. @: Waterfort

Zo heette vanouds de lage batterij aan de voet van het westelijk bastion Nieuwe Batterij van het Fort Amsterdam op Curaçao, waarbij voor zijn lange zuidelijke courtine tegen het midden van de eeuw een aanvullende batterij, het zgn. Nieuwe Waterfort kwam. Beide werden in 1826-1827 vervangen door het definitieve Waterfort, een doorlopende kustbatterij naar het plan van Krayenhoff en zijn staf, met dien verstande dat ook dit Waterfort alleen beneden werd gekazematteerd (kazemat: onderaards bomvrij gewelf; bunker) en boven een geschutsopstelling achter een borstwering met schietgaten kreeg zoals het Riffort. Een nieuwe kazerne kwam niet tot stand; men gebruikte die in het Riffort en verder de bestaande magazijnen c.a., die in de verdere 19de eeuw gedeeltelijk door andere gebouwen werden vervangen. Het zuidoostelijk uiteinde, het enige nu nog intacte deel, bekend als Fort Marietje, moest aansluiten bij het nieuwe oostelijk front, dat in de grondslagen bleef steken en vervolgens opgeruimd werd; dit laatste ligt ongeveer ter hoogte van de vroegere begraafplaats, waar in de revolutietijd reeds de batterij Krommelyn was opgericht.

Het in 1956 binnen het verlaten Waterfort en ten dele op zijn muren verrezen hotel (oorspronkelijk Hotel Intercontinental; recentelijk Hotel Plaza) heeft slechts spaarzame resten daarvan overgelaten en de harmonie van de bebouwing ter plaatse zwaar verstoord.

Literatuur:

  • J. Kooijman, De Wallen van Willemstad, West-Indische Gids 38 (1958);
  • N. van Meeteren, De oude vestingwerken, forten en batterijen van Curaçao (1951).

 

@: Fosfaat

Eigenlijk een algemene naam voor een zout van een der talrijke fosforzuren; in de bemestingsleer elk fosforzuur-zout dat planten van de benodigde fosfor kan voorzien, in het bijzonder fosforzure kalk in ruwe toestand. Deze wordt vooral na omzetting in superfosfaat als kunstmeststof gebruikt. Direct gebruik is mogelijk als veevoeder, wanneer het gehalte aan fluor laag genoeg is (minder dan ½%), en in de conservenindustrie.

In 1871 werd op Klein Curaçao, het kleine onbewoonde eilandje tussen Curaçao en Bonaire, guanofosfaat ontdekt door John Godden, een Engels mijningenieur. Hij kreeg het alleenrecht om er fosfaat te winnen; in 1888 ging de concessie over in andere handen; zij werd in 1913 beeindigd.

In 1874 ontdekte Cornelis B.Gorsira rijke fosfaatafzetting op de terrassen aan de Zuidkant van de 197m hoge Tafelberg. Dit terrein behoorde tot de plantage Santa Barbara, eigendom van J.J. Naar. De plantage werd overgenomen door de families Gorsira en Maal en in 1875 werd de mijnbouwconcessie gegeven aan John Godden. Deze kocht later de helft van de plantage en kreeg de andere helft in erfpacht. Van 1876 tot 1895 was de mijn in produktie. Na 1895 lag de exploitatie stil gedurende een periode van bijna 18 jaar, als gevolg van een geschil tussen de verschillende belanghebbenden. In 1912 werd de tegenwoordige maatschappij N.V. Mijnmaatschappij Curaçao opgericht, gevestigd te Amsterdam, door bemiddeling van het Bankierskantoor Hope & Co., die de partijen tot elkaar bracht. De produktie werd in 1913 hervat. Met uitzondering van enkele jaren gedurende de Tweede Wereldoorlog is sedertdien de mijn onafgebroken in produktie geweest.

Fosfaat van Santa Barbara heeft een laag fluorgehalte en heeft daardoor een aanzienlijk hogere marktwaarde dan de fosfaten met een hoog fluorgehalte in de Verenigde Staten en Noord-Afrika. De fosfaatproduktie van de N.V. Mijnmaatschappij Curacao wordt in zijn geheel verkocht aan de firma H.J. Baker en Bro. Inc. te New York. Deze firma verkoopt het produkt over de gehele wereld onder de handelsnaam Curaphos. Het winnen op Curaçao geschiedt in open groeven. De fosfaatafzettingen zjin bedekt door kalksteen met een dikte tot 70 m. De fosfaatwinning werd begonnen op de zuidflank van de Tafelberg met een produktieverhouding van ongeveer 2:1 tussen totaal gewonnen steen en verscheepbaar fosfaat. Deze verhouding was in 1961 opgelopen tot 4:1 en is in 1984 hoger dan 10:1. Een continu programma van testboringen wordt uitgevoerd voor exploratie en voor produktiecôntrôle. Als springstof in de mijn wordt veel gebruik gemaakt van ammoniumnitraat gemengd met dieselolie, in plaats van de traditionele glyceroltrinitraat- en gelegnietspringstoffen. Met mechanische graafschoppen en front end loaders wordt het gebroken materiaal geladen op vrachtwagens, varierend in capaciteit van 5 tot 25 ton. De fosfaathoudende delfstof wordt vervoerd naar de quarry-gangs waar de verschillende kwaliteiten fosfaat met de hand worden gescheiden.

Het produkt wordt eerst grof gebroken door een primary crusher, opgeslagen in ore passes en gaat dan door een secondary crusher . Met dumptrucks wordt het ruwe fosfaat vervoerd naar een open opslagplaats; mengsel van fosfaat en kalksteen gaat naar een verwerkingsinstallatie (rotary kiln plant), waarin de overtollige kalksteen wordt ontleed. Losse kalksteen wordt in verschillende kwaliteiten gestort dicht bij de secondary crusher. Het wordt daar mechanisch geladen en vervoerd naar de Curaçaosche afnemers of geëxporteerd. Het doel van de rotary kiln is kalksteen in het fosfaat van mindere kwaliteit te ontleden zonder dat de chemische of fysische eigenschappen van het fosfaat worden aangetast. Van de rotary kiln wordt het fosfaat gevoerd in een koeler en dan via een wastank naar een droger. Van daar wordt het fosfaat, nu beneficiated product genoemd, naar de opslagplaats vervoerd. Met verschillende transportbanden kunnen bij het laden van een schip het ruwe fosfaat en het beneficiated product gemengd worden om aan de kwaliteitseisen van de koper te voldoen.

In de volgende stadia van de produktie worden er monsters getrokken:

  • voor of tijdens het boren;
  • na het springen;
  • in de primary crushing plant;
  • in de secondary crushing plant;
  • in de beneficiation plant;
  • op de lopende band tijdens het laden.

Het laboratorium werkt 24 uur per dag, zodat de kwaliteit van het gewonnen of geladen fosfaat steeds bekend is. De produkten worden via de Fuikbaai naar de buitenlandse kopers verscheept. De haven van Fuikbaai, aan de voet van de Tafelberg, ligt zeer gunstig. Fuikbaai is een lagune, grotendeels afgesloten van de zee door een lang koraalrif; er is een vrij nauwe haveningang. De oorspronkelijke kade in Fuikbaai werd gebouwd na 1920 en het eerste schip dat hier geladen werd was het s.s. Herbert Hurn op 7 maart 1923. Gedurende de laatste tien jaar zijn de havenfaciliteiten belangrijk verbeterd. De fosfaatproduktie van de N.V. Mijnmaatschappij Curacao beloopt ongeveer 120.000 ton per jaar. Dit is ¼%  van de wereldproduktie. Ongeveer 470 werknemers zijn in dienst van de maatschappij.

Op Aruba had de Aruba Mining Company in 1867 voor 25 jaar het uitsluitend recht gekregen om op Aruba goud en andere delfstoffen te winnen. In 1877 maakte de Hoge Raad der Nederlanden uit dat fosforzure kalk niet tot bedoelde delfstoffen behoorde en er dus geen concessie voor het winnen van fosfaat was gegeven. De Aruba Phosphaatmaatschappij werd in 1879 opgericht en heeft fosfaat gewonnen en verkocht tot en met het jaar 1914. In 1915 werd de maatschappij ontbonden.

De verhouding gewonnen steen en verscheepbare fosfaat bleef op het eiland Curaçao gedurende de jaren 1966 t/m 1969 erg slecht. De ontginningskosten waren dermate toegenomen, dat het voor de N.V. Mijnmaatschappij Curaçao niet meer economisch verantwoord was de ontginning van fosfaat voort te zetten. In januari 1970 werd bekend gemaakt dat de Mijnmaatschappij besloten had per 30 April 1970 haar fosfaatexploitatie stop te zetten. Om de ± 500 arbeidsplaatsen te behouden, werd door het Antilliaans Gouvernement aan de Mijnmaatschappij gevraagd de fosfaatontginning met gouvernements-subsidie met 3 jaar ingaande 1 mei 1970 voort te zetten. De bedoeling was, de mijn-arbeiders gedurende die 3 jaar om of bij te scholen zodat ze elders, b.v. als bouwvakkers, werk konden vinden. Een door het gouvernement uitgevoerde enquête wees uit dat er bij de mijn-arbeiders, die over het algemeen ongeschoold waren, weinig interesse voor om- of bijscholing bestond.

De subsidieregeling met het Antilliaans gouvernement werd ook na 30 april 1973 voortgezet.

Hoewel de verkoopprijs van fosfaat op de wereldmarkt steeg, bleef deze toch ver achter bij de sterker toenemende exploitatiekosten. Vooral de brandstofprijs van bunker C, nodig voor het ontleden van mindere kwaliteit fosfaat tot de zogenaamde beneficiated product, steeg sterk. Ondanks de toenemende verliezen werd er per 1 mei 1979 de vierde contractperiode tussen het Antilliaans Gouvernement en de N.V. Mijnmaatschappij afgesloten. De brandstofprijs van bunker C was intussen gestegen van NAf 24,30 per m.t. in 1970 tot NAf 214,40 per m.t. in 1979. De ontginningskosten namen na mei 1979 dermate toe dat er besloten werd door te hoge verliezen de fosfaatontginning per 31 augustus 1979 stop te zetten. Vanaf 1 september 1979 wordt het bedrijf door de N.V. Mijnmaatschappij op de plantage Santa Barbara met de produktie van ± 350.000 ton kalksteen per jaar voortgezet.

Hierboven een lijst aangevende het percentage verkoopbare produkt (fosfaat) ten opzichte van de totale hoeveelheid verwerkte steen vanaf 1957 tot de stopzetting van de fosfaatontginning. 

 

@: Fosfatisatie

van kalksteen gebeurde in vroeger tijd op Aruba en Curaçao, onder andere door chemische reactie van uit vogelguana afkomstige fosforzuren op kalksteen (zie Guano).

 


@: Fosforescentie
zie @: Luminescentie.

 

@: Fossielen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Fossielen van gewervelde dieren (vertebraten)
Sectie 1: Knaagdier Rijgersma
Sectie 2: Meeste vondsten Curaçao
Sectie 3: Aruba muskusrat
Sectie 4: Bonaire fossielen

Hoofdstuk 2: Fossiele ongewervelde dieren

Hoofdstuk 3: Fossiele planten

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp: 

Fossielen Hoofdstuk 1. Fossielen van gewervelde dieren (vertebraten)

Deze dieren uit het Quartair zijn in de afgelopen 25 jaar in grote hoeveelheden op een aantal plaatsen in de Nederlandse Antillen aangetroffen. Het betreft hier hoofdzakelijk knaagdieren, maar ook een luiaard, een landschilpad en een vis (Batistes). De afzettingen dateren vermoedelijk uit het laatste deel van de ijstijd maar een nauwkeurige ouderdomsbepaling is niet te geven.

Fossielen Hoofdstuk 1 - Sectie 1: Knaagdier Rijgersma
Reeds een eeuw geleden werden door H.E. van Rijgersma in een kalksteengrot bij Pelican Point op Sint Maarten fossiele beenderen gevonden van een tamelijk groot knaagdier, Amblyrhiza inundata, dat ook van Anguilla bekend is. De naaste verwanten van dit uitgestorven dier komen voor op Puerto Rico. Op Aruba zijn in de grot- en spleetopvullingen van de jong-tertiaire en quartaire kalken diverse fossiele landdieren aangetroffen. Naast resten van hagedissen en slangen, zijn vooral knaagdieren gevonden, zoals de grote muskusrat Megalomys curazensis, die een lengte van ca. 30 cm had, waar dan nog 35 cm voor de staart bij komt. Deze fossiele soort, die verder alleen van Curaçao bekend is, is nauw verwant aan soorten die nog in historische tijd op Martinique en St. Lucia geleefd hebben. Een kleiner knaagdier was Oryzomys, een rijstratje. Verder de fossielen van de katoenrat Sigmodon hispidus en de suikerrietrat Zygodontomys brevicauda, die men thans beide nog aantreft in de nabijgelegen delen van het vasteland, evenals de buidelrat of opossum, Didelphis marsupialis, die van Zuid-Amerika tot in het zuidelijke deel van Noord-Amerika voorkomt.

Fossielen Hoofdstuk 1 - Sectie 2: Meeste vondsten Curaçao
Op Curaçao zijn de meeste vondsten gedaan in de grot- en spleetopvullingen van de Tafelberg. Daar zijn veel fossiele vogelbotjes aangetroffen maar ook botjes van hagedissen, slangen en zoogdieren. Er zijn heel wat botten gevonden van het grootste knaagdier van onze tijd, de capybara of waterzwijn (Hydrochoerus hydrochaeris), dat thans nog leeft in het waterrijke tropische laagland van Zuid-Amerika. Dit toont aan, dat het klimaat op Curaçao vroeger vochtiger dan nu geweest moet zijn, iets waarop ook het voorkomen van rijstratten en suikerrietratten op de Benedenwinden wijst. Merkwaardig voor de Tafelberg is de soortenarmoede en de individuenrijkdom in de fossiele monsters, welke naar het lijkt hun ontstaan danken aan uilebraakballen. De uil die hiervoor verantwoordelijk is geweest, is nog niet gevonden.

Een grondbewonende luiaard, vondst van P. Stuiver te Curaçao, eveneens van de Tafelberg afkomstig, was een sensationele ontdekking uit 1961. Van dit dier, Paulocnus petrifactus, is o.a. een onderkaakfragment met kiezen gevonden. Het feit dat vele beenderen nog in hun natuurlijke samenhang werden gevonden wijst er, met de geologische bijzonderheden van de afzetting waarin ze voorkomen, op dat er een droog klimaat heerste toen Paulocnus op Curaçao leefde. De groep was slechts uit de noordelijke Antillen (Cuba, Hispañiola en Puerto Rico) bekend. Aangezien de natte Hydrochoerus-tijd kwam ná de droge Paulocnus-tijd moeten er in het Quartair klimaatschommelingen zijn geweest; hoe deze samenhangen met de vastgestelde fluctuaties in de rest van de wereld is nog niet uitgezocht.

Fossielen Hoofdstuk 1 - Sectie 3: Aruba muskusrat
De voor Aruba reeds vermelde muskusrat Megalomys curazensis werd op Curaçao gevonden in de kalken van het Hoogterras, daar werden ook de resten aangetroffen van een grote landschildpad, Geochelone, met een lengte van 80 cm. Ten slotte mogen vermeld worden de resten van de niet-inheemse huismuis, Mus musculus en de scheeps- of plantagerat Rattus rattus, die alleen in zeer recente grot-afzettingen gevonden zijn die dateren van ná de Spaanse ontdekking; in deze afzettingen treft men geen van de hiervóór genoemde soorten aan.

Fossielen Hoofdstuk 1 - Sectie 4: Bonaire fossielen
Op Bonaire heeft men vooral in de jong-tertiaire en dolomitische kalken bezuiden Fontein fossielen in grot- en spleetopvullingen gevonden. Behalve verschillende soorten rijstratten (Oryzomys), die ook van Aruba en Curaçao bekend zijn, werd hier nog een andere rat, Thomasomys spec., aangetroffen, behorend tot een Zuid-Amerikaans geslacht. Voorts vond men er een bekkenfragment dat waarschijnlijk van een armadillo afkomstig is, en dan nog de resten van hagedissen, slangen en vleermuizen.

Het staat vast, dat (bijna) alle hier genoemde landdieren naar de Benedenwinden gekomen zijn vóórdat mensen hier voet aan wal konden zetten, want ze stammen uit een veel vroegere periode dan de mens. Zij moeten dus op natuurlijke wijze de eilanden bereikt hebben. Men neemt aan, dat zij tijdens het Quartair op b.v. drijfhoutmassa’s vanuit het vasteland zijn overgedreven.

 

Fossielen Hoofdstuk 2: Fossiele ongewervelde dieren

Deze spelen vooral op de Benedenwinden een grote rol. De gordels van rifkalksteen rondom deze eilanden, zowel boven als onder water, bestaan grotendeels uit versteende ongewervelde dieren. Deze fossielen vinden wij in vier complexe lagen van verschillende ouderdom, te beginnen met de oudste, uit het Boven-Krijt. Hierin vinden wij eencellige diertjes als radiolariën, en (relatief) grote foraminiferen zoals Pseudorbitoides (door Krijnen in 1972 beschreven). Daarnaast komen oesterachtigen (bivalven) voor, zoals Inoceramus, en inktvis-achtigen zoals de (inmiddels uitgestorven) ammonieten (door Wiedmann in 1977 beschreven), van Ronde Klip (Curaçao), namelijk Pseudanticeras, Cleoniceras, Gastroplites, Hysteroceras en (minder zeker) Dipoloceras en Pervinquieria. Deze vondsten bewijzen, dat in het Quartair, Noord- en Zuid-Amerika nog niet door de MiddenAmerikaanse landengte verbonden waren: de zeefauna’s van de Pacific en de Caribbean vloeiden in elkaar over. Ammonieten zijn overigens niet alleen van Ronde Klip bekend, maar ook van andere plaatsen, b.v. op Aruba, bij Boca Druif.

Voor het Onderste Tertiair zijn vooral de vondsten bekend van Krakeel (Curaçao) afkomstig uit vrij grote diepte langs de toenmalige continent-rand. In deze lagen ontdekte Gerth (1928) Alveopora molengraaffi, een thans uitgestorven koraal-soort. In de Eoceen-lagen, vooral te vinden op de plantage Hironimo (Curaçao), maar ook op Bonaire, zijn eencellige dieren, zoals nummuliten, talrijk; er komen ook solitaire koralen in voor, en een groot assortiment van tweekleppigen (bivalven), zoals grote oesters, maar ook schelpen van slakken en van enkele soorten Nautilus (een inktvis). Ook worden in deze lagen vaak versteende zee-egels aangetroffen.

In het Jong-Tertiair en Quartair vindt men veel versteende resten van diersoorten, die ook nu nog leven maar men vindt er ook soorten, die inmiddels zijn uitgestorven, zoals de miocene grote foraminifeer Miogypsina. Het koraal Pocillopora komt nog voor in de laagterrasriffen, die ‘slechts’ circa 100.000 jaar oud zijn, maar daarna is die soort in het hele Caribische gebied uitgestorven.

 

Fossielen Hoofdstuk 3: Fossiele planten

Deze zijn in de Nederlandse Antillen nog vrijwel niet onderzocht. Wel ziet men in de onderste Tertiaire lagen van Krakeel, maar ook elders in de Jong-Tertiaire en Quartaire rifkalken, zeer veel versteende resten van kalkroodwieren. In de eocene lagen van San Hironimo zijn fossiele vruchten van landplanten gevonden. De verkoolde boomstammen die onlangs onder een lavalaag op Saba werden opgegraven, bleken pas een vijftal eeuwen geleden door de hete lavastroom bedolven te zijn; zij groeiden daar dus nog in de tijd van Columbus. Op grond hiervan kan men zeggen, dat Saba een ‘rustende’ vulkaan is, en geen ‘dode’, zoals men tot dusver aannam.

 

@: Foto-archieven

Belangrijke fotoverzamelingen bevinden zich in het Centraal Historisch Archief (Fred Fischer, Robert Soublette) en in het archief van Shell Curaçao N.V. In het Curaçaosch Museum treft men een bescheiden verzameling oude foto’s aan.

 

@: Fotoclub
zie @: Cameraclub.

 

@: Fotograferen

 

Er was in de tweede helft van de 19de eeuw een groot aantal fotografen op Curaçao, de geringe bevolking van het eiland in aanmerking genomen. De eerste die op Curaçao zijn bedrijf uitoefende was waarschijnlijk Gabriel R. Salom die in Otrobanda zijn studio had. Omstreeks 1880, na een korte associatie, werd zijn bedrijf voortgezet door Henry P. Kranwinkel. Inmiddels hadden zich ook reeds andere fotografen gevestigd, nl. Bartolome Lyon in Punda, terwijl T.M. Chapman de tweede studio in Otrobanda opende en deze na enige tijd overdroeg aan Thomas A. Gray. Ook in Punda kwamen meer fotografen: Cordiglia (die tevens kunstschilder was), Buil (Atelier Wilhelmina) en Carillo, die in zijn zaak werd opgevolgd door Davenport, die zich op ferrotypieën ging toeleggen. Speciale vermelding verdient Robert Soublette. Tot de pioniers onder de amateurfotografen op Curaçao uit de 19de eeuw behoren Pater Vincent Jansen en John de Pool.

Op het ogenblik zijn er op alle eilanden verscheidene goed uitgeruste fotostudio’s, die naast de klassieke portretfotografie vrijwel alle andere takken van de moderne fotografie, zoals reclame-, technische- en wetenschappelijke fotografie, beheersen.

Lit.: John de Pool, Zo was Curaçao (1960).

 

 

@: Foto-salons

Jaarlijks worden er, zowel door de fotohandel als door de verschillende camera-clubs wedstrijden in de Nederlandse Antillen uitgeschreven, waarvan de resultaten geëxposeerd worden. Deze salons genieten over het algemeen een grote belangstelling. Driemaal werd in het Curaçaosch Museum een eenmanssalon gehouden. De eerste (1961) was de expositie Bunitesa den Secura, foto’s over natuurhistorische onderwerpen van Frater Arnoldo, terwijl op de tweede en de derde werken van resp. Jos Dumoulin (1964) en de Venezolaanse fotografe Thea (1965) werden geëxposeerd. In de 1980er jaren werden in theater De Tempel (heden ten dage kantoor van het Openbaar Ministerie Curaçao) regelmatig vrij populaire fotosalons gehouden.

 

@: Four o’clock

(Mirabilis jalapa) of kuat’or, Vier uur bloem, plantesoort uit de familie der Nyctaginaceae. Hoogopgroeiend kruid met ronde stengels en kruisgewijs tegenoverstaande, grote langgesteelde bladeren. Bloemdek bloemkroonachtig, buisvormig met een 5-lobbige zoom, rood, wit, geel of gemengd, aan de voet door 5-bladig omwindsel omgeven. Afkomstig uit Peru. Gekweekt, maar op Saba ook verwilderd.

 

@: Fraai, Manuel Antonio

(Curaçao 1 december 1897 - 3 december 1967) Papiamentstalige romanschrijver (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen) .

Wrk.: Nobleza di Coerazon (z.j.); Un huerfano (z.j.); Sacrificio (z.j.); Mal agüero (z.j.).

 

@: Fraai, Ottmar Martinus Antonius

(Curaçao 5 november 1929) Curaçaosche opera- en concertzanger (lyrisch-dramatisch tenor), ontving zijn opleiding aan de operaklas van het Amsterdams conservatorium en aan het Maastrichts conservatorium, waar hij zowel de akte muziekonderwijs B voor solozang als het einddiploma voor solozang in 1970 behaalde. Treedt geregeld op als oratorium- en concertzanger in Nederland, België en Duitsland. In 1968 maakte hij een concerttournee door het Caribisch gebied. Sinds 1970 verbonden aan het Maastrichts convervatorium als zangpedagoog en leraar methodiek voor de solozang.

 

@: Franciscanen
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Franciscanessen van Breda, Zusters

De eerste congregatie die in 1826 in Nederland met ziekenverpleging begon. In 1854 vertrokken 3 zusters (zuster Maria Ursula, overste Maria Joanna en Maria Dorothea) als verpleegkrachten voor een op te richten gasthuis naar Curaçao, waarmee een wens van mgr.Niewindt werd vervuld. In 1856 namen zij ook de verpleging van melaatsen en krankzinnigen op Curaçao op zich. Hun getal breidde zich uit, ondanks het feit dat velen, vaak pas aangekomen, stierven aan de gele koorts. In totaal heeft de congregatie tot nu toe 241 zusters voor genoemde verpleegtaken op Curaçao ingezet (zie Bisdom Willemstad).

 

@: Franciscanessen van Roosendaal
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Frangepane (Plumería)

Plantengeslacht uit de familie der Apocynaceae. Bomen of heesters, met in aIle delen wit melksap; takken rolrond, vlezig; bladeren opgehoopt aan de top van de twijgen; bloemen met slanke kroonbuis en wijd uitstaande zoom; vruchten langgerekt, 2-delig waarbij de delen slechts aan de top en de basis vergroeid zijn. Van de in de Nederlandse Antillen voorkomende soorten zijn te vermelden:

  1. White frangepane (Plumería alba) of pigeon wood, bladeren lang, lijnvormig met omgekrulde rand; bloemen wit in langgesteelde rijkbloemige bloeiwijzen. Bovenwindse Eilanden. Vooral in hoge heestervegetaties langs de kalkkusten.
  2. Red frangepane (Plumería rubra) of oleander, blader en elliptisch tot lancetvormig met omgekrulde rand; bloemen rood of soms wit, in armbloemige bloeiwijzen. Afkomstig uit Centraal Amerika en Noordelijk Zuid-Amerika. Gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
  3. Oleander di Boneiru (Plumeria obtusa). Bladtop plotseling sterk verbreed; bloemen wit in schermvormige tros. Gekweekt. Benedenwindse Eilanden. (Zie ook Geneeskrachtige kruiden en giftige planten).

 

@: Franse bloem (Nerium oleander)

french flower of oleander, plantengeslacht uit de familie der Apocynaceae. Heester, tot 6m hoog; bladeren in kransen van drie, leerachtig, lancetvarmig; bloemen in eindelingse, rijkbloemige trossen, rood, wit, of roze; vrucht tot 15 cm lang, lijnvormig. Bladeren zeer giftig. Afkomstig uit tropisch Azië Gekweekt.

 

@: Franse kabel
zie @: Compagnie Francaise des Cables Telegraphiques.

 

@: Fraters van Tilburg
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Frederiks, Bernard

(Grave 1826-1902) arriveerde op Curaçao als student in de theologie in 1844; in 1849 als priester gewijd. Jarenlang secretaris van mgr. M. J.Niewindt. Pastoor van de parochie Santa Ana (Otrobanda) sinds 1863. Schrijver van missie-artikelen.

 

@: Fregatvogel

(Fregata magnificens) skèrchi, makuaku, maniwa (Bonaire), frigatebird, man-o-warbird, hurricane bird of weather bird, is een grote, zwarte vogel met zeer lange, smalle vleugels, waarmee hij lange tijd kan blijven zweven. Met hun lange, diepgevorkte staart kunnen de vogels een typische schaarbeweging maken. Met de lange, van een omgebogen punt voorziene snavel grijpen ze vissen en inktvissen uit het oppervlaktewater; ook azen ze op overboord gegooid visafval. Uit andere streken is bekend dat ze andere zeevogels, o.a. boobies, achternajagen en dwingen hun vangst uit te braken, die zij dan, nog voor die in het water valt, weten op te vangen. Het maken van duikvluchten geschiedt uiterst behendig; de vogels zwemmen niet en als ze per ongeluk in het water terechtkomen verdrinken ze in korte tijd. Ze houden zich vooral binnen gezichtsafstand van het vasteland of eilanden boven zee en bij havens op. De mannetjes zijn geheel zwart en kunnen in de voortplantingstijd een enorme rode keelzak opblazen. De wijfjes hebben een brede witte borstband, bij de jongen zijn de kop en de hals wit. Het landen op en het opvliegen van de slaapbomen of de nesten gaat door de korte poten moeizaam. Broedgevallen zijn in de Nederlandse Antillen nooit waargenomen; wel zijn er plaatsen, waar honderden vogels ‘s avonds naar toe trekken om te overnachten. Waarschijnlijk broeden deze skerchi’s in mangrovebossen langs de Venezolaanse kust.

 

@: Frente Obrero y Liberacion 30 di Mei / @: F.O.L. / @:  FOL

werd op 6 juli 1969 opgericht onder leiding van Wilson (Papa) Godett. Deze politieke partij was een direct gevolg van de politieke verwikkelingen rond de opstand van 30 mei 1969, waarbij Godett verwond werd door een politiekogel. Het belangrijkste streven van de partij is het realiseren van de onafhankelijkheid van de Nederlandse Antillen door een Statuutwijziging. Zij wil een democratisch-socialistische maatschappij verwezenlijken, nader omschreven in een beginselprogramma.

 

@: Fresco, Jacob

(15 april 1911) architect te Willemstad. Werken o.a.: herbouw Breedestraat 24 (1956), Autonomie-monument Willemstad (1956), stedebouwkundig ontwerp voor volkswoningbouw Brievengat (1960), Antilliaanse Brouwerij Curacao (1961), Pan American Organisation Washington DC (1961), vernieuwing noordelijke vleugel aan binnenplein Fort Amsterdam (1962/63), zenders en studio’s (religieuze kapel) Trans World Radio Bonaire (1963). (Zie Architectuur: Curaçao.)

  • Lit.: Archief Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst-Bond van Nederlandse architecten, Amsterdam.

 

@: Front

(meteorologie) is de lijn of zône, waarin het scheidingsvlak tussen luchtmassa’s van verschillende oorsprong het aardoppervlak bereikt. Het systeem van fronten hangt op de gematigde breedten samen met de depressies. De neerslaggevende bewolking is op hogere breedten veelal - maar niet uitsluitend - gekoppeld aan fronten. Frontale zônes trekken in de ‘wintermaanden’ af en toe over de Bovenwindse Eilanden en soms ook over de Benedenwindse Eilanden.

 

@: Fruitteelt
zie @: Tuinbouw.

 

@: Frutería
zie @: Handel: binnenlandse handel.

 

@: Fuik

Tezamen met de aansluitende Duivelsklip, Klein St. Joris, Oranjeberg en Oostpunt thans extensief geëxploiteerde plantage op het ruige oostgedeelte van Curaçao. Op Klein St. Joris staat nog het traditionele landhuis.

 

@: Fuikbaai

Baai aan de zuidkust van Curaçao, in het zuidoostelijk deel van het eiland. Hier vond vroeger de verscheping plaats van de in de omgeving gewonnen fosfaat. Nu gaat het voornamelijk om kalksteenprodukten in beperkte hoeveelheden. De baai is door een koraalrif nagenoeg van de zee afgesloten, de oorspronkelijke toegang was slechts enkele meters breed en diep. Sinds 1875 is de verbinding met de zee weliswaar kunstmatig verbeterd maar de baai is desondanks slechts voor kleinere schepen toegankelijk. De baai wordt steeds meer opgenomen in het recreatiegebied van het Spaanse Water (zie ook Havens).

 

@: Fuku

Vloek, betovering. Van een persoon, die door pech wordt achtervolgd, zegt men, dat hij fuku heeft. Een huis krijgt het stigma kas di fuku als de bewoning ervan telkens verandert omdat de huurders over pech of ongeluk klagen. Met de woningnood komt de kas di fuku zelden meer voor.

 

@: Funchi
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Fundashon Instituto di Musika / @:F.I.M. / @: FIM

Stichting, opgericht op Curaçao 24 april 1979, met het hoofddoel beroepsmusici op te leiden. Comparanten: Jopi Hart en Frank Rozendal; directeur: Errol M. Colina.

 

@: Fundashon Instituto pa Promoshon i Estudio di Papiamentu / @: I.P.E.P. / @: IPEP

kortweg aangeduid als I.P.E.P., werd op 15 oktober 1979 opgericht met als doel het bestuderen en bevorderen van het Papiamentu op linguïstisch, literair en onderwijskundig gebied. Zij tracht dit doel o.m. te realiseren door het verrichten van onderzoek op het gebied van taal, het inventariseren van alle relevante gegevens over taal en literatuur, het organiseren van lezingen, symposia e.d. en het publiceren van hetgeen interessant en noodzakelijk is voor de gebruikers van het Papiamentu en al diegenen die belang stellen in de studie van het Papiamentu. De I.P.E.P. staat onder voorzitterschap van drs. E.A.F. Muller.

Publikaties:

  • A.C. Prins-Winkel, Mitonan edukashonal ideal i realidat (1983);
  • Enrique Muller, Papia Kòrsou (1983);
  • Kuentanan di Nanzi (1983);
  • Papiamentu, Problems & Possibilities (1983).

 

 

De letter G

g is de zevende letter van het Nederlandse alphabet. Het is een hele bijzondere letter, want haar ontstaan en ontwikkeling is niet volgens de normale patroon die wij bij de eerste zes letters (a t/m f) hebben gezien en ook bij de overige letters zullen meemaken. Het is een letter die door de Romeinen werd ontwikkeld en in de Oud Latijnse periode in die taal werd geintroduceerd als een variant van de c ten einde de met nadruk gesproken g van de zachte k te onderscheidden. Beide letters werden met de c geschreven. Het idee is afkomstig van de Romeinse vernieuwer Spurius Carvilius Ruga, die bekend staat als de eerste Romein met een betaalschool rondom 230 voor Christus. Hij creerde de g simpelweg door een streepje aan de c toe te voegen. In deze tijden had de k in het Romeinse alphabet afgedaan verdrongen door de c, die voorheen dus reeds dienst deed als zowel de letter voor de g als de k-klank bij het gebruik van een open klinker. Met het verwijderen van de k nam de c de volledige taak als k-klank over. De wijze waarop Ruga de g positioneerde laat zien, dat de alfabetische volgorde reeds toen van groot belang was. Dus, dat men niet zomaar een nieuwe letter kon invoegen maar slechts in het geval een andere letter daarvoor zijn plaats had opgegeven. Er zijn zelfs onderzoekingen die aangeven, dat k eerder de plaats van de z had ingenomen. De z, destijds de zevende letter in het Romeinse alphabet, was afgevoerd door de censurist Appius Claudius, die het een onsmakkelijke en te buitenlands klinkende letter vond. Er zijn geen onderzoekingen bekend die een relatie leggen tussen de g en de q.

De uitspraak van de g is in het Nederlands redelijk homogeen. De meest, zoniet enige voorkomende klank ervan, zowel als beginletter, maar ook midden in een woord of aan het einde ervan is met een zachte klank als in gevaar, zeggen en weg. Een g-klank krijgt in het Nederlands in sommige gevallen ook de tweelettercombinatie ch (prachtig, zacht, charitatief). Maar het woord Christus heeft een k-klank en chirurg een sj-klank. Het Papiamentu handhaaft, de gewoonte van het Spaans en andere Latijnse talen emulerend, bijna uitsluitend de harde uitspraak, waarbij de g bijna een zware k-klank krijgt als in grandi, gobiernu, gasolin. Waar de g in het Spaans bijna een (zachte) k-klank krijgt schrijft Papiamentu ook daadwerkelijk een k als in kitara (Spaanse: guitara = gitaar).

De g is in deze encyclopedie de meest gebruikte beginletter, zeer zeker een verrassing. De meeste lange artikelen (geneeskunde, geologie, geschiedenis), jazelfs de langste artikel van de encyclopedie (geschiedenis) hebben een g als beginletter. Onder andere met een g schrijft men tenslotte ook de (achter)naam van wellicht de grootste politieke leider van Curacao ooit: Moises Frumencio da Costa Gomez, algemeen beschouwd als de vader van de Curacaosche autonomie. En de G is tenslotte ook het beginletter van Griekenland, de bakermat van onze Westerse cultuur, zoals bij de verhandelingen over de oorsprong van letters nogmaals duidelijk is geworden.

 


@: Gaasvliegen

(Chrysopidae) of green flies zijn slanke insekten met ragfijne, grote, groene vleugels; 's avonds komen zij vaak op het licht af. Bij aanraking geven zij een stinkende geur af. De eitjes staan op lange, haardunne steeltjes op planten afgezet. De larven zuigen bladluizen uit en dragen de leeggezogen huidjes op hun rug mee.

 

@: Gaay Fortman, Bastiaan de

(Amsterdam 17 september 1884 - 16 juli 1961) was na universitaire studie te Amsterdam van 1912-1915 lid van het Hof van Justitie te Willemstad, Curacao. Werd in 1922 lid van de Commissie van advies voor de wijzigirig der regerings-reglementen van Suriname en Curacao en de begrotingspolitiek; ontwikkelde zich als rechtsgeleerde en historicus tot een erkend deskundige voor de Nederlandse Antillen. Publiceerde talrijke artikelen inzake de Nederlandse Antillen en was vele jaren redactiesecretaris van de West lndische Gids.

Wrk.: ruim 80 artikelen in de West-Indische Gids; Schets van de politieke geschiedenis der Nederlandse Antillen in de 20ste eeuw (1947); Wetboeken van burgerlijke rechtsvordering en van strafrecht van de Nederlandse Antillen (1961).

 

@: Galein

Teneinde te voorkomen, dat de meester hun gesprek zou kunnen volgen, hadden de slaven de gewoonte het Papiamentu opzettelijk te vervormen door bijvoorbeeld van ieder lettergreep de klinker te herhalen met een medeklinker ervoor. Een zin als: mi ta weta (ik zie) kan dan gaan luiden: mipi tapa wepetapa. Snel uitgesproken is deze "taal" alleen door ingewijden te verstaan.

 

@: Gan'e kos
(gana di kos) zie @: Geboortegebruiken.

 

@: Garmers, Sonia / @: Sonia Garmers

pseudoniem van Sonia Mathilde Justina (Curacao 9 januari 1933), publiceerde vanaf de 1959er jaren kinderboeken in het Papiamentu (zie Jeugdlectuur) en recepten uit de Antilliaanse keuken. Werkte na voltooiing van haar zevende klas MULO allereerst bij Boekhandel Salas. Trouwde met haar twintigste, heeft vier kinderen, maar had het geluk van grootmoederlijke hulp in het huishouden, zodat zij zich in alle rust aan het schrijven kon wijden. Schreef allereerst kinderverhalen in het Papiamentu ter publicatie in dagblad Today en weekblad La Cruz. Sedert 1976 verschenen van haar hand jeugdboeken in het Nederlands; in 1981 werd haar de Nienke van Hichtumprijs toegekend voor dit oeuvre. Sonia woonde tussen 1980 - 1985 in Nederland. Samen met Nydia Ecury en Mila Palm publiceerde zij de dichtbundel Tres Rosea. Werkte tussen 1988 - 2004 bij Radio Hoyer I en produceerde in die tijd het programma Kopi kofi ku Sonia. Werkt vanaf 2004 bij het Landhuis Bloemhof museum / galerij als gids. Een van haar meest recente kunstzinnige producties betreft haar medewerking als speciale genodigde aan de Haagse productie Winternachten. Aan het einde van dit artikel worden de condecoraties die Sonia tot nu toe reeds verkreeg voor haar levenswerk, vermeld. 

Werken. thematisch gegroepeerd:

  • Kookboeken:
  • Cu Marina den kushina (z.j.).
  • Recetas (z.j.);
  • Bon Apetit (1969);
  • Nos ku nos (1981).
  • Jeugdboeken:
  • Tantan Nini ta conta (1955);
  • Conta Cuenta (1957);
  • Un macutu jen di cuenta (1960);
  • Lieve Koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter (1976);
  • Orkaan (1977, 1982);
  • Orkaan en Mayra (1980);
  • Ieder diertje zijn pleziertje (1983).

Wrk. in chronologische volgorde:

  • 1955: Tantan Nini ta conta
  • 1956: Conta cuenta 1
  • 1957: Cuentanan pa mucha 1
  • 1958: Cuentanan pa mucha 2
  • 1959: Conta cuenta 2
  • 1960: Un macutu yen di cuenta
  • 1060: Tipnan pa damas
  • 1960: Cu Marina den cuchina
  • 1961: Recetas Sunflour
  • 1967: Brua pa tur dia
  • 1968: Bueria di henter mundo
  • 1971: Bon apetit
  • 1971: Tres rosea
  • 1975: Papiando riba nos bunite
  • 1975: Lieve Koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter
  • 1977: Orkaan
  • 1980: Orkaan en Mayra
  • 1980: Radio Hoyer ta presenta Sonia Garmers ku reseptnan di Nos ku Nos
  • 1981: Ieder diertje z'n pleziertje
  • 1981: Wonen in een glimlach
  • 1985: Resetanan favorito
  • 1988: De Antilliaanse keuken
  • 2006: Orkan i Mayra

Huldigingen:

  • 1975: Gouden medaille inde Orde van Oranje Nassau
  • 1981: Nienke van Hichtumprijs
  • 1982: Plakaat ter huldiging voor persoonlijke jaarprestaties
  • 1983: Premio Cola Debrot
  • 2006: Tapushi di oro

(de lijst van werken in chronolische volgorde en huldigingen is afkomstig van Stichting Openbare Bibliotheek Curacao - www.curacaopubliclibrary.an).

 

@: Granatapel

(Punica granatum) pommegranate (Bovenwindse Eilanden) of pomme granny, plantesoort uit de familie der Punicaceae. Sterk vertakt boompje of hoge heester, met dunne overhangende twijgen en doornige kortloten; bladeren tegenoverstaand; bloemen in de bladoksels, oranjerood, ca. 3cm lang; vrucht rond, tot 8cm in doorsnede, eetbaar; vrucht bevat zurig moes, waaruit men limonade en jellies bereidt. Afkomstig uit Perzie. Gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

 

@: Garnizoen

Ter verdediging van het eiland is er sinds de verovering van Curacao op de Spanjaarden een garnizoen van wisselende omvang gelegerd geweest, ondergebracht in de verschillende forten met name het Waterfort, het Fort Amsterdam en het Fort Nassau. Sedert 1947 berust de verdediging bij de Koninklijke Marine en het Korps Mariniers.

 


@: Gasvoorziening

 

Aruba

De distributie van butaangas, in 1940 begonnen door de Aruba Gasvoorzienings Maatschappij N.V. (Arugas), werd in 1946 omgezet in die van propaan. In 1953 stelde Arugas een eigen vulstation in bedrijf, aan de rand van Oranjestad. In tegenstelling tot de Curaaosche praktijk is op Aruba de distributrice eigenaresse van de cilinders en de opslagtanks. De verkoopprijzen worden door de gasproducent, de Lago, vastgesteld. Afhankelijk van de afname varieren de prijzen.

Bonaire

Het op Bonaire uit Curacao aangevoerde Shellane-gas wordt gedistribueerd door de Shell-agent, de Handel Mij. Kralendijk N.V. Wegens de bijkomende transportkosten is de prijs van het gas iets hoger dan op Curacao.

Curacao

Het gas op Curacao, dat in hoofdzaak uit propaan bestaat, wordt gefabriceerd door de raffinaderij van de Shell Curacao N.V. (Shell). Het wordt sinds 1949 in cilinders geleverd door de N.V. Nederlands-Antilliaanse Gasmaatschappij (N.A.G.M.), optredend als distributrice van de Shell Nederlandse Antillen Verkoopmaatschappij N.V. (S.N.A.V.). De cilinders en opslagtanks zijn eigendom van de S.N.A.V., de transport middelen en de gastanktruck die grootverbruikers van gas voorziet, behoren aan de N.A.G.M. Eerstgenoemde stelt de verkoopprijzen van het gas vast.

Saba en Sint Eustatius

Op deze eilanden is het produkt afkomstig van de Shell Antilles & Guianas Ltd.

Sint Maarten

Op Sint Maarten opereren 3 vertegenwoordigers van 3 verschillende gasleveranciers, t.w. de Shell Antilles & Guianas Ltd. (Port of Spain, Trinidad), de Tropical Gas Corporation (Puerto Rico) en de Protane Company (Puerto Rico). Een in 1967 aan de Cole Bay in bedrijf gesteld vulstation van de in Trinidad gevestigde leverancier voorziet behalve Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius, ook St. Kitts, Nevis, Anguilla en Antigua van gascilinders.

 

@: Gatu
zie @: Grouper.

 

@: Gebiedsdeel
zie @: Rijksdeel.

 

@: Geboortegebruiken

De geboorte was omringd door een tot voor kort nauwkeurig nageleefd geheel van gewoonten en gebruiken. Deze hadden betrekking zowel op de moeder als op het pasgeboren kind. De moeder moest zich reeds gedurende de zwangerschap hoeden voor allerlei kwade invloeden; deze invloeden waren weer onder te verdelen in die welke nadelige gevolgen voor haar konden hebben en die welke nadelig konden zijn voor het kind. Zo zou zij omgang met familieleden of kennissen, die ook in verwachting waren, moeten ontwijken, omdat er anders kans was op een zware bevalling met levensgevaar voor het kind. Kreeg zij ergens trek in en werd haar gril niet bevredigd, dan was er gevaar voor een miskraam, en zou in ieder geval het kind geboren worden met een gan'e kos (gana di kos), (letterlijk: zin ergens in), dat is een grote moedervlek op een duidelijk waarneembare plaats. Ook moest de moeder vermijden met te veel aandacht naar iets lelijks of abnormaals te kijken of al te zeer te schrikken. Van menig kind dat met lichaamsgebreken is geboren, wordt nog steeds als vaststaand aangenomen dat de moeder zich tijdens de zwangerschap niet voldoende in acht heeft genomen. Na de bevalling mocht de moeder de eerste acht dagen de kraamkamer niet verlaten en werd geen bezoek ontvangen van zwangere vrouwen, daar anders haar genezing gevaar zou lopen. Het kind werd door de vroedvrouw en familie gewassen en goed onderzocht. Was er op de neusbrug een bloedvat zichtbaar (kaha di morto) dan diende het kind tegen de gewisse dood, welke hiervan anders het gevolg zou zijn, beschermd te worden door een amulet in de vorm van een zilveren sleutel, yab'i ka'i morto (Yabi di kaha di morto). Tot de achtste dag bestond er verder gevaar, dat het kind gehaald zou kunnen worden door eze. Verder bestond er blijvend risico voor oyada (boze oog) wat tegengegaan kon worden door de kruin van het kind in te wrijven met wat blauwsel. De navelstreng van het pasgeboren kind werd onder de drempel van het ouderlijk huis begraven om het kind een lang leven te verzekeren. De placenta werd op een geheime plaats op het erf diep begraven. Het betrof hier immers een gedeelte van het lichaam van de moeder, dat niet in handen mocht komen van kwaadwilligen, die een stuk daarvan zouden kunnen gebruiken voor brua. Elementen van deze gebruiken komen nog voor.

 

 

@: Geboortenregeling

In oktober 1965 werd de eerste geboortenregelinggroep op Curacao: de Stichting tot Bevordering van Verantwoord Ouderschap opgericht door het bisdom Willemstad, de Oecumenische Raad van Kerken op Curacao, de Verenigde Nederlands- Portugees-Israelitische Gemeente Mikve Israel-Emanu-El, de Vereniging van Geneeskundigen Nederlandse Antillen, de Petroleum Werkers Federatie van Curacao (P.W.F.C.) en de Rotary Club Curacao, met als doel de gedachte van verantwoord ouderschap in de meest ruime zin onder de bevolking van Curacao te bevorderen, rekening houdende met de officiele standpunten van de kerken en met de culturele en religieuze overtuigingen in de samenleving. In 1966 werd een consultatiebureau geopend waaraan twee artsen en een gynaecoloog zijn verbonden. Consultatiebureaus zijn ook op de andere eilanden van de Nederlandse Antillen geopend. De stichting ontvangt subsidie van de regering van de Nederlandse Antillen, de International Planned Parenthood Federation en donaties van de gemeenschap.

 

@: Gebruiksvoorwerpen

Een aantal gebruiksvoorwerpen is in de loop der tijden in onbruik geraakt of nagenoeg verdrongen. De belangrijkste zijn:

Gobi: halve uitgeholde, kleine kalebas waaruit sterke drank werd gedronken.

Hapa: aarden pot, gebruikt voor het koffiebranden; ook: geite- of schapebout (voorpoot).

Kachi kandela of sakado: tondeldoos met vuurslag; schertsend 'vuurwapen'.

Kachimba: korte, aarden pijp, die vroeger o.a. door oudere vrouwen werd gerookt (neuswarmertje).

Koto: soort zak of tas met of zonder schouderband en klep, meestal van zeildoek; door de jonge generatie in Nederland als 'pukkel' in eer hersteld.

Pal'i bati pana: (palu di bati pana) een stuk hout, speciaal gesneden voor gebruik bij wasbehandeling, waarbij het vuil uit het goed werd geslagen.

Skalchi: een bun, waarin vis levend werd bewaard, achter bootjes meegesleept. Op Bonaire nog in zwang.

Stripan: houten gereedschap, dat gebruikt werd bij het bedekken van een dak met (mais)stro, palmbladeren enz.

Tutumba: uitgeholde kalebas, waaromheen een zak van touw is gevlochten; wordt als een soort veldfles gebruikt; door het nat te maken wordt het water in de tutumba door de wind koel gehouden.

Wei: zwaar, langwerpig, piramidevormig stuk ijzer, dat gebruikt werd voor het graven van een put; werd met een moker in de harde bodem geslagen en dan weer losgewrikt. (Wei is ook 'wig').

 

@: Gedelegeerden
zie @: Staten-Generaal.

 

@: Gedeputeerde

is in het algemeen lid van een deputatie of afvaardiging. In het Antilliaanse staatsrecht is gedeputeerde meer in het bijzonder een titel voor een door de Eilandsraad al dan niet uit zijn midden gekozen lid van het bestuurscollege dat belast is met het (dagelijks) bestuur van een eilandgebied onder voorzitterschap van de gezaghebber (zie ook @: Bestuurscollege).

 

@: Gedwongen arbeid
zie @: Arbeid gedwongen

 

@: Geep

of gar (Belone) komt in verschillende soorten voor, zoals de guepi, de ladji en de guepi baraans. Met sterke lichaamsgolvingen kunnen zij snel door het water schieten en bij onraad springen zij boven het water uit. Met hun lange spitse bek grijpen zij ook relatief grote vis zoals sardien. Bij de jongen is de bovenkaak nog niet uitgegroeid, zodat zij het uiterlijk van een halfbek hebben. De graten en een deel van de schubben zijn kopergroen van kleur, maar deze kleurstof, een galderivaat, is niet giftig. De geep behoort tot de gewaardeerde consumptievissen.

 

@: Geerdink-Jesurun Pinto, Nilda
zie @: Pinto, Nilda. @: Nilda Pinto

 

@: Geiten
zie @: Kabritu.


@: Geldleningen

Geldleningen van het land

Ieder der Landen is vrij geldleningen aan te gaan; alleen als financiele verplichtingen buiten het Koninkrijk zouden worden aangegaan is overeenstemming met de Regering van het Koninkrijk vereist (art. 29 Statuut), d.w.z. dat ook aan het ministerieel overleg over de desbetreffende leningswet de gevolmachtigde ministers deelnemen. Omdat de Landen uiteraard niet in hun ontwikkeling moeten worden geremd, zal de vereiste instemming slechts worden geweigerd indien de belangen van het Koninkrijk zich tegen het aangaan van de lening zouden verzetten. Geldleningen ten name en ten laste van de Nederlandse Antillen worden aangegaan krachtens landsverordening (art. 132 Staatsreg.).

Geldleningen van de eilandgebieden

Alleen Aruba en Curacao zijn bevoegd leningen te sluiten (art. 96 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA); de van het Land financieel afhankelijke eilandgebieden niet (art. 112 en art. 129 ERNA). Een geldlening van het eilandgebied wordt aangegaan krachtens eilandsverordening; deze behoeft goedkeuring bij Landsverordening indien plaatsing wordt gezocht buiten het eilandgebied maar binnen de Nederlandse Antillen; zij behoeft goedkeuring bij rijkswet als plaatsing wordt gezocht buiten de Nederlandse Antillen. De eis van goedkeuring dient met omzichtigheid te worden gehanteerd; een hinderlijke bevoogding van de financile politiek van de beide eilandgebieden lag niet in de bedoeling. De praktijk is, dat Nederland niet rechtstreeks met een van de eilandgebieden een lening aangaat of garandeert, maar wel met de Nederlandse Antillen (zie ook Kasgeldleningen).

 

@: Gele koorts

(yellow fever) is een dramatisch verlopende infectieziekte waarbij de lever wordt aangetast en die wordt veroorzaakt door een arbovirus, - dat wordt overgebracht door de steek van Aedes aegypti, de gele-koortsmuskiet. Na 3 tot 6 dagen ontstaat een hoge koorts, intense geelzucht en bloedingsneiging, waarbij bruinzwart braaksel wordt geproduceerd. Vandaar de oude benaming: chocolaadziekte , vomito prieto, keintura pretu. Een specifieke behandeling is niet bekend; men kan slechts de koorts verlichten en bloedtransfusie geven. De sterfte bedraagt tussen de 5 en 10%, maar epidemien met 50% mortaliteit werden beschreven.

Of de gele koorts primair uit Zuid-Amerika afkomstig is, of dat zij via de slavenhandel uit Afrika naar Amerika werd gemporteerd is onbekend. Feit is dat de eerste gevallen in het Caribisch gebied omstreeks 1640 werden beschreven. Tussen 1693 en 1897 zijn Curaao, Aruba en Bonaire geteisterd door tal van epidemien. Vooral nieuwkomers uit Europa werden erdoor getroffen. Zo overleed in 1803 het grootste deel van het garnizoen. Bij de Engelse troepen die in 1807 werden aangevoerd, stierven er 19 tot 20 man per dag. Alleen op de Nederlandse oorlogsschepen kwamen in 1818 177 gevallen voor waarvan 46 overleden. De laatste epidemie op Curacao heerste in 1879, waarbij van 29 lijders er 13 stierven. Daarna werd nog sporadisch een geval gezien, maar na 1914 is er geen geval van gele koorts gemeld. Het fraaie en ruime Quarantainegebouw dat in 1870 bij Fort Beekenburg aan de Caracasbaai werd opgericht, en dat bedoeld was voor isolatie van gelekoortspatienten heeft als zodanig niet meer dienst gedaan.

Het feit dat er sinds driekwart eeuw geen gele koorts meer op de Nederlandse Antillen is waargenomen, baart toch reden tot bezorgdheid. De verworven immuniteit is bij de bevolking praktisch geheel verdwenen; de overbrenger van de gele koorts, de gelekoortsmuskiet, is daarentegen overal nog aanwezig. Aangezien in het oerwoudgebied van Zuid-Amerika nog zogenaamde reservoirs van gele koorts aanwezig zijn, voornamelijk onder apen, blijft het risico bestaan, dat via het moderne luchtverkeer een besmette patient of besmette muskieten worden overgebracht naar de Antillen. Door inentingen met levend gelekoortsvaccin zal echter een belangrijke mate van bescherming kunnen worden verkregen. (Zie @: Arbovirussen; @: Muggen.)

 

@: Geloofsbrieven

heten in het Staatsrecht stukken die als bewijs dienen van de hoedanigheid en de rechtsgeldige verkiezing der leden van vertegenwoordigende lichamen. Artikel 58 Staatsregeling regelt dit onderwerp voor de Statenleden en artikel 9 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) voor de eilandsraadleden (zie @: Eilandsraad; @: Staten).

 

@: Gemeenschappen

Zelfstandige plaatselijke gemeenschappen kunnen binnen een eilandgebied bij eilandsverordening worden ingesteld. De artt. 94-96 Staatsregeling stellen enige hoofdbeginselen daarvoor vast. Deze bepalingen staan (zij het niet in dezelfde redactie) reeds vanaf 1901 in de Staatsregeling. Zij zijn tot dusver nooit toegepast.

 

@: Geneeskrachtige kruiden en giftige planten

Meer dan 100 soorten inheemse of ingevoerde planten worden als huisgeneesmiddelen op Curacao, Aruba en Bonaire gebruikt. Bladeren, wortels en kruidachtige planten worden niet alleen in het wild of uit tuinen naar eigen behoefte verzameld, maar worden op Curacao ook regelmatig, hetzij vers geplukt, hetzij in gedroogde toestand, voor verkoop naar de lokale markt gebracht. Op Aruba en Bonaire, waar er geen markthandel in bestaat, worden de kruiden verstrekt door curanderas (d.w.z. vrouwen met bijzondere ervaring op dit gebied). Meestal zijn het sterk aromatische planten, die door geiten worden gemeden. Sommige soorten staan als giftig bekend en moeten oordeelkundig worden ingenomen dan wel alleen uitwendig gebruikt. Gewoonlijk worden aftreksels of afkooksels bereid, van een soort of van samenstellingen, waarvan de concentratie naar behoefte varieert. Verscheidene van dergelijke medicamenten worden soms achter elkaar ingenomen om te proberen een ongemak of kwaal te verlichten zonder raadpleging van een medicus. Sommige worden dagelijks ingenomen als tonicum of therapeutische dosis. Een aantal wordt uit traditie aan jongere personen en kinderen toegediend.

De hieronder genoemde kruiden, aangeduid met hun Papiamentse en hun botanische namen, behoren tot de meest gebruikte; de meeste vinden nog andere toepassingen dan hieronder zijn vermeld:

Basora pretu (Cordia curassavica). Wilde heester. Licht afkooksel van het blad als 'thee' gedronken; in sterkere concentratie tegen menstruatiepijnen, in nog sterkere samenstelling voor abortus.

Welinsali, welensali, (Croton flavens) op Aruba walishali, op Bonaire wilisali of wilisa genoemd. Veel voorkomende wilde heester. Afkooksel van het blad gegeven aan zuigelingen bij de geboorte en 's morgens door kinderen gedronken. In combinatie met basora pretu tegen diarree en als tonicum gedurende de zwangerschap. De bladeren hebben een koortswerende werking. Het wordt ook gebruikt als insektenwerend middel. Op de lokale markten wordt het niet verkocht, waarschijnlijk omdat het algemeen voorkomt. Een afkooksel van de bladeren wordt als substituut voor koffie door de armere bevolking gebruikt. Ook het kauwen op de wortels zou een stimulerend effect hebben. Welinsali-'thee', klaargemaakt door kokend water te gieten op 4 tot 9 verse of gele bladeren, zou gunstig werken bij koorts, reumatiek, maagpijn en menstruatiekrampen. Mannen gebruiken het bij prostaatklachten. De bladeren worden in de mond gehouden om ontsteking van de mondholte te genezen. De bladeren bevatten histamine en choline. Verder bevat de plant een substantie die het centrale zenuwstelsel stimuleert: de in 1967 geisoleerde morfineachtige alkaloiden flavinine en flavinantine. De onderzoekers Hecker en Weber uit Heidelberg vonden een kankerbevorderende factor in welinsali afkomstig uit Curacao. Zij zagen hierin een mogelijke oorzaak van de hoge frequentie van slokdarmkanker op dit eiland.

Flaira (Jatropha gossypifolia). In het wild groeiende heester . Aftreksel van het blad gebruikt tegen diarree van zuigelingen; het afkooksel wordt ingenomen tegen suikerziekte en galblaasklachten; het sap wordt aangebracht op schrammen of wonden. De zaden zijn sterk braakverwekkend en purgerend.

Mampuritu (Porophyllum ruderale macrocephalum). Rechtopstaand kruid. Zwak afkooksel van het blad is populair als 'thee'; gewoonlijk toegediend aan kinderen bij maagklachten.

Sangura (Hyptis suaveolens). Groot, fluweelachtig onkruid. Een zwak afkooksel van deze plant en van mampuritu wordt vaak ingenomen bij indigestie en ter bevordering van de eetlust.

Kruizeblum - in de volksmond kleistuborn - (Passiflorajoetida var. Moritziana). Veel voorkomende klimplant. Het afkooksel van het blad wordt wel dagelijks aan kinderen gegeven; het wordt veel gebruikt als geneesmiddel tegen maagpijn, nier- en blaasontsteking. Een sterk extract is een gewaardeerd geneesmiddel tegen huidontsteking.

Kalbas di mondi (Crescentia cujete). In het wild groeiende boom. Siroop (stropi di kalbas) gemaakt van het vlees van de vruchten, die een harde schil hebben, wordt veelal ingenomen tegen verkoudheid. Aan de kust heeft men de gewoonte het vruchtvlees te gebruiken ter voorkoming of verzachting van huidontsteking, veroorzaakt door het bijtende sap van de manzanilla of mansalina (Hippomane mancinella).

Sentebibu (Aloe barbadensis). Een niet inheemse sappige plant. De pulp ervan wordt meestal toegevoegd aan stropi di kalbas. Stukken pulp worden genuttigd als een zacht laxeermiddel; het bittere gele melksap wordt ingenomen bij galblaasklachten en als krachtig werkend purgeermiddel. Wordt commercieel geteeld op Bonaire voor de produktie van aloine.

Cadia del perro (Krameria ixina). Struikachtig in het wild groeiend gewas met kleine knoesten. Een zwak aftreksel wordt ingenomen na te veel alcoholgebruik; eveneens tegen nier- en leveraandoeningen en ter bevordering van de menstruatie. Een krachtig afkooksel van de plant of wortels wordt ingenomen als vruchtafdrijvend middel. Amerikaanse onderzoekers (Julia Morton e.a.) vonden sterke aanwijzingen dat deze plant kankerverwekkende stoffen bevat.

Laraha (Citrus aurantium) is de gekweekte Sevilla-sinaasappel. De gedroogde schil van de onrijpe vrucht levert de onontbeerlijke grondstof voor de befaamde Curacaosche likeur. Het afkooksel van het blad is een veel gebruikt versterkend middel. Tegen hoge bloeddruk, nervositeit of slapeloosheid wordt een afkooksel gemaakt van bladeren van de laraha en sorsaka (Annona muricata). De laatstgenoemde is een gekweekte boom, die grote sappige vruchten draagt, die overal in de tropen bekend zijn.

Raton, of mata raton (Gliricidia sepium). Gekweekte boom. De bladeren worden rauw gekauwd of in melk gekookt of het bladafkooksel wordt met een geklutst ei ingenomen om bij zware verkoudheid slijm kwijt te raken. De bladeren bevatten cumarine en zijn insektenverdrijvend en naar verluidt giftig voor muizen en paarden.

Katuna (Gossypium hirsutum). Grote in het wild groeiende heester. Zwak afkooksel van bladeren wordt aan babys gegeven; een sterkere concentratie wordt door volwassenen tegen diarree ingenomen; in combinatie met basora pretu tegen maagpijn.

Katuna di seda (Calotropis procera). In het wild groeiende boom met grote bladeren en met giftig melkachtig sap. Gekneusde bladeren worden op reumatische en andere pijnlijke en gezwollen plaatsen gebonden.

Palu di lechi (Cryptostegia grandiflora). Klimmende uitheemse heester, die in het wild groeit. Het melkachtige sap wordt gemeden. Zwak afkooksel van bladeren met suiker wordt ingenomen tegen maagpijn. De plant bevat giftige glycosiden.

Oleander di Boneiru (Plumeria obtusa). Kleine sierboom met witte bloemen, heeft overvloedig melksap, dat als gevaarlijk bekend staat. Niettemin worden enkele druppels in kokosmelk aan kinderen toegediend als middel tegen wormen.

Franse bloem (Nerium oleander) - de echte oleander. Grote sierheester met roze of witte bloemen, bekend als geheel vergiftig. Bladafkooksel wordt alleen gebruikt ter behandeling van huiduitslag bij kinderen.

Yerba stinki (Datura metel). Grof onkruid met grote bladeren. De bladeren worden op het hoofd gebonden om hoofdpijn te genezen; aangemengd als papje op de navel ter verlichting van maagpijn en op wonden voor het uitdrijven van maden; ook gerookt ter verlichting van astma.

Bringamosa (Cnidoscolus urens), Onkruid met grote bladeren bedekt met prikkelende haartjes, die pijnlijke striemen en jeuk veroorzaken. Sap op een propje watten wordt in tandholte gestopt tegen tandpijn.

Mata piska (Jacquinia barbasco). Kleine boom aan de kust. Een stuk van de boom in ondiep water veroorzaakt visvergiftiging. Primitieve manier van visvangst.

Van watapana shimaron

(Acacia glauca) en basora kora (Melochia tomentosa) wordt thee gezet. Gedronken door zowel kinderen als volwassenen wegens de (vermeende) geneeskrachtige eigenschappen. Extracten van deze twee planten blijken echter eveneens kankerverwekkende stoffen te bevatten. Watapana shimaron komt op Aruba niet voor.

Puta luango (Stemodia maritima)

afkomstig uit Curacao, werd uitvoerig onderzocht door Guerrero van de Universiteit van Mississippi. Acht chemische stoffen werden uit deze plant geisoleerd en geanalyseerd. Een hiervan bleek een antibioticum te zijn.

Bai no bolbe (Strumpfia maritima) wordt gebruikt ter voorkoming van zwangerschap. Ingespoten bij ratten had dit inderdaad verminderde vruchtbaarheid tot gevolg (Hsu e.a 1981).

De laatste 15 jaar hebben de geneeskrachtige kruiden en planten uit de Nederlandse Antillen belangrijk onderzoek op internationaal niveau gestimuleerd. Uitgangspunt was de mogelijkheid van kankerverwekkende stoffen als oorzaak van de hoge frequentie van slokdarmkanker op Curaao. Onverwacht ontdekte men een nieuw antibioticum en een anti-conceptivum, een stof die de vruchtbaarheid van vrouwelijke ratten duidelijk verminderde. Van een aantal planten kwamen de kankerverwekkende eigenschappen duidelijk vast te staan.

Literatuur:

  • Fr. M. Arnoldo, Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen (1954, 1971);
  • Idem, Zakflora - Wat in het wild groeit en bloeit op Curacao, Aruba en Bonaire (1954, 1964);
  • L.H. van Berk, Bijdrage tot de kennis der West-Indische volksgeneeskruiden. Diss. (1930);
  • P. Brenneker, Curacaoensia; folkloristische aantekeningen over Curacao (1961);
  • Idem, Jerba, kruiden van Curacao en hun gebruik (1962);
  • R.O. Guerrero, A phytochemical study of Stemodia maritima L. Diss. (1974);
  • C.L. Harders, Bijdrage tot de kennis van de Curacao-aloe en van hare opsporing. Diss. (1940);
  • E. Hecker & L. Weber, Co-carcinogens from Croton flavens L. and the high incidence of esophageal cancer in Curacao. Proc. 7th Int. Symp. Biol. Characterization of Human Tumours, Budapest, April 13-15, 1977. Excerpta Medica Amsterdam;
  • C.C. Hsu, R.H. Dobberstein, A.S. Bingel e.a., Biological en Phytochemical Investigation of Plants XVI: Strumpfia maritima (Rubiaceae). J. Pharm. Sci. (1981), 70; 62-3;
  • N. van Meeteren, Volkskunde van Curacao (1947, 1977);
  • A.S.C. Meijer, Bijdrage tot de kennis der volksgeneeskruiden van Nederlandsch West-Indie. Diss. (1932);
  • Julia F. Morton, A survey of medicinal plants of Curacao. Economic Botany, vol. 22, no. I, January/March, p. 87 (1968);
  • Idem, Plants associated with esophageal cancer cases in Curacao. Cancer Res. (1968), 28: 2268-71;
  • Idem, Welensali (Croton flavens): Folk Uses and Properties. Economic Botany (1971), 25: 457-463;
  • Idem, Search for carcinogenic principles. Hfst. III. Recent Advances in Phytochemistry, vol. 14. (1980);
  • Idem, Atlas of Medicinal Plants of Middle America: Bahamas to Yucatan (1981);
  • E.Q. van der Veen Zeppenfeldt, Geneeskunde en ziekenverpleging in Nederlandsch West-Indie (1919).

 

 

@: Geneeskunde

Foto: Geneeskunde zonder verzekering is in de hedendaagse maatschappij niet meer denkbaar. Op de foto een van de twee gebouwen van de S.V.B. (Sociale Verzekeringsbank) aan de Pater Eeuwensweg te Otrobanda.

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Algemeen

Sectie 1: Nederlandse verovering tot ca 1800
Sectie 2: De 18de eeuw
Sectie 3: Medici en kunst

Hoofdstuk 2: Gezondsheidszorg

Sectie 4: Particulier initiatief: Rode Kruis; Wit Gele Kruis
Sectie 5: ERNA; GGD; Inspectie- en; Departement Volksgezondheid en directeur / hoofdinspecteur gezondsheidszorg
Sectie 6: De landelijke overheid

Hoofdstuk 3: Moeder- en kindzorg

Hoofdstuk 4: Zuigelingenzorg

Hoofdstuk 5: Tandverzorging

Hoofdstuk 6: Geestelijke gezondheidszorg

Hoofdstuk 7: Zelfmoord

Hoofdstuk 8: Bedrijfsgezonheidszorg

Hoofdstuk 9: Ziekten

Sectie 7: Epidemien

Sectie 8: Infectieziekten
Paragraaf 1: Algemeen; Malaria
Paragraaf 2: Bacteriele darminfecties: salmonella; shigella; campylobacter
Paragraaf 3: Bacillaire dysenterie
Paragraaf 4: Lepra en tetanus
Paragraaf 5: Geslachtsziekten
Paragraaf 6: Deficientieziekten
Paragraaf 7: Suikerziekte
Paragraaf 8: Kanker oa slokdarmkanker
Paragraaf 9: Oogziekten
Paragraaf 10: Tuberculose
Paragraaf 11: Neurologische ziekten

Hoofdstuk 9: Gezondsheidszorg Benedenwindse Eilanden
Sectie 8: Curacao
Paragraaf 12: Algemeen
Paragraaf 13: Ziekenhuizen

Sectie 10: Aruba
Paragraaf 14: Algemeen
Paragraaf 15: Ziekenhuizen

Sectie 11: Bonaire

Hoofdstuk 10: Gezondsheidszorg Bovenwindse Eilanden

Sectie 12: St. Maarten
Paragraaf 16: De Landsoverheid
Paragraaf 17: De Eilandsoverheid
Paragraaf 18: De Stichting Wit-Gele Kruis

Paragraaf 19: De wijkverpleging

Sectie 13: Saba

Sectie 14: St. Eustatius

Hoofdstuk 11: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Geneeskunde Hoofdstuk 1: Algemeen

Sectie 1: Nederlandse verovering tot ca 1800

De allereerste vorm van gezondheidszorg in de kolonie was die van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) voor de slaven. In 1642 verzocht men voor Curacao I goet barbier met 2 knechts ende medicamenten voor de negres. Voor de slaven was er een pokhuys en een sweethuys; voor de burgers en militairen aanvankelijk niets. Terwijl op de Spaanse Grote Antillen snel na de verovering hospitalen werden gesticht en er geneesheren naar het nieuw ontdekte gebied werden gezonden om er de ziekten en de geneeskruiden te bestuderen, was de geneeskundige zorg en interesse van de Nederlanders voor hun pas veroverde eilanden zeer pover. Aan het einde der 17de eeuw liet de Sefardisch-Joodse gemeente op Curacao artsen overkomen ten behoeve van haar armen en zieken. In het begin der 18de eeuw begonnen zich ook enkele artsen vrij te vestigen; zij waren vaak daarvoor in dienst van de W.I.C. geweest en van Nederlandse of Duitse herkomst, zoals Sigismund Druschke (gest. 1739) en Johan Georg Rudeloff (1700-1747). In 1817 was de artsendichtheid op Curacao, met negen bevoegde artsen op een bevolking van 12.000 zielen, bepaald niet ongunstig; op de overige eilanden was de toestand slechter; op Bonaire vond men in die tijd slechts een slaaf van de overledene chirugyn Strack, die de praktijk waarneemt en op Aruba trad de gewezen sergeant Schuijk als medicus op.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 1 Sectie 2: De 18de eeuw

In de achttiende eeuw al was de strijd tegen de gele koorts en pokkenepidemien, evenals tegen de lepra aangevat, voor wat de gele koorts betreft uitsluitend met quarantaine-maatregelen - waartegen de handelsbelangen zich soms verzetten -, terwijl tegen de pokken bovendien al, verwonderlijk vroeg, met vaccinatie werd geexperimenteerd. De negentiende eeuw bracht in vele opzichten verbetering. Zo begon op Curacao het ziekenhuiswezen zich te ontwikkelen. In 1838 werd de uitoefening der geneeskunde onder toezicht gesteld van een Geneeskundige Commissie voor de Benedenwindse Eilanden en in 1874 kreeg Curacao een vaste stadsgeneesheer (De stadsgeneesheer is ambtenaar. Hij geniet een vaste bezoldiging uit de koloniale kas, benevens onderhoud voor een dienstpaard), die tevens voorzitter werd van een nieuwe Geneeskundige Raad, die diplomas moest tekenen en examens afnemen. Ook werd in dat jaar o.m. de vroedvrouwenopleiding geregeld. Verder verschenen in deze tijd de eerste specialisten, terwijl de eilanden buiten Curacao hun gouvernementsgeneesheren kregen. De opening van het Panamakanaal stimuleerde de gezondheidszorg, daar men verhoogde havenactiviteit voor Curacao verwachtte. Het was dan ook geen toeval dat de in 1917 als directeur van de nieuwe Openbare Gezondheidsdienst gearriveerde dr. N. Waterman, in Nederland een der eersten was geweest die de Wassermann-reactie op het voorkomen van syfilis had verricht. Op zijn initiatief werden o.m. een zeemanshuis, een serologisch laboratorium en een kliniek voor geslachtsziekten opgericht. In plaats van de Geneeskundige Raad kwam er een Gezondheidscommissie, waarin ook leden van de burgerij werden benoemd.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 1 Sectie 3: Medici en kunst

In de 1930er jaren waren onder de medici op Curacao personen, die naast hun vakgebied een opmerkelijke belangstelling vertoonden voor activiteiten op ander terrein, zoals kunst, politiek en economie. Als exponent van de universelen kunnen genoemd worden W. en P.Maal, Ch. J. H. Engels en N. (Cola) Debrot. Daarnaast kwam in die periode een aantal specialisten op Curacao, waaronder de patholoog-anatoom Ph. Hartz, de internist A. van der Sar en de bacterioloog A. W. Pot, die op eigen vakgebied veel wetenschappelijk werk hebben verricht en een groot aantal publikaties het licht hebben doen zien.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 2: Gezondsheidszorg

Sectie 4: Particulier initiatief: Rode Kruis; Wit Gele Kruis

Men onderscheidt in de gezondheidszorg de overheidsorganen met hun specifieke taken met daarnaast door particulier initiatief ontwikkelde instellingen, die de gezondheidszorg in de Nederlandse Antillen aanzienlijk hebben verbeterd. Onder deze particuliere instellingen moet worden genoemd het Rode Kruis (opgericht in 1931), dat zorg draagt voor consultatiebureaus voor de tuberculosebestrijding en voor de bloedtransfusiedienst.

Een veel wijder arbeidsveld nog bleek weggelegd voor het Wit-Gele Kruis, dat in 1941 werd opgericht: E.H.B.O., moederschapscursussen, wijkverpleging (1943), tehuis voor gebrekkige kinderen Mgr. P. I. Verriet-Instituut (1945), bejaardenzorg, consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 2 Sectie 5: ERNA; GGD; Inspectie- en; Departement Volksgezondheid en directeur / hoofdinspecteur gezondsheidszorg

Als gevolg van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (E.R.N.A.) kreeg in 1953 ieder eilandgebied zijn eigen Geneeskundige en Gezond�heidsdienst (G.G.D.), terwijl een landelijke Inspectie van de Volksgezondheid werd ingesteld, later veranderd in het Departement van Volksgezondheid. Aan het hoofd staat een directeur, die tevens hoofdinspecteur is. Een ongelukkige combinatie van functies, omdat in een persoon beleidsbepalende, adviserende en inspecterende taken werden verenigd. Zijn hoofdtaak was de bevordering van de volksgezondheid in het algemeen, het helpen voorbereiden van wetten op dit gebied en het adviseren van de minister. Verder behoort hij de eilandelijke gezondheidsdiensten te inspecteren, te stimuleren en de op het gebied van de volksgezondheid genomen maatregelen te coordineren die door meer dan een eilandgebied genomen moeten worden, zoals bijvoorbeeld bij epidemieen of natuurrampen. Hij houdt toezicht op de uitvoering van wettelijke regelingen op het gebied van de volksgezondheid, voorzover die uitvoering aan organen en diensten van de eilandgebieden is opgedragen.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 2 Sectie 6: De landelijke overheid

De landelijke overheid draagt de zorg voor het verplegen en verzorgen van krankzinnigen en leprozen. 's Lands krankzinnigengesticht Rustoord (Dr. Capriles kliniek) staat op Curacao. De leprozerie kon, door praktisch uitroeien van deze ziekte, in 1967 gesloten worden.

Het Departement van Volksgezondheid heeft de zorg voor de Landslaboratoria met dependances op Aruba en St. Maarten, evenals voor de Landsapotheken. Onder de directeur staan inspecteurs voor de eerstelijns geneeskunde, een voor de specialistische zorg en de ziekenhuizen, een voor de geneesmiddelen en apotheken, een voor de milieuhygiene, een voor de veterinaire dienst en een hoofd van alle laboratoria. Verder is er een gezondheidsjurist aan het Departement verbonden om de wetgeving aan te passen of tot stand te brengen. Tenslotte is er een epidemioloog. Vele van deze functies waren in 1983 onbezet, mede door gebrek aan belangstelling bij de landskinderen.

De Eilandelijke Gezondheidsdiensten (G.G.D.'s) hebben directe zorg voor alle overige onderdelen van de volksgezondheid, zoals de bejaardenzorg en de moeder- en kindzorg.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 3: Moeder- en kindzorg  

De registratie van de moeder- en kindzorg verschilt van eiland tot eiland. Terwijl op Aruba nauwkeurige registratie en een goede organisatie van dit aspect van de gezondheidszorg zijn gewaarborgd kan dit nog niet voor de andere eilanden gezegd worden, ook al heeft het de bijzondere aandacht van de diverse gezondheidsinstanties. Onderstaand een overzicht van enkele perinatale gezondheidsindicatoren in relatie tot het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking voor Aruba en Curacao in vergelijking tot enkele andere Caribische landen en Nederland. Het betreft gegevens verzameld in de jaren 1980 en 1982:

 

Uit bovenstaande gegevens kan worden opgemaakt dat de perinatale sterfte voor Aruba in verhouding tot de andere Caribische landen laag genoemd mag worden, maar dat de perinatale sterfte voor Curacao in verhouding vrij hoog is, terwijl de sociaal-economische situatie beter geacht moet worden dan voor de andere Caribische landen die in dit staatje vermeld staan.

Voor Aruba blijkt het geboortecijfer nagenoeg rond de duizend per jaar te schommelen. In 1979 werd op Aruba 50% van aIle bevallingen verricht door de specialist, 13% door de vroedvrouw en 35% door de huisarts.

Op Curacao was er tot 1981 een neerwaartse trend te bespeuren van het aantal geborenen per jaar, maar bij een voorlopige telling in 1982 bleek het geboortecijfer weer iets toe te nemen. In 1981 werd ruim 55% van aIle bevallingen onder supervisie van een specialist verricht. 22% van alle bevallingen werd onder toezicht van de vroedvrouw verricht, en de overige ca. 22% door de huisarts.

Het gemiddelde geboortegewicht voor Aruba bedroeg 3.390 gram (S.D. 564), terwijl het gemiddelde geboortegewicht voor Curacao 3.265 gram (S.D. 595) bedroeg. Dit is 100 tot 250 gram zwaarder dan het gemiddelde geboortegewicht voor de meeste Caribische eilanden.

In Aruba werden in 1981 nagenoeg alle kinderen (ca. 95%) in het ziekenhuis geboren (dr. Horacio Oduber Hospitaal). Op Curacao vinden de bevallingen hoofdzakelijk plaats in de volgende 3 instituten: St. Elisabeth Hospitaal (ca. 50% van alle bevallingen), de Kraamkliniek (ca. 30% van alle bevallingen) en het Adventziekenhuis (ca. 20% van alle bevallingen); een klein percentage bevallingen vindt thuis plaats.

Uit de gegevens van Aruba kan worden opgemaakt dat het percentage kinderen dat per keizersnede wordt geboren zeer snel toeneemt, in 1974 bedroeg dit percentage nog 12%, maar in 1980 was het gestegen naar ruim 24%. In de voorlopige gegevens van 1982 bedroeg dit zelfs 26%! Voor Curaao ligt het percentage kinderen geboren per sectio rond de 14%.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 4: Zuigelingenzorg

Op Aruba is dit geconcentreerd bij het Wit-Gele Kruis, in 1980 werd aldaar 96% van alle levendgeboren kinderen bij het Wit-Gele Kruis (consultatiebureau) ingeschreven. Daarentegen is op Curacao de preventieve zorg die op de consultatiebureaus wordt verricht verdeeld over tenminste 4 instituten t.w. G.G.D., Mama di Bon Conseho, de Prinses Margriet Stichting (beide Wit-Gele Kruis) en de Kraamkliniek (huisbezoeken).

Beoordeeld naar het aantal inschrijvingen (n = 2.623) werd 82% van alle pasgeborenen op de consultatiebureaus van deze verschillende instituten voor kortere of langere tijd gezien. Hiervan nam de G.G.D. 39% voor zijn rekening, Mama di Bon Conseho 37%, de Prinses Margriet Stichting 15% en de Kraamkliniek rond de 9%. Op Aruba waren er in 1982 acht consultatiebureaus, terwijl dit aantal in het zelfde jaar voor Curacao 24 bedroeg.

In 1981 werd bij enkele patienten op Curacao poliomyelitis vastgesteld. Hierop volgde een massa vaccinatie met het type 1 Sabin-vaccin, waarbij 90 tot 95% van de gehele bevolking werd gevaccineerd. Bij een follow-upcampagne met Trivalent-vaccin werd een coverage bereikt van 85% van de totale jeugd (7 weken tot 12 jaar). Als gevolg van deze massa vaccinatie werd het gebruikelijke vaccinatieprogramma voor enige tijd onderbroken. Hierdoor werd in 1981, volgens de berekeningen van de G.G.D., slechts 65 tot 75% van de zuigelingen voldoende gevaccineerd voor wat betreft D.K.T.P. (difterie, kinkhoest, tetanus, polio; kinderen met tenminste 3 D.K.T.P.injecties) en voor mazelen tussen de 40 en 50%. Voor 1982 kan de coverage tussen de 75 en 85% geschat worden. Hoe de vaccinatiegraad is van de 18% van de kinderen die niet door een van de consultatiebureaus wordt gezien, blijft onbekend. Op de consultatiebureaus van de G.G.D. wordt in principe bij elk bezoek het kind door een arts gezien. Van de overige instanties mag worden aangenomen dat een arts elk kind ongeveer eenmaal per drie maanden onder ogen krijgt.

De teleurstellende vaccinatiegraad op Curaao voor zowel D.K.T.P. als mazelen heeft de bijzondere aandacht van de geneeskundige gezondheidsdienst (GGD) gekregen. De afdeling Sociale Kinderhygiene heeft aanzienlijke versterking gekregen en het is te verwachten dat de vaccinatiegraad in de komende jaren zal verbeteren.

Op Bonaire bestaan er 5 consultatiebureaus waar door een wijkzuster en een vroedvrouw wordt gewerkt, met verwijzing van probleemgevallen naar de huisarts. De neonatale controle vindt tevens door de huisarts plaats. Ook hier is er geen centrale registratie van de vaccinaties, maar naar schatting heeft 80% van de kinderen in ieder geval driemaal een D.K.T.P .-vaccinatie gehad. De vaccinatie voor mazelen en rubella (rode hond) wordt nog niet planmatig gegeven.

Voor wat betreft de ziekenhuisopnamen in het St. Elisabeth Hospitaal te Curacao is het aantal opnamen van kinderen in 1982 ten opzichte van 1976 met 20% afgenomen. Voor wat betreft het ziektepatroon is er ook een duidelijke trendverschuiving te bespeuren: terwijl in 1962 ruim 33% van alle opgenomen patienten aan een meer of minder ernstige vorm van gastronteritis leed, bedroeg dit in 1982 slechts 12% van alle opnamen. Ook is over deze periode het aantal opnamen vanwege luchtweginfecties met de helft afgenomen. Daar staat tegenover dat er een duidelijke toename is te bespeuren van het aantal kinderen met problemen in de neonatale fase. Uit deze gegevens mag worden opgemaakt dat er op Curacao een duidelijke verbetering heeft plaatsgevonden op sociaal-economisch en hygienisch niveau. Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat dezelfde trendverschuivingen ook op de andere eilanden van de Nederlandse Antillen hebben plaatsgevonden.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 5: Tandverzorging

In 1956 werd op Curacao een eilandelijke schooltandartsendienst ingesteld met een mobiele eenheid. De resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van caries in het blijvend gebit van schoolkinderen tussen 6 en 12 jaar, in 1964 uitgevoerd, waren van dien aard, dat besloten werd over te gaan tot fluoridering van het Curaaosche drinkwater (1966). In 1983 waren er 25 tandheelkundigen op Curaao werkzaam, waarvan 3 part-time schooltandartsen. In 1978 werd op initiatief van het Wit-Gele Kruis een tandheelkundige polikliniek opgericht voor armlastige patienten. Particuliere tandartsen verrichten daar om beurten en pro deo hun werkzaamheden; zij beperken zich uitsluitend tot het trekken van tanden en kiezen. Per 1 januari 1984 is dit Instituut overgenomen door de Geneeskundige Dienst (GGD) van het Eilandgebied. Een tandarts is full-time in overheidsdienst benoemd om aan deze inrichting leiding te geven en tevens met de bedoeling, dat de werkzaamheden worden uitgebreid met conserverende behandelingen. Tandheelkundige zorg wordt voor min of onvermogenden niet door de overheid of de verzekering betaald.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 6: Geestelijke gezondheidszorg

Het in 1779 op Curacao opgerichte Lazarushuis (Lepra-patienten) werd tevens als krankzinnigengesticht gebruikt, totdat in 1870 het gesticht Monte Cristo bij het Rif werd gebouwd. In 1936 werd op Groot Kwartier 's Lands Psychiatrisch Ziekenhuis "Rustoord" in gebruik genomen, dat de gehele Nederlandse Antillen dient. In 1974 werd een nieuwe afdeling aan het Psychiatrisch Ziekenhuis toegevoegd, waar patienten volgens de regels van een therapeutische gemeenschap werden behandeld. Deze afdeling die aanvankelijk de naam kreeg van David Ricardo Capriles Kliniek, werd enkele jaren later gesloten, waarbij de naam van het gehele 's Lands Psychiatrische Ziekenhuis werd veranderd in Dr. David Ricardo Capriles Kliniek. Aan de kliniek zijn tegenwoordig zowel in Nederland als in de regio opgeleide psychiaters verbonden. De afdeling Geestelijke Volksgezondheid die sinds kort is herdoopt tot Fundashon Salu Mental Korsou (Fusameko) is verantwoordelijk voor de nazorg van de patient.

Door de structuur van de gezinnen op Curacao komen nog steeds vele gevallen van emotionele verwaarlozing voor. Verschillende stichtingen (o.a. de Soeur Hedwig Stichting van het Wit-Gele Kruis) houden zich met dit probleem bezig. Er is een grote ontwikkeling gekomen in het buitengewoon onderwijs. De oudervereniging Totolika, die in 1972 werd opgericht, heeft veel bijgedragen aan de acceptatie van kinderen met een handicap in de Curacaosche gemeenschap.

De differentiatie in de verschillende wijzen van psychiatrische hulpverlening is de afgelopen tien jaar in de Nederlandse Antillen toegenomen. Op Curacao en Aruba zijn bureaus opgericht voor levens- en gezinsmoeilijkheden, waar men zich in principe kosteloos voor hulp kan vervoegen. Verschillende psychologen en psychotherapeuten houden zich bezig met gesprekstherapie. De psychosociale hulpverlening via de afdelingen van Sociale Zaken is zeer actief.

Het aantal opnamen voor geesteszieken in het Lands Psychiatrisch Ziekenhuis (2 1/2 per 1000 inwoners) per jaar komt overeen met cijfers uit de regio. Depressies lijken de laatste jaren in toenemende mate bij de bevolking voor te komen. De uitingsvorm van deze depressies verschilt aanzienlijk met de in Nederland gebruikelijke verschijningsvormen. De laatste jaren is ook de agressiviteit zowel tegen anderen, als tegen het eigen ik, toegenomen. Ter beschikkingstelling van de regering, zoals in Nederland met betrekking tot personen met psychopathiform gedrag mogelijk is, is in de Nederlandse Antillen onuitvoerbaar. Momenteel verblijft deze groep voornamelijk in de penitentiaire inrichtingen en deels in de maatschappij.

Een belangrijke klacht op seksueel gebied bij de man, is de daling van zijn potentie. Frequent is de verslaving aan alcohol, marihuana en de laatste tijd aan cocaine. Heroineverslaafden komen nauwelijks voor. In het tehuis van de Stichting Thuislozenzorg worden zwervers opgenomen, ook nazorgpatienten worden daar ondergebracht.

In Aruba organiseerde de Mental Health Society in 1957 een congres voor het Caribisch gebied, waaruit vervolgens de Carribbean Federation for Mental Health is ontstaan, die regelmatig congressen belegt (o.a. Curacao, 1963) (zie ook Alcoholisme).

 

Geneeskunde Hoofdstuk 7: Zelfmoord

Het zelfmoordcijfer in de Nederlandse Antillen is niet exact aan te geven. Bepaalde gevallen (auto-ongevallen, verdrinkingen) worden niet steeds als zelfmoord herkend. De incidentie is ca. 7 per 100.000 inwoners (vergelijk: Ierland 3,7; Italie 7,67; V.S. 10,60; Zwitserland 33,76; Denemarken 35,09). Met de ingebruikneming van de nieuwe Koningin Julianabrug is een belangrijke mogelijkheid ontstaan voor zelfmoordpogingen. Regelmatig worden geslaagde zelfmoordpogingen ondernomen door van deze 45 meter hoge brug af te springen. Vuurwapens worden ook gebruikt. Het innemen van vergif (onverdunde azijnzuur) wordt voornamelijk door jonge mensen - vooral meisjes - nog steeds gebruikt als appel-suicide.

Het aantal zelfmoordpogingen is, evenals in de V.S., ongeveer 5 maal zo groot als het aantal geslaagde zelfdodingen; 35 per 100.000 inwoners. Moord gecombineerd met zelfmoord komt eveneens voor. Het gemiddelde bedraagt ca. 2 gevallen per jaar. Daar ruim 90% van alle gehospitaliseerde patienten op Curacao in het St. Elisabeth Hospitaal is opgenomen, zijn de cijfers betreffende de zelfmoordpogingen, vermeld door dit ziekenhuis in hoge mate representatief.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 8: Bedrijfsgezonheidszorg

De twee grote oliemaatschapijen op Curacao en Aruba hebben uitstekende medische staven opgezet met eigen centra en ziekenhuizen. Zo groeide de Medische Dienst Shell Curacao N.V. tijdens de Tweede Wereldoorlog van een een- of tweemansbedrijf uit tot een sectie met afdelingen voor bedrijfsgeneeskunde, industriele hygiene, milieuhygiene, een havenmedische dienst en in samenwerking met het Sanatorium Het Groene Kruis, een curatieve dienst. Medische bijzonderheden van alle medewerkers en hun gezinsleden werden in kaart gebracht. In 1968 werd het sanatorium met 200 bedden afgestoten en werd de dienst die in zijn piekjaren 17 artsen en 5 part-time specialisten telde tengevolge van een teruglopend personeelsbestand teruggebracht naar de huidige 6 artsen, 1 apotheker en 16 part-time specialisten, die allen intra- en extramurale curatieve zorg verlenen. Tevens worden onveranderd alle bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige zaken (eigen risicodrager) binnen de dienst afgewikkeld. Door teruglopende scheepsbewegingen werd de havenpraktijk in 1982 opgeheven. In 1982 waren 10.000 patienten ingeschreven bij de Medische Dienst.

Ook bij de Lago op Aruba viel een vergelijkbare ontwikkeling waar te nemen. Het combineren van curatieve en controlerende functies werd door de werknemers nooit als een probleem beschouwd, wat pleit voor de goede dienstverlening.

 

Geneeskunde Hoofdstuk 9: Ziekten

Sectie 7: Epidemieen

Epidemieen troffen de eilanden vroeger vaak. Vooral de gele koorts was een gevreesde ziekte, met een hoge mortaliteit onder uit Europa afkomstige personen. Pokken trof Aruba in 1862, Bonaire in hetzelfde jaar, Curaao in 1692, 1693, 1815, 1827/28, 1862/63, St. Eustatius in 1739 en 1776, St. Maarten in 1781 en 1843. Op Bonaire kwam cholera voor in 1856, op Curacao difterie (1890, 1894), op Saba dysenterie (1903) in epidemische vorm. De Spaanse griep trof alle eilanden in 1918, evenals een influenza epidemie in 1957. Dank zij immunisatie en quarantaine is de toestand thans zeer gunstig. Frequente epidemieen komen slechts voor in de vorm van betrekkelijk onschuldige virus-infecties met griep of 'dengue - karakter, of maagdarminfecties. Deze epidemieen krijgen spontaan geestige namen, die verband houden met actuele gebeurtenissen. Besmettelijke darmziekten komen endemisch op de eilanden voor, met grotere frequentie in de regentijd.

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 8: Infectieziekten

Paragraaf 1: Algemeen; malaria

Infectieziekten vormen op Curacao een minder groot medisch probleem dan in andere derde-wereldlanden. Malaria komt op de Nederlandse Antillen niet voor, ook niet in het verleden. Behalve de uitstekende medische voorzieningen, waaronder met name de aanwezigheid van een vaccinatieprogramma, dragen ook andere in de sociaaleconomische sfeer liggende infrastructurele factoren bij aan een relatief gezonde leefsituatie. Een rol van betekenis wordt ongetwijfeld ook gespeeld door klimatologische factoren: het hete en droge en door veel zonneschijn gekenmerkt klimaat biedt buiten het menselijk lichaam weinig overlevingsmogelijkheid aan de minder geharde microbile ziekteverwekkers.

Paragraaf 2: Bacteriele darminfecties: salmonella; shigella; campylobacter

De belangrijkste bacteriele infecties zijn darminfecties veroorzaakt door micro-organismen van de in het laboratorium op routinebasis gedetermineerde soorten Salmonella, Shigella en Campylobacter. Uiteraard spelen ook andere in het laboratorium niet op routinebasis onderzochte micro-organismen zoals o.a. de toxicogene E.-coli-stammen een rol van betekenis als verwekkers van diarree (reizigersdiarree).

Paragraaf 3: Bacillaire dysenterie

Vooral in de regenmaanden is een duidelijke stijging waarneembaar van het aantal van vooral door bacillaire dysenterie veroorzaakte darminfecties. Per jaar wordt bij meer dan 800 personen in het laboratorium de aanwezigheid van darmpathogeen organisme vastgesteld wat wijst op een hoge incidentie van darminfectie-ziekten. Entamoeba hystolytica, de verwekker van amoebendysenterie, werd in 1982 31 maal in het Landslaboratorium aangetoond in voor onderzoek ingezonden monsters. De darmpathogene Lamblia intestinalis wordt frequent aangetroffen en speelt hier wellicht een belangrijkere rol dan tot nu wel wordt aangenomen.

Van enkele andere infectieziekten kan in het kort het volgende worden gezegd. Van de arbovirussen komt denguevirus type 2 op Curacao endemisch voor. In 1981 had er een epidemie plaats van poliomyelitis. Infectieziekten als difterie en kinkhoest komen niet voor; er zijn althans geen epidemiologische mededelingen die daarop wijzen terwijl de verwekkers ervan de laatste jaren ook niet in het laboratorium zijn aangetoond.

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 8 Paragraaf 4: Lepra en tetanus

Vroeger kwam lepra veelvuldig voor. Ook tetanus (kaakklem), tussen 1939 en 1968 nog totaal 181 in het ziekenhuis opgenomen patienten, is thans door goede vaccinatieprogramma's praktisch verdwenen.

Paragraaf 5: Geslachtsziekten

Het aantal in het laboratorium geisoleerde en/of op andere wijze aangetoonde verwekkers van geslachtsziekten Gonorroe en Lues hebben de laatste tijd een stijging te zien gegeven (zie @: Geslachtsziekten). Er worden op Curacao in toenemende mate voor penicilline resistente stammen van gonorroe aangetroffen (in de volksmond supergonorroe genoemd).

Paragraaf 6: Deficientieziekten

A vitaminosis (met name gebrek aan vitamine A, B1, B12, folinezuur en C) en tekort aan mineralen (o.a. ijzer) leiden veelvuldig tot deficientieziekten. Ook het door een eiwit-deficient veroorzaakte kwashiorkor-syndroom kwam tot 1953 veelvuldig voor; kosteloze melkverstrekking ten behoeve van zuigelingen lijkt hieraan een einde gemaakt te hebben. Onderzoek naar voedingsgewoonten en -tekorten werd o.a. verricht door G. Hofstee, I. Ekker, B. Vinke (Curacao); F. Steenmeijer (Aruba) en R. Luyken (Bovenwindse Eilanden).

Paragraaf 7: Suikerziekte

Suikerziekte komt bij 20% van de autochtone bevolking voor. De internist H.L. Hewitt heeft de diabetenzorg op het eiland Curacao op uitstekende wijze georganiseerd. Hij heeft de leiding over de diabetenpoliklinieken. Er zijn wijkzusters speciaal belast met diabetenzorg, die de patinten in de buitendistricten controleren. Bovendien heeft hij zich ingespannen om tot een betere voorlichting voor deze patienten te komen. Op zijn initiatief werd in 1974 de Vereniging van Suikerzieken opgericht: Sosiedat Kurasoleno di Diabetico (Sokudi).

Het Amerikaanse boek How to live with Diabetes van Henry Doiger M.D. & Bernard Seeman, werd door Wilhelm van Meeteren vertaald en uitgegeven door Sokudi met financiele steun van het Alex Curiel Fonds en de regering van de Nederlandse Antillen. Kon di biba ku Diabetis verscheen in november 1974. Het informatieblad van de vereniging, genaamd Suku (Suiker), werd gedurende de laatste 9 jaren onder redactie van Van Meeteren uitgegeven; het verschijnt regelmatig en in de landstaal met een frequentie van 5 a 6 nummers per jaar. Sokudi is sedert 1975 aangesloten bij de International Diabetes Federation als volwaardig lid.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 8 Paragraaf 8: Kanker oa slokdarmkanker

Tussen 1960 en 1965 kwam bij de negroide bevolking van Curacao slokdarmkanker voor in een frequentie van 19,8 per 100.000 inwoners, een der hoogste van de wereld, met een gelijke frequentie bij mannen en vrouwen. Voedings- en eetgewoonten, eventueel in combinatie met (gedeeltelijke) ondervoeding en alcoholmisbruik zouden wellicht verklarende factoren zijn. Onderzoek hiernaar, o.a. samen met het National Cancer Institute, Bethesda, Verenigde Staten, is nog gaande (zie Geneeskrachtige kruiden en giftige planten). Ook leverkanker komt meer voor dan in Europa, hoewel minder dan in Afrika en Azie. Huidkanker ziet men vrij veel onder de blanke inheemse bevolking van Saba. Kanker van de vrouwelijke borst, de prostaat, de blaas, dikke darm en endeldarm, komt op de eilanden opvallend weinig voor. R. Eibergen promoveerde in 1961 op het proefschrift Kanker op Curacao. S.C. Freni (1981) deed in 1979 een vervolgonderzoek over de periode 1974-1978. Ook werden gegevens verzameld over de periode 1962-1973 (S.Y. de Boer). Interessant in dit verband is de bevinding dat slokdarmkanker in de periode 1974-1978 een duidelijke daling vertoont, namelijk 17,1 voor mannen en 8,3 voor vrouwen per 100.000 mannen of vrouwen.

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 8 Paragraaf 9: Oogziekten

Oogziekten waren in vroeger jaren frequent; om deze reden kwam een verbod om de huizen wit te schilderen (1817); trachoom kwam in het eerste kwart van deze eeuw nog zeer vaak voor.

Paragraaf 10: Tuberculose

Terwijl tussen 1938 en 1944 nog 5,3% van alle sterfgevallen op Curacao door tuberculose werd veroorzaakt is dit percentage thans geslonken tot 0,5. Sedert 1959 vindt een tweejaarlijks onderzoek onder schoolkinderen en bewoners van instituten en tehuizen plaats; in 1967 reageerden onder hen nog slechts 1,26% positief op de P.P.D.-proef, wat getuigt van een zeer geringe besmetting onder de jonge bevolking. Met de georganiseerde bestrijding van tuberculose werd op Curacao in 1936 begonnen, toen het Rode Kruis een consultatiebureau oprichtte. Ook in 1936 werd een speciale afdeling van het St. Elisabeth Hospitaal, het Theresia Paviljoen, geopend, voornamelijk voor patinten die afkomstig waren van de overige eilanden van de Nederlandse Antillen. In die periode 1936-1945, werden gemiddeld 120 patienten per jaar opgenomen, waarvan 24% overleed. In de periode 1946-1958 kon de behandeling worden uitgebreid met nieuw ontdekte anti-tuberculeuze middelen. Het aantal opnamen daalde tot gemiddeld 90 per jaar, de sterfte van het aantal opgenomen patienten daalde tot 6%. Dit was 1,1% van de totale sterfte op Curacao. Van 1936 t/m 1958 had dr. A. van der Sar de leiding van de klinische behandeling van de tuberculosepatienten en van het consultatiebureau. In 1959 kwam de eerste longarts, de Antilliaan dr. T.A.J. Kroon, op Curacao; hij werd belast met de zorg voor t.b.c.-patienten en de preventie van deze ziekte. In de periode 1959-1965 nam het aantal opgenomen patienten weer toe tot gemiddeld 100 per jaar; de sterfte bedroeg toen 4%. Na 1966 werd het aantal opgenomen patienten zoveel kleiner (gemiddeld 50 per jaar), dat het Theresia Paviljoen kon worden gesloten. De patienten werden ondergebracht in een afdeling van het sanatorium. Behalve naar tuberculose werd omstreeks 1975 op Curacao een uitgebreid onderzoek door de longarts Westermann ingesteld naar chronische niet-specifieke longziekten (C.A.R.A.), wat resulteerde in een proefschrift (1977).

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 8 Paragraaf 11: Neurologische ziekten

De neurologische ziekten die het meest in het oog vallen zijn op Curacao: stoornissen in de hersencirculatie op basis van arteriosclerose en epilepsien. Epilepsien vormen een apart probleem door de slechte compliance ten aanzien van het medicamentengebruik dat de patienten aan de dag leggen. Neurologische aandoeningen ten gevolge van intoxicaties met alcohol en avitaminose komen vaker voor dan in Nederland. Ook familiaire erfelijke degeneratieve afwijkingen van het zenuwstelsel zijn vermoedelijk iets frequenter dan in Nederland. Multiple sclerose is nog steeds een zeldzaamheid in de Nederlandse Antillen.
In 1981 kwam wederom een epidemie van kinderverlamming op Curacao voor.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 9: Gezondsheidszorg Benedenwindse Eilanden

Sectie 9: Curacao

Paragraaf 12: Algemeen

De huisartsenzorg is in handen van ca. 80, merendeels individueel gevestigde, huisartsen. Dit is 1 huisarts op 2.000 inwoners. De wijkverpleging is sinds 1946 op Curacao gevestigd en wordt momenteel verzorgd door 3 onafhankelijke stichtingen, t.w. de Neutrale Wijkverpleging, de Wijkverpleging Curacao en de Wijkverpleging Prinses Margriet. Met ca. 50 verplegenden geven zij gezamenlijk zorg aan ca. 1.300 patienten per jaar.

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 9 Paragraaf 13: Ziekenhuizen

Op Curacao kwam het eerste militaire hospitaal tot stand in 1807, door toedoen der Engelse bezetters. De eerste operatie onder ethernarcose vond in 1839 in een als militair hospitaal ingericht woonhuis in Otrobanda plaats. Eerst in 1852 werd een ruim hospitaal - het huidige Curacaosch Museum gebouwd, dat in 1892 voor het in Indische paviljoenstijl gebouwde Plantersrust werd verlaten. Ook burgers konden daar worden opgenomen; in 1923 werd het opgeheven. Het Eilandgebied Curacao beschikt in 1984 over 2 ziekenhuizen: het St. Elisabeth Hospitaal met 781 bedden en het Adventziekenhuis met 33 bedden. Per 1000 inwoners is dat ca. 5 bedden. Voor de klinische psychiatrie is er de Dr. David Ricardo Capriles Kliniek met 240 verplegenden en een opnamecapaciteit voor ca. 450 patienten. Sinds 1952 is er ook een kraamkliniek met 23 bedden. Momenteel biedt dit opvang voor ca. 1000 bevallingen per jaar. In 1854 werd op initiatief van de R.K. Begrafenis Sociteit Christelijke Weldadigheid de eerste steen gelegd voor het huidige St. Elisabeth Hospitaal. Op 3 december 1855 ving, met 1 patient en 3 zusters franciscanessen uit Breda, de verpleging aan en werd de grondslag gelegd voor wat nu het grootste ziekenhuis van de Nederlandse Antillen is. In 1964 ging de bestuurlijke leiding over in lekenhanden.

Samen met het Sanatorium Het Groene Kruis, opgericht in 1914 door o.a. dr. C.A. Zeppenfeldt en de Vereniging Protestantse Gemeente, en daarna sinds 1928 onder beheer van de Shell Curacao N.V., werd het ziekenhuis ondergebracht in de Stichting St. Elisabeth Hospitaal.

Het hospitaal met ruim 1.300 man personeel is thans de op twee na grootste werkgever op Curacao met ca. 520 verplegenden verzorgt het ca. 14.600 opnamen per jaar. Het hospitaal beschikt over vrijwel alle diagnostische faciliteiten alsmede over een modern ingerichte polikliniek met ca. 57.000 consulten per jaar. In het St. Elisabeth Hospitaal zijn met ca. 50 specialisten alle moederspecialismen aanwezig, terwijl er voor de urologie, de plastische chirurgie en de neurochirurgie 3-maandelijke consulentschappen, in samenwerking met de Rijksuniversiteit van Groningen plaatsvinden. Sedert 1967 bestaat er een nauwe samenwerking tussen het St. Elisabeth Hospitaal en de Medische Faculteit der Rijksuniversiteit van Groningen. De samenwerking, belichaamd in de Nederlands-Antilliaanse Stichting voor Klinisch Hoger Onderwijs (N.A.S.K.H.O), komt tot uiting in de plaatsing van jaarlijks ca. 20 co-assistenten die hun volledige curriculum, afgesloten met het officiele Nederlandse artsexamen, in het St. Elisabeth Hospitaal doorlopen. Daarnaast is het St. Elisabeth Hospitaal door de Specialist en Registratie Commissie officieel, als B-opleidingsinstituut, erkend voor de specialisaties Kindergeneeskunde, Interne Geneeskunde en Neurologie.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 10: Aruba
Paragraaf 14: Algemeen

De Eilandenregeling bracht Aruba in 1953 zijn eigen Geneeskundige en Gezondsheidsdienst (G.G.D.). Als eerste hoofd van de Gezondheidsdienst nieuwe stijl fungeerde vanaf 1956 tot 1971 de arts O. Bijl. In 1983 kent de Arubaanse Gezondheidsdienst een 6-tal afdelingen: de Administratie, de Hyginische dienst, de Ambulancedienst, de Gele-koortsmuskietenbestrijding, het Medisch Centrum San Nicolas en de Para-medische dienst. Aan minvermogenden, de zogenaamde Pro Paupere (P.P.)-patienten, wordt gratis hulp verstrekt door 19 districtsartsen en 13 specialisten. In tegenstelling tot Curacao wordt op Aruba door 9 tandartsen en assistenten gratis aan minvermogenden uitgebreidere tandheelkundige hulp verstrekt. De gezondheidstoestand op het eiland Aruba mag als heel gunstig worden gekenschetst. Van de jongens en meisjes die in 1980 zijn geboren, is de levensverwachting, resp. 68,2 en 75,4 jaar, gunstig afstekend bij West-Europese landen. Uit het Arubaans mortaliteitsregister blijkt, dat over de afgelopen 20 jaar de totale mortaliteit gemiddeld 45,5 per 10.000 inwoners per jaar heeft bedragen, wat neerkomt op omstreeks 300 per jaar. Ter vergelijking: in Nederland bedroeg de mortaliteit in 1975 83 per jaar per 10.000 inwoners en op Curacao 49 per 10.000 inwoners.

Voor de periode 1961 tot 1982 zijn de doodsoorzaken geanalyseerd van de op Aruba overleden inwoners:

  • 37,4% overleed aan hart- en vaatziekten,
  • 18,2% aan kanker,
  • 12,5% ten gevolge van ongevallen, waarbij 5,8% aan verkeersongevallen,
  • 5,1 % infectieziekten,
  • 4,2% ziekten van de ademhalingswegen,
  • 4,2%  ziekten van het maag-darmkanaal en
  • overige oorzaken 18,4%.

Deze getallen vertonen grote overeenkomsten met die van Nederland, echter het aantal overledenen ten gevolge van ongevallen is op Aruba beduidend hoger: 12.5% tegenover 5,9% in Nederland. Vooral het aantal verkeersongevallen op Aruba is erg hoog. Bij circa 50% van de ongevallen op Aruba is alcoholgebruik mede de oorzaak.

In de periode 1960-1982 blijkt de totale mortaliteit per 10.000 inwoners op Aruba nauwelijks veranderd te zijn. De perinatale sterfte, waaronder verstaan wordt het aantal doodgeborenen of in de eerste levensweek overledenen, was in 1976 in Nederland het laagst ter wereld: 14,2 per 1.000 geborenen. Voor Aruba bedroeg dit getal in 1974 22 en in 1979 19. De zuigelingensterfte, de sterfte gedurende het eerste levensjaar, bedroeg in 1981 op Aruba 12 per 1.000 geborenen, op Bonaire 6, op Curacao 17, op de Bovenwinden 4 en gemiddeld voor de Nederlandse Antillen gezamenlijk 14 per jaar (Nederland 10,5 per jaar in 1976).

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 10 Paragraaf 15: Ziekenhuizen

Aruba's eerste "officiele" ziekenhuis werd omstreeks 1870 gevestigd te Cunucu Abao op initiatief van gezaghebber Ferguson. In dit ziekenhuis werden voornamelijk Europeanen ondergebracht waarvan sommigen aan gele koorts leden. Het was overigens een ruimte van 30 voet lang en 12 voet breed (1 voet is ongeveer 0,333m). Het tweede "officiele" ziekenhuis werd omstreeks 1900 gevestigd in een oud Arubaans huis, eigendom van de erven Guillermito Oduber, nabij de huidige protestantse kerk in Oranjestad en tegenover het huis van de eerste Arubaanse arts, dokter Horacio E. Oduber, die zich rond de eeuwwisseling op Aruba vestigde, en bij de oprichting van dit ziekenhuis de enige geneesheer op het eiland was. Dus ter hoogte van de kruising Wilhelminastraat - Rifstraat. In 1913 liet gezaghebber H.J. Beaujon de oude openbare school op de hoek V.G. Emanstraat / Miraflorweg te Oranjestad inrichten als Aruba's derde "officiele" ziekenhuis met een capaciteit van 13 bedden. Dit hospitaal bevond zich ongeveer op een steenworp afstand van de Gouvernementswatertoren. Op 29 september 1920 werd het San Pedro di Verona Hospitaal plechtig ingewijd door de toenmalige bisschop mgr. Vuylsteke. Dit eerste "echte" ziekenhuis was gelegen op het landgoed Dividivi te Oranjestad in het oude zusterhuis van de zusters dominicanessen. Het San Pedro di Verona Hospitaal ontstond als een resultaat van het gezamenlijk initiatief van mgr. M.G. Vuylsteke en de toentertijd op Aruba werkende Amerikaanse arts dokter G.R. Hopkins. Er werd in 1920 begonnen met 20 bedden. Dit ziekenhuis beschikte bij zijn 50-jarig bestaan over 230 bedden, verloskamers, operatiekamers, intensive care unit, rontgenafdeling, apotheek en E.H.B.O.-polikliniek.

In april 1929 werd op het terrein van de Lago-olieraffinaderij het Lago Hospitaal geopend ten behoeve van de Lago werknemers en hun gezinnen. De capaciteit van dit ziekenhuis bedroeg ongeveer 120 bedden. Het ziekenhuis werd in 1970 gesloten, omdat het aantal employees van 8.000 (1954) naar 1.500 (1970) geslonken was. Het Lago Hospitaal beschikte o.a. over operatiekamers, verloskamers, laboratorium, polikliniek, apotheek en bibliotheek en werd bediend door een aantal Amerikaanse en Nederlandse artsen, o.a. de internisten J.D. Schendstok (1938) en B. Dalhuysen (1956-1973).

In oktober 1929 opende de Arend Petroleum Maatschappij (Shell) te Bubali haar eigen ziekenhuis, dat in januari 1943 weer gesloten werd. Over dit Shell ziekenhuis is weinig bekend, behalve dat het geleid werd door de Nederlandse arts dokter W.L. Harmsen, die tevens als chirurg optrad voor zowel het San Pedro Hospitaal als het Shell-ziekenhuis.

In november 1945 arriveerde de eerste chirurg voor het San Pedro Hospitaal dokter A. Schlachter, gevolgd in 1946 door de eerste internist dokter J. Brouerius van Nidek en de eerste K.N.O.-arts dokter P.F. van Bemmel. De zusters dominicanessen hebben vanaf het begin tot 1957 een zeer groot aandeel gehad in de werkzaamheden van het San Pedro di Verona Hospitaal. In 1957 namen de zusters franciscanessen een groot aantal functies over, waarvan zij nu nog een deel vervullen. In 1976 werd het huidige Dr. Horacio E. Oduber Hospitaal geopend. Dit supermoderne ziekenhuis werd met behulp van Nederlandse ontwikkelingsgelden gebouwd, en beschikt over 280 bedden, een staf van 25 specialisten, diverse operatiekamers, diverse verloskamers, een intensive care unit (5 bedden), een haemodialyse unit (3 bedden), apotheek, rontgenafdeling inclusief echografie, bloedbank, fysiotherapie, revalidatie-afdeling, E.H.B.O., bibliotheek en spreekkamers voor specialisten, terwijl het Landslaboratorium zich tevens binnen dit gebouw gevestigd heeft. Het ziekenhuis heeft tevens een door Nederland erkende verpleegstersopleiding; er worden regelmatig co-assistenten opgeleid voor hun artsexamen. Sinds 1984 beschikt het ziekenhuis ook over een psychiatrisch centrum zodat de patienten op Aruba behandeld kunnen worden; het aantal bedroeg van 1974-1983 gemiddeld 49-116 personen per jaar.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 11: Bonaire

De Geneeskundige Dienst van het eiland Bonaire beschikte per 31 december 1982 over 5 gouvernementsartsen, 1 tandarts, 1 vroedvrouw, 1 wijkverpleegster en 4 analisten / assistenten in het Landslaboratorium. Specialisten bezoeken het eiland Bonaire periodiek.

Spoedgevallen worden door een vliegtuig van de Bonaire Petroleum Corporation van Bonaire naar Curacao overgevlogen. Op Bonaire werd in 1922 het St. Franciscus Hospitaal (zusters franciscanessen) opgericht en grondig vernieuwd in 1944. Het nieuwe ziekenhuis werd op 5 januari 1977 in gebruik genomen. Dit ziekenhuis beschikt momenteel over 72 bedden en 2 couveuses. Het ziekenhuis beschikt echter niet over specialisten. Er is een moderne E.H.B.O.-afdeling en een verloskamer met 2 bedden waar de 4 gevestigde huisartsen met 24 verplegenden op adequate wijze medische hulp bieden. De goed ingerichte operatiekamer is verder slechts operationeel bij incidentele bezoeken van de Oogheelkunde en Keel-, Neus- en Oor- (K.N.O.) specialisten uit Curacao. Voor verdere specialistische behandeling en grotere ingrepen is men nog steeds aangewezen op het Sint Elisabeth Hospitaal te Curacao.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 10: Gezondsheidszorg Bovenwindse Eilanden

Het ziektepatroon op de Bovenwindse Eilanden is in het algemeen niet verschillend met dat van de Benedenwindse; wel komt op Saba onder de blanke bevolking opvallend veel huidkanker voor, verband houdende met de blootstelling aan het zonlicht.

Hoewel elk van de drie Bovenwindse Eilanden over eigen faciliteiten beschikt, wordt het eiland St. Maarten met de aanwezigheid van haar specialismen gebruikt als het primaire klinische verwijsstation. Intensief telefonisch contact tussen de artsen op Saba en St. Eustatius met de specialist op St. Maarten kan worden gevolgd door transport van de patient; overdag per vliegtuig en 's nachts eventueel per schip. De landsapotheker gevestigd op St. Maarten waarborgt een continue geneesmiddelenleverantie aan de dependances op Saba en St. Eustatius.

Geneeskunde  Hoofdstuk 10 Sectie 12: St. Maarten

Er was tot 1960 sprake van een tendens tot emigratie (voornamelijk naar Aruba en Curacao), die in schril contrast staat met het explosieve karakter van de bevolkingsaanwas in de 1970er jaren, een trend waar nog geen einde aan is gekomen. Immigratie vanuit de omringende eilanden (Haiti, St. Kitts en Nevis, Dominica, Grenada) drukt een stempel op de problematiek, waarmee de gezondheidszorg kampt. Er dreigt zelfs import van ziekten, zoals tuberculose. Het aantal (legale) inwoners kan in 1983 worden geschat op ruim 13.000. De dienstensector in de volksgezondheid heeft helaas geen gelijke tred kunnen houden met deze te snelle bevolkingsgroei. Met de georganiseerde dienstverlening houden zich drie instanties bezig:

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 12 Paragraaf 16: De Landsoverheid

Via het bijkantoor van het Departement van Volksgezondheid worden voornamelijk inspectie en toezicht uitgeoefend. De landsapotheek is operationeel vanuit Philipsburg en voorziet de 3 eilanden van benodigde medicijnen. De landsoverheid subsidieert en waarborgt hiermee een continue aanvoer van geneesmiddelen.

Paragraaf 17: De Eilandsoverheid

Het Eilandgebied St. Maarten leidt zijn gezondheidszorg-activiteiten vanuit het kantoor der G.G.D. De taken van de G.G.D. bevinden zich zowel op het preventieve als het direct klinisch-therapeutische vlak. Aan het hoofd staat een medicus, die zijn specialisme part-time beoefent, primair de dagelijkse leiding van het kantoor voert en het Bestuurscollege adviseert inzake vraagstukken de gezondheidszorg rakende. De G.G.D. beschikt over een afdeling milieuhygiene. Het takenpakket omvat o.m. de inspectie van hotels en restaurants en de drinkwatercontrole. Voorts een Veterinaire Dienst met aan het hoofd een dierenarts. Deze dienst houdt zich o.m. bezig met de vleeskeuring en het toezicht op de import van levende dieren. Een schoolartsendienst onder leiding van de schoolverpleegkundige verzorgt o.m. een vaccinatieprogramma en schooltandheelkunde. Momenteel zijn 6 huisartspraktijken operationeel, waarvan 3 onder de verantwoordelijkheid vallen van de G.G.D. De 6 Antilliaanse huisartsen hebben een nauw samenwerkingsverband en fungeren 's avonds en in het weekeinde als E.H.B.O.-arts in het St. Rose Hospital. De specialistische zorg berust in eerste instantie bij de aanwezige specialisten in gouvernementsdienst: de internist, de algemeen chirurg, de kinderarts, de oogarts, de rontgenoloog en de vrouwenarts.

Visiterende specialisten (K.N.O.-arts en dermatoloog afkomstig uit Curacao en Aruba) doen de Bovenwindse Eilanden eens per vier maanden aan.

De verloskunde wordt in eerste instantie bedreven door de huisartsen en de gouvernementsverloskundige. De bevallingen (ca. 400 per jaar) worden zoveel mogelijk gecentraliseerd in het St. Rose Hospital. Uiteraard kan niet het hele scala der specialistische zorg op St. Maarten worden geboden. Gedurende 1980 werden via het kantoor van de G.G.D. 263 gouvernementspatienten voor medische behandeling naar elders verwezen, voornamelijk naar Curacao en Puerto Rico. Op tandheelkundig gebied zijn momenteel 2 gouvernements- en 2 particuliere tandartsen werkzaam.

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 12 Paragraaf 18: De Stichting Wit-Gele Kruis

De activiteiten van deze Stichting op het gebied van de gezondheidszorg zijn velerlei. Zij exploiteert het ziekenhuis (St. Rose Hospital) en het bejaardenverpleegtehuis (St. Martin's Home). Onder haar hoede vallen de wijkverpleging, de zuigelingenzorg en in samenwerking met de Stichting New Friends het dagverblijf voor gehandicapten. Het St. Rose Hospital met 55 bedden heeft een moderne rontgenafdeling, een operatiekamer, een laboratorium en een E.H.B.O.-afdeling. De bezettingsgraad ligt nu op 60%.

Paragraaf 19: De wijkverpleging

Een goed functionerende dienst van 5 verpleegkundigen, die o.m. als taak heeft: bejaardenzorg voor thuiswonende bejaarden, verpleegkundige thuiszorg, zuigelingen- en kleuterzorg en het leiden van een dagverblijf voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten.

De financiering van de gezondheidszorg geschiedt voornamelijk door de eilandelijke overheid (P.P. patienten en ambtenaren) en door de Landsoverheid, die participeert in de Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.). (Zie Sociale voorzieningen).

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 9 Sectie 13: Saba

Voor de ruim 1.000 inwoners zijn de gezondheidsvoorzieningen gecentraliseerd in The Bottom. Aan het eind der 1970ger jaren is een medisch centrum gebouwd, bestaande uit een bejaardenverpleegtehuis (20 bedden) gekoppeld aan een ziekenhuis (ca. 15 bedden) met poliklinische faciliteiten voor de enig aanwezige huisarts in gouvernementsdienst en de bezoekende specialisten. Tevens wordt tweemaal per week gebruik gemaakt van een polikliniek te Windwardside.


Sectie 14: St. Eustatius

De structuur van de voorzieningen in de gezondheidszorg is te vergelijken met die van het zustereiland Saba. De ruim 1.500 inwoners kunnen beschikken over gecentraliseerde faciliteiten in Oranjestad. Deze bestaan uit een ziekenhuis annex verpleegtehuis (capaciteit ca. 22 bedden), dat adequaat, maar minimaal is geoutilleerd. In 1978 werd een begin gemaakt met de bouw van een nieuw medisch centrum, dat een ziekenhuis en een bejaarden-verpleeginrichting zou integreren.

 

Geneeskunde  Hoofdstuk 11: Literatuur

  • S.Y. de Boer, Frequentie van kanker van mond-tong-pharynx-slokdarm in de Nederlandse Antillen (1979);
  • R. Eibergen, Kanker op Curacao (diss. 1961);
  • I. Ekker, Voeding en voedingstoestand van Curacaosche schoolkinderen (diss. 1966);
  • C.J.H. Engels, Het Sint Elisabeth Hospitaal te Curacao in West-Indie 1855-1972 (1981);
  • Ch. J.H. Engels, G.E. van Zanen, R.F.W. Boskaljon, Van Geneeskunst en Leefgewoonten, Curacao (1963);
  • S.C. Frenie, Kankerfrequentie in de Nederlandse Antillen, een orienterend onderzoek over de jaren 1974-1978. Ned. T. Geneesk. (1981), 125, 181-187;
  • G.T. Haneveld, De geschiedenis van de militaire geneeskundige dienst op de Nederlandse Antillen, Mil. Geneesk. Tijdschr., 17 (1964), 281-286;
  • H. Irausquin-Cath, Blood levels and nutritional status of adult Curacaoans (diss. 1969);
  • P.E. de Jong, Sickle cell nephropathy. New insights into its pathophysiology (diss. 1980);
  • Mededelingen Gezondheidsdienst Bonaire 1983;
  • J.D. Nossent en F.J.F.E. Vismans, Azijnzuurintoxicatie op Curacao. Ned. T. Geneesk. (1982), 126, 1180-1183;
  • P.J. Offringa, L. Knol, I. Pedro, R.A. Martinez, E.R. Boersma, Can perinatal health be measured in kilo's. In: Essays dedicated to Prof. Dr. Carlos A. Winkel on the occasion of his retirement April 1983 (1983);
  • P.J. Offringa, R.A. Martinez, I. Pedro, E.R. Boersma, Child healthcare in the Caribbean. Changing patterns of disease, health and socio-economic conditions from 1950 to 1980. In: Essays dedicated to Prof. Dr. Carlos A. Winkel on the occasion of his retirement April 1983 (1983);
  • Rapport Kindergeneeskunde 1975-1982 St. Elisabeth Hospitaal Curacao;
  • A. van der Sar, The occurrence of carriers of abnormal haemoglobin Sand C on Curacao (diss. 1959);
  • L.W. Statius van Eps en E. Luckman-Maduro (Red.), Van Scheepschirurgijn tot Specialist. 333 Jaar Nederlands-Antilliaanse geneeskunde (1973);
  • F. Steenmeyer, Food and nutrition of Arubans (1957);
  • H.C. Tjon Sie Fat, Onderzoek naar de sociaal-hygienische toestand op de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (diss. 1954);
  • B. Vinke, De megaloblastaire voedingsanaemie op Curacao (diss. 1954);
  • C.J.J. Westermann, Chronic non-specific lung disease (C.N.S.L.D) in Curacao (N.A.) (diss. 1977);
  • Wit-Gele Kruis Nederlandse Antillen. Gedenkboek bij het 25-jarig jubileum (1966);
  • G.E. van Zanen, Expression of the haemoglobin S gene on the island of Curacao (diss. 1962).

 

@: Geologie

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Algemeen

Hoofdstuk 2: Aruba

Hoofdstuk 3: Curacao

Hoofdstuk 4: Bonaire

Hoofdstuk 5: Saba

Hoofdstuk 6: Sint Eustatius

Hoofdstuk 7: Sint Maarten

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Hoofdstuk 1: Algemeen

De aardkundige geschiedenis van de drie Benedenwinden begon reeds honderd miljoen jaar geleden toen onderzeese erupties en oceanische afzettingen (sedimentatie) een dik gesteentepakket vormden, dat circa zestig miljoen jaar geleden tot boven zeeniveau werd opgeheven. Vervolgens werden de eilanden omgeven met gordels van koraalkalksteen.

De grondslag voor St. Maarten werd circa vijftig miljoen jaar geleden gelegd, ook door vulkanische activiteit en marine sedimentatie. Vijfendertig miljoen jaar terug kwam het door tektonische opheffing (opwaartse beweging van de aardkorst) als eiland boven de zeespiegel tevoorschijn, en vervolgens werden wat ondiep-marine lagen op de randen van het eiland afgezet. St. Eustatius en Saba zijn allebei jonge vulkaankegels, de vulkaanactiviteit van Saba is pas ten tijde van Columbus ingesluimerd.

 

Hoofdstuk 2: Aruba

Aruba's oudste formatie - grotendeels voorkomend in het midden van het eiland - bestaat uit gesteenten van overwegend vulkanische aard: diabazen, diabaastuffen en diabaasconglomeraten. Een deel van de tuffen (met radiolarien) is submarien afgezet, in een vermoedelijk ondiepe zee nabij de vulkanen. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van versteende inktvisschelpen (ammonieten) bij Boca Druif. De diabaasrolstenen van de conglomeraten hebben, voor hun afzetting op Aruba, een tamelijk grote afstand afgelegd.

De diabaasformatie werd, diep in de ondergrond, onderworpen aan gebergtevormende bewegingen, terwijl tezelfder tijd tonalitisch magma erin doordrong. Het proces van samenplooiing was zeer intensief, hetgeen blijkt uit de steile stand van de oost-west strekkende tuflagen. Door de hoge druk en hitte werd een groot gedeelte van deze formatie gemetamorfoseerd: de diabazen werden omgevormd tot oeralietdiabazen, de tuffen tot hoornblendeschisten. Dicht bij het contact met het gloeiendhete magma ontstonden uit de diabazen amfibolieten en verwante zogenaamde contactmetamorfe gesteenten.

De relatief grote resistentie tegen erosie van de ten dele metamorfe diabaasformatie blijkt uit het voorkomen op de hoogste toppen van het eiland, waaronder de Jamanota en Arikok (188 m). Het in de diabaasformatie gedrongen magma heeft tijdens de langzame afkoeling en kristallisatie - diep onder de toenmalige oppervlakte - verschillende gesteentetypen geleverd, die thans ten gevolge van de afbraak zijn blootgekomen. Het eerst gekristalliseerd zijn de kiezelzuurarmere gesteenten, zoals de hooibergiet van de Hooiberg (167,5 m), een restberg; gabbro's vinden we in het Matividiri-heuvelland.

Het meest algemeen is de tonaliet, terwijl granodiorieten en granieten ondergeschikt voorkomen. De tonaliet verweert gemakkelijk en vormt daardoor een laag niveau van gemiddeld 40 m (5-130 m); in het diorietlandschap zijn typerend de vele fraaie, door selectieve erosie ontstane blokhopen. Hetgeen van het magma overbleef nadat de hoofdmassa was gekristalliseerd, drong in de spleten daarvan en eveneens in spleten van de diabaasformatie, en stolde tot typische "gangen" van onder meer diorietporfiriet, vintliet, malachiet, apliet en pegmatiet. De gangen hebben overwegend een oost-west strekking, dezelfde dus als die van de samengeplooide diabaastuflagen. Als allerjongste magmatische en hydrothermale vormingen vinden we kwartsgangen en -aders. Het is vooral in deze kwartsgesteenten dat primair goud en metaalsulfiden voorkomen; ontginning ervan vond plaats in de jaren 1839-1916.

Een onderzoek van een Arubaans diorietgesteente in het Laboratorium voor Isotopen-Geologie, Amsterdam (1966) leidde tot een datering van 73 +/- 3 miljoen jaar, welke leeftijd aantoont dat de intrusie plaatsvond in het Boven-Krijt (Campanien). Dioritische gesteenten van ongeveer gelijke ouderdom komen voor in Jamaica, Hispaiola en Puerto Rico. Tijdens en na de plooiingsintrusiefase in het Boven-Krijt vond een sterke opheffing plaats en, daarmee gepaard, afbraak der gesteenten. Over de oudere formaties werden tertiaire en quartaire marine sedimenten afgezet. Oud-tertiaire (boven-eocene tot onder-miocene) kalksteen is slechts van de westzijde van het dal bij Butucu bekend en rust hier direct op de kwartsdioriet. De kalk is zeer zuiver en bevat veel fossiele foraminiferen (een-cellige diertjes).

Economisch belangrijk zijn de in het Quartair of eerder gefosfatiseerde kalksteenvoorkomens van zuidoost-Aruba. Bij de Ceru Colorado, Ceru Culebra en bij Banki Jerome zijn deze gefosfateerde kalken op grote schaal ontgonnen in de jaren 1881-1914. De kalk zelf is op grond van enkele koraaldeterminaties als Oligoceen gedateerd. Opmerkelijk zijn fossiele haaietanden en beenderen van zeekoeien (Manatus sp.) in de fosfaten.

Uit een in 1942 in Oranjestad uitgevoerde proefboring ten behoeve van de zoetwatervoorziening (het resultaat was slechts zoutwater) is bekend geworden dat zich onder een dik pakket kalken en conglomeratische kalken (correleerbaar met laat-miocene, pliocene en quartaire kalken), op een diepte van 119 tot 253 m onder- en/of midden-miocene zanden en kleien bevinden, afgezet in een ondiepe zee nabij het toen grotendeels boven zee verkerende eiland.

Pas in het laat-Mioceen of Plioceen kwam het grootste gedeelte van het eiland onder zee te liggen. In midden- tot noordwest-Aruba en in zuidoost-Aruba bleven twee kleine tonalietgebieden boven zee; daaromheen groeiden koraalriffen welker, oorspronkelijk onderzees gevormde, koraalpuin-hellingafzettingen zich nu, door latere opheffing, boven zee bevinden. Voorbeelden van deze opgeheven hellingafzettingen, waarvan de laagvlakken tot maximaal 30-graden zeewaarts hellen, zijn: Bucurui, Ceru Canashitu, Ceru Teishi, Isla, Ceru Alejandro en enkele kleinere voorkomens tussen Kivarcu en Ceru Grandi, noordelijk van San Nicolas. De afzettingen bevatten kwarts- en diorietrolstenen, afkomstig van de tonalieteilanden.

Reeds tijdens het laat-Mioceen of Plioceen werd het gebied geleidelijk opgeheven. Veel koraalriffen gingen door erosie verloren en de jongere gedeelten der hellingafzettingen, zoals de omgeving van Balashi, vertonen een duidelijke toename van het gehalte aan terrigeen afbraakmateriaal, afkomstig uit het gebied van de oude metamorfe diabaasformatie.

De opgeheven hellingafzettingen ondergingen secundaire dolomitisatie.

Naast de in het Jong-Tertiair begonnen rijzing van het gebied en de daardoor veroorzaakte relatieve zeespiegeldaling, traden gedurende het Quartair, onafhankelijk van deze eigen beweging, zeespiegelfluctuaties op (zie Geologie: Curacao), tot uiting komend in de vorming van koraalgroeiterrassen. Zulke accumulatie(aangroei)terrassen, identiek in ontwikkeling en topografische hoogte aan die der andere Benedenwindse Eilanden, zijn, van oud naar jong: het Hoogterras (hoogte aflopend van 90 tot 45 m) in de omgeving van Butucu en geassocieerd met afzettingen van fossiele kalkzandduinen (eolianieten); het Middenterras (45 tot 10 m), aanwezig als een discontinue strook tussen Fontein en Ceru Colorado, langs de loefzijde; en het Laagterras (10 m), dat vrijwel geheel Aruba omzoomt. De terraskalken zijn niet gedolomitiseerd en vertonen vele koraalkolonies in groeipositie.

Gedurende het Jong-Tertiair en Quartair heeft zich in de boven zee gezeten gesteenten, vooral in de niet-kalkige en oudere formaties, een sterke erosie en niveauverlaging voorgedaan. Tijdens de lage zeespiegelstand van ongeveer 20 meter onder huidig zeeniveau, voorafgaand aan de vorming van het Laagterras, zijn in de lage, vlakke, centrale delen van Aruba wijdvertakte dalstelsels ontstaan. Bij de hierna volgende zeespiegelrijzing liepen deze dalstelsels vol en vormden zich zogenaamde binnenbaaien (zie Geologie: Curacao). Op Aruba zijn de binnenbaaien na hun vorming weer opgevuld, met uitzondering van het Spaans Lagoen.

Een opvallend verschijnsel zijn de recente of subrecente koraalpuinwallen op enige afstand van de kust. Zowel aan de loefzijde, tussen Rincon en Boca Grandi, als aan de lijzijde, tussen Oranjestad en San Nicolas, vindt koraal- en rifgroei plaats op een afstand van enkele honderden tot ongeveer duizend meter uit de kust. In de ondiepe lagune, die deze tot zeeniveau omhooggroeiende rifzone scheidt van de kust, zijn de omstandigheden te ongunstig voor koraalgroei. Aan de lijzijde van Aruba bevindt zich direct aansluitend aan de rifzone een discontinue koraalpuinwal. Door uitbaggeren van de lagune en openingen in deze wal zijn de natuurlijke havens voor schepen met grote diepgang toegankelijk gemaakt.

In tegenstelling tot Curacao en Bonaire, die door zeediepten van meer dan duizend meter gescheiden zijn van het Zuid-Amerikaanse vasteland en daardoor, in elk geval van het Jong-Tertiair af, als oceanische eilanden bestempeld kunnen worden, bestaat voor Aruba, door een zeediepte van niet meer dan ruim 200 meter van het vasteland gescheiden, de mogelijkheid van een jongtertiaire of quartaire landverbinding met Zuid-Amerika. 

 

Hoofdstuk 3: Curacao

Het oudste van Curacao bekende gesteente is de Curacao-lavaformatie (diabaas), een monotone serie van ten minste 1.000 meter dikte, die vrijwel geheel bestaat uit onderzees uitgevloeide bazaltische lava's. Plaatselijk wisselen de lava's af met tuf-achtige gesteenten, waarin hier en daar resten van marine organismen voorkomen, zoals op de Ronde Klip aangetroffen fossielen (zie @: Fossielen: Fossiele ongewervelde dieren). Kleine lenzen van met riffen geassocieerde kalkstenen aan de top van de diabaas moeten van de continentrand af de diepzee zijn ingegleden waarin de lavaformatie zich vormde. Deze kalksteenlenzen zijn rijk aan fossielen. De Zevenbergen kalksteenlenzen bevatten vooral algen, koralen en rudisten (uitgestorven weekdieren met een vastzittende levenswijze). De Cas Abou kalksteenlenzen zijn vooral opgebouwd uit microscopisch kleine kalkschalen van eencellige organismen: foraminiferen. In een over het algemeen vrij diepe zee werden overwegend kiezelzuurrijke sedimenten afgezet: hoornstenen en radiolarieten, vooral opgebouwd uit de kiezelskeletten van in het water zwevende (pelagische) eencellige organismen, radiolarien. Afwisselend daarmee komen plaatselijk conglomeraten, zandstenen, tuffen, tuffieten en kalkige inschakelingen voor. Deze sedimenten rekent men tot de Knip-groep (genoemd naar plantage Knip). De Knip-groep is in het noordwestelijk deel van het eiland aanzienlijk dikker dan in het zuidoosten. Dit verschil is het gevolg van het niet overal gelijktijdig inzetten van de hierboven genoemde daling. In eerste instantie vormde zich een bekken waar zich nu noordwest-Curacao bevindt, terwijl op de plaats van het huidige centrale en zuidoostelijke deel landcondities voortduurden. Het grove, van dit landgebied afkomstige diabaaspuin gleed langs de waarschijnlijk vrij steile helling van het bekken naar de diepte, waar het de conglomeraatlagen vormde die nu afwisselend met diepwaterafzettingen gevonden worden. Enkele lenzen van koralen en rudisten bevattende rifkalken, de Seru Teintje kalksteen (de officiele naam van deze heuvels is thans Seru Treinchi), die tussen deze conglomeraten voorkomen, moeten mogelijk eveneens beschouwd worden als langs de helling van het bekken naar beneden gegleden blokken. Pas in een later stadium breidde de zee zich uit naar het zuidoosten en werden ook daar hoornstenen en radiolarieten afgezet. Lava's zijn vrijwel geheel afwezig in de Knip-groep. Wel wijzen tuffen en tuffieten in deze serie op een in de nabijheid werkzaam vulkanisme van explosievere aard en met uitwerpselen van een iets zuurdere (kiezelzuurrijkere) samenstelling. De zandstenen hoger in de serie bevatten fijnkorrelige afbraakprodukten van een in de nabijheid gelegen landmassief dat nu verdwenen is.

Aan de hand van fossielen, o.a. rudisten en foraminiferen, wordt de Knip-groep in het allerjongste deel van het Boven-Krijt (Campanien en Maastrichtien) gedateerd.

De voor de Knip-groep zo karakteristieke kiezelsedimentatie eindigde abrupt door de plotselinge afzetting van zeer veel van land afkomstig afbraakmateriaal, met name conglomeraten, zandstenen en schalies: de Midden-Curacao formatie. Deze gesteenten zijn ontsloten in een door plooiing ontstane depressie in het centrale deel van het eiland. Een smalle strook komt verder voor in het noordelijk deel van zuidoost-Curacao, waar de zuidflank van genoemd synclinorium te vervolgen is tot het landgoed Santa Catarina. De conglomeraten zijn geconcentreerd langs de noordflank van dit synclinorium. Naar het zuiden toe gaan zij geleidelijk over in zandstenen en schalies, alhoewel ook daar plaatselijk nog wel grovere inschakelingen voorkomen.

Zowel voor zandstenen en schalies als voor het merendeel van de conglomeraten wordt afzetting in vrij diep tot zeer diep water aangenomen. Transport van het materiaal naar de diepte zou hebben plaatsgevonden door middel van troebelingsstromen (suspensies van sediment in water). Alhoewel een groot deel van de afbraakprodukten bestaat uit fragmenten van gesteenten van de diabaas en de Knip-groep, zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat in het grensgebied van de Knip-groep en de Midden-Curacaoformatie land aanwezig was. Wel kan worden aangenomen dat in de directe nabijheid de gesteenteseries opgeheven werden - mogelijk als gevolg van het inzetten van gebergtevormende bewegingen - en detritisch materiaal gingen leveren aan een bekken waarvan het gebied van het huidige Curacao toentertijd een onderdeel vormde. Naast fragmenten van de Curacao-lavaformatie en de Knip-groep bevatten deze sedimenten vrij veel materiaal van elders: o.a. kwartsieten, amfibolieten, gneisen en schisten.

Het onderste deel van de Midden-Curacaoformatie is mogelijk nog van Krijtouderdom. Foraminiferen wijzen erop dat het grootste deel van de formatie echter tot het oudste deel van het Tertiair behoort (Danin).

Na afzetting van de Midden-Curacao-formatie vond - nog in het oudste Tertiair - plooiing plaats. De hierdoor ontstane structuur is in grote lijnen vrij eenvoudig: twee grote opwelvingen (anticlinoria) ter plaatse van het noordwestelijk en zuidoostelijk deel van het eiland, gescheiden door een depressie (synclinorium) in het centrale deel. In detail is de structuur veel gecompliceerder, met talloze secundaire anticlinalen en synclinalen, en met verschillende typen breuken waarlangs op- of afschuivingen plaatsvonden. Kleine gangen en plaatvormige intrusiegesteenten van intermediaire samenstelling langs zulke schuifvlakken in het gebied tussen de plantages Sint Kruis (Santa Cruz) en Sint Jan (San Juan) wijzen erop dat na de plooiing magma uit de diepte de bestaande gesteenteserie binnendrong. De plaatvormige intrusie tussen Brievengat en Santa Catarina en de gangen in de zandstenen en schalies van de Midden-Curacaoformatie in de omgeving van de Salina St. Marie zijn waarschijnlijk van gelijke ouderdom als de hiervoor genoemde intrusies. De porfierintrusies in de omgeving van het dorp Westpunt dateren mogelijk van voor de plooiing; hun ouderdom werd bepaald op 72 +/- 7 miljoen jaar (vergelijk dioriet Aruba). De plooiing- en intrusiefase werd gevolgd door opheffing en afbraak van het gebied. De huidige verdeling van de verschillende formaties is uiteraard sterk beinvloed door de gebeurtenissen in de periode tussen deze opheffing en nu. Toch moet de verdeling in grote trekken reeds voor het Eoceen tot stand gekomen zijn, aangezien sedimenten van deze ouderdom zijn afgezet op de gesteenten van de Curacao-lavaformatie, blootgelegd in de kernen van de anticlinoria. Deze lava's zijn nu over grote oppervlakten in het noordwestelijke en zuidoostelijke deel van het eiland ontsloten; aangezien zij gemakkelijk verweren, vormen zij weinig geaccidenteerde terreinen: In het synclinorium in het centrale deel van het eiland zijn de jongste, nog meegeplooide gesteenten van de Midden-Curacaoformatie voor erosie gespaard gebleven. Een smalle strook van hoornstenen en radiolarieten van de Knip-groep scheidt deze formatie van de diabaas. De Knip-groep is vooral ontsloten in het noordwesten, waar de harde hoornstenen en radiolarieten de hoogste toppen (onder anderen de Sint Christoffelberg, 375,4 m) vormen.

De tertiaire en quartaire gesteenten bestaan hoofdzakelijk uit kalken en gedolomitiseerde kalken, welke met een duidelijk hoekverschil (discordantie) rusten op de hierboven beschreven oudere, geplooide en voornamelijk niet-kalkige gesteenten.

Oud-tertiaire gesteenten zijn slechts schaars vertegenwoordigd. De belangrijkste voorkomens zijn: Ser'i Kueba, Seru Klof en de noordflank van Seru Mainshi in het oostelijk deel van Curacao. De marine sedimenten daarvan worden tot het Eoceen gerekend; zij bevatten plaatselijk een zeer grote rijkdom aan foraminiferen, naast fossiele zeeeegels, gastropoden en bivalven. De Eocene sedimenten zijn na hun afzetting aan een vrij zwakke plooiing onderworpen geweest; de tijd van deze plooiingsfase is niet nauwkeurig te bepalen, maar ligt in het interval tussen Eind-Eoceen en Jong-Mioceen, daar de jong-tertiaire gesteenteseries geen plooiingsverschijnselen vertonen. Uit het interval Eind-Eoceen tot Jong-Mioceen zijn, althans op Curacao, geen afzettingen bekend. In dit tijdsbestek zou een sterke opheffing het gebied boven zee hebben gebracht, zodat oudere gesteenten blootstonden aan erosie en marine afzettingen niet gevormd konden worden. Eerst in het Jong-Tertiair (Midden- tot Boven-Mioceen) breidde de zee haar invloed weer uit: het gebied verdween grotendeels onder zeeniveau en slechts de kleine centrale gedeelten van huidig noordwest- en zuidoost-Curacao bleven boven water.

In het Jong- Tertiair vond in het gehele Caribisch gebied een sterke koraal- en rifgroei plaats, ook rond de kleine boven zee verkerende delen van noordwest- en zuidoost-Curacao. Bij de latere opheffing van het gebied tot het tegenwoordige eiland werden deze riffen door erosie volledig verwijderd terwijl de oorspronkelijke onderzees gevormde koraalpuin-hellingafzettingen gedeeltelijk bewaard bleven. Deze opgeheven hellingafzettingen vormen nu de tot ongeveer 30 graden zeewaarts hellende kalken en dolomitische kalken, voornamelijk langs de lijzijde van Curacao. Bekende voorbeelden zijn: Veerisberg, Seru Pretu, Ser'i Domi en Fort Nassau in de directe omgeving van Willemstad, en de Tafelberg Santa Barbara bij Fuikbaai. De gesteenten zijn kalkig van aard, bevatten wisselende hoeveelheden afbraakmateriaal afkomstig uit oudere formaties en kunnen plaatselijk rijk zijn aan getransporteerde koraalkolonies, zeeegels, gastropoda en bivalven. Ingeschakeld komen ook lagen voor die rijk zijn aan pelagische foraminiferen, voornamelijk globigerinen.

De opheffing van de oorspronkelijk onderzees gevormde koraalpuinhellingen vond plaats in een verticale beweging, waarbij plooiing achterwege bleef. Daar identieke opgeheven koraalpuinhellingen van dezelfde ouderdom (Jong-Mioceen, Plioceen) ook op Aruba en Bonaire voorkomen, moet de opheffing als een regionaal verschijnsel worden opgevat. De opheffing verliep niet gelijkmatig: minstens eenmaal werd de opheffing onderbroken door een kortere periode van relatieve zeespiegelstijging. Ook gedurende het Quartair bleef er de tendens tot rijzing van het gebied, nu echter in wisselwerking met zeespiegelfluctuaties, veroorzaakt door landijsuitbreidingen en -inkrimpingen op hogere geografische breedten. Ondanks de verkoeling tijdens de IJstijden bleef koraalgroei in het Caribisch gebied gedurende het Quartair ongehinderd doorgaan.

De invloed van de quartaire relatieve zeespiegelbewegingen is op Curacao het duidelijkst af te lezen uit de vorming van diverse terrassen: marine accumulatie(aangroei)terrassen, ontstaan door koraalgroei, zoals die vooral aan de loefzijde tot ontwikkeling zijn gekomen. De kalken van deze terrassen zijn niet gedolomitiseerd en bevatten, in tegenstelling tot de jong-tertiaire koraalpuinhellingen, vele koraalkolonies in groeipositie. In het algemeen zijn de oudere terrassen topografisch hoger gelegen dan de jongere. Enkele erosieterrassen, te weten de basis van de uit fossiel kalkzandduin (eolianiet) opgebouwde tafelberg Sint Hironimus (200m boven zee), het topvlak van de Tafelberg Santa Barbara (aflopend van 196 m tot 160 m) en een smal terras aan de lagere, naar zee gekeerde zijde van dezelfde berg (150 m) worden tot de oud-quartaire vormingen gerekend.

Het oudste accumulatieterras, tot het Quartair behorend, is terug te vinden als een reeks van geisoleerd liggende kalkkappen tussen Seru Klof en Seru Yamanika, in het smalle deel van Curacao (140 tot 90m boven zee). Pas na de vorming van dit terras ontstond de landverbinding tussen noordwest- en zuidoost-Curacao. Jongere accumulatieterrassen zijn het Hoogterras (80 tot 60m), het Middenterras (bestaande uit twee gedeelten; 45 tot 25m en 25 tot 10m), en het vrijwel overal rondom Curacao aanwezige Laagterras (10m). Alleen die riffen zijn als terras behouden gebleven die zijn afgedekt met "hard" ground, een soort kalkpantser dat voorheen tijdens de vorming van het rif, dus onder water, ontstaan is.

Vooral het Laagterras is geomorfologisch van groot belang. Het ontstond na een periode waarbij de zeespiegel ongeveer 25m onder de huidige peil was gelegen. Tijdens en reeds voor deze lage zeespiegelstand was door erosie een groot deel der oudere en hoger gelegen kalkafzettingen verwijderd, waardoor de sneller eroderende oudere formaties in de centrale gedeelten van noordwest- en zuidoost- Curacao ontbloot werden. Tijdens deze lage zeespiegelstand ontstonden in het vlakke, lage binnenland wijdvertakte dalstelsels, welke elk op een plaats door de kalkomranding van het eiland een uitweg naar zee vonden. Bij de latere zeespiegelrijzing werd het Laagterras gevormd, hoofdzakelijk door lagunaire sedimentatie binnen een smal barriererif en verdronken de dalstelsels in het binnenland. Een gering relatieve zeespiegeldaling van ongeveer 10m bracht een deel van de Laagterras-afzettingen weer boven zee, doch was niet voldoende om de verdronken dalstelsels volledig te doen droogvallen. Deze binnenwateren zijn landschappelijk (recreatiegebied Spaanse Water) en economisch (haven van Willemstad) uitermate belangrijk.

De economisch belangrijke fosfaatafzettingen van de Tafelberg Santa Barbara - sedert 1875, met enkele onderbrekingen, ontgonnen -. zijn waarschijnlijk ontstaan als gevolg van chemische reactie tussen kalksteen en de uit een vroeger aanwezige bedekking van vogelguano omlaag diffunderende fosforzuren. In grot- en spleetopvullingen van deze Tafelberg zijn fossiele beenderen aangetroffen.


Hoofdstuk 4: Bonaire

De oudste gesteenten van Bonaire, behorende tot de Washikembaformatie, zijn evenals die op Curacao en Aruba voor het grootste deel van vulkanische herkomst. De Washikembaformatie bevat basische lava's, tuffen en intrusielichamen maar ook, anders dan op Curacao, vulkanieten rijker aan kiezelzuur: porfieren en porfiertuffen. Bovendien komen ingeschakelde hoornstenen en radiolarieten voor. De kiezelzuurarmere lava's en tuffen zijn vooral aanwezig in het oudste gedeelte van de formatie, d.w.z. in de omgeving van het Gotomeer en in een noordwest-zuidoost verlopende zone direct ten noorden van Dentera (Antriol) en Yatu Baku. Hoger in de seerie worden zij geleidelijk vervangen door porfieren en porfiertuffen, waarvan eerstgenoemden vaak prachtige zuilvorming vertonen, o.a. bij de hoogste top, de Brandaris (240,8 m). Het jongste deel van de formatie bevat weer lava's en intrusiva van basische samenstelling en de genoemde hoornsteen- en radiolarietinschakelingen. In de omgeving van de Seru Bentana en de Seru Meimei komt een conglomeraat voor, dat behalve materiaal afkomstig van de Washikembaformatie enkele koraalfragmenten van Boven-Krijtouderdom bevat. De totale dikte van de Washikembaformatie is ten minste 5.000 meter. De marine sedimenten - hoornstenen en radiolarieten - wijzen erop dat althans een deel van de formatie is afgezet in een onderzees bekken.

In de omgeving van het dorp Rincon worden de gesteenten van de Washikembaformatie bedekt door een ongeveer 200m dikke serie kalkstenen, conglomeraten en conglomeratische kalkstenen, de Rinconformatie. Deze sedimenten, afgezet in een kustnabije, ondiepe zee, rusten met een hoekverschil op de Washikembaformatie. Dit wijst erop dat laatstgenoemde in zijn geheel ouder is dan de Rinconformatie en dat in het interval tussen de afzetting van de twee formaties scheefstelling en misschien zelfs plooiing van de Washikembagesteenten hebben plaatsgevonden. De rolstenen in de Rinconconglomeraten en conglomeratische kalkstenen zijn voornamelijk lokale Washikembagesteenten. Een klein aantal rolstenen is echter afkomstig van voor de eilanden vreemde gesteenten. Als fossielen werden o.a. gastropoden, bivalven, nautiloiden, koralen, algen en foraminiferen gevonden. De foraminiferen wijzen erop dat de Rinconkalken nog in het Boven-Krijt (grens Campanien-Maastrichtien) werden afgezet, ongeveer gelijktijdig met de Kas Abou kalksteenlenzen op Curacao. Na afzetting van de Rinconformatie hebben bewegingen - nu echter van zeer lichte aard - plaatsgevonden, waardoor een deel van deze sedimenten op een vrij diep tektonisch niveau gebracht werd en voor latere erosie gespaard is gebleven. Andere delen werden opgeheven en afgebroken. Hierna werden opnieuw conglomeraten afgezet, de Subi Blanku-formatie, ontsloten in een smalle zone tussen Subi Blanku en Tera Hundu. Naast zeer grove conglomeraten bevat deze formatie zandstenen en rode en groene schalies. In de conglomeraten komen naast fragmenten van Washikemba- en Rincongesteenten zeer vele goed afgeronde rolstenen van vreemde herkomst voor: granodiorieten, aplieten, gneisen, schisten, kwartsieten en amfibolieten. Deze conglomeraten zijn in zeer ondiep water afgezet, misschien wel ten dele op land. Zij tonen in hun samenstelling een grote overeenkomst met de gesteenten van de Midden-Curacaoformatie. Ook de zeer schaars voorkomende fossielen in de schalies van de Subi Blanku-formatie pleiten voor een min of meer gelijke ouderdom. De grofheid en textuur van de conglomeraten wijzen erop dat het landmassief dat het materiaal voor de Subi Blanku-formatie leverde zeer dicht bij het huidige Bonaire lag.

In tegenstelling tot die van Curacao vertonen de gesteenten van Bonaire weinig sporen van intensieve plooiing. De Washikembaformatie maakt de indruk een noordwest-zuidoost verlopende anticlinale te zijn, waarvan alleen de oostflank, met hellingen van 35-40graden naar het noordoosten, ontsloten is. Het ombuigen van porfierhorizonten wijst echter ook op enkele secundaire anti- en synclinalen. Aangezien de verplooiing van de Rincon- en Subi Blankugesteenten nog geringer is, kan aangenomen worden dat de Washikembaplooiing heeft plaatsgevonden in het interval tussen de afzetting van de Washikembaformatie en de Rinconformatie. Westelijk van Seru Grita Kabai is een dioritisch gesteente ontsloten, mogelijk vergelijkbaar met de intrusiegesteenten (gangen) van Curacao.

De jongere gesteenten, gedurende het Tertiair (post-Paleoceen) en Quartair afgezet, zijn vrijwel uitsluitend van kalkige aard; zij werden met een hoekverschil afgezet op de min of meer geplooide, oudere en hoofdzakelijk nietkalkige gesteenteseries. Oud-tertiaire kalksteen is schaars; de vindplaatsen zijn die van Porta Spano, Punta Blanku, Montana (oost van het Gotomeer) en van Kibni di Montana (west van Subi Blanku). Het zijn kalken van eocene ouderdom, plaatselijk rijk aan foraminiferen, terwijl ook zeeegels, gastropoda en bivalven zijn aangetroffen. Het ontbreken van terrigeen afbraakmateriaal wijst erop dat het gehele gebied van tegenwoordig Bonaire tijdens het Eoceen onder zee was gelegen. De kalken zijn na hun afzetting slechts zwak tektonisch beinvloed: de helling der lagen bedraagt maximaal 30 graden. Na het Eoceen volgde een aanzienlijk hiaat in de tertiaire successie. De eerstvolgende sedimenten zijn pas van Midden- tot Boven-Miocene ouderdom. Aangenomen wordt dat gedurende het interval het gebied boven zee heeft gelegen.

Tijdens het Midden- of Boven-Mioceen kwam het gehele gebied, met uitzondering van een klein areaal in het centrale gedeelte van huidig noordwest-Bonaire, weer onder zee te liggen. Gedurende deze vrijwel volledige onderdompeling vestigden zich rond het kleine, zoeven genoemde areaal (waar de oudere formaties uiteraard aan afbraak onderhevig waren) koraalriffen. Rifgroei heeft tot op de huidige dag plaatsgevonden. Uit het Mioceen en Plioceen is door de latere opheffing en afbraak slechts een deel van de oorspronkelijk onderzees gevormde koraalpuin-hellingafzettingen bewaard gebleven. Voorbeelden van deze, uitsluitend van noordwest Bonaire bekende, maximaal 30 graden zeewaarts hellende afzettingen zijn enkele hogere toppen langs de westkust bij Playa Frans, het hogere deel van Wasou, Montana (oost van het Gotomeer), de hoge bergwand zuidelijk van Dos Pos, Dochila, Sub'i Rincon en de hoge steilwand zuidelijk van Fontein. Deze jong-tertiaire kalken zijn secundair gedolomitiseerd en bevatten wisselende hoeveelheden terrigeen afbraakmateriaal. De jong-tertiaire afzettingen zijn door een ongelijkmatige opheffing boven zee gekomen; zonder plooiing of scheefstelling.

Gedurende het Quartair bleef de algemene tendens tot positieve, omhooggaande beweging van het gebied aanwezig. Zeespiegelfluctuatie (zie Geologie: Curacao) resulteerde in de vorming van quartaire terrassen, voornamelijk accumulatie- (aangroei) terrassen, onder invloed van koraalgroei.

Op Bonaire zijn een Hoogterras (80 tot 70m hoog), een Middenterras (gescheiden in twee gedeelten; 45 tot 25 en 25 tot 10m hoog), en een Laagterras (tot 10m hoog) aanwezig, identiek van ontwikkeling en direct correleerbaar met de drie gelijknamige terrassen van Curacao. In tegensteIIing tot de jong-tertiaire koraalpuin-hellingafzettingen vertonen de terraskalken vele fossiele koraalkolonies in groeipositie (bijvoorbeeld in de westwand van Boka Onima). Op Bonaire bereiken zowel het Middenterras als het Laagterras een uitzonderlijk grote breedte. Het verscheidene kilometers brede Middenterras tussen Subi Blanku en Bolivia heeft materiaal geleverd voor de vorming van fossiele kalkzandduinen (eolianieten) tussen Kibra di Montana, Gabilan en Colombia, westelijk van de weg Subi Blanku-Porta Spano.

De ontwikkeling van de binnenwateren van Boka Bartol, Play'i Funchi, Slagbaai, Salini'e Tam en Gotomeer is identiek aan die der binnenbaaien op Curacao (zie Geologie: Curacao). Die van Bonaire zijn echter alle van open zee gescheiden door een wal van sub-recent en recent koraalpuin.

Het Lac, een brede, ondiepe lagune aan de loefzijde van zuid-Bonaire is een recent voorbeeld van terrasvorming: langzame sedimentatie binnen een barriere-rif. Het Laagterras en een deel van het Middenterras hadden een gelijksoortige ontwikkeling.

In het zeer vlakke en lage zuidelijke deel van Bonaire bevinden zich uitgestrekte, natuurlijke zoutpannen (salinas). De oppervlakte van het hier verscheidene kilometers brede Laagterras bereikt een maximale hoogte van enkele meters boven zee. Een deel van het terrasoppervlak is beneden zeeniveau gelegen (o.a. het Pekelmeer) en wordt door een halfdoorlatende, uit koraalpuin bestaande wal van open zee gescheiden. Door de sterke indamping van het zoute water in de salinas komen gips en keukenzout, speciaal in de ondiepe randgebieden, tot uitkristallisering. Een groot gedeelte van westelijk zuid-Bonaire onderging in 1968 ingrijpende veranderingen door de constructie van moderne zoutpannen. 

 

Hoofdstuk 5: Saba

Saba is de noordelijkste boven de zee uitstekende vulkaan van de binnenboog der Kleine Antillen. Mogelijk zijn er westnoordwest van het eiland een drietal onderzeese vulkaankegels. De centrale berg, Mountain Scenery, is 870,4 m hoog; tellen we daarbij het onderzeese gedeelte, dan blijkt de totale hoogte van de vulkaan ongeveer 1.500m te zijn. Het is een rustende vulkaan van nogal samengestelde bouw, thans zonder sporen van een echte krater. Veelal wordt het dal van de hoofdplaats The Bottom (225m) beschreven als een voormalige krater; dit is ten onrechte: de vorm van het dal en de bouw van de heuvels er omheen maken het duidelijk dat het hier niet om een krater gaat. Waarschijnlijk dateren de eerste erupties van de submarine fase uit het Midden- of Jong-Pleistoceen (Oud Quartair), naar schatting maximaal 500.000 jaar geleden. De laatste echt vulkanische verschijnselen hebben voortgeduurd tot ongeveer 500 jaar geleden.

Het lagere gedeelte van Saba toont de kenmerken van een stratovulkaan, met afwisselende lagen van uitgeblazen as en grover materiaal (verhard tot fijne en grove tuffen en agglomeraten) en uitgevloeide bazaltisch-andesitische lava; de lavalagen zijn hier duidelijk in de minderheid. Waarschijnlijk heeft deze stratovulkaan een echte krater gehad. Hogerop worden de tuf- en agglomeraatlagen minder frequent en de lavabeddingen talrijker en meer omvangrijk. Van die laatste zijn bijzonder opvallend de als zodanig goed herkenbare lavauitvloeiingen van Behind the Ridge en Flat Point - met een vlakke en verbrede tong in zee - in het noordoosten. In het laatste stadium is de krater van de stratovulkaan een bazaltische andesietprop (lavadom) omhooggeperst, ongeveer op dezelfde wijze als het geval was bij de in 1902 gevormde lavadom van de Mont Pele van Martinique. De krater werd daarbij geheel opgevuld, zodat thans de top van Mountain Scenery daarvan geen spoor meer vertoont en uitsluitend uit de lavaprop bestaat. Evenals bij de Mont Pele is op Saba de propvorming in de krater gepaard gegaan met het optreden van gloedwolken (nuees ardentes). De afzettingen daarvan vinden we in het klif aan de zuidkust, bij Giles Quarter en ten oosten daarvan.

Gewone, eveneens zeer jonge as (tuf)afzettingen kennen we ondermeer uit het ravijn tussen The Bottom en Fort Bay. Denkelijk tegelijkertijd met de beschreven propvorming in de krater drongen rondom de centrale stratovulkaan uit pijpen en spleten bazaltisch-andesitische lavadommen en -gangen omhoog, als taaivloeibare massa's. Na stolling vormden die uitpersingen de steile, min of meer ronde toppen, die zo kenmerkend zijn voor de topografie van het eiland. Fraaie voorbeelden van zulk een lavadom zijn Paris Hill (352m) met Great Hill (422,7m), nabij The Bottom, en The Level (514m) in het zuidoosten. Great Hill is in feite een halfcilindervormige lavanaald die - net als de uit 1902-1903 bekende aiguille (= naald) van de Mont Pele - in min of meer vaste vorm omhooggedrukt is uit de Paris Hill lavadom.

De vorming van de lavadommen markeerde het naderend einde van het vulkanisme. Daarna vond post-vulkanische solfatarenwerking (uitstoting van zwavelhoudende gassen) plaats. De aldus ontstane zwavel- en gipsbeddingen in de andesitische agglomeraten van de noordhelling bij Behind the Ridge zijn in de jaren 1875-1876 en 1904-1907 geexploreerd en gedeeltelijk ontgonnen; zij bleken weinig rendabel te zijn. De enige recente manifestatie van post-vulkanische activiteit vormen enkele warmwaterbronnen, waarvan de bekendste is die zuid van Ladder Point in het smalle strand onder het steile hoge klif van Bunker Hill.
 


Hoofdstuk 6: Sint Eustatius

St. Eustatius ligt met het nabije St. Kitts en Nevis op een ondiep submarien plateau maar is door een diepe zee gescheiden van Saba. Deze vier eilanden vormen het noordelijke deel van de vulkanische binnenboog der Kleine Antillen. Het noordwest-zuidoost gestrekte eiland bezit twee, naar ouderdom en huidige vorm verschillende, uitgedoofde vulkanen. In het noordwesten ligt de oudste vulkaan, opgebouwd uit wisselende lagen van andesitische tuffen, agglomeraten en lava's. Van deze stratovulkaan is een groot gedeelte van de westelijke helft geheel verdwenen: daar golft nu de zee. Het overblijvende asymmetrische deel is door sterke afbraak gedenudeerd, al kunnen we er de opbouwende elementen nog goed onderscheiden en zelfs het centrale eruptiepunt, de met gestolde lava opgevulde kraterpijp (Bergje 227m), terugvinden. De hoogte van de voormalige actieve vulkaan is berekend op ongeveer 600 meter boven zeeniveau; het thans hoogste punt, Boven, is 294m. Steilstaande agglomeraten en tuffen, welker samenstelling en ligging afwijken van het overige vulkaanpatroon, wijzen wellicht op het bestaan van een nog oudere vulkaan op welks ruine de noordwestvulkaan zich heeft opgebouwd. Deze opbouw is denkelijk begonnen in het Laat-Plioceen, terwijl de vulkanische activiteit tot een eind kwam in het Vroeg-Pleistoceen.

Imposanter van aanblik is, in het zuidoosten van het eiland, de prachtige, regelmatig gevormde vulkaankegel The Quill (hoogste punt 600,4m). Het is een fraai voorbeeld van een asvulkaan, met een 300 meter wijde, zeer diepe, cirkelvormige krater, waarvan de bodem op 278 m boven zeeniveau ligt. De erupties waren grotendeels van het explosieve type waarbij lava door gasdruk uit elkaar spatte en grote hoeveelheden losse uitwerpselen (efflata) uit de krater werden geslingerd. Het vulkaanlichaam bestaat vrijwel uitsluitend uit andesitische lavablokken, vulkanische bommen, lapilli, puimsteenbrokken en as. Er zijn, behalve in de allereerste actieve periode, geen lavauitvloeiingen geweest. Tussen de door de Quill-vulkaan uitgeblazen brokstukken vinden we, hoewel slechts in zeer geringe mate, kalksteenfragmenten van de hieronder te noemen White-Wallformatie en diorietgesteenten afkomstig van het veel oudere fundament waar de vulkaan doorheen is gekomen. The Quill heeft zijn as ook uitgeworpen op de overblijfselen van de noordwestvulkaan. De zuidoostelijke uitlopers daarvan zijn geheel bedekt door de voet van de jongere vulkaan, die daar Cultuurvlakte heet. De thans met as bedekte, kleine koepelvormige verhevenheid Round Hill, op de noordwesthelling van The Quill, is of een nevenkratertje of, meer waarschijnlijk, een lavaprop. Het ontstaan van de Quill-vulkaan dateert van het Laat-Pleistoceen. De activiteit heeft voortgeduurd tot het Midden-Holoceen, dat is enkele duizenden jaren geleden. Zeker is dat er in historische tijden geen uitbarstingen zijn geweest. Uit het ontbreken van fumarolen en warmwaterbronnen en uit het voorkomen van een zware bosbegroeiing op de hogere hellingen en in de krater kan de gevolgtrekking gemaakt worden dat de vulkaan uitgedoofd is. De relatief dalende beweging van het eiland, blijkende uit het thans door zeewater omspoeld worden van de ruines der 18de eeuwse Lower Town huizen en uit de hoge, door afslag ontstane klifkusten, zal de afbraak van de vulkaan versnellen.

St. Eustatius heeft voorts de zeer merkwaardige geologische formatie van White Wall en de veel lagere Sugar Loaf, aan de zuidflank van The Quill. Het zijn twee op elkaar, een kleinere op een grotere, rustende gesteenteplaten, ongeveer 450 graden zuidwaarts hellend. Zij bestaan uit lagen van koraal- en schelpkalken, conglomeraat, tuffen en puimsteenlava. Nadat de vulkanische activiteit in het noordwesten tot een einde was gekomen en de noordwestvulkaan reeds ten dele was afgebroken, in het Laat-Pleistoceen, werd in de nabije ondiepe kustzee de genoemde serie van kalkige en vulkanische gesteenten horizontaal afgezet, waarbij ondiep-marine en landmilieus elkaar hebben afgewisseld tijdens de periode van postglaciale zeespiegelrijzing. De vulkanische produkten werden geleverd door de toen nog in zijn prille jeugd verkerende Quill-vulkaan. Uit radioactieve koolstofbepalingen van koraalfossielen uit de kalken blijkt dat de sedimentatie plaatsvond in de periode van 70.000-21.000 jaar geleden.
Ongeveer 21.000 jaar geleden begon de snelle opbouw van de The Quill-vulkaan, die de White-Wallformatie overdekte met zijn efflata en bij doorbraak, fragmenten ervan meesleurde en uitwierp tezamen met eigen uitwerpselen van lavaherkomst. In een late fase van deze vulkanische activiteit (Midden-Holoceen) is, waarschijnlijk door een lavaprop, in het zuidelijke gedeelte van The Quill een fragment van de White-Wallformatie omhooggedrukt en gekanteld, waardoor White Wall en Sugar Loaf, als typisch zuidwaartshellende platen, ontstonden. Het gipsvoorkomen bovenop White Wall kan beschouwd worden als produkt van de uit genoemde lavaprop ontsnappende zwavelhoudende gassen (solfataren) op de kalksteen en kalkige tuffen. Op het eiland St. Kitts bevindt zich een met White Wall en Sugar Loaf analoge, door de andesiet-lavadom van Brimstone Hill opgeduwde en gekantelde kalksteenformatie.

De Statiaanse stranden bestaan voor een groot deel uit donkergekleurd zand met een hoog gehalte aan titaanijzer- en magneetijzermineralen; door de sorterende werking van de branding zijn de soortelijk lichte mineralen grotendeels weggevoerd en de zware, zwarte mineralen achtergebleven. 

 

Hoofdstuk 7: Sint Maarten

De oudst bekende geologische serie van dit ten dele Frans-Antilliaanse, ten dele Nederlands-Antilliaanse eiland heet Point-Blancheformatie, naar het zuidoostelijke schiereiland, en bestaat - in een dalend gebied opgebouwd - uit fraai afwisselende lagen van vulkanische tuffen en tufbreccies met daartussen kalkige en kiezelige lagen van marine herkomst. Door de vondst van fossiele foraminiferen en koralen weten we dat de ouderdom Jong-Eoceen is. De Point-Blancheformatie werd in het Oligoceen geplooid. Daarbij drong, in verschillende fasen, magma omhoog en ten dele in de genoemde formatie; het magma stolde zonder de toenmalige aardoppervlakte te bereiken. De kristallisatie van de verschillende magmatische intrusies leverde aanvankelijk kiezelzuurarme en later kiezelzuurrijkere gesteenten: doleriet, porfiriet en kwartsdioriet. De zeer kiezelzuurrijke aplieten kwartsgangen in de oudere magmatische en in de Point-Blancheformatie zijn produkten van de allerjongste fase. Het gloeiend-vloeibare magma heeft waar het in contact kwam met de Point-Blanchegesteenten deze sterk aangetast. Door de contactmetamorfose zijn bijvoorbeeld tuffen veranderd in hoornrotsen. Ook de mangaan- en ijzerafzettingen in de Point-Blancheformatie bij Cay Bay en Experiment zijn daardoor ontstaan. Door de gebergtevormende bewegingen en de magmatische intrusies in het Oligoceen vond opheffing van het gebied plaats en daardoor tevens afbraak der omhooggekomen gesteenten. Tijdens de daarop volgende daling zetten zich in een ondiepe zee kalkige en mergelige lagen, met een hoekverschil, af op de gedenudeerde oudere formaties. Deze marine Lowlandsformatie wordt thans aangetroffen in de Lowlands, bij Lay Bay en op het eilandje Tintamarre. Fossiele foraminiferen, koralen en zeeegels dateren deze lagen als van Laat-Oligocene tot Oud-Miocene ouderdom.

De afzetting van de Lowlandsformatie is gevolgd, in het Laat-Mioceen en Plioceen, door geringe tektonische bewegingen waardoor de lagen enigszins opgeheven, gekanteld en verbogen zijn. In deze periode vond geen sedimentatie plaats; integendeel, alle opgeheven formaties, ook de oudere werden onderworpen aan afbraak, een proces dat nu nog aan de gang is. De zeer harde, gedeeltelijk kiezelige tuffen van de Point-Blancheformatie hebben relatief de meeste weerstand geboden aan de erosie en vormen nu de beide parallelle, zuid zuidwest tot noord noordoost strekkende heuvelketens, waarin zich de hoogste toppen van het eiland bevinden: Naked Boy (296,1m), Sentry Hill (341,1m), Flagstaff (382,8m), Mount Paradise (ca. 400m). Minder bestand tegen de afbraak zijn de magmatische gesteenten. Hiervan is de doleriet van de hoge Mt.William (264,4m) het meest bestendig, de dioriet - die de lage Middle Region en Belle Plaine inneemt - het minst; de dioriet is verweerd tot ronde blokken en blokhopen.

Tijdens het Oud-Quartair, toen tengevolge van de IJstijden de zeespiegel ten minste 36m en maximaal misschien 100m lager was dan thans, vormden het toenmalige Sint Maarten, Anguilla en St. Barthelemy te zamen een Groot Sint Maarten, waarop ondermeer een reuzenknaagdier leefde: Amblyrhiza inundata Cope; resten daarvan zijn gevonden in kalksteenholen in Anguilla en in de Lay-Baykalken van Sint Maarten. Door het afsmelten van het ijs en stijgen van de zeespiegel aan het eind van het Oud-Quartair werd het grote eiland verbrokkeld tot de huidige archipl, verbonden door een ondiep submarien plateau.

Gedurende de periode van lage zeespiegelstanden is de lange en wijde vallei ontstaan ter plaatse van Great Salt Pond en Great Bay. Door de postglaciale zeespiegelrijzing is deze vallei geinundeerd en werd er een jonge marine schelpzandlaag afgezet op de oude dalbodem. Ook andere baaien en lagunen zijn verdronken dalen. In het Jong-Quartair was er rifvofming langs de kust, en opbouw van zandige schoorwallen zoals die waarop Philipsburg is gebouwd en die welke de Lowlands met het hoofdeiland verbinden, daarbij Simpson Bay Lagoon vormend. Een geringe subrecente zeespiegeldaling van 6 meter bracht de kalkriffen en de schoorwallen boven water.

 

@: Georganiseerd overleg
zie @: Ambtenarenrecht.

 

@: Gerarda, Soeur

(wereldlijke naam: S. Thuring) lid congregatie zusters van Roosendaal, kwam 16 mei 1888 op Curaao aan. Meer dan vijftig jaar heeft zij de kinderen ingeleid in de eerste schooldiscipline en kende aldus vele generaties. Werd tevens als kosteres van de misa di Obispo (de bisschopskapel aan het Brionplein) een lokale beroemdheid. Haar nagedachtenis is in ere gehouden door een straatnaam op het vroegere terrein van de zusters te Welgelegen, Curacao.

 

@: Gerechten
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Gerecht in eerste aanleg

Krachtens Rechterlijke Organisatie (K.B. van 22 mei 1914 P.B. 1941 nr. 60 geldende tekst P.B. 1965 nr. 146) wordt de rechtsmacht in burgerlijke en strafzaken in eerste aanleg uitgeoefend door het Gerecht in Eerste Aanleg, behoudens de gevallen waarin voor de rechtsmacht in strafzaken een andere rechter is aangewezen. Dit laatste is het geval met betrekking tot feiten, begaan door aan de militaire rechtsmacht onderworpen personen, welke berechting geschiedt door de krijgsraad (zie Militair strafrecht).

Krachtens art. 27 R.O. is er een Gerecht in Eerste Aanleg, welks rechtsgebied zich uitstrekt over aIle eilanden van de Nederlandse Antillen. De zittingsplaatsen van de Rechter in Eerste Aanleg zijn Curacao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius. Voor de aanwijzing van de zittingsplaats, waar een zaak aanhangig gemaakt of een verzoek ingediend moet worden, wordt ieder eiland als het rechtsgebied van een afzonderlijk gerecht beschouwd. Als Rechter in Eerste Aanleg treden op de leden van het Hof van Justitie.

Op Aruba zijn drie door de president van het Hof van Justitie aangewezen leden. Behoudens de mogelijkheid dat een van de leden van het Hof van Justitie wordt aangewezen voor de Bovenwindse Eilanden, zijn op Bonaire en de Bovenwindse Eilanden plaatsvervangers van de Rechter in Eerste Aanleg. De overige leden van het Hof van Justitie fungeren in beginsel op Curacao. De president van het Hof van Justitie is bevoegd de functies van Rechter in Eerste Aanleg uit te oefenen, waar en zo dikwijls hij dit nodig oordeelt. Het Openbaar Ministerie bij het Gerecht in Eerste Aanleg wordt uitgeoefend door de Officier van Justitie (op Curacao en Aruba), substituten-officier en (dienstdoende) ambtenaren van het O.M. (zie ook @: Handelsmerk; @: Huurcommissie).

 

@: Gereformeerde Kerk van Curacao

Uitgezonden Nederlanders, leden van de Gereformeerde Kerken, richtten in 1930 op de Vereeniging tot Bevordering van Gereformeerd kerkelijk leven op Curacao en gingen huisdiensten houden. In 1934 kreeg de kerk in wording de status van wijkkerk van de Gereformeerde Kerk van 's Gravenhage West, met een eigen kerkeraad en predikant (ds. H.W. Kroeze). In 1936 werd het kerkgebouw op Mundo Nobo in gebruik genomen, dat in 1949 werd vergroot. Als zelfstandige Kerk werd de gemeente geinstitueerd in 1950. Zij telde (in 1982) 381 zielen, onder wie een aantal gastleden en eveneens een aantal leden van Antilliaanse origine. Gereformeerden die zich op een van de andere Caribische eilanden, in Venezuela of in Colombia vestigen, kunnen ook lid van de gemeente op Curacao worden. Sedert 1952 is een tweede predikant aanwezig, belast met de pastorale zorg voor de opvarenden ter koopvaardij. De Gereformeerde Kerk kent ook een pastoraat gericht op de militairen, en een diaconaat, gericht op de allerarmsten. De Gereformeerde Kerk is lid van de Raad van Kerken en maakt deel uit van de Stichting Oecumenische Diakonie (S.O.D.). Met de Verenigde Protestantse Gemeente bestaan verscheidene samenwerkingsvormen. De Gereformeerde Kerk is een bijzonder gastlid van de Synode der Iglesia Protestant Uni.

 

@: Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt)

De scheuring in de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1944 was de aanleiding dat in 1947 zich een kleine groep van de op Curacao bestaande Gereformeerde Kerk afscheidde. Officiele naam bleef Gereformeerde Kerk. Hieraan wordt ter onderscheiding toegevoegd tussen haakjes: "vrijgemaakt". Dit "vrijgemaakt" betreft het feit dat men zich niet wilde laten binden door de leeruitspraken van de Generale Synode met betrekking tot verbond en doop.

Per 1 maart 1982 bedroeg het aantal belijdende leden 64, het aantal doopleden 78. In 1974 werd het zendingscentrum aan de Arowakkenweg in gebruik genomen. Er zijn drie missionaire predikanten op Curaao gevestigd, van wie een een uitgebreid consulentschap vervult in de kerk van Curacao en de eventuele "verstrooiden" op de andere eilanden bezoekt. Ook zijn voor de zending twee medewerkers en twee medewerksters in dienst.

 

@: Gerharts, Lodewijk Daniel (Elde)

('s-Gravenhage 29 september 1901 - Kralendijk, Bonaire 31 oktober 1983) vestigde zich in 1931 op Bonaire waar hij o.a. oprichtte de Handel Mij. Bonaire en Hotel Mij. Zeebad (thans Flamingo Beach Hotel) waarvoor hij de opstallen van het interneringskamp opkocht. Zijn politieke loopbaan begon in 1946 bij de oprichting van de Partido Boneriana Uni, die later door fusie Partido Progresista Boneriano Uni werd en thans Union Progresista Boneriano (U.P.B.) heet.

Op eilandelijk niveau is hij van 1935 tot 1951 lid geweest van de Raad van Politie, lid van de Eilandsraad (1951/1952) en gedeputeerde van augustus 1952 tot 1 december 1954. Op landelijk niveau lid van de Staten (augustus 1945-juni 1947, maart 1949-augustus 1952 en van 1 december 1954 tot 19 oktober 1956).

 

@: Geschiedenis van de Nederlandse Antillen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Benedenwindse Eilanden

  • Sectie 1: Spaanse Periode
  • Paragraaf 1: Ontdekking
  • Paragraaf 2: Naam
  • Paragraaf 3: Bevolking
  • Paragraaf 4:Godsdienst
  • Paragraaf 5: Landbouw en veeteelt
  • Paragraaf 6: Uitvoerprodukten
  • Sectie 2: Nederlandse Periode
  • Paragraaf 7: Curacao
  • Deel 1: Verovering
  • Deel 2: Geschiedenis tot ca 1900
  • Deel 3: Willemstad
  • Paragraaf 8: Aruba
  • Deel 4: Verovering
  • Deel 5: Geschiedenis tot 1924
  • Paragraaf 9: Bonaire
  • Deel 6: Verovering
  • Deel 7: Geschiedenis tot ca 1920
  • Sectie 3: Jongste Periode
  • Paragraaf 10: Aruba
  • Paragraaf 11: Bonaire
  • Paragraaf 12: Curacao

 

Hoofdstuk 3: Bovenwindse Eilanden 

  • Sectie 4: Spaanse Periode
  • Sectie 5: 17e en 18e eeuw
  • Paragraaf 13: St. Maarten
  • Deel 8: Verovering
  • Deel 9: Geschiedenis 1648-1795
  • Paragraaf 14: St. Eustatius
  • Deel 10: Geschiedenis 1636-1795
  • Deel 11: Economische toestand
  • Deel 12: Slavenhandel
  • Paragraaf 15: Saba
  • Deel 14: Geschiedenis 1795-1900

 

Hoofdstuk 4: Jongste Periode

Hoofdstuk 5: Bestuurders van de eilanden van de Nederlandse Antillen

Hoofdstuk 6: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 1: Inleiding

De geschiedenis van de Nederlandse Antillen is in feite de geschiedenis van zes eilanden: Aruba, Bonaire, Curacao, Saba, St. Eustatius en St. Maarten. Van een Antilliaans volk of van een Antilliaanse natie is geen sprake. Evenals bij de Prehistorie zal de geografische ligging als richtlijn dienen: de Benedenwindse Eilanden - Aruba, Bonaire en Curacao - worden eerst behandeld waarna aan de historie van de Bovenwindse Eilanden - Saba, St. Eustatius en St. Maarten - aandacht zal worden besteed. Bij de Benedenwindse Eilanden worden drie perioden onderscheiden:

� de Spaanse periode,

� de Nederlandse periode en

� de Jongste periode.

Bij de Bovenwindse Eilanden wordt een ander beeld gegeven: aangezien van een Spaanse kolonisatie van deze eilanden niets bekend is, is de Spaanse periode summier behandeld; daarna volgen:

� de perioden van de geschiedenis van de 17de en 18de eeuw,

� de geschiedenis van 1795-1900 en

� de Jongste periode.

Het artikel wordt afgesloten met een overzicht van de bestuurders van de Nederlandse Antillen.

 

Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 2: Geschiedenis Benedenwindse Eilanden

  • Sectie 1: Spaanse periode
  • Paragraaf 1: Ontdekking

Bonaire, Curacao en waarschijnlijk Aruba werden eind juni 1499 ontdekt door * Alonso de Ojeda, die in mei van dat jaar als bevelhebber van een klein eskader (drie of vier schepen) vanuit Santa Maria, Spanje naar het Caribisch gebied vertrok. Als piloto vergezelden hem Amerigo Vespucci en de ervaren cartograaf Juan de la Cosa, die de eerste kaart van het Caribisch gebied vervaardigde. Een derde bekende metgezel op deze expeditie was Bartolome Roldan, die Columbus op zijn derde tocht had vergezeld en daardoor enigszins bekend was met de Tierra Firme. Vanwege de grote lengte van de Indiaanse bewoners werden deze eilanden Islas de los Gigantes (eilanden der reuzen) genoemd. De Spanjaarden, die op Curaao een halve mijl landinwaarts trokken, kwamen toen in een Indiaans dorp waar de inboorlingen stukjes goud in oren en neus droegen. Zij namen de Indianen het goud niet af; zelfs brazilhout, dat daar toen in overvloed groeide, werd niet gekapt. Van Curacao zeilde de Ojeda vervolgens verder langs de Venezolaanse kust en stak ter hoogte van de Golf van Maracaibo of wat meer westelijk over naar Hispaniola, waar hij in september van hetzelfde jaar aankwam. De kaart door de Ojeda van deze reis geschetst, werd het uitgangspunt voor de bekende kaart die door Juan de la Cosa van deze streken is vervaardigd.

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 2: Namen van de ABC-eilanden

Veel is geschreven over de namen die deze drie eilanden weldra droegen. Voor Curacao werden o.a. de volgende oplossingen aan de hand gedaan: corossol naar de zuurzak, een vrucht die op Curacao voorkomt; corauacu of grote plantage, zwarte berg of hoge berg; curacan, dat een Caribische verbinding van langwerpig en machtig zou zijn; corazon naar het Spaanse woord dat hart betekent of het Portugese woord voor hart coracao. Voor Aruba is misschien het indiaanse woord oruba, dat welgelegen betekent - namelijk ten opzichte van de vastelandskust - een waarschijnlijke oplossing; andere suggesties zijn oraoubao of schelpeneiland en oirabae, dat metgezel - namelijk van Curacao - betekent. Bonaire wordt verondersteld te zijn afgeleid van het Caribische banare. Waarschijnlijk betekent het "laag eiland" terwijl natuurlijk een simpele oplossing buon aire - goede lucht - ook aannemelijk lijkt. Het eiland Klein-Curacao werd door de indianen waarschijnlijk Adicora genoemd; de Spanjaarden noemden het in 1634 Nicula. Later kwam de naam Curacao chico of Klein Curacao in gebruik.

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 3: Bevolking

Veel heeft de ontdekking van deze Benedenwindse Eilanden voor de Spanjaarden niet betekend. Zij waren de islas adyacentes, eilanden behorende tot of liggende bij de vastelandskust en in tegenstelling tot een eiland.als Margarita werden er geen goud of parels gevonden. Hoe groot het aantal bewoners van de gezamenlijke eilanden op het tijdstip der ontdekking was, is niet bekend; op Curacao waren verscheidene dorpen, misschien wel vijftien - waarvan twee aan de westpunt bij de berg St. Christoffel, twee bij Santa Cruz waar de cacique of opperhoofd resideerde, een bij Santa Marta, twee bij San Juan en voorts een bij St. Marie, St. Michiel, St. Anna, Ascencion, Hato en bij de waterputten Careotabo (misschien Maripompun), Chinchorro (de oostelijke rand van het Schottegat) en Santa Barbara. De indianen beschikten over vele kano's of piraguas, uitgeholde boomstammen, waarmede zij visten en schildpadden of zeerobben vingen. Ook dreven zij handel met stamgenoten op het vasteland in Cumana, Coro en andere plaatsen.

De Ojeda, die als gouverneur van Coquibocoa (Tierra Firme) misschien ook jurisdictie verkreeg over de islas adyacentes Aruba, Curacao en Bonaire - hoewel deze eilanden noch de term islas adyacentes in de benoemingsdecreten van 8 en 10 juni 1501, ondertekend door de Katholieke Koningen, voorkomen - heeft deze na zijn ontdekkingsbezoek niet meer bezocht. Het ontbreken van een gevestigd Spaans bestuur werd noodlottig voor de bevolking. De grote sterfte onder de indiaanse bevolking van Hispaniola - veroorzaakt door de wrede behandeling en de geringe weerstand tegen Europese ziekten - veroorzaakte daar een nijpend tekort aan arbeidskrachten, waarin de sinds 1505 geimporteerde negerslaven niet onmiddellijk voorzagen. In 1513 was dit tekort zo schreeuwend, dat Katholieke Koning Ferdinand - Koningin Isabella was inmiddels gestorven - Don Diego Colon, de zoon van Columbus, verlof gaf om Aruba, Curacao en Bonaire tot onnutte eilanden - islas inutiles - te verklaren, wat onder andere inhield, dat officieel werd vastgesteld dat daar geen goud of parels werden gevonden, en dat deze eilanden werden vrijgegeven als jachtterrein aan de beruchte indieros of indianenjagers, ondanks het feit dat het hier de vredelievende Caquetios betrof. Met die verklaring als vrijbrief werd reeds in 1515 de gehele valide bevolking - 2.000 zielen - met Spaanse schepen naar Hispaniola vervoerd. De rest werd of omgebracht of was waarschijnlijk waardeloos als werkkracht. De ontvolking van deze eilanden kwam tot een eind met de benoeming in 1526 van Juan de Ampues tot factor. Gedurende zijn verblijf op Hispaniola had de Ampues kennis gemaakt met de Caquetios die van de Curacao Eilanden waren weggevoerd; hij trachtte naast anderen zoveel mogelijk van de oude bevolking terug te brengen. Hoeveel personen hij terugbracht, is niet met zekerheid bekend; misschien voor de drie eilanden samen tweehonderd. De ontvolking was op Curacao erger dan op de andere twee eilanden: omstreeks 1525 werden daar nog meer dan 150 man aangetroffen, terwijl op Curacao, na 1520, met veel moeite een dozijn indianen kon worden gevangen, waard om naar Hispaniola te worden verscheept. Als compensatie voor deze drastische ontvolking kan worden gewezen op Ampues' poging tot herbevolking en op het feit dat de Spanjaarden vee van Europese oorsprong invoerden: schapen, geiten en paarden. Als factor van Curacao legde de Ampues spoedig contact met de Caquetio indianen van de Tierra Firme. De stad Santa Ana de Coro, of kortweg Coro genoemd, werd door hem gesticht nadat hij zijn schoonzoon Lazaro Bejarano was nagereisd. Terug op Curacao, verbleef hij daar niet al te lang. Na een mayor domo over het vee te hebben aangesteld, keerde hij terug naar Hispaniola. Het is waarschijnlijk, dat er ook een leek werd achtergelaten belast met de zielzorg van de gevestigde indianen. Na een mogelijk bezoek aan Curacao in 1528 of 1529 - misschien met de bedoeling gewapende tegenstand te bieden aan het door het bankiershuis Ehinger & Sailer (later bankiershuis Welser) overgenomen bestuur van de provincie Venezuela - stak de Ampues weer over naar de Tierra Firme, maar werd er door Ambrosius Ehinger, de nieuwe Duitse gouverneur, uitgezet. Uit een later proces dat de Ampues de Duitser aandeed, komen alleen klachten naar voren, dat het de Spaanse factor niet werd toegestaan brazilhout te kappen. Juan de Ampues stierf in 1533 op Hispaiola. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon Lazaro Bejarano, een erudiet en bekend Erasmuskenner.  

Voor de Spanjaarden bleven de eilanden onbelangrijk: islas inutiles. Enkele bestuursambtenaren met de titels justicia mayor en mayor domo, aangevuld met een klerk en waarschijnlijk een lekebroeder, zullen met hun gezinnen de Spaanse bevolking van deze eilanden hebben uitgemaakt. De indianen bleven onder het onmiddellijke toezicht van hun cacique, aan wie door de Spanjaarden, met het doopsel, steeds een Spaanse naam gegeven werd. Toen de Nederlanders het eiland Curacao in bezit namen, troffen zij daar Lope Lopez de Morla aan als justicia mayor - een functie die dikwijls gelijkwaardig is met gouverneur in de Spaans-Amerikaanse koloniale geschiedenis - terwijl een zekere Juan Mateo mayor domo was en Pedro Ortiz de cacique over de indianen. Talrijke huidige geografische namen op de Benedenwindse Eilanden zijn van indiaanse oorsprong. In de Spaanse tijd waren er geen negers op de drie Benedenwindse Eilanden.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 4: Godsdienst

Toen de door Juan de Ampues gestichte nederzetting Coro een centrum scheen te worden van koloniale activiteit, richtte Koning Karel V tot paus Clemens VII het verzoek daar een bisdom te stichten. Dit verzoek werd ingewilligd met de bul Pro Excellenti Praeeminentia. Coro werd daarbij de zetel van een bisdom bestaande uit de Welser-concessie en de eilanden Curacao, Aruba en Bonaire. Tot eerste bisschop van dit gebied werd benoemd Rodrigo de Bastidas, deken van de kathedraal van Santo Domingo en zoon van de gelijknamige conquistador. De kerk van Coro, niet meer dan een hut met een strooien dak, werd tot kathedraal gepromoveerd.

De Benedenwindse Eilanden vormden slechts een nietig deel van het nieuwe bisdom en Bastidas werd te veel in beslag genomen met de organisatie van de kerk in Venezuela om tijd of belangstelling te hebben voor de eilanden voor de kust. Het enige voordeel dat deze eilanden misschien ten deel viel was de bescherming die Bastidas aan de Caquetios verleende, waardoor het schamel overschot van deze stam, dat aan de indieros of slavenjagers nog was ontkomen, gespaard bleef.

In 1542 werd Rodrigo de Bastidas overgeplaatst naar San Juan de Puerto Rico en in Venezuela opgevolgd door Miguel Geronimo de Ballesteros. Na hem kwam nog een negental bisschoppen, totdat in 1634 met het wereldlijk Spaanse bestuur ook het kerkelijk bestuur over de Benedenwindse Eilanden wegviel. Er moeten in de Spaanse tijd drie kerkjes op Curaao hebben gestaan, een in het indiaanse dorpje Santa Ana, een ander te Ascencion en een derde te Santa Barbara. De kerstening en verdere religieuze verzorging van de indianen was in handen van lekebroeders, die niet altijd een goed voorbeeld gaven (zie verder @: Bisdom Willemstad: geschiedenis).

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 5: Landbouw en veeteelt

De Caquetios van Aruba, Curacao en Bonaire waren in de eerste plaats jagers en vissers, hun landbouw beperkte zich tot het kweken van bacoven en sommige knol- en wortelgewassen. De sinaasappel-, granaatappel- en lemoenplanten zijn hier door de Spanjaarden gebracht, evenals tabak en suiker. De waterschaarste (zie @: Watervoorziening: geschiedenis) was mede oorzaak dat er geen groot vee was, toen de Spanjaarden deze eilanden in bezit namen, behalve dan misschien het Curacaosche hert. Het op de eilanden door de Spanjaarden gebrachte vee vermenigvuldigde zich echter voorspoedig. Toen de Nederlanders kwamen waren er een 2.000 runderen, 1.000 geiten, 9.000 schapen en 750 paarden. De grote droogte van 1630 had veel vee doen sterven, zodat er vermoedelijk voor dat jaar veel meer was. Het Curacaosche en Arubaanse paard werd door de Nederlanders gevangen om er een kleine cavalerie van te vormen.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 6: Uitvoerprodukten

Huiden en hout vormden in de Spaanse tijd de voornaamste uitvoer. Voor de huiden leverde de watapana of dividivi de looistof. Hout was een produkt dat de Spanjaarden, na goud en parels, zeer interesseerde en de Ampues verkreeg, dank zij zijn pogingen in die richting, van de Spaanse regering verlof tot het kappen van het zogenaamde brazilhout (Zie @: Verfhout). Ofschoon met de komst van de Nederlanders in deze streken dit kappen voortging, heeft de bewering dat het uitsluitend de Nederlanders zijn geweest die de eilanden houtarm hebben gemaakt, weinig grond. De eilandindianen hakten dit hout in repartimiento (werkcontract).

Zout van de talrijke zoutpannen, vooral op Bonaire, werd reeds vroeg door de indianen gewonnen en misschien door de Spanjaarden weggehaald. Eveneens werden jaarlijks enige arrobas (een arroba is 23 pond) kaas uitgevoerd. (Voor de etnologie der indianen zie verder @: Archeologie). 

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Sectie 2: Nederlandse Periode
  • Paragraaf 7: Curacao
  • Deel 1: Verovering

De grote behoefte aan zout, die na de generale arresten van Philips II en Philips III niet meer door Iberische vindplaatsen kon worden bevredigd, dreef de Nederlanders over de Atlantische Oceaan naar het Caribisch gebied waar zij in de zoutpan van Punta de Araya en van vele Kleine Antillen de nodige voorraden vonden die hun haringindustrie aan de gang konden houden. Regelmatige Nederlandse bezoeken vonden dan ook na genoemde arresten plaats, d.w.z. na 1595. Na dat jaar worden in verscheidene Nederlandse steden compagnieen gevormd om expedities naar het Caribisch gebied uit te rusten met het doel zout te halen, smokkel te bedrijven en kaapvaart uit te oefenen (zie verder @: Zout). Na de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 vond de uitrusting van dergelijke ondernemingen plaats onder auspicien van dit lichaam. De kennis der Nederlanders van het Caribisch gebied was toen reeds aanzienlijk, dank zij de publikatie van Dierick Ruyters: Toortse der Zeevaert in 1623 en Ioannes de Laets Beschrijvinghe der Nieuwe Wereldt, twee jaar later. In dit laatste werk worden de Curacao-eilanden met name genoemd.

Na 1621 bezocht Jan Jaricks de eilanden St. Maarten en Bonaire, waar hij zout haalde, hout hakte en tabak laadde. In 1624 zeilde het eerste eskader door de West-Indische Compagnie (W.I.C.) uitgerust, onder bevel van Pieter Schouten, de Kraal in en zag missschien een of meer der Benedenwindse Eilanden. In 1626 vierde de vloot van Boudewijn Hendricksz Pasen op Bonaire. Een jaar later zeilde het eskader van Hendrick Jacobsz Lucifer langs Curacao na een aantal kolonisten naar de Wilde Kust te hebben gebracht, in 1628 was Joost van Trappen, alias Blanckert, in de buurt, bezocht Bonaire en zeilde van daar naar de Dry Tortugas, nog net op tijd om Piet Heyn te kunnen assisteren met zijn grote vangst in de Baai van Matanzas (Cuba). In april 1629 voer Paters vloot langs de eilanden; bijna een jaar later ververste Pater op Bonaire en liet zijn schepelingen daar hout hakken. De tochten van Ita, Booneter en Ruyters in de Kraal gedurende de drie volgende jaren moeten hen bijna zeker in de buurt van de Benedenwindse Eilanden hebben gebracht. Jonathan de Neckere heeft in hun nabijheid gekruist. Maarten Thijsz zeilde vanuit Pernambuco het Caribisch gebied binnen en vertoefde enige weken op Bonaire in juni 1632. Deze feiten illustreren de bekendheid van de Nederlanders met dit gebied. Spaanse rapporten bevestigen dit.

Jan Jansz Otzen, een kleurling van Nederlandse nationaliteit, door de Spanjaarden in 1633 gevangengenomen, werd op weg naar Spanje - via Havana - door hen gebruikt om op Bonaire en Curacao hout te hakken. Toen hij begin 1634 in Nederland aankwam, vestigde hij de aandacht van de Heeren XIX op Curacao als een goed steunpunt voor de Nederlandse macht in het Caribisch gebied, gemakkelijk te nemen vanwege de geringe Spaanse bezetting, gemakkelijk te verdedigen wegens het - volgens hem - geringe aantal landingsmogelijkheden, en profijtelijk: het eiland leverde huiden en zout en kon gemakkelijk worden gebruikt als een landbouwkolonie.

Hij kwam op een gunstig ogenblik. De W.I.C. had het jaar tevoren een belangrijk steunpunt voor haar macht en voor het zouthalen, het eiland St. Maarten verloren, dank zij de Spaanse actie onder Cadereyta. Met de toenemende belangen in Nieuw Holland (Brazilie) werd een steunpunt in de Kraal uiterst wenselijk geacht en met voortvarendheid gingen de Heeren XIX in op Otzens suggesties, die nog werden aangevuld door het verslag van een zekere Dirck Rijmelandt, een zeekapitein die de Kraal op zijn duimpje scheen te kennen. Op 6 April, 1634 keurden de Heeren XIX het voorstel goed van de Kamer Amsterdam tot bemachtiginge van het Eylandt Curacao om te hebben een bequame plaetse, daer men sout, hout ende anders mocht becomen, ende van dezelve plaetse den viant in West-Indien te infesteren. Instructies werden opgesteld voor de leiders der expeditie aanvankelijk zogenaamde open instructies, d.w.z. instructies waarin de namen later konden worden ingevuld - en spoedig werden Johannes van Walbeeck en Pierre Le Grand resp. tot leider der expeditie en directeur van de conqueste en tot commandeur over de militaire macht benoemd.

De Kamers van Amsterdam, Zeeland en het Noorderkwartier namen op zich de schepen voor de expeditie te leveren, terwijl alle vijf Kamers naar rata van hun vertegenwoordiging in de Heeren XIX zouden bijdragen. Dit betekende dat de Kamer Amsterdam 4/9 van de kosten op zich zou nemen, Zeeland 2/9 en de overige drie Kamers ieder 1/9. Naar rata van dit aandeel zouden ook de soldaten worden geworven en betaald: Amsterdam 100 soldaten, Zeeland 50 en de andere Kamers ieder 25. Totaal 225 man. Alle Kamers zouden zorg dragen voor een officier. Het aantal schepen dat door de Kamers van Amsterdam, Zeeland en het Noorderkwartier werd bijeengebracht, bedroeg zes. Hiervan leverde het Noorderkwartier het admiraalsschip, de Groot Hoorn groot 700 ton, bewapend met 36 stukken geschut, waarvan 20 van brons, en bemand met 80 matrozen. De Kamer Amsterdam zorgde voor twee welbezeilde jachten, de Eenhoorn, groot 160 ton, gemonteerd met 10 ijzeren en 6 zogenaamde steenstukken, en de Brack, groot 60 ton met 6 ijzeren en 2 steenstukken. Beide werden bemand met elk 50 matrozen. De Kamer van Zeeland rustte twee Biscaayse sloepen uit, eveneens met enige steenstukken bewapend. Voorts werden materialen meegenomen voor de bouw van een fort: planken, balken, kalk en steen. Aan wapens kreeg Le Grand de beschikking over vuurroers, musketten en pistolen, maar de kwaliteit moet niet al te goed geweest zijn, want in zijn rapport over de verovering deelde hij mede, dat er veel "kwaad geweer" bij was. Het kleine legertje van 225 soldaten kreeg voor negen maanden proviand mee (meel, gort, erwten en bonen) en voor drie maanden spek, vlees en olie.

Begin mei stak het eskader in zee en kwam 24 juni aan te St. Vincent in de oostelijke Antillen, waar men ververste. Begin juli liet men het anker vallen bij Bonaire, waar krijgsraad werd gehouden. Daarna zeilde het eskader naar Curacao maar miste de ingang van het Schottegat, of schoon deze was aangegeven met een groot kruis. Daarna moest men via de oversteek naar Hispaniola weer terug zeilen naar Bonaire. Van Walbeecks vertrouwen in Otzens deskundigheid was geschokt.

Terug op Bonaire werd het eskader versterkt door de Coninck David , een Nederlands schip, dat van de partij wilde zijn. Eind juli werd een tweede poging gewaagd. Alle schepen voeren nu achter elkaar de nauwe havenmond in, de Groot Hoorn het laatst. De vloot ankerde in het Schottegat. Het was waarschijnlijk 29 juli 1634. Van een eigenlijke verovering van Curacao kan niet gesproken worden. De Spaanse weerstand beperkte zich tot het verbranden van het dorpje Santa Ana, het onbruikbaar maken van enige waterputten en een strategische terugtocht. Na een kort onderhoud tussen de Spaanse "gouverneur" Lopez de Morla en Van Walbeeck trok de eerste zich met de onder zijn bevel staande Spaanse en indiaanse mannen terug naar het westelijk gedeelte van het eiland, terwijl de Nederlanders een aanvang maakten met de verkenning van het eiland en hun kamp aan het Schottegat versterkten. Uit vrees voor een vijandelijke aanval vanuit zee werd de Groot Hoorn aan de ingang van de St. Annabaai geankerd; in het zogenaamde Spaanse Water werd de Brack gestationeerd.

Na enige weken was de positie van Lope Lopez de Morla dusdanig verslechterd - zijn indianen verlieten hem - dat hij tot capitulatie besloot. De onderhandelingen werden geopend door een Spaanse priester die als woordvoerder functioneerde en Van Walbeeck was bereid de bescheiden Spaanse eis in te willigen: vrije aftocht naar de Spaanse overwal van alle Spanjaarden met hun gezinnen. Van Walbeeck, die de indianen niet al te zeer vertrouwde, voegde daar deze gezinnen aan toe, behalve een twintigtal families of zoveel als vrijwillig zouden willen blijven. De Spanjaarden mochten slechts hun lijfgoederen meenemen: 21 augustus 1634 werd de capitulatie een feit. Een paar dagen later werden de Spanjaarden met hun gezinnen, totaal 32 personen, waaronder de twaalf kinderen van mayor domo Juan Mateo, en de zich daartoe gemeld hebbende indianen, 402 man, aan boord van de Brack en de Eenhoorn gebracht, terwijl ook een tevoren veroverd Spaans barkje voor de evacuatie werd ingeschakeld. Daar deze drie schepen nog niet voldoende waren, maakte de Brack de tocht een tweede maal. Zowel Van Walbeeck als Le Grand schreef daarop zijn rapport over de nieuwste "conqueste" aan de Heeren XIX, beide gedateerd 27 augustus 1634. Deze werden door de Eenhoorn naar Nederland gebracht waar zij eind oktober in de vergadering van de XIX werden ontvangen, waarna deze de stadhouder Prins Frederik Hendrik en de Staten-Generaal op de hoogte brachten.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 2: Geschiedenis tot ca 1900

Van de eerste directeuren na Van Walbeeck kreeg Peter (Pieter) Stuyvesant de grootste vermaardheid, daar hij vanaf 1646 tevens directeur-generaal van Nieuw-Nederland was en 17 jaren van daaruit de Caribische bezittingen bestuurde. Voor Curacao was zijn optreden echter niet van grote betekenis. Eerst onder directeur Jan Doncker (1673-1679) kwam Curacao op verschillende gebieden tot ontwikkeling. Hij bevorderde de landbouw, met name op de plantages van de Compagnie (een negental na 1662), want particulieren hadden meer belangstelling voor veeteelt en handel. Voor de voedselvoorziening van de slaven die op Curacao in depot waren, bleken deze plantages van belang. Voornamelijk bonen en mais werden verbouwd, terwijl men de veeteelt op de savannen (Compagniesweidegrond, buiten de in concessie uitgegeven gronden) beoefende. Het aantal stuks vee dat particulieren mochten houden was beperkt, maar evenmin als het "inzerken" (in beslag nemen) van Compagniesgrond kon de overheid hier de hand aan houden. Vanaf 1717 werden de Compagniesplantages, op Hato na, verhuurd, aangezien zij toen in een verwaarloosde toestand verkeerden. Het hoogtepunt van de slavenhandel was toen ook voorbij.

Voor de verdediging van het eiland heeft Doncker ook het nodige gedaan, ondermeer Fort Amsterdam voltooid, hoewel onder zijn opvolgers de versterkingen weer in verval raakten. Van 1690 tot ca. 1703 valt een nieuwe bouwperiode, toen de directeur Kerkrinck en directeur Van Beeck het tweede Waterfort, de batterijen op Punta Brava (westelijke haveningang) en Fort Beekenburg bij de Caracasbaai construeerden (zie ook Geschiedenis: Willemstad). Daarna treedt opnieuw verval in.

In maart 1673 deden de Fransen, die Curacao begeerden als slavendepot, onder commando van de gouverneur-generaal der Franse Antillen Jean Charles de Baas-Castlemore, een aanval op het eiland. Doncker zond een compagnie soldaten naar Santa Barbara ter observatie van de Franse vloot en blokkeerde de havenmond met een brander. De Fransen landden bij Santa Barbara en veroverden een blokhuis, maar bij de opmars naar Willemstad werden zij teruggeslagen. Na 5 dagen trok de vijand weer af. Aan de Fransen werd ter zee schade toegebracht door Jan Erasmus Reining, die voorzien van een Nederlandse kaperbrief in de Curacaosche wateren kruiste. Reining voorzag het eiland tevens van de hoognodige levensmiddelen, afkomstig uit gekaapte schepen. Ook de tweede Franse aanval onder Jean, duc d'Estrees, liep voor Curacao goed af. Op 11 mei 1678 liep bijna de gehele Franse vloot van 18 oorlogsschepen en hulpvaartuigen op de blinde klippen bij de Aves-eilanden. De Nederlanders behaalden zelfs een voordeel, aangezien de door Doncker in allerijl uitgestuurde bergingsschepen 25 kanonnen konden opvissen.

De opvolger van Doncker, Nicolaas van Liebergen, was oud-bewindhebber van de W.I.C. In 1682 moest hij wegens wanbestuur worden ontslagen. De geschiedenis van Curacao gedurende de 17de en 18de eeuw wordt trouwens gekenmerkt door onophoudelijke twisten tussen de directeur, de overige Compagniesdienaren en de burgerij. De hoofdoorzaken waren wel de onvoldoende reglementering en het aarzelende beleid van het W.I.C.-bestuur in Nederland. Tijdens het korte directeurschap van Jan Gales (1738-1740) bijvoorbeeld zongen de matrozen openlijk spotliedjes op deze gezagsdrager en wanordelijkheden waren aan de orde van de dag. Economisch gezien was de periode 1660-1700 een goede tijd: de slavenhandel bloeide, in 1675 werd de haven van Curacao opengesteld voor alle naties en als markt voor de noordkust van Zuid-Amerika voorzag het eiland in een behoefte, zowel wat aanvoer van levensmiddelen als wat afzet van plantageprodukten betrof.

Gedurende de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) werd de kaapvaart gecombineerd met de handel op het vasteland. De Curaaosche schepen leverden de in Venezuela gekochte cacao aan de Spanjaarden en kaapten, als het zo uitkwam, tevens Spaanse schepen. De bescherming van de eigen koopvaarders werd gefinancierd uit de kaapvaartkas. Hierin moest 1% van de waarde van gekaapte Spaanse goederen gestort worden. Tijdens deze oorlog had Curaao weer een Franse aanval te doorstaan, ditmaal met ernstiger gevolgen. In januari 1713 vernam men van de brandschatting van Suriname en Berbice, waarop in allerijl versterkingen, ondermeer een ketting door de St. Annabaai, werden aangebracht. De westelijke baaien van het eiland, waar een eventuele vijandelijke landing mogelijk was, waren onverdedigd. Jacques Cassard, de Franse bevelhebber, was hiervan door een verspieder op de hoogte. Op 16 februari 1713 ankerde de Franse vloot bij de St. Kruisbaai. Op de 18de februari voerde de vijand een landing uit en klom door een spleet (sindsdien Cassards Gat genoemd) naar boven. Vier dagen later leverden de partijen slag bij het landhuis Malpais, die eindigde in een algemene vlucht van de verdedigers naar Willemstad. Cassard begon de 27ste februari een bombardement dat na enige onderbrekingen uitliep op onderhandelingen. Tegen betaling van 115.000 pesos in geld, koopwaar en slaven zouden de Fransen aftrekken, hetgeen de 22ste maart inderdaad geschiedde. Dit bedrag werd door hoofdelijke omslag opgebracht; uit de contribuantenlijst blijkt, dat het eiland op dat moment heel wat rijke kooplieden herbergde. Dat werd in de loop van de 18de eeuw anders. Nederland raakte verwikkeld in vele oorlogen (Oostenrijkse Successieoorlog, Zevenjarige Oorlog) waardoor de Curacaosche handel door kaperij veel schade leed en daarbij kwam dat andere naties haar voorbijstreefden in de vrachtvaart. De periode van de Amerikaanse vrijheidsoorlog gaf een opleving te zien. Van dit conflict profiteerden Curacao en vooral St. Eustatius, omdat koopvaarders en kapers van beide partijen de havens bezochten. De Vierde Engelse Oorlog luidde het einde van de welvaart in. De directe handel van Amsterdam op Curacao was al grotendeels verlopen; de Noord-Amerikaanse vrachtvaart richtte zich op St. Eustatius en na de vernietiging van de Golden Rock in 1781, op St. Thomas. Op verzoek van de Staten-Generaal zond stadhouder Willem V als opperbewindhebber van de Compagnie, een commissie van onderzoek naar de West. De heren W.A. Sirtemathoe Grovestins, W.C. Boey en R. van Suchtelen verbleven van augustus tot december 1789 op Curacao en brachten in hun rapport, dat in 1791 verscheen, heel wat wantoestanden aan het licht: achterstallige belastinginning, willekeur bij de procesvoering, enz. In hetzelfde jaar liep het octrooi van de W.I.C. af, het koloniaal bestuur ging toen over op de Staten-Generaal. Veel verschil maakte dat vooreerst niet, omdat de Raad der Colonien eigenlijk op dezelfde manier als de W.I.C. was ingericht. De Franse revolutie in 1789 sloeg ook naar de West over. Vrijheidsleuzen en vrijheidsliederen werden gehoord, Fransgezinden vond men zowel onder de blanken als onder de gekleurde vrijen. Ook op de slaven had dit zijn invloed: in augustus 1795 brak een opstand onder de slaven uit, die onder leiding van de negers Tula, Karpata  en Louis Mercier de afschaffing van de slavernij eisten, evenals dat in 1794 op Saint Domingue was gebeurd. Na het bedwingen van de rebellen bleef het nog lange tijd onrustig op het eiland (zie verder @: Slavernij).

De gebeurtenissen van 1795 in Nederland, waar na de inval der Fransen de Bataafse Republiek ontstond, leidden tot verscherping van de tegenstelling Patriotten - Prinsgezinden op Curacao. De naar Engeland gevluchte stadhouder Prins Willem V, gelastte in zijn zogenaamde brieven van Kew de toelating der Engelsen in de Nederlandse kolonien. Toen de berichten over de Bataafse Republiek en het bondgenootschap met Frankrijk in augustus 1796 binnenkwamen, trad directeur Johannes de Veer af. De boekhouder-generaal Jan Jacob Beaujon was reeds in 1794 bij geheime resolutie van de Staten-Generaal tot waarnemend directeur benoemd, hetgeen toen bekend werd. Beaujon werd door de Patriotten voor Engelsgezind aangezien. Met het oog daarop drongen dezen aan op een betere defensie; de burgerkapitein Johan Rudolf Lauffer verkreeg met hun steun de toestemming tot het oprichten van een Nationale Garde (burgerwacht). De vertegenwoordigers te Curacao van het bestuur op de Franse eilanden, de receveurs (= ontvangers - namelijk van door Franse kapers opgebrachte prijzen / buiten) probeerden de Franse invloed te vergroten. Het in 1796 opgerichte Comite Militaire, bestaande uit Fransgezinden, stelde in november Beaujon in staat van beschuldiging. Op 1 december werd hij afgezet en Lauffer tot waarnemend directeur aangesteld. Ook Lauffer kreeg met tegenstand te maken, ditmaal van de kant van de Fransen, die het eiland probeerden over te nemen. Een complot, waarbij de receveur Jean Baptiste Tierce was betrokken, werd in 1799 ontdekt, waarna Tierce werd uitgezet. Bij wijze van voorzorgsmaatregel tegen een Engelse bezetting overvielen de Fransen Curacao in september 1800. Terwijl de Franse troepen op Otrobanda en de Nederlanders in Fort Amsterdam elkaar over en weer beschoten, verscheen een Engels oorlogsschip voor de haven. Lauffer en zijn Raad, die zich niet wilden overgeven aan de Franse roofbende stelden het eiland onder bescherming van Engeland.

De Engelsen bleven tot 1803, namen Spaanse en Franse goederen bij de kooplieden in beslag maar stelden anderzijds de haven van Curacao open voor handel met het vasteland en met de Brits-West-Indische eilanden. Lauffer bleef op verzoek van de Engelsen het burgerlijk bestuur voeren, maar had vrijwel geen invloed. Ingevolge de Vrede van Amiens van 1802 werden de Nederlandse Caribische kolonien aan de Bataafse Republiek teruggegeven. Lauffer werd ontheven van zijn post tot hij zich in Nederland zou hebben verantwoord wegens de overgave aan de Engelsen (de vijand).

In 1803 raakten Engeland en Frankrijk weer in oorlog, hetgeen op Curacao pas begin januari 1804 vernomen werd. Aan het einde van die maand deden de Engelsen een aanval op het eiland. Na enige gevechten, waarbij de later bekend geworden Manuel Carel Piar zich onderscheidde, trok de vijand eind februari af. De scheepvaart werd echter door blokkade en kaperij lamgelegd. Pedro Luis Brion, die later evenals Piar een rol zou spelen in de Venezolaanse Vrijheidsoorlog, wist als scheepskapitein Curacao van levensmiddelen te voorzien. Toen de Engelsen in 1805 wederom aanvielen en de Kabrietenberg bij Fort Beekenburg bezetten, werden zij door een deel der Schutterij onder aanvoering van Brion verdreven. In de vroege ochtend van 1 januari 1807 voeren vier Engelse schepen bij verrassing de St. Annabaai in. De bezetting van de forten bood vrijwel geen tegenstand. Gouverneur Changuion, in 1808 in Nederland vanwege deze gebeurtenis tot de doodstraf veroordeeld, werd in 1814 geheel gerehabiliteerd. De garnizoenscommandant Pfeiffer die weinig moed had getoond, kreeg in 1808 een jaar gevangenisstraf. Tot 1816 hielden de Engelsen Curacao bezet. De handel herleefde dank zij gunstige bepalingen ten aanzien van de toegang tot de haven. Bij de Conventie van Londen 1814 werden ondermeer de Boven- en Benedenwindse Eilanden aan Nederland teruggegeven, maar het duurde tot 1816 aleer de gouverneur-generaal Albert Kikkert op Curacao arriveerde.

De handel op Curacao werd voor Nederlandse schepen nu geheel vrij van rechten, maar buitenlandse schepen bleven daar tot 1827, toen Curacao een vrijhaven werd, aan onderworpen. Aangezien de koloniale huishouding zich toch zelf moest kunnen bedruipen, voerde Gouverneur Cantzlaar in hetzelfde jaar een tonnengeld en een heffing ter waarborg van schip en lading in, hetgeen belemmerend werkte op de handel met de overwal. Koning Willem I nam diverse maatregelen om de welvaart in de Caribische kolonien te doen opleven, zoals de oprichting van een rijkspakketvaart op Curacao, en de zending van een missie onder leiding van Baron Kraijenhoff, die de toestand van de vestingwerken en de middelen van bestaan moest onderzoeken (1825). Ondanks de pessimistische berichten van de commissie bleef de Koning Curacao zien als een uitstekende handelsbasis in het Caribisch zeegebied. Afgezien van de excentrische ligging werd deze ontwikkeling belemmerd door het feit dat Nederland pas laat - in 1829 - een handelsverdrag sloot met de Republiek Gran Colombia.

In 1827 zond de Koning commissaris-generaal Johannes van den Bosch naar de West met verstrekkende bevoegdheden inzake reorganisatie van het bestuur en de economie (zie ook @: Bestuursregeling). Onder meer werden de heffingen op de scheepvaart, door Gouverneur Cantzlaar ingesteld, verlaagd, de Curacaosche Bank opgericht en de munt gesaneerd. Tevens bracht de commissaris-generaal enige verbetering in de positie van de slaven, die nu in rechten niet meer als zaken maar als personen werden beschouwd. Dat was een eerste stap naar een wezenlijke lotsverbetering van de negroide bevolking. Van een tweede stap hiertoe kon worden gesproken toen met ingang van 1 juli 1863 de slavernij in de Nederlandse West-Indische kolonien werd afgeschaft (zie @: Emancipatie). Een volgende belangrijke ontwikkeling zou komen, met de vestiging van de olie-industrie op Curacao.

De maatregelen van Van den Bosch, die in 1828 naar Nederland terugkeerde, hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. De handel met de vaste kust bleef door reeds genoemde oorzaken kwijnen, terwijl de landbouwprodukten die het eiland opleverde, merendeels voor de plaatselijke consumptie bestemd waren. De cultuur van oranjeappels leed onder periodieke droogte en luis; pas na de nieuwe aanplant in het begin van de 20ste eeuw nam de uitvoer toe. AIleen verfhout en dividivi-peulen werden tot de Eerste Wereldoorlog in belangrijke hoeveelheid uitgevoerd. Zout werd wel geproduceerd, maar in veel mindere mate dan op Bonaire. De fosfaat daarentegen, die in 1871 op Klein-Curacao en in 1874 op de plantage Santa Barbara werd ontdekt, leverde heel wat baten op. Aangezien de concessies tegen te lage rechten werden uitgegeven (in het bijzonder die op Klein-Curacao), vloeide het merendeel van de opbrengsten in de zakken van de concessionarissen. Toch kon de kolonie het, dank zij de fosfaat, in de jaren 1884-1895 zonder subsidie stellen. Het staken van de exploitatie door de eigenaren en de daarop volgende plannen van de Nederlandse regering tot onteigening leidden tot de oprichting van de Mijnmaatschappij Curacao in 1912. In 1913 hervatte deze de uitvoer.

Na 1870 valt een stijging waar te nemen van het aantal schepen dat Curacao aandeed. In 1882 werd de Koninklijke West-Indische Maildienst (K.W.I.M.) opgericht, die een passagiers- en vrachtdienst op Paramaribo, Willemstad en een aantal andere West-Indische havens onderhield. Toen de K.W.I.M. in 1912 door het mislukken van de bacovencultuur in Suriname in een moeilijke financiele positie verkeerde, nam de in 1856 opgerichte Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (K.N.S.M.) het bedrijf over.

Door geografische gesteldheid en economische positie is Curacao altijd ten nauwste betrokken geweest bij de gebeurtenissen op de overwal, waar in 1830, na het uiteenvallen van Gran Colombia, de republiek Venezuela onstond. Curacaoenaars als Pedro Luis Brion en Manuel Carel Piar namen deel aan de vrijheidsstrijd, terwijl tijdens de veelvuldige revoluties ballingen een toevlucht zochten op het eiland. Dit gaf dikwijls aanleiding tot wrijving, hoewel de ballingen meestal niet werden uitgezet. De Venezolaanse regering verweet Curaao begunstiging van de opstandelingen en wapensmokkel; als represaille werden dan Venezolaanse havens voor de handel gesloten en andere belemmeringen ingevoerd. Herhaaldelijk werden de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Venezuela verbroken. Tijdens de moeilijkheden onder president Antonio Guzman Blanco (zie ook Handel) gingen in het Nederlandse parlement stemmen op tot de verkoop van Curacao aan Venezuela (1876), welk plan het volgende jaar door Guzman Blanco eveneens werd gelanceerd. Omstreeks 1900 leidden de schuldvorderingen van diverse naties op Venezuela, dat een uitdagende houding aannam, tot internationale vlootacties en blokkade. Het zogenaamde overschepingsdecreet van president Cipriano Castro, waardoor de Curacaosche handel nagenoeg was stilgelegd, beantwoordde Nederland met een vlootactie (1908). Nog in datzelfde jaar verjoegen de Venezolanen Castro, waarna de nieuwe president, Juan Vicente Gomez, de meest klemmende kwesties met Nederland regelde. De diplomatieke betrekkingen werden echter pas in 1920 hersteld.

Omstreeks 1910 begon de Koninklijke Shell-groep met de exploratie van aardolie bij het Meer van Maracaibo in Venezuela. Aangezien het meer voor diepgaande zeeschepen niet toegankelijk was, werd de ruwe olie met kleine schepen naar Curacao, met zijn uitstekende haven, vervoerd, om aldaar te worden geraffineerd. In 1916 werd de eerste ruwe olie aangevoerd, in 1918 had de eerste raffinage plaats. Tot 1923 hadden de werkzaamheden een geringe omvang; het totaal aan personeel was minder dan bij de fosfaatmaatschappij of bij Openbare Werken van het eiland. Van 1923 tot 1930 werd de raffinaderij voortdurend uitgebreid. Dit had een opbloei van de economie ten gevolge, die het gezicht van het eiland in korte tijd totaal veranderde. (Zie Geschiedenis: Jongste periode: Curacao; Petroleumindustrie).

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 3: Willemstad

Door de toenemende handel en welvaart groeide Willemstad omstreeks 1675 tot buiten de directe omgeving van het Fort Amsterdam. Onder directeur Jan Doncker werd begonnen met de bebouwing van Pietermaai (zuidoost van het Waaigat). Het Fort Amsterdam kreeg de vorm, met de vier bolwerken, die in grote trekken nu nog bestaat. Het is verbouwd in 1735, 1756 en 1774. In laatstgenoemd jaar verschenen de huizen op het binnenplein. Sedert Van Walbeeck was er de residentie van de directeur (later Gouverneur) in gevestigd. De muur van het fort tot het Waaigat stortte in 1690 in, werd toen hersteld maar tegelijk meer naar het oosten verlegd. Directeur Kerckrinck bouwde tevens het tweede Waterfort (1691; het eerste dateerde van 1634). Onder directeur Nicolaas van Beeck (1701-1704) verrezen twee batterijen op Punta Brava (aan de westzijde van de haveningang) en werden de stadsmuur en de poort hersteld. Het eigenlijke Willemstad heeft in deze tijd een omvang die tot 1861, wanneer de muren worden geslecht, behouden zal blijven. Na 1707 werden gronden aan de overzijde van de haven aan particulieren ter bebouwing uitgegeven. De huizen aldaar mochten in verband met het schootsveld van de forten niet hoger dan een verdieping zijn. Toch ontstonden door deze bebouwing moeilijkheden, bijvoorbeeld in 1800 toen de Fransen zich aan de overzijde verschansten. De naam Spaanse zijde voor de Overzijde (Papiamentu: Otrobanda) kwam pas in de 19de eeuw in gebruik, toen de Venezolaanse refugies er zich vestigden. Het oudste stadsdeel, de Punt of Punda, heette ook wel Hollandse zijde. Omstreeks 1740 breidde de bebouwing van Pietermaai zich uit (de naam is afgeleid van Pieter de Mey, een scheepskapitein die daar grond had). Het aan de oostzijde hierop aansluitende Altena had in de 18de eeuw nog geen bebouwing. Na 1750 werd het oude Willemstad naar het oosten uitgelegd, de verdedigingswerken werden verbeterd, ondermeer door de bouw van het derde Waterfort. Ook aan de overzijde breidde de stad zich uit. Gouverneur Faesch schreef in 1753 aan Bewindhebbers dat Otrobanda reeds meerder betimmerd als de Willemstad was. Te oordelen naar een kaart uit die tijd lijkt deze uitspraak wat overdreven. Verder kwamen er huizen op Scharloo (ten noorden van het Waaigat) en op Pietermaai. Bewindhebbers meenden dat deze willekeurige bebouwing schadelijk was voor de verdediging en gelastten de stadsuitbreiding binnen het daarvoor ontworpen plan te houden. Volgens een opgave van directeur Rodier uit 1774 waren er te Willemstad 300 huizen, op Otrobanda een gelijk aantal en 250 te Vianen, Altena en Scharloo (buiten de - oostelijke - Steenstadspoort). In 1819 staan er in de gehele stad - met bovengenoemde buitenwijken meegerekend - volgens een opgave van J.J. van Paddenburg 998 huizen en 510 "afdaken" (kleine huisjes van een verdieping). De huizen waren meest geel geverfd met witte randen - volgens Publicatie van 1817 no. 14 mochten ze niet wit gepleisterd zijn. Deskundigen hadden de gouverneur-generaal verzekerd,  ... dat de witte muren der huizen zeer nadelig voor het gezigt zijn, uit hoofde der wederkaatsing der zonnestraalen op het oogstelsel ....

De bevolking bedroeg in 1816: 7.255 zielen, waarvan 4.932 vrijen en 2.323 slaven. Dit was meer dan de helft van de toenmalige bevolking van heel Curacao. Bijna een eeuw later (1915) telde Willemstad 14.084 inwoners, terwijl het totaal voor Curaao toen 33.361 bedroeg. In 1825 arriveerde een militaire missie uit Nederland onder leiding van Baron Krayenhoff, die in opdracht van Koning Willem I de verdedigingswerken moest inspecteren en plannen moest maken voor herstel en verbetering. De Koning, die Curacao zag als het toekomstige handelscentrum van het Caribisch gebied, wilde van het eiland "een tweede Malta" maken. Van de weidse door Krayenhoff ontworpen plannen werd maar een gedeelte uitgevoerd, omdat de Belgische opstand van 1830 aanzienlijke uitgaven niet toeliet. In 1828 was echter een nieuw Riffort met 56 kanonnen gereedgekomen, op de plaats waar directeur Van Beeck eertijds twee batterijen had gebouwd. Tevens verrees een nieuw Waterfort, het vierde, dat tot 1956 als fort heeft bestaan. In 1858 bouwde men er een kazerne in (die na 1956 moest plaats maken voor een luxe toeristenhotel: Hotel Intercontinental; het huidige Hotel Plaza). De twee nieuwe forten aan de haveningang maakten het oude Fort Amsterdam overbodig. Het Raadhuis, de zetel van de Koloniale Raad en de Rechtbank, werd in 1858-1861 buiten de poort aan de oostelijke bastions gebouwd (bij het tegenwoordige Wilhelminaplein). De oude ommuring van de stad, daterend van 1704, is in 1861 gesloopt. Het terrein dat hierbij vrij kwam, werd geegaliseerd, het Waaigat ten dele gedempt en een kade met vijf nieuwe straten aangelegd.

Tot 1888 onderhield men het verkeer over de St. Annabaai met pontjes. In dat jaar werd de pontonbrug geopend (zie @: Bruggen) evenals een vaste brug van het Molenplein naar het Riffort. In 1883 was er al een brug over het Waaigat gekomen. Beplanting was in Willemstad maar schaars aanwezig. Het Wilhelminaplantsoen kwam in 1899 tot stand, op initiatief van het damescomite Entre Nous, dat gelden vergaard had ter gelegenheid van de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina in 1898.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 8: Aruba
  • Deel 4: Verovering

Na de verovering van Curacao was het niet twijfelachtig of de beide eilanden Aruba en Bonaire zouden spoedig volgen. Van Walbeeck had dit in zijn rapport aan de Heeren XIX reeds min of meer te kennen gegeven door aan te duiden dat deze eilanden "mede dependeren (van Curacao) die daerom alle drie de eijlanden van Curacao genoemt worden". Voorlopig was Van Walbeeck te druk bezig met zijn positie op Curacao te consolideren om zich veel aan Aruba gelegen te laten liggen. Wel zond hij daarheen verscheidene malen een schip ter verkenning. Niettemin verontrustten deze verkenningen de Spanjaarden niet v�r het eind van 1635, toen zij het eiland begonnen te ontruimen. Waarschijnlijk is het daarna zonder veel ceremonieel in de eerste helft van 1636 door Van Walbeeck voor de Compagnie in bezit genomen.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 9: Geschiedenis tot 1924

De West-Indische Compagnie liet zich aan Aruba niet veel gelegen liggen. Er is een bericht uit de jaren 1670, waarin melding gemaakt wordt van een bezetting door een commandeur, een sergeant, en 15 soldaten. In 1701 was er een commandeur die slechts twee ruiters en twee soldaten tot zijn beschikking had. Verder werd het eiland bewoond door Spaans sprekende indianen, levend van geiten- en schapenteelt. De zielzorg van de RK indianen werd behartigd door een Spaanse priester die jaarlijks uit Coro overstak naar Aruba. Het Papiamentu is slechts langzaam in de loop van de 18de eeuw van Curacao uit doorgedrongen op het eiland, aangezien het aantal slaven er altijd klein is geweest. In de 19de eeuw valt er een toeneming van het Papiamentu te constateren, toen de indianen langzamerhand uitstierven ofwel met Papiamentssprekenden huwden. De indianen mochten binnen het octrooigebied van de W.I.C. niet tot slaven worden gemaakt. Zij stonden onder een kapitein, via wie het contact met de commandeur werd onderhouden. De zogenaamde rode slaven waren indianen, die men op het vasteland kocht. Van tijd tot tijd werd Aruba in de 17de eeuw bezocht door kapers die er hun vleesvoorraad kwamen aanvullen. De paardenfokkerij was het voornaamste belang dat de W.I.C. op het eiland had.

Omstreeks 1770 kregen inwoners van Curacao en Bonaire verlof zich te vestigen op Aruba. In 1785 werd er een grondbelasting ingevoerd, om het onbeperkte in beslag nemen van gronden, zoals dat op Curacao was gebeurd, tegen te gaan. De kolonisten stichtten kleine plantages waar zij de schapen- en geitenteelt beoefenden. De commandeur had tot het einde van de 18de eeuw zijn residentie aan de Commandeursbaai (zuidoost Aruba) in het enige stenen huis dat het eiland rijk was. Deze werd nu verplaatst naar de Paardenbaai in het zuidwesten, bij het latere Oranjestad. In 1799 deed het Engelse oorlogsschip Hermione een aanval op Fort Zoutman, welke werd afgeslagen. Verder bemerkte men niet veel van de oorlogen tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek enerzijds en Engeland anderzijds tot de jaren 1804-1806, toen Aruba afwisselend door Nederland, Engeland en de Venezolaanse generaal Francisco de Miranda bezet werd gehouden. Van de periode 1807-16 - de Engelse tijd op Curac;ao - is over Aruba niet veeI meer bekend dan dat er door de Engelsen aangestelde commandeurs optraden. Toen de gouverneur-generaal Albert Kikkert Aruba in 1816 van de Engelsen overnam, woonden er 1.732 personen, waarvan 1.396 vrijen en 366 slaven. Onder de vrije personen waren 211 blanken en 564 echte indianen begrepen. Tot 1848 voerde een commandeur het bestuur, die tevens met twee ingezetenen het Vredegerecht uitmaakte (politiewezen, civiele zaken). De gezaghebber trad na 1848 in de plaats van de commandeur. Tot 1920 werd hij door de Kroon benoemd, van 1920 tot 1951 door de Gouverneur, daarna weer door de Kroon (zie verder @: Bestuursregeling: geschiedenis).

In 1824 werd op Aruba goud ontdekt. Drie jaar later stelde de Oberbergrat C.B.R. Stifft in opdracht van de regering een onderzoek in. Zijn oordeel over de exploitatie luidde ongunstig, gezien de verliesgevende uitkomsten van de voorgaande jaren. Van 1824 tot 1916 was een concessiestelsel van kracht, aanvankelijk afgewisseld door perioden van vrije delving met vergunningen. De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan de werkzaamheden van de Aruba Goud Maatschappij. Gedurende de perioden 1824-1830, 1854-1915 werd 1.338,629 kg goud gewonnen (de opbrengst van de jaren 1830-1854 is onbekend). (Zie ook @: Mijnbouw).

Fosfaat is op Aruba voor het eerst in 1874 ontgonnen, na de vondst bij Ceru Colorado (oostpunt). De in 1879 opgerichte Aruba Phosphaat Maatschappij heeft tot 1914 voor f 9.000.000 opgedolven, hetgeen aan uitvoerrechten f 4.000.000 opbracht. Vooral dank zij de fosfaatopbrengst van Aruba kon de kolonie het van 1884 tot 1895 zonder subsidie stellen. Tijdens de periode van werkzaamheid der Phosphaat Mij. ontstond het plaatsje San Nicolas (zuidoost-Aruba). De naam Oranjestad voor de aanvankelijk kleine nederzetting aan de Paardenbaai komt het eerst in 1827 voor.

Grote veranderingen grepen op Aruba plaats in 1924 en volgende jaren, toen de Lago Oil and Transport Company, later ook de Arend Petroleum Maatschappij (Shell), verladingshavens en raffinaderijen voor de in Venezuela gewonnen olie aanlegden. Het eertijds zo stille eiland werd nu plotseling opgenomen in het wereldverkeer.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 10: Bonaire
  • Deel 6: Verovering

Bonaire, bekend bij de Hollanders vanwege zijn hout en zout, was reeds vele malen door hen bezocht, voor er plannnen bestonden tot de verovering der Curacao-eilanden. Bekend zijn de bezoeken van Jan Jaricks in 1623, die daar kwam voor hout en zout, van Boudewijn Hendricksz, die daar Pasen vierde en zijn mannen op vers schapevlees trakteerde, van Joost van Trappen vlak voor hij deelnam aan de verovering van de Spaanse zilvervloot, van Pater, van Thijsz en anderen. Bonaire speelde een rol bij de verovering van Curacao omdat van daar uit de aanval werd georganiseerd maar gedurende het jaar 1635 bleef het eiland nog in Spaanse handen. Van Walbeecks kaart van de drie Benedenwindse Eilanden duidde evenals zijn rapport echter op zijn bedoeling ook Bonaire tot Nederlandse kolonie te maken. Verkenningen hielden Van Walbeeck op de hoogte en hij wist dan ook dat omstreeks maart 1636 het eiland nagenoeg onbewoond was. Indianen waren toen bezig het daartoe geschikte vee te evacueren en de rest te doden. Van Walbeeck besloot daarop het eiland voor de Compagnie in bezit te nemen. Waarschijnlijk vond dit eind maart of begin april 1636 plaats.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 7: Geschiedenis tot ca 1920

Voor de Tweede West-Indische Compagnie was Bonaire uitsluitend van belang als plantage voor de winning van zout en verfhout, veeteelt en maiscultuur. Als militair steunpunt had het eiland afgedaan. Het was slechts spaarzaam bewoond; er verbleef een commandeur met een tiental soldaten op de rede aan de zuidwestzijde, het latere Kralendijk. De commandeur had een facteur (ook bomba genaamd) naast zich, die het toezicht had op de plantages en de slavenmacht. Aan het einde van de 17de eeuw waren er een kleine honderd Compagniesslaven, voornamelijk ten behoeve van de zoutwinning. Indianen kwamen van de vaste kust naar Bonaire in verband met de paardenfokkerij. Zij mochten niet tot slaaf worden gemaakt. Met het toenemen van het aantal negerslaven verdwenen de indianen als afzonderlijke bevolkingsgroep omstreeks 1800.

Het eiland was in zijn geheel een Compagniesplantage. De W.I.C. heeft er geen particulieren toegelaten, afgezien van een korte periode omstreeks 1780. Gedurende de 18de eeuw was Bonaire de voornaamste zoutproducent voor Nederland, maar veel winst werd er op het produkt niet behaald. Behalve slaven heeft men ook gestraften van de andere eilanden bij de zoutwinning tewerkgesteld. (Er was eigenlijk maar een zoutpan: in het Pekelmeer).

Tijdens het eerste Engelse bestuur van Curacao (1800-1803) was de verbinding met Bonaire vrijwel verbroken. De aanwezige militairen waren al eerder teruggetrokken. Nadat de Engelsen het eiland in 1804 en 1805 tijdelijk hadden bezet, stelden zij er gedurende hun tweede bestuursperiode van Curacao (1807-1816) enige malen een commandeur aan. Na 1810 werd Bonaire aan particulieren verhuurd, het laatst in 1815 aan de Noord-Amerikaanse reder Joseph Foulke (een inwoner van Curacao). Diens pachttermijn was nog niet afgelopen toen Bonaire in 1816 weer onder Nederlands gezag kwam. Er woonden toen 1.135 personen waarvan 705 vrijen, 124 particuliere slaven en 306 gouvernementsslaven. Bonaire was toen gouvernementsplantage en bleef dat tot 1868. Particulier grondbezit en vrije handel waren niet toegestaan. Het eiland stond onder het gezag van een commandant (na 1823: commandeur), een directeur (vice-commandeur) en een kapitein der indianen, wegens het ontbreken van echte indianen en in verband met zijn eigenlijke taak spoedig opzichter genoemd. In 1848 trad de gezaghebber in de plaats van de commandeur. (Tot 1920 ontving de gezaghebber zijn benoeming van de Kroon, vervolgens van de Gouverneur tot 1951, in welk jaar de benoeming door de Kroon is hersteld). De gezaghebber werd bijgestaan door twee landraden, op zijn voordracht door de Gouverneur benoemd uit de ingezetenen. Volgens het regeringsreglement van 1865 kozen de stemgerechtigde ingezetenen de landraden voor een zittingsperiode van vier jaar. (Zie ook @: Bestuursregeling: geschiedenis).

Aan het begin van de 19de eeuw waren er 18 zoutpannen, die na een aanloopperiode flinke hoeveelheden opleverden. Naast het zout was de dividivi het belangrijkste produkt. De cultuur van de boom was tamelijk eenvoudig; de looistofhoudende peulen werden uitgevoerd naar Curacao (geitehuiden) en vooral naar Hamburg. Vooral dankzij de actieve gezaghebber te Curacao, R.F. Baron van Raders (1836-1845) die Bonaire geregeld bezocht, kon het eiland zich zelf bedruipen. De slavenemancipatie in 1863 maakte echter een einde aan een lonende gouvernementsexploitatie. (Op Bonaire werden 607 gouvernementsslaven bevrijd tegen 151 particuliere slaven). Daarop besloot het bestuur de domeingronden op Bonaire te verkavelen en publiek te veilen. Er waren vijf kavels voor houtveiling en veeteelt en negen kavels voor zoutexploitatie. Eerstgenoemde vijf kavels kwamen bij de verkoop in 1867 vrijwel geheel in handen van J.F. Neuman Cz. & Co. en E.B.F. Hellmund. De opbrengst was slechts f 84.000. De negen zoutkavels bleven voorlopig onverkocht. Door de verkoop van de gronden in enkele grote kavels kwamen minvermogenden er niet aan te pas. Hierdoor raakte vrijwel de gehele bevolking van Bonaire - voormalige slaven, kleine landbouwers en veetelers - afhankelijk van de twee grootgrondbezitters, hetgeen tot ongewenste toestanden leidde (afschaffing van het communaal weiderecht, gedwongen winkelnering). Voor de landeigenaren was het uitvoerrecht van 10% op houtskool, hars en vee, dat het gouvernement instelde bij het wegvallen van de vroegere inkomsten, een tegenslag. De zoutpannen zijn tenslotte in 1870 ondershands verkocht aan E.B.F. Hellmund voor f 150.000. Na de verkoop belastte de regering het zout eveneens met een uitvoerrecht van 10%. De winning van het zout door particulieren en later door de N.V. Zoutexploitatie en Cultuuronderneming Bonaire werd door het uitvoerrecht en door de afnemende vraag naar zout ongunstig beinvloed. De dividivipeul bleef tot in de 20ste eeuw een belangrijk exportprodukt, totdat synthetische looistof de belangstelling hiervoor deed verminderen. Verder werden schapen, geiten en geitehuiden uitgevoerd.

Bij het einde van de gouvernementsexploitatie, in 1868, telde Bonaire 3.816 inwoners. Wegens onvoldoende werkgelegenheid emigreerden de arbeiders: Naar Venezuela, Suriname en vanaf de 1920er jaren in toenemende mate naar Curacao en Aruba, waar de olie-industrie werkgelegenheid bood.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Sectie 3: Jongste Periode
  • Paragraaf 10: Aruba

De Eerste Wereldoorlog ging aan Aruba vrijwel onopgemerkt voorbij. Wel werd in 1914 lange tijd honger geleden maar die was ten gevolge van de droogte. Aan de sensationele overval van Urbina op Curacao in 1929 (zie Geschiedenis NA: Sectie 3 Jongste periode: Paragraaf 12: Curacao) was diens bezoek aan Aruba in 1928 voorafgegaan: enige op Aruba werkzame Venezolanen sloten zich bij het groepje aan. Ofschoon ordeverstoring niet plaats had, werden Urbina en de zijnen uitgewezen. In 1931 ontstond door droogte opnieuw hongersnood; herhaalde dreiging daarvan leidde tenslotte tot de oprichting van een zeewaterdestillatiefabriek. In 1932 werd door orkaanbuien in de haven veel vernield. In hetzelfde jaar werd tijdig een complot, dat tegen het Nederlands gezag gericht was, ontdekt: het plan werd verijdeld.

Aangezien in de Tweede Wereldoorlog door de Lago belangrijke hoeveelheden benzine aan de geallieerde luchtmacht geleverd werden, was Aruba een bedreigd punt. Duitsers en N.S.B.-ers werden dan ook terstond op 10 mei 1940 gearresteerd en naar de interneringskamp op Bonaire overgebracht. Nog diezelfde dag kwamen Franse mariniers de Nederlandse zeemacht versterken. Zij werden enige maanden later vervangen door Engelsen en Schotten en deze weer in januari 1942 door Noord-Amerikanen. Als deze versterkingen niet waren aangevoerd zouden de Duitsers het misschien niet bij beschietingen met torpedo's in februari 1942 hebben gelaten. Enige schepen zonken en vele mensenlevens waren te betreuren. De Duitse duikboten belemmerden de voedselvoorziening; tot 1944 gingen telkens schepen verloren.

De Eilandenregeling Nederlandse Antillen van 1951 heeft de rivaliteit met Curacao ogenschijnlijk verminderd maar het feit dat de bevolking van Curacao het meest kan profiteren van de landsinstellingen, die hoofdzakelijk op Curacao zijn gecentraliseerd, is Aruba altijd een doorn in het oog geweest. Het zelfstandigheidsstreven van dit eiland, dat reeds in 1933 een aanvang heeft genomen, kan mede hierdoor worden verklaard. Op 15 januari 1954 deed de Eilandsraad bij motie een poging voor de totstandkoming van het Statuut een afzonderlijk deel van het Koninkrijk te worden. In de 1970er jaren begon het Arubaanse separatisme weer op te leven o.a. door de gebeurtenissen van 30 mei 1969 op Curacao en door het feit, dat Nederland in 1971 begon aan te dringen op versnelling van het dekolonisatieproces van de Antillen. Aruba vreesde, dat Nederland de onafhankelijkheid zou opleggen met instandhouding van de bestaande staatkundige banden tussen Curacao en Aruba zonder rekening te houden met de zo lang gekoesterde Arubaanse wensen naar zelfstandigheid. Een aantal jongeren, onder leiding van Gilberto Francois "Betico" Croes, scheidde zich dan ook in dat jaar af van de Arubaanse Volkspartij (A.V.P.) af en richtte een nieuwe politieke partij op: Movemento Electoral di Pueblo (M.E.P.). Deze partij, die bij haar eerste deelneming aan de eilandsraadverkiezingen 30% van de stemmen wist te behalen, zag kans om in januari 1972 in de Eilandsraad een motie aangenomen te krijgen over de herziening van de staatsrechtelijke banden van Aruba met de overige eilanden. De doelstelling van de partij namelijk Aruba los te maken van de Nederlandse Antillen en een rechtstreekse band aan te gaan met Nederland, de zogenaamde status aparte, vond weerklank bij de bevolking: in 1973 behaalde de M.E.P. bij de Statenverkiezingen 5 van de 8 voor Aruba gereserveerde zetels. De M.E.P. maakte daarna deel uit van de Landsregering. Het was duidelijk, dat het streven van de M.E.P. zich moeilijk verdroeg met de conceptie van de Curacaosche partijen, die vasthielden aan een structuur van 6 eilandgebieden.

Een conflict kon dan ook niet uitblijven: eind december 1973 verliet de M.E.P. de regering om onstuitbaar haar strijd voor een aparte status voort te zetten (zie ook @: Zelfstandigheidsstreven van Aruba). De roep om zelfstandigheid stoelde mede op de snelle ontwikkeling van het eiland en de toeneming van de welvaart.

De watervoorziening, aanvankelijk door middel van putten, maar geleidelijk steeds meer door destillatie, werd in 1956 gemoderniseerd en met nieuwe eenheden uitgebreid. Door de uitbreiding en verbetering van de haven van Oranjestad groeide het scheepvaartverkeer aanmerkelijk en kwam het cruise-toerisme tot bloei. Dank zij de vergroting en modernisering van de startbanen en de bouw van een riante luchthaven nam het luchtverkeer in sterke mate toe. De bouw van moderne hotels, in 1957 en 1959 aangevangen met respectievelijk Hotel Basiruti en Hotel Aruba Caribbean, heeft zich gestaag voortgezet waardoor het toerisme - mede dank zij de ontwikkelingshulp - tot een belangrijke pijler van de economie is geworden. (Zie verder @: Bevolking; @: Economie; @: Handel; @: Petroleumindustrie; @: Toerisme; @: Verkeer en vervoer).

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 11: Bonaire

Van de Eerste Wereldoorlog heeft Bonaire vrijwel geen nadelige gevolgen ondervonden. De vestiging van een interneringskamp ten behoeve van Duitsers en N.S.B.-ers tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft enige opleving gebracht en bekendheid aan het eiland gegeven. Na de oorlog is op die plaats het Hotel Zeebad gebouwd, dat thans is gemoderniseerd tot het riante Flamingo Beach Club Hotel. Bij de zelfstandigwording van het eilandgebied in 1951 is een aanvang gemaakt met de economische ontwikkeling. Hoewel de Landsbijdrage in 1982 nog NA f 10.667.634,98 bedroeg, is er een aanmerkelijke vooruitgang te bespeuren vooral in de sectoren mijnbouw, industrie, handel en toerisme. De in 1966 opgerichte vennootschap Antilles International Salt Co. ter produktie van zeezout heeft gedurende het jaar 1982 272.346 ton zout geoogst, gewassen en opgeslagen. De Bonaire Petroleum Corporation, die van het eilandsbestuur vanwege de hoogstnoodzakelijke uitbreiding van de werkgelegenheid een vestigingsvergunning ontving, beantwoordt aan de verwachtingen. Teleurstellend is het feit, dat het in 1980 begonnen bungalowproject nabij de Flamingo-luchthaven, Flamingo Paradise N.V., in 1983 wegens financiele problemen moest worden gestaakt. Twee factoren hebben het toerisme ongetwijfeld bevorderd: de uitbreiding van de luchthaven en de ontdekking van het eiland door scuba-divers, die in groten getale naar Bonaire komen om de beschermde onderwaterflora en -fauna te bewonderen. De aanvankelijke opvatting, dat de attractie van Bonaire landelijke rust is, is verdrongen door het streven de toeristenindustrie op te voeren: in 1970 bedroeg het aantal toeristen 7.410 personen, in 1982 is dit getal opgelopen tot 30.346. Toch wordt het vliegveld van Bonaire in hoofdzaak gebruikt voor de verbinding met Aruba en Curacao, die in geregelde dienst wordt verzorgd door de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij (A.L.M.). Ter verbetering van deze luchtverbinding heeft de Regering van de Nederlandse Antillen een luchtvaartmaatschappij - A.B.C. - opgericht, die gebruik maakt van zogenaamde twin-otters en de DC-9 vluchten van de A.L.M. met een lage bezetting vervangt. De geregelde vluchten (inkomend) bedroegen in 1982 3.151 terwijl er 2.664 prive-vliegtuigen zijn geland. Het verkeer en vervoer over zee is wat afgenomen hoewel in 1982 toch 182 tankers, 320 vrachtschepen en 17 toeristenschepen in de havens van Bonaire zijn binnengelopen. Voor wat betreft de communicatie moet worden vermeld, dat het voormalige radio-omroepstation Radio Hoyer 3 in 1980 is overgedragen aan de Radiodifucion Boneriano N.V. met als roepnaam Radio PJB2 Voz di Bonaire. Dit radiostation is speciaal gericht op de bevolking van Bonaire; het opereert op commercile basis in tegenstelling tot Trans World Radio (T.W.R.), die sedert 1963 op Bonaire is gevestigd en hoofdzakelijk religieuze en culturele programma's verzorgt. Radio Nederland Wereldomroep (R.N.W.O.) heeft zenders in Lopik (Nederland) en twee relaystations namelijk op Madagascar en op Bonaire.

Het beheer van het Water en Energiebedrijf Bonaire (W.E.B.) werd per 1 november 1982 overgedragen aan de N.V. Utility Services. De distributie van water ligt in handen van het eilandgebied terwijl het W.E.B. de produktie van water en stroom alsmede de distributie van stroom verzorgt.

Bij de dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.) is een duidelijke verbetering opgetreden: Op de plantage Amboina is zelfs gebleken, dat er al snel een plafond is bereikt in de afzetmogelijkheden van geproduceerde groenten. De landbouwactiviteiten op deze plantage beperken zich hoofdzakelijk tot de verbouw van sorghum, een teelt die volledig afhankelijk is van de regen. De aloecultuur is enige jaren geheel verloren gegaan; onderzoek wordt gedaan om deze voor de Bonairiaanse economie interessante teelt weer nieuw leven in te blazen. Onder de naam Hoffie di Prueba is in 1982 een aanvang gemaakt met het stekken van sierplanten om voldoende materiaal te krijgen ter verfraaiing van de plantsoenen. Daarnaast worden ook diverse groentesoorten geplant zoals o.a. radijs, prei, paprika, selderij en peterselie. De gedeputeerden van de eilandgebieden Aruba, Bonaire en Curacao die de zorg hebben voor landbouw, veeteelt en visserij hebben besloten hun projecten te coordineren. De kweek van bijvoorbeeld de karko di lechi (Strombus costatus) gaf enkele duidelijke resultaten, die van belang bleken te zijn voor de kweek van de nauwverwante Strombus gigas. De kweek van o.a. schildpadden en vissen heeft ertoe bijgedragen de aandacht van de lokale bevolking en van de toeristen voor het project en zijn doelstellingen te trekken. (Zie verder @: Bevolking; @: Bonaire; @: Economie; @: Handel; @: Scheepvaart; @: Toerisme; @:  Verkeer en vervoer).

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 12: Curacao

Op 15 augustus 1914 voeren de eerste schepen door het Panama-kanaal, de nieuwe vaarweg waarvan Curacao een belangrijke groei in scheepvaart en handel verwachtte. Om deze groei te kunnen verwerken, werd tussen 1910 en 1918 de Sint Annabaai aanzienlijk verbreed (van 45 tot 80 meter). Op dezelfde 15de augustus 1914 ontving men op Curacao officieel bericht dat Nederland niet betrokken was in de zojuist uitgebroken Eerste Wereldoorlog en dat neutraliteit het parool was. Het directe oorlogsgeweld ging inderdaad aan Curacao voorbij. Wel werden meteen in 1914 maatregelen getroffen tegen dreigende voedselschaarste maar pas in 1918 was gedurende enkele maanden een strakke regulering van voorraden en prijzen noodzakelijk. Dit was het gevolg van de verscherpte duikbootoorlog (1917) die de grote scheepvaart bemoeilijkte (de juist heropende fosfaatmijn op *Santa Barbara bijvoorbeeld kon zijn produktie tijdelijk niet afzetten) en die bijdroeg tot een herleving van de kleine zeilvaart en van de daarop gerichte timmerwerven op Curacao. De handel maakte goede tijden door (oorlogswinsten) maar de werkgelegenheid bleef beperkt. De grote vraag naar arbeid op de Cubaanse suikerplantages trok dan ook enkele honderden Curacaoenaars aan (1917-1921).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vestigde de Koninklijke-Shellgroep op Curacao een overslagbedrijf voor ruwe olie uit Venezuela en bouwde daarnaast een kleine raffinaderij. Na een moeizaam begin (samenvallend met een meer algemene malaise tussen 1918 en 1922) volgden grote uitbreidingen in de 1920ger jaren, en - na de relatief korte depressie (1930-1934) - verdere expansie welke tijdens de Tweede Wereldoorlog overging in een derde groeifase die tot in de 1950ger jaren duurde. Het oliebedrijf bracht door aard en omvang ingrijpende veranderingen teweeg in de sociale, economische, culturele en politieke verhoudingen op het eiland. Het meest in het oog lopend waren hierbij in de 1920ger en 1930ger jaren de aanvoer van duizenden arbeiders uit Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en Europa, de opleving van de (bouw)nijverheid, het ontstaan van nieuwe woonwijken (o.a. Negropont, Rio Canario, Emmastad, Buena Vista, Wishi en Marchena), de zeer geleidelijke verbetering van openbare infrastructurele voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, watervoorziening, telecommunicatie, luchtvaart), de bloei van handel en scheepvaart en de sluitende begrotingen van de overheid (in 1928 voor het eerst sinds 1895).

In 1922 leidde een loonconflict in de Curacaosche haven, naar aanleiding van een voorstel om de lonen 20 a 25% te verlagen, tot een staking en gewelddadigheden waarbij vier doden en 19 gewonden vielen. De gebeurtenissen hadden grote invloed op de jonge arbeidersbeweging die in die tijd nog sterk onder patronage van de katholieke geestelijkheid stond en bijna steeds in het kader van de Curacaosche Roomsch-Katholieke Volksbond opereerde. Zo ontstond de bond van havenarbeiders van San Telmo; andere groepen volgden pas in de 1930ger jaren: de chauffeurs (1934), de onderwijzers (1934), de ambtenaren (1936) en het winkel- en kantoorpersoneel (1938).

De tweede schokkende gebeurtenis van de 1920ger jaren was de overval van de Venezolaanse rebel Rafael Simon Urbina op het garnizoen op 8 juni 1929. Gesteund door enkele tientallen landgenoten haalde hij de wapens uit Fort Amsterdam, gijzelde Gouverneur Ir. Leonard R. Fruytier en garnizoenscommandant Borren en vertrok met een gevorderd schip naar de Venezolaanse kust. Schip en gijzelaars keerden behouden terug en Urbina werd spoedig verslagen. De gebeurtenissen werden in Nederland hoog opgenomen, onder andere omdat de goede betrekkingen met olieleverancier Venezuela niet mochten worden geschaad (de diplomatieke betrekkingen waren pas in 1920 hersteld). Zo werd Gouverneur Fruytier ontslagen ofschoon ter plaatste zijn houding correct werd geacht. De garnizoenscommandant werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van een dag. De Nederlandse regering trof verder maatregelen tot versterking van de defensie en benoemde een beroepsofficier tot Gouverneur van Curaao, B.W.T. van Slobbe. Deze haalde de banden met Nederland nauwer aan, onder andere door een grootse viering van het derde eeuwfeest van Curacaosch verbondenheid met Nederland (1934) en de vestiging van de Koninklijke Luchtvaart Mij. (K.L.M.) op Curacao (geopend met de kerstvlucht van de Snip in 1934).

Intussen was bij de Nederlandse grondwetsherziening van 1922 de term kolonien geschrapt en was bepaald dat de wetgevende bevoegdheden zoveel mogelijk moesten worden overgeheveld naar de overzeese gebiedsdelen. De commissie-Staal bracht reeds in 1923 een rapport met concrete aanbevelingen hierover uit; zij kon hierbij voortbouwen op het werk van een commissie uit de Koloniale Raad van Curacao die zich kort tevoren (1921) had uitgesproken over kiesrecht, decentralisatie en bezuinigingen. De zaak werd niet met voorrang afgedaan en pas in 1934 kwam er een Nederlands voorstel voor een nieuwe Staatsregeling; deze werd in 1936 aangenomen en trad per 1 April 1938 in werking. De Staatsregeling 1936 gaf o.a. het kiesrecht aan alle mannelijke inwoners van Nederlandse nationaliteit die 25 jaar of ouder waren en voldeden aan zekere normen van verstandelijke ontwikkeling of fiscaal meetbare welstand. Het kiesreglement van 1937, dat deze criteria moest uitwerken, werd algemeen als teleurstellend ervaren. In 1938 volgde een nieuw ontwerp, dat de gemoederen fel in beroering bracht en veel bijdroeg tot het ontwaken van het politieke leven op Curacao in de jaren 1938-1945. Naast de Katholieke Partij (1936) werd nu de Democratische Partij opgericht (1944). Daarnaast werd de politieke bewustwording gestimuleerd door de bijzondere omstandigheden van de Tweede Wereldoorlog.

Dadelijk bij het uitbreken van de oorlog tussen Nederland en Duitsland op 10 mei 1940 werden op Curacao grote aantallen personen gearresteerd en naar een kamp op Bonaire overgebracht (de bemanningen van Duitse schepen, staatsgevaarlijk geachte Nederlandse onderdanen en inwoners met een Duits of Oostenrijks paspoort, onder hen verscheidene Joden die al geruime tijd op Curacao woonden). Verder werden talrijke wettelijke maatregelen genomen met het oog op de oorlogstoestand. Er werd een Voedselvoorzieningscommissie ingesteld waarin overheid en handel samenwerkten; er kwam een speciale Regeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd om toezicht te houden op ongeoorloofde economische relaties met de vijand en om te adviseren inzake zetelverplaatsingen van naamloze vennootschappen uit bezet Nederlands gebied naar Curacao. De Deviezencommissie werd belast met de verantwoordelijkheid voor het deviezenver keer, een Gouvernements Persdienst met o.a. de censuur. Civiele arbeidsplicht werd ingevoerd ten behoeve van strategisch belangrijke bedrijven. De Curacaosche defensie, voornamelijk aangewezen op enkele honderden vrijwilligers, werd direct versterkt met Engelse troepen (11 mei 1940); onder een in de haast ingestelde dienstplicht werden al spoedig ongeveer 3.000 Curacaoenaars opgeroepen (de Schutterij). De Engelse troepen werden in 1942 afgelost door Amerikaanse; toen kreeg de Commander All Forces Aruba Curacao (C.A.F.A.C.) het bevel over alle operaties in de Nederlandse Antillen, zij het dat steeds formeel de *Gouverneur de hoogste autoriteit bleef, ook in militaire aangelegenheden. Met het oog op de oorlogvoering werden de vliegvelden verbeterd en werden de havenfaciliteiten aangepast (marinebasis Parera, Beatrixdok). Van gevechtshandelingen was op het eiland geen sprake; in de omringende wateren probeerden de Duitsers met Operation Paukenschlag door duikbootacties de olietransporten te belemmeren. De verliezen van de Curacaosche Scheepvaart Maatschappij ten gevolge van de duikbootacties bleven beperkt maar de bemanning van de tankers liep wel steeds grote risico's. Een protest van officieren en (vooral Chinese) schepelingen over onvoldoende veiligheidsvoorzieningen leidde in 1942 tot internering van een groot aantal van hen. Het verzet van de ingesloten bemanningsleden werd beantwoord met een gewapend optreden van de politie dat aan 15 Chinezen het leven kostte. In hoeverre de produkten van de Antilliaanse raffinaderijen bijdroegen tot de oorlogvoering en op welke fronten deze werden gebruikt, is niet exact vastgesteld maar er zijn globale aanduidingen dat in 1941 85% van de geallieerde vliegtuigbenzine uit de Nederlandse Antillen afkomstig was, dat de geallieerde macht in Noord-Afrika in 1942 en 1943 geheel op Antilliaanse olieprodukten draaide en dat de grote voorraden voor de landing in Normandie ook merendeels uit de Nederlandse Antillen werden aangevoerd; voor de strijd in de Stille Oceaan leverden Curacao en Aruba ongeveer 75% van de benodigde olieprodukten.

Tijdens de oorlog toonde Nederland grote belangstelling voor de strategisch belangrijke niet-bezette delen van het Koninkrijk. In kleinere aangelegenheden kreeg Curacao meer bevoegdheden over eigen zaken, terwijl Koningin Wilhelmina in haar rede van 7 december 1942 ook een verdergaande staatkundige ontwikkeling in het vooruitzicht stelde. De Curacaoenaar M. F. da Costa Gomez werd uitgenodigd zitting te nemen in de Buitengewone Raad van Advies die de Nederlandse regering in Londen terzijde stond (1942-1944). De staatkundige vraagstukken werden intussen op Curacao bestudeerd door de commissie-Oppenheim (1944, met een pleidooi voor de instelling van eilandsraden), en door de commissie-De la Try Ellis (1946, over de staatkundige verlangens).

Terwijl het overleg tussen Nederland en Curacao na de oorlog, dankzij aandrang vooral van Curacaosche zijde en ondanks enige vertraging van Nederlandse zijde, op gang kwam, werd Dr Da Costa Gomez in 1947 aan het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag toegevoegd en in 1948 erkend als Vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen in Nederland een functie die in 1954 is gewijzigd in Gevolgmachtigde minister van de Nederlandse Antillen. Het Antilliaans-Nederlands overleg leidde eerst tot een nieuwe Staatsregeling (1948) die algemeen kiesrecht gaf en de eerste algemene verkiezingen mogelijk maakte (17 maart 1949). Vervolgens maakte een Interim-Regeling de Eilandenregeling Nederlandse Antillen mogelijk (1951) die de eilandelijke zelfstandigheid vastlegde. Op 4 juni 1951 hadden de eerste (algemene) verkiezingen plaats voor de Curacaosche eilandsraad, die op 2 juli 1951 voor het eerst in vergadering bijeenkwam.

Terwijl de weg naar meer autonomie werd bewandeld, werd de grondslag van de welvaart waarop die autonomie berustte, aangetast. De groei van het oliebedrijf bleek niet onbeperkt te kunnen voortgaan omdat Venezuela eiste dat een groter deel van de ruwe olie binnen haar eigen grenzen zou worden bewerkt (wet van 1942). Bovendien trad spoedig na de oorlog een wereldwijde overcapaciteit voor olieraffinage aan het licht en deden zich wijzigingen voor op de markt voor olieprodukten. Een en ander droeg ertoe bij dat de oliemaatschappij een nieuwe weg insloeg, met meer ingewikkelde procedees in meer geautomatiseerde installaties. Deze werden in de 1950ger jaren gebouwd waardoor een groot deel van het personeel kon worden ontslagen. De Curaaosche samenleving werd zodoende in de 1960ger jaren met een snel toenemend arbeidsaanbod geconfronteerd dat niet geheel kon worden opgevangen door de andere sectoren van de economie. Over diversificatie van de economische structuur werd toen al enkele decennia gesproken. Een eerste aanzet was gegeven in de 1930ger jaren (het Curacao-instituut van P. Cohen Henriquez, de Industrie Financierings-Maatschappij van W. van Eijk, de E.S.W.I.N.); een tweede reeks van studies werd in de 1940ger jaren gemaakt (Stichting Welvaartsplan 1946) maar er werd weinig opmerkelijks bereikt.

In 1953 vormde de Antilliaanse overheid de Technisch-Economische Raad voor de Nederlandse Antillen (T.E.R.N.A.) die in 1962 overging in het Departement van Welvaartszorg. In 1953 kwamen er ook wetten om industrievestiging en hotelbouw aantrekkelijk te maken door fiscale tegemoetkomingen en om een gunstig klimaat te creeren voor zogenaamde off-shore maatschappijen. Enkele jaren later volgde wetgeving betreffende vrije zones en in de 1970ger jaren tenslotte werden naast de grote exportgerichte ondernemingen ook de kleine importvervangende bedrijven geholpen met fiscale en materiele faciliteiten, marktbescherming en subsidies. Voor de financiering van de talrijke gewenste infrastructurele verbeteringen en voor de ondersteuning van het particulier initiatief sprak de overheid allereerst de eigen reserves aan, maar spoedig kon zij niet vooruit zonder een beroep te doen op hulp van buitenaf. Daartoe werden meerjarenplannen geformuleerd en werd financiele steun uit Nederland verkregen. Een ander instrument ter bevordering van de economische ontwikkeling werd gezocht in de associatie met de Europese Economische Gemeenschap (E.E.G.), die in 1964 van kracht werd.

De talrijke maatregelen tot versterking van de economie leverden niet snel genoeg en niet in voldoende mate resultaten op. De toeristenindustrie absorbeerde vrij veel werkkrachten en ook in de vrije zone waren enkele arbeidsintensieve bedrijven werkzaam, maar de sociale spanningen liepen intussen op. In 1969 ontlaadden ze zich op soortgelijke gewelddadige wijze waarop omstreeks dezelfde tijd elders in het Caribisch gebied soortgelijke latente moeilijkheden aan de dag traden. De gebeurtenissen rond 30 mei 1969 veroorzaakten evenwel meer een stroomversnelling in de sociale en politieke ontwikkelingen dan een nieuwe aanzet in de economische ontwikkeling van Curacao. De werknemersorganisaties, die in de 1960ger jaren krachtig waren uitgebouwd en in de gebeurtenissen van mei 1969 een doorslaggevende rol hadden gespeeld, waren voortaan niet meer weg te denken als machtsfactor. Op hun aandrang vooral kwam er een discussie op gang over de verantwoordelijkheid van overheid, werkgevers en werknemers ten aanzien van het economische en sociale leven. Dit leidde tot verbetering van de sociale wetgeving, met o.a. bepalingen inzake onredelijk ontslag en minimumlonen. Ook werd de behoefte aan een samenhangend en duidelijk economisch beleid onderkend en werden aarzelend de eerste stappen genomen in de richting van een meer planmatig optreden. Het laatste werd mede gestimuleerd door een tweede discussie die eveneens na mei 1969 opbloeide, namelijk die over de staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen. Beide processen werden ook weerspiegeld in het zoeken naar vernieuwing van het bestaande partijpolitieke systeem: de opkomst van Frente Obrero y Liberacion 30 di mei (F.O.L.) (1969) en van de Movemento Antia Nobo (M.A.N.) (1971) betekende voor het eerst sinds decennia een reele uitdaging voor de oude politieke partijen. Het debat over de staatkundige structuur handelde enerzijds over de verhouding met Nederland en anderzijds over de betrekkingen tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen onderling. Een oplossing voor de eerste kon niet zo snel worden geformuleerd als Nederland aanvankelijk wenste; een meer planmatige voorbereiding op de onafhankelijkheid werd, voorgestaan vanuit de Nederlandse Antillen en tijdens de Ronde Tafel Conferenties van 1981 en 1983 geaccepteerd. Voor de relaties tussen de Antilliaanse eilanden (en met name tussen Aruba en Curacao) werd vooral vanuit Aruba op spoed aangedrongen (zie @: Ronde Tafel Conferentie; @: Zelfstandigheidsstreven van Aruba).

 

Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 3: Geschiedenis Bovenwindse Eilanden

  • Sectie 4: Spaanse periode

De drie Bovenwindse Eilanden, St. Maarten, Saba en St. Eustatius werden door Columbus ontdekt op zijn tweede tocht naar de Nieuwe Wereld, die plaatsvond in 1493. Hoewel het op de Mapa Mundi, de oudst bekende kaart van het Caribisch gebied, aangegeven eiland St. Martin waarschijnlijk niet het tegenwoordige St. Maarten is (maar Nevis) lag de route die Columbus op die tweede tocht volgde, voldoende dicht onder dit eiland en de beide andere dat zij door de grote admiraal konden worden gezien en in het journaal, zij het onder andere namen, konden worden genoteerd.

Omtrent de naamgeving der drie eilanden is niet veel met zekerheid bekend. Nevis heette eerst San Martin, vermoedelijk omdat het op de dag van deze heilige werd gezien. Saba en St. Eustatius heetten respectievelijk eerst Santa Maria de la Nieve (S. Delanibe) en San Cristobal (S. Chrobal) waarbij het niet geheel zeker is welke naam bij welk eiland behoort. Hoe de verwisseling Nevis-St. Maarten heeft plaatsgevonden is onbekend. St. Eustatius kreeg zijn naam naar de oudste kaart waarop het staat aangegeven, de zogenaamde Turijnse kaart, en waarop het Estasia wordt genoemd, misschien een Spaanse imitatie van een indiaanse naam. De oorsprong van de naam Saba is onbekend. Dat de naam verband houdt met het verhaal van de koningin van Sheba of Saba aan Salomo lijkt onwaarschijnlijk. Hoewel de onderscheiding in Boven- en Benedenwindse Eilanden (in het Spaans islas de sotavento en de islas de barlovento) in de Nederlandse geografie niet overeenstemt met het Britse spraakgebruik en topografie - volgens welke de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen tot de groep der Leeward Islands behoren - worden St. Maarten, Saba en St. Eustatius in de lokale Engelse terminologie als Windward Islands aangeduid. Van een Spaanse kolonisatie van deze eilanden is niets bekend; er werd geen goud gevonden; zout vonden de Spanjaarden elders in overvloed en voor landbouw of veeteelt boden deze eilanden slechts geringe mogelijkheden.

Te laat bemerkte Spanje dat het deze nalatigheid moest betalen met het permanent verlies van alle Bovenwindse Eilanden en de meeste Benedenwindse. Na enige pogingen van de Engelsen in 1605 (Santa Lucia) en 1609 (Grenada) vond permanente Engelse en Franse vestiging plaats omstreeks 1624 en volgende jaren, terwijl de Nederlandse pogingen tot het planten van colonien in het Caribisch gebied dateren van 1628, het jaar waarin Tobago (Nieuw Walcheren) werd bezet. Enige jaren later vond vestiging plaats op St. Maarten en Anguilla (1630 of 1631), daarop volgden Curacao met Bonaire en Aruba (1634), vervolgens St. Eustatius met Saba (1636) en St. Kruis - St. Croix - (1642).

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Sectie 5: 17de en 18de eeuw
  • Paragraaf 13: St. Maarten
  • Deel 8: Verovering

De Franse en Engelse kolonisatiepogingen in deze streken hadden allereerst Nederlandse koopvaarders aangelokt en reeds in 1627 werden de Engelse kolonisten van St. Christopher (of St. Kitts) door de Zeeuwen voorzien van goederen die zij nodig hadden in ruil voor de produkten door hen verbouwd, voornamelijk tabak. Ondanks de hardhandige ontvolking door de Spanjaarden onder Fadrique de Toledo in 1629 bloeiden de Engelse en Franse kolonien spoedig weer op. Nederlandse koopvaarders bezochten de eilanden en dreven ruilhandel met de bevolking. Het feit dat deze schepen een goede haven nodig hadden en de voordelen die de pannen van St. Maarten de zoutvaarders boden, deden de keuze van een steunpunt spoedig op dit eiland vallen. Omstreeks 1630 werd het besluit genomen het eiland permanent te bezetten. In augustus 1631 arriveerde Jan Claesz van Campen met een aantal soldaten als commandeur. St. Maarten was toen onbewoond en een protest van de Engelsen - het eiland viel onder de Carlisle grant - werd dan ook door de Staten-Generaal ter zijde gelegd.

Van Campens eerste taak was de bouw van een fort. In juni 1632 was men daarmee zover gevorderd, dat met de versterking van vijftig man die toen uit Nederland arriveerde, het gehele garnizoen - tachtig man sterk - in deze vesting kon worden gelegerd. Niettemin moet men zich geen overdreven voorstelling maken van dit fort. Het bestond uit planken en palissaden op een aarden wal. Aan de zeezijde waren echter ter versterking stenen aangebracht terwijl plannen voor uitbreiding waren ontworpen en slechts op uitvoering wachtten. In de loop van 1632 werd het garnizoen versterkt tot het 100 man telde. Het eiland werd in deze tijd druk bezocht niet alleen door Nederlandse maar ook door Engelse en Franse schepen. De zoutopbrengst moet aanzienlijk geweest zijn; misschien werden de kosten van het 6.000 man sterke garnizoen van Recife/Olinda in Brazilie hierdoor gedekt. Deze activiteit werd echter met lede ogen door de verantwoordelijke Spaanse autoriteiten gezien en hun herhaalde klachten bewogen de Spaanse regering tot het uitzenden van een vloot. Deze armada die Spanje in mei 1633 verliet, onder bevel van Markies de Cadereyta, konvooieerde een aantal koopvaardijschepen naar het West-Indisch gebied en moest en passant Sint Maarten bezetten. Toen de Spaanse vloot 25 juni 1633 voor Sint Maarten verscheen lagen er geen schepen bij de zoutpan. Een sommatie tot Van Campen om zich over te geven, werd eerst geweigerd maar toen de Spanjaarden ernst maakten met een aanval werden onderhandelingen geopend en gaf het Nederlandse fort zich over. De bezetting was lijfsbehoud toegezegd. Het waren de dagen van de buena guerra waarin wederzijdse gevangenen werden gespaard en bij tijd en wijle uitgeleverd. Met Sint Maarten ging ook de Nederlandse kolonie op Anguilla verloren. De Spaanse Kroon hield het eiland bezet tot kort voor de vrede van Munster.


  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 9: Geschiedenis 1648-1795

Nadat de Spanjaarden St. Maarten begin 1648 hadden ontruimd, maakten de Fransen aanspraak op een deel van het eiland op grond van hun vroegere vestiging omstreeks 1624. Om dezelfde reden (de Nederlandse vestiging 1631-1633) zond de commandeur van St. Eustatius een kleine gewapende macht naar St. Maarten. In maart 1648 kwam een verdelingsverdrag tussen de Fransen en de Nederlanders tot stand, waarbij het noordelijk deel van het eiland in Franse handen kwam en het zuidelijk deel in Nederlands bezit. Bij dit verdrag werd ondermeer het gezamenlijk gebruik van de zoutpannen geregeld, het bewaren van onzijdigheid in geval van oorlog russen de moederlanden, de uitlevering ingeval van misdrijven en het gezamenlijk optreden tegen aanvallen van buiten (zie @: Verdelingsverdrag van Sint Maarten). In de jaren 1667 en 1668 werd het eiland door Engelsen enige malen gebrandschat. In 1672 verklaarde Frankrijk aan de Republiek de oorlog hierin voorafgegaan door Engeland.

Nadat, als uitvloeisel van deze oorlogsverklaring, de Gouverneur van het Franse gedeelte van St. Christopher (St. Kitts) eerst gepoogd had St. Eustatius te veroveren (juni 1672), waar de Engelsen hem voor waren, zette hij koers naar St. Maarten en nam het Nederlandse gedeelte in. De inwoners van Nederlandsen huize werden naar Tobago gebracht, dat destijds aan de Republiek toebehoorde (zie Nieuw Walcheren). De Fransen legden op de zuidelijke helft, waar de Gouverneur ging resideren, aanzienlijke versterkingen aan ter bescherming van het (oude) dorp. Zij bouwden een sterke muur tussen de Lammerenberg (nu Fort Hill) en de Great Salt Pond, en staken bovendien de zandrug tussen Great Pond en Little Pond door.

In 1676 zond de Amsterdamse admiraliteit een krachtig eskader uit onder Jacob Binckes om de Fransen in West-Indie afbreuk te doen. Midden juni landde hij op St. Maarten. Hoewel de gewapende planters onder bevel van Gouverneur De Maynie zich flink verdedigden, forceerden de Nederlandse landingstroepen de poort van de bovengenoemde muur na een stormaanval. De Fransen en de meeste slaven vluchtten het heuvelland in. Waarschijnlijk als straf voor het feit, dat De Maynie op de Nederlandse onderhandelaars had laten schieten, liet Binckes alle huizen plunderen en in brand steken, en vertrok met een aanzienlijke buit. Bij de vrede van Nijmegen werd St. Maarten aan de Republiek teruggegeven. De vroegere patronen, de Lampsins, deden evenwel geen pogingen de restitutie te bewerkstelligen, zodat het eiland in feite onder Frans bestuur bleef.

Onder het Franse bewind heeft men getracht op het eiland een zijdecultuur te beginnen. De grond bleek echter niet geschikt voor het planten van moerbeibomen (1687). In dat jaar waren de inwoners overgegaan op de (minder intensieve) verbouw van indigo (aniline), hoewel het land het meest geschikt was voor katoen en tabak. Daarnaast bedreven zij wat veeteelt. St. Maarten was op dat ogenblik slechts voor 1/20 gedeelte bebouwd en telde 1.075 inwoners, die verspreid over het eiland woonden.

Na het uitbreken van de Negenjarige Oorlog (1688) deden de Engelsen een aanval op St. Maarten (januari 1690). De verdedigers wisten evenwel stand te houden en de Engelsen scheepten zich weer in, nadat het (inmiddels versterkte) Engelse eskader in de Great Bay een Franse aanval ter zee had afgeslagen. De meeste inwoners verlieten het eiland en een aantal vestigde zich op St. Christopher, dat enige tijd tevoren geheel door de Fransen was bezet.

In juli 1690 keerde het getij: de Engelsen heroverden het eiland en de nieuwe gouverneur zond de vroegere bewoners van St. Maarten (ruim 200 mensen) naar hun eiland terug. Ook legde hij er een Engelse bezetting.

Bij de Vrede van Rijswijk (1697) kwam St. Maarten aan Frankrijk, dat het in 1698 weer in bezit nam. De bevolking was verarmd en de handel ging buiten het eiland om. Vier jaar later is er niettemin sprake van een Frans garnizoen dat in verband met een grote aanval op de Engelse Antillen van St. Maarten was weggehaald (1702). Tevens werd het Franse bestuur in dat jaar opgeheven. Hiervan maakte commandeur Lamont van St. Eustatius gebruik: in 1703 zond hij een bark met een kleine strijdmacht naar St. Maarten en bracht het gehele eiland onder de West-Indische Compagnie. Hij sloot met de Franse inwoners een "capitulatie", waarbij ondermeer bepaald werd, dat zij vrij handel mochten drijven maar aan de Nederlanders de voorkeur zouden geven.

Tot omstreeks 1735 ging er zeer weinig om op het eiland. De bevolking bestond voor het grootste gedeelte uit arme planters. Enkele families bezaten vrijwel alle slaven. De bodemcultuur was weinig intensief. De meeste planters verbouwden indigo, hadden enige kostgronden en bedreven veeteelt. De families met een voldoende slavenmacht legden dikwijls suikerplantages aan op het Franse gedeelte, waar de grond vruchtbaarder was. Van de 143 inwoners in 1705 waren ruim 60 van Franse origine en een kleine 80 van Nederlandsen huize. In het geheel waren er 23 slaven. Tien jaar later woonden op St. Maarten 43 Nederlanders met 19 slaven tegen 350 Fransen met 244 slaven. Later vestigden zich nog enige Statiaanse families (in 1715 woonden er reeds meer) op het eiland en na 1735 vooral veel Engelsen.

De noordelijke helft van St. Maarten kreeg in 1718 definitief een Frans bestuur. In 1717 had de Nederlandse vice-commandeur de benoemde Franse gouverneur vrijwel onmiddellijk na zijn aankomst weer doen vertrekken. Twee jaren tevoren is er sprake van een lieutenant du Roi van Frans St. Maarten maar het is onzeker of deze in functie is geweest. In 1734 sloten de commandeur van St. Eustatius en de gouverneur-generaal van Frans West-Indie, op verzoek van de Franse en Nederlandse inwoners, een verdrag, waarbij de neutraliteit van het eiland werd gewaarborgd. De Engelsen, die vreesden voor hun handel op grond van een bepaald artikel van het verdrag, protesteerden in felle bewoordingen. Zij gingen zelfs zover om Nederlandse en Franse schepen op de Engelse Antillen verbeurd te verklaren.

De energieke commandeur John Philips (1735-1746) maakte een begin met de uitvoering van de plannen van commandeur Raecx van St. Eustatius (1728-1733) voor de zoutwinning op St. Maarten. De ingezetenen verkregen van de West-Indische Compagnie een concessie van 20 jaar voor twee molens om de zoutpannen leeg te pompen. Philips was de eerste gezaghebber van St. Maarten die bij zijn benoeming de titel van commandeur kreeg. Tevens bepaalden de Heeren X, dat het eiland voortaan slechts bij de rechtspleging ondergeschikt zou zijn aan St. Eustatius.

Philips hield strak vast aan de Acte van Etablissement (zie @: Plantages: geschiedenis) en trad op tegen usurpatie van gronden. Deze en andere maatregelen zetten kwaad bloed en in 1736 werd hij door een in opstand gekomen deel van de burgerij verjaagd. In het volgende jaar onderwierpen de rebellen zich na een dreiging van de commandeur van St. Eustatius met 's Lands oorlogsschip op Curacao. Commandeur Philips stelde de Bewindhebbers voor het Franse gedeelte van St. Maarten te kopen, waartoe de Fransen volgens hem wel bereid zouden zijn. Van 1745-1751 poogden de commandeurs van St. Eustatius en St. Maarten en de secretaris aldaar de Heeren X met niet aflatende ijver te bewegen tot aankoop. In 1745 bleken de Fransen maar al te bereidwillig te zijn, nadat het Franse gedeelte was geplunderd. De voordelen waren onmiskenbaar; niettemin gingen de Bewindhebbers er niet op in.

In deze jaren ging St. Maarten economisch gezien langzaam maar zeker vooruit. Het herstelde van de malaise, die omstreeks 1717 was opgetreden. In 1738 woonden er 520 blanken en 1.100 slaven. Niettemin was nog veel grond met gewassen voor plaatselijk gebruik beplant. Vanaf 1742 nam het scheepvaartverkeer aanzienlijk toe, evenals de handelsstand ten gevolge van de verbeterde toestand op St. Eustatius. Terwijl de nadruk bij St. Eustatius altijd sterk op de handel heeft gelegen, lag deze bij St. Maarten op de cultures. Naarmate meer planters zich een grotere slavenmacht konden veroorloven, gingen verscheidene van hen over op de arbeidsintensievere suikerrietcultuur. In 1789 telde het eiland 1.100 blanken, 190 kleurlingen en 4.230 slaven, waaruit duidelijk de economische vooruitgang blijkt. De 92 plantages behoorden aan 70 eigenaren. Ruim twintig (20) van hen waren van Nederlandsen huize, een kleine veertig (40) van Engels-Amerikaanse afkomst en ongeveer tien (10) waren van Franse origine. Een 35-tal plantages had suiker als hoofdprodukt, de overige vee en voedsel voor plaatselijk gebruik. Ongeveer 10 plantages lagen braak en op de andere werd vrij veel cultuurgrond als savanne (weidegrond) gebruikt.

Bij de Engelse verovering in februari 1781 werden de planters, evenals op St. Eustatius, ontzien. Afgezien van enkele vernielingen in de kerk had het eiland weinig te lijden. In de voorgaande jaren hadden de Engelsen telkens schepen van de rede weggekaapt, hetgeen de commandeur met het kleine garnizoen niet bij machte was te beletten.

In de periode na de teruggave in 1784 was het eiland welvarend en onder het voortreffelijk gouverneurschap van mr. W. H. Rink, die St. Maarten (met onderbrekingen) van 1790 tot 1807 bestuurde, was er zelfs geen tekort in de koloniale kas. In 1795 deelde het eiland het lot van St. Eustatius en kwam het onder Frans gezag.


  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 14: St. Eustatius

In 1636 verkreeg een zekere Jan Snouck, lid van een bekende Vlissinger koopmansfamilie, van de Kamer van Zeeland een octrooi - of patent - tot het stichten van een nederzetting op het eiland Sint. Kruis of, indien dit eiland om een of andere reden niet geschikt geoordeeld werd, op een ander eiland. Jan Snouck vertegenwoordigde een soort familie- en vriendencompagnie waarvan o.a. ook Abraham van Pere en Pieter van Rhee deel uitmaakten (zie @: Patroonschappen).

De leider van de te maken plantage was dezelfde als die de eerste expeditie naar Tobago had ondernomen, Pieter van Corselles. De expeditie bestond uit twee schepen, een gemonteerde kruiser en een gewone haringschuit. Van Corselles kreeg de titel commandeur te lande over de troepen en colonie van Jan Snouck, vijftig man in totaal. De voyage liep langs Sint Christopher, waar de kapitein van de kruiser, Abraham Abrahamsz, zout moest halen als retourvracht en van daar naar Sint Kruis. Het eiland werd echter "onbequaem" gevonden tot het planten van een kolonie en men zeilde verder. Andere eilanden werden bezocht; tenslotte werd de voorkeur gegeven aan St. Eustatius waar de koloniers debarkeerden. Aldus begon de Nederlandse processie van 't Eylant St. Eustacie'. Op een heuvel, ongeveer 150 voeten hoog werd een fort gebouwd dat de naam kreeg van Fort Orangie. Het is mogelijk dat de Fransen reeds voordien gedurende enige tijd een vestiging op het eiland hebben gehad. Bij de restauratie van Fort Oranje in de 1970ger jaren zijn namelijk fundamenten van oudere datum ontdekt, die kenmerken vertonen van de Franse vestingbouw. Het eiland werd Nieuw Zeeland genoemd. De datum van inbezitname was kort voor 25 april 1636. De kolonisatie van Saba vond, vermoedelijk vanuit St. Eustatius, omstreeks 1640 plaats.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 10: Geschiedenis 1636-1795

Vooral het eiland Sint Eustatius heeft een bewogen geschiedenis doorgemaakt na de kolonisatie door de Zeeuwen (1636). Zij vestigden, mede dank zij de gunstige ligging, een bloeiend handelscentrum op het eiland, waar de uit West-Afrika aangevoerde slaven werden verhandeld (zie ook @: Plantages: geschiedenis). Ook werd er tabak op Sint Eustatius verbouwd. Dit wekte naijver, ondermeer bij Engeland, dat reeds in 1664 het eiland door een eskader liet plunderen, waarna het in 1665 door Engelse boekaniers werd bezet. Saba, dat omstreeks 1640 door Zeeuwen was gekoloniseerd, deelde hetzelfde lot. Na een vergeefse Nederlandse aanslag (1666) kwam St. Eustatius onder Franse vlag en na de Vrede van Breda (1667) weer onder Nederlands bestuur. In het rampjaar 1672 maakten de Engelsen zich wederom van het eiland meester. Enkele dagen later bezetten zij ook Saba.

Bij de Vrede van Westminster (1674) werd het recht van de Republiek op St. Eustatius en Saba erkend. Inmiddels waren in de rechten van de patroon (zie @: Patroonschap) van beide eilanden, Pieter van Rhee, diens kleinzoon Isaac van Pere, Heer van West-Souburg, en Johanna Schorer, als zoonsweduwe, getreden. Na de Vrede van Nijmegen (1678), toen van Franse zijde geen gevaar meer te duchten viel, verzocht Van Pere de Staten-Generaal stappen te ondernemen bij de Engelse koning tot teruggave van de eilanden. Na het advies van de gouverneur der Engelse Leeward Islands ingewonnen te hebben, stond Karel II in april 1681 de restitutie toe.

Ondertussen had de West-Indische Compagnie, die op zoek was naar een geschikt eiland voor een slavendepot in het noordoosten van het Caribisch gebied, de helft van St. Eustatius en Saba aangekocht van ds. Demetrius, de tweede echtgenoot van Johanna Schorer (1679). Gezamenlijk benoemden Van Pere en de Compagnie een commandeur en een commissaris, die de eilanden in 1682 overnamen.

Onder het Compagniesbestuur (Van Pere verkocht in 1683 zijn helft aan de W.I.C.) begonnen St. Eustatius en Saba zich economisch weer te ontwikkelen. Statius, zeer gunstig gelegen ten opzichte van de omringende Franse en Engelse eilanden, werd een belangrijk entrepot in de illegale handel tussen de Engelse en Franse kolonien. Daarnaast leverde het deze alle mogelijke verbruiksgoederen uit de Republiek. In 1688 schatte commandeur Schorer (1687-1689) de waarde van de jaarlijkse uitvoer naar Nederland op 175.000 gulden. In de zomer van hetzelfde jaar vertrokken acht schepen naar het vaderland met een lading van in totaal ruim anderhalf miljoen pond suiker. Onder zijn bestuur werden vijf suikermolens op het eiland gebouwd.

De aanvoer van slaven door de W.I.C was onvoldoende om in de behoefte van de planters te voorzien. Dit ondanks herhaalde klachten van de commandeurs, die meenden dat men ruim 500 slaven per jaar op St. Eustatius zou kunnen afzetten, vooral ter doorverkoop aan de Fransen. Plannen tot verbetering en uitbreiding der fortificaties kwamen niet tot uitvoering wegens gebrek aan geschoolde werklieden. De Compagnie bezat op het eiland drie plantages (1687).

Terstond na het uitbreken van de Negenjarige Oorlog (1688) werd St. Eustatius op speciaal bevel van Lodewijk XIV aangevallen en na een strijd van enkele dagen overgegeven (1689). De meeste inwoners gingen naar Nevis, vanwaar zij zich verspreidden over de naburige eilanden. Sommigen vestigden zich op Saba, dat in deze oorlog Nederlands bleef. Hiermee had Lodewijk XIV een van zijn voornaamste oogmerken, het zoveel mogelijk schade toebrengen aan de handel van de Republiek, voor wat West-Indie betreft, bereikt. Daarnaast wilden de Fransen St. Eustatius behouden om strategische redenen. In 1690 trachtte een expeditie vanuit Saba het eiland te hernemen. De Franse bezetting gaf zich echter over aan de Engelsen, die kort daarop waren geland. Koning-Stadhouder Willem III gaf Statius terug aan de W.I.C. (1691). Door verschillende oorzaken duurde het evenwel tot 1696 voor de restitutie een feit werd.

Aanvankelijk heeft de Compagnie het recht van Van Pere c.s. op Saba betwist. De laatsten konden hun eigendom echter aantonen en het eiland ging samen met St. Eustatius over naar de W.I.C. (1679-1683). Het volgde de ontwikkeling van dit eiland en in 1688 noemt commandeur Schorer het welvarend. Er was toen een suikermolen in aanbouw (1688). Tijdens de Negenjarige Oorlog I (1688-1697) zijn Saba vijandelijke aanvallen bespaard gebleven. Slechts hoefden de Sabanen in 1689 de aanval van een Frans kaperschip af te slaan, dat na de verovering van St. Eustatius naar Saba was gezonden om het eveneens te bezetten. De bevoorrading van het eiland was in die periode echter vaak moeilijk. Rond het jaar 1700 is er sprake van een sterk toenemende invloed van de Engelse taal, ook bij de van huis uit Nederlandstalige families. Op Sint Eustatius en Sint Maarten - waar in het zuidelijke gedeelte ook van origine Franstalige families woonden - heeft deze ontwikkeling zich waarschijnlijk pas in de loop van de 18de eeuw doorgezet.

In het tijdvak tot de Vrede van Utrecht (1713) was het bestaan van St. Eustatius vrij onzeker. De Frans-Engelse betrekkingen bleven gespannen en spoedig brak de Spaanse Successieoorlog uit (1701). Aanvankelijk profiteerden de Statianen van de oorlogstoestand. Van 1704 tot 1709 nam de handel (vooral de sluikhandel) toe en steeg het bevolkingsaantal. Wel had het eiland te lijden van Franse en Engelse kapers. Een aanval van Franse kapers, die St. Eustatius plunderden en de bewoners uitschudden (1709) en de brandschatting door de beruchte Jacques Cassard (1713) vaagden de, zij het geringe, welvaart weg. De Vrede van Utrecht luidde een stabieler periode in, gedurende welke de handel zich weer kon ontplooien. De uitgeweken Statiaanse families keerden terug van de naburige Deense en Engelse eilanden. Ook nieuwe vestiging vond plaats. Niettemin was in 1719 de armoede nog zo groot, dat de inwoners het hoofdgeld niet konden opbrengen.

De politieke gesehiedenis van St. Eustatius wordt in de eerste helft van de 18de eeuw overigens gekenmerkt door ruzies en geschillen over en weer van vier families: de Heyligers en de De Windts enerzijds, de Donekers en de Lindesaijs anderzijds. Met hun verwanten bezetten zij alle zetels in de Raad en de meeste openbare functies. Leden van de ene of andere groep bekleedden afwisselend het commandeurschap. Van de commandeurs rechtstreeks uit Nederland afkomstig kozen de meesten de zijde van een van de families. Slechts twee, Everard Raecx (1728-1733) en Isaac Faesch (1737-1740) voerden een onafhankelijk beleid met als gevolg, dat zij beide facties tegenover zich vonden.

In 1739 verklaarde Engeland aan Spanje de oorlog. De meeste Statianen waren zo bevreesd dat zij het eiland verlieten en naar de Deense Antillen gingen. Nog geen 100 weerbare mannen bleven over. Ook wemelde de zee van de kapers, die vele Statiaanse vaartuigen buit maakten. Weldra liep de levensmiddelen aanvoer gevaar. Niettemin was er in de jaren 1742-1743 een druk scheepvaartverkeer op het eiland. Na de deelneming van Frankrijk en de Republiek aan de oorlog (1744) dreigde de handel een ogenblik geheel stil te komen liggen, aangezien de Engelsen behalve Franse ook talrijke Statiaanse sehepen in bezit namen. De Franse Antillen werden namelijk grotendeels vanuit St. Eustatius bevoorraad en de Franse produkten in (neutrale) Nederlandse seheepsruimte naar Europa vervoerd.

Vanaf 1745 zien wij een toenemende welvaart op het eiland, die na 1768 overgaat in een periode van bloei. Ter illustratie diene dat het totale bevolkingscijfer tussen 1768 en 1779 met ruim 33% steeg, waarvan de blanke bevolking met 71%. Bovendien kende het bestuur grotere evenwichtigheid onder de commandeur Heyliger (1743-1752) en commandeur De Windt (1752-1775).

Het oude dorp was reeds in 1736 te klein geworden, hetgeen nieuwe vestiging belemmerde. Voor de noodzakelijke uitbreiding gaven Commandeur en Raden de grond van de "Compagnies Savanne" (ten zuiden van het dorp) uit aan particulieren tegen betaling van recognitie (1740-1743). Enkele jaren later begon men wegens de toenemende handel, pakhuizen beneden aan de baai te bouwen, waaruit het Benedendorp ontstond.

In de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) profiteerde St. Eustatius opnieuw van het feit, dat de Republiek neutraal was. De Engelsen waren eehter vastbesloten de sluikhandel met de Franse eilanden tot stilstand te brengen, om dezelfde reden als in 1744. Alleen reeds in het begin van 1758 maakten zij 62 Statiaanse vaartuigen buit (waarde 440.000 pesos). In 1760 raakte het eiland formeel geblokkeerd en werd de handelsstand grotendeels geruineerd. Na de vrede herstelde St. Eustatius zich spoedig. Commandeur De Windt kon in 1763 reeds drie goed bemande en bewapende schepen naar Berbice zenden om de slavenopstand aldaar te helpen dempen.

Het besluit van het Amerikaanse Congres geen goederen meer uit het Verenigd Koninkrijk en Brits West-Indie in te voeren (1774), gevolgd door het uitbreken van de Vrijheidsoorlog (1776) opende voor St. Eustatius, evenals voor de Franse Antillen, ongekende mogelijkheden. In 1776 opende commandeur (Johannes) de Graaff (1776-1781) de haven voor Amerikaanse schepen (voor het eerste saluut aan de Noord-Amerikaanse vlag zie @: Graaff, Johannes de). Weldra werd het eiland de voornaamste opslagplaats van de oorlogsbehoeften voor de Noord-Amerikanen. Dit niettegenstaande het door de Staten-Generaal (1775) uitgevaardigde uitvoerverbod van ammunitie naar de Britse kolonien, waaraan immers de Amsterdamse kooplieden, als grootste belanghebbenden, niet de hand hielden. Bezoekers van het eiland uit deze jaren beschrijven de enorme bedrijvigheid en het drukke scheepvaartverkeer (gemiddeld 3.000 schepen per jaar) op St. Eustatius.

Het besluit van de Engelse admiraliteit alle Nederlandse schepen op oorlogsbehoeften te doorzoeken, leidde tot het zenden van een Nederlands eskader ter bescherming van de neutraliteit (1777). Na felle Engelse protesten werd De Graaff ter verantwoording naar Nederland geroepen (1778), maar wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken. Het conflict verscherpte zich en in februari 1781 verscheen admiraal Rodney met een sterk Brits eskader op de rede van St. Eustatius. Het eiland werd vrijwel zonder slag of stoot overgegeven, twee dagen later gevolgd door St. Maarten en Saba. De handelsgoederen van allen zonder onderscheid werden verbeurd verklaard en voor de Koning verkocht. De Nederlandse, Engelse en Amerikaanse kooplieden werden uitgewezen; velen van hen vestigden zich op het Deense St. Thomas.

De drie eilanden werden in november 1781 reeds hernomen door een Franse vloot en na de Vrede van Versailles teruggegeven (1784). De verovering in 1781 duidt niet het einde aan van de economisehe betekenis van St. Eustatius. De Engelse aanval maakte slechts een einde aan de buitensporige welvaart ten gevolge van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Vele kooplieden keerden na 1784 terug naar het eiland. In 1786 was het aantal inwoners zelfs meer dan het dubbele van dat in 1779. Niettemin raakt na 1790 het einde van de belangrijke rol van St. Eustatius in de West-Indische handel in zicht. In 1795 dwongen de commissarissen van de Convention op Guadeloupe de drie Bovenwindse Eilanden tot een eenzijdige capitulatie en namen het bestuur over.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 11: Economische toestand

De oorzaak van de bloeiende handel van St. Eustatius in de 18de eeuw is gelegen in de mercantilistische politiek van Engeland, Frankrijk en Spanje ten opzichte van hun Amerikaanse kolonien. De aanvoer van goederen en de verscheping van de koloniale produkten mocht slechts geschieden in schepen van het land, waartoe de kolonien behoorden. Bovendien waren Frankrijk en Engeland in 1686 overeengekomen geen handel tussen de wederzijdse Amerikaanse bezittingen toe te staan. Aangezien Brits Noord-Amerika en Frans West-Indie in de 18de eeuw economisch op elkaar waren aangewezen, verschafte dit verdrag voor St. Eustatius de mogelijkheid als entrepot op te treden. De Fransen verkochten hun suiker op St. Eustatius, die werd opgekocht door de Noord-Amerikanen, welke laatste er deels tegen contanten hun levensmiddelen, hout, paarden, tabak en indigo verkochten. Bij dit alles traden de Statiaanse kooplieden als tusseninstantie op. Ook sloegen Noord-Amerikaanse slavenhalers rum in op St. Eustatius, waarmee zij hun handel dreven aan de Kust van Guinea.

Daar de Engelse regering verder een belasting hief op een aantal goederen die van de ene Britse kolonie naar de andere werden vervoerd, trachtten de Engelse kooplieden deze belasting te ontduiken door het transport clandestien over St. Eustatius te laten lopen. Zo werd omstreeks 1770 60% van de tabak, op St. Eustatius ingevoerd uit Noord-Amerika, weer naar de Britse Antillen uitgevoerd. Omgekeerd ging in 1770 65% van de uitgevoerde rum naar de Noord-Amerikaanse kolonien, terwijl deze eveneens voor 65% uit de Britse Antillen was ingevoerd (in 1779 voor 99%). Uit de Republiek (vooral uit Amsterdam) werden veel verbruiksgoederen, zoals linnen en schoenen, op St. Eustatius ingevoerd, waarmee men vervolgens weer sluikhandel op de Franse en, in mindere mate, de Engelse Antillen bedreef. In oorlogstijd was deze handel nog winstgevender, aangezien de Franse eilanden wegens de onvoldoende bescherming van hun koopvaardijvloot voor de aanvoer van levensbehoeften afhankelijk waren van de Nederlandse schepen; bovendien werden de Franse koloniale produkten dan in Nederlandse scheepsruimte naar Europa vervoerd. Om deze redenen mochten de Statiaanse vaartuigen vrij de havens van Martinique binnenlopen.

Tussen 1770 en 1779 liep de uitvoer van suiker vanuit St. Eustatius naar de Noord-Amerikaanse staten zeer sterk terug; in 1779 werd alle suiker, uit Frans West-Indie op St. Eustatius ingevoerd, naar de Republiek verscheept. Ruim 90% van de uitgevoerde indigo (voor 80% uit Noord-Amerika) en huiden (voor 45% uit St. Kitts) gingen in dat jaar naar Nederland. Daarnaast bestond er in de 18de eeuw een grote invoer van vlees uit Ierland en New England, ook in oorlogstijd (in 1758 bedroeg deze 50 - 60.000 vaten), dat weer naar de Franse eilanden werd verhandeld. De opbrengst van de eigen cultures is altijd vrij gering geweest (zie @: Plantages: geschiedenis).

Na het bovenstaande is het duidelijk, waarom de Engelsen gedurende de 18de eeuw, met name in oorlogstijd voortdurend hebben getracht de Statiaanse handel te belemmeren. In 1781 vormde de positie van St. Eustatius als opslagplaats van voorraden en oorlogsbehoeften voor de Noord-Amerikanen de aanleiding tot de Engelse verovering. De oorzaak was evenwel gelegen in de Engelse afgunst op de handel van het eiland. De waarde der koopmanschappen op St. Eustatius in genoemd jaar bedroeg naar schatting 3 - 4 miljoen pond sterling! Bovendien maakte admiraal Rodney 150 koopvaarders buit!

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 12: Slavenhandel

De Nederlanders brachten jaarlijks 2.000 - 3.000 slaven naar St. Eustatius. De aanvoer geschiedde grotendeels door illegale slavenhalers, aangezien de W.I.C. onvoldoende slaven aanbracht. De commandeurs wilden er meestal niet tegen optreden, omdat zij zelf bij de slavenhandel betrokken waren. Bovendien konden zij het niet bij gebrek aan machtsmiddelen als een sterk garnizoen of een krachtige politiemacht. Vanuit St. Eustatius werd tot omstreeks 1740 het overgrote deel van de benodigde slaven op St. Christopher (St. Kitts), Barbados en de Deense Antillen aangevoerd. Zij waren goedkoper op St. Eustatius dan op de andere eilanden (bijvoorbeeld 20% goedkoper in 1731). De Royal African vestigde op St. Lucia een slavenbeurs, die sedert ongeveer 1725 St. Eustatius concurrentie aandeed.

Na 1740 behield het eiland een vrij grote slavenhandel, hoofdzakelijk met de inwoners van de Franse Antillen. In latere jaren liep de omzet terug als gevolg van het verscherpte Engelse toezicht op het Nederlandse verkeer met de Franse eilanden. Bovendien werden de slaven voor de Nederlandse Guyana's rechtstreeks naar die gebieden gebracht. In 1784 werd op St. Eustatius de vrije handel in slaven verboden. Dit feit, samen met de lagere prijzen op de slavenmarkt van de Britse Antillen, resulteerde in het einde van de slavenhandel op St. Eustatius omstreeks 1790.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Paragraaf 15: Saba

De berichten over Saba in de 18de eeuw zijn vrij schaars. Staatkundig hoorde het onder St. Eustatius en de meeste maatregelen voor laatstgenoemd gebied golden ook voor Saba (zie @: Bestuursregeling). Omstreeks 1700 was alle grond op het eiland in cultuur gebracht met katoen en voedingsgewassen. Ook verbouwde men suikerriet. In 1715 waren er vier Rom wercken (rumstokerijen) op Saba tegen een in 1688. In de vlakte genaamd De Botte (nu The Bottom) stonden een kerkje en enige huizen. Het merendeel der gezinnen woonde op hun gronden in de bergen. Het grootste gedeelte van de mannen bewerkte, met hun slaven, zelf het land. Uit de katoendraden, die de Sabanen zelf sponnen, maakten zij hangmatten. De vermaarde schoenenindustrie van Saba bestond reeds in 1701. Daarnaast bouwden de inwoners kustvaartuigen en bedreven visserij. In de 18de eeuw dienden ook vele mannen uit Saba op Noord-Amerikaanse schepen. Een orkaan, die ook op St. Eustatius en St. Maarten grote verwoestingen aanrichtte, bracht zware schade toe aan het eiland en vernielde de koffie- en katoenaanplant (1772). Sinds dat jaar was de eigen oogst niet voldoende meer en ging men katoen importeren uit St. Thomas ten behoeve van de toen opkomende kousenindustrie. De samenleving op Saba in de 18de eeuw had patriarchale trekken. Door zijn natuurlijke gesteldheid bleef het eiland onberoerd door de gebeurtenissen in de omgeving. De inwoners leefden als vergeten burgers hun gerust leven (Van Grol). Van 1682 tot 1781 is het eiland steeds Nederlands gebleven; in de jaren 1781-1795 deelde het de lotgevallen van St. Eustatius maar de vlagwisselingen hadden er nauwelijks gevolgen.

 

  • Geschiedenis Ned. Ant.: Deel 14: Geschiedenis 1795-1900

Tijdens de Franse bezetting (1795-1801) kwam de handel vrijwel geheel stil te liggen en werden van de bewoners zware financiele offers geeist. In 1801 veroverden de Engelsen St. Eustatius, St. Maarten en Saba, die het volgend jaar bij de Vrede van Amiens weer werden teruggegeven (1802). De oplevende handel van St. Eustatius werd evenwel na het opnieuw uitbreken van de oorlog (1803) wederom onderbroken. Het voedselembargo van de Verenigde Staten (1808) was een tweede zware slag, welke zelfs tijdelijk hongersnood op de eilanden veroorzaakte.

De in slechte staat van verdediging verkerende Bovenwinden konden geen weerstand bieden aan een tweede Engelse aanval (1810). Bij het Verdrag van Londen werden St. Eustatius, St. Maarten en Saba aan Willem I als soeverein vorst der Nederlanden gerestitueerd en in het begin van 1816 vond de overdracht plaats. Toen was Amsterdam echter al geen stapelmarkt meer voor produkten en grondstoffen uit Europa en van overzee. Dit had zijn terugslag op St. Eustatius, waar in het begin van de 19de eeuw nog slechts enige zaken werden gedaan met kapers uit niet erkende Zuid-Amerikaanse republieken. Illustratief hiervoor is dat de tot die tijd niet onbelangrijke suikerproduktie - in 1829 telde het eiland nog 14 plantages - in dat jaar was teruggelopen tot 400.000 pond per jaar tegen het dubbele in 1819. In 1828 verklaarde men het eiland tot vrijhaven wegens de concurrentie van de Deense Antillen. Het bracht een korte opleving teweeg, waaraan Engeland een eind maakte door de kaapvaart te verhinderen.

Ondanks alle pogingen in de 19de eeuw om de economische structuur van de eilanden te verbeteren, bleef de economische situatie slecht met alle sociale gevolgen vandien. De koloniale kas vertoonde voortdurend een nijpend tekort (in 1884 waren de uitgaven van St. Eustatius zelfs viermaal zo hoog als de inkomsten). (Voor de toestand van de cultures en de landbouw zie @: Plantages: geschiedenis.) De wijzigingen in de bestuursregeling in 1828 en later tonen duidelijk hoe de verwachtingen die men van de economische mogelijkheden van de drie eilanden koesterde, steeds lager werden gestemd. Slechts St. Maarten kende van 1835-1850 een goede zoutopbrengst, welke evenwel niet aan het behoeftige gedeelte der bevolking ten goede kwam. In 1903 kenschetste het Nederlandse kamerlid H. van Kol de economische toestand als allertreurigst en constateerde hij dat de armoede overheerschend was..


Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 4: Jongste periode

Algemeen tot 1945: In de jaren 1919 en 1920 kwam op St. Maarten grote ontevredenheid tot uiting over vermeende achterstelling van het eiland. Zelfs werd in de plaatselijke pers propaganda gemaakt voor onafhankelijkheid en een eigen raad der Bovenwindse Eilanden. St. Eustatius en Saba stemden daar echter niet mee in en nadien hoorde men niet meer van de wens tot afscheiding. De Bovenwindse Eilanden zijn zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog niet in daadwerkelijke aanraking gekomen met het oorlogsgeweld; er kwam in hun toestand geen verandering van betekenis, maar door hun geografische ligging vervulden zij in de Tweede Wereldoorlog een strategische rol in de verdedigingslinie van de Verenigde Staten. Al dadelijk op 12 mei 1940 namen Franse troepen het Nederlandse deel van St. Maarten in bescherming tot na de val van Frankrijk op 23 juni toen de Franse Antillen Vichy-gezind werden van hogerhand (de bevolking koos geen partij). In overleg met de regering in Londen werd overeenkomstig de tekst van het verdelingsverdrag van 1648 bepaald, dat de onderdanen van beide naties, wat er elders ook mocht geschieden, op St. Maarten steeds in vrede en vriendschap met elkaar zouden leven. De Gouverneur zou echter zekere afstand bewaren. De bevolkingen hadden overigens weinig contact met elkaar, of schoon de grens niet werd afgesloten. Nederlandse vluchtelingen konden via Frankrijk aldus de Nederlandse Antillen bereiken. (In 1948 is het 300-jarig verdrag door plaatsing van een monument herdacht en vanaf 1959 werd tot het gezamenlijk vieren van de St. Maartensdag besloten). Na Pearl Harbor patrouilleerden de Verenigde Staten voortdurend vanuit de lucht; een vliegveld op St. Maarten kwam in 1943 gereed (voor de ontwikkeling van het toerisme na de oorlog van grote betekenis), maar de bootverbinding tussen de eilanden bleef een lijdensgeschiedenis.

Na 1945 - St. Eustatius: Op St. Eustatius heeft men onder gezaghebber Van Grol (1902-1919) geprobeerd met de teelt van sea-island cotton de landbouw nieuwe impulsen te geven. Wegens lage prijzen in het buitenland, schade door insekten en de hierna te noemen emigratie van arbeidskrachten, is de katoenteelt in 1922 gestaakt. In de jaren na 1920 kwam, naast de vanouds bestaande seizoenemigratie, een omvangrijke trek op gang van bewoners van de drie Bovenwindse Eilanden, aanvankelijk naar Curacao, waar, door de vestiging van de Shell-raffinaderij meer werkgelegenheid kwam, niet lang daarna ook naar Aruba. Op dit eiland had de Lago Oil and Transport Company Ltd. eerst een overlaadstation en in een later stadium een raffinaderij opgericht. De Bovenwinders vonden overigens in hoofdzaak werk door het opvullen van arbeidsplaatsen buiten de olie-industrie, omdat veel Curacaoenaars en Arubanen bij de Shell, resp. de Lago gingen werken. De economische en sociale gevolgen van deze uittocht waren aanzienlijk, en werden nog verergerd door enige orkanen in 1924 en 1928, terwijl na de wereldmalaise van 1929 velen vrij plotseling terugkeerden. In 1934 begon de tweede trek naar Aruba en Curacao. In tegenstelling tot de 1920ger jaren maakten vele Bovenwinders in deze periode wel geld over naar hun achtergebleven familie op het thuiseiland. Deze geldstroom kreeg op den duur een zodanige omvang, dat men ging spreken van een postwissel-industrie of remittance society. Het behoeft geen betoog dat onder deze omstandigheden in de periode tot en met de Tweede Wereldoorlog niet of nauwelijks sprake kon zijn van een verbetering van de sociaal-economische omstandigheden op de Bovenwindse Eilanden.

De zelfstandigwording van het Eilandgebied in 1951 op basis van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) bevorderde de sociale en economische ontwikkeling, zij het dat het Eilandgebied nog niet selfsupporting is en mitsdien financieel gedeeltelijk afhankelijk is van het Land, dat het jaarlijks tekort op de begroting dekt (artt. 126 en 127 ERNA). Welvaartsplannen werden beraamd, een welvaartsfonds werd in 1956 gesticht. Slechts enkele belangrijke feiten en ontwikkelingen worden hier aangestipt uit het recente verleden. Op St. Maarten werd in 1964 een pier in gebruik genomen, waardoor het zeevervoer versneld is toegenomen. De Prinses Juliana luchthaven is in de loop der tijd aanzienlijk uitgebreid (met name verlenging van de start- en landingsbaan), terwijl in 1982 een E.E.G.project is goedgekeurd tot verdere uitbreiding van de luchthaven. Het eind van de 1960ger jaren en de 1970ger jaren hebben een stormachtige ontwikkeling van het toerisme te zien gegeven, vooral van het verblijfstoerisme.

Na 1945 - St. Maarten: Als gevolg van de bouw van een aantal (luxe) hotels is het aantal hotelkamers op St. Maarten gestegen van nog geen 250 in 1968 tot bijna 1.400 in 1975. In de periode 1969-1975 schoot het aantal verblijfstoeristen omhoog van ruim 20.000 tot meer dan 67.000 personen (cijfers inclusief Antillianen). Op het gebied van de infrastructurele voorzieningen, zoals wegenaanleg, (tele)communicatieverbindingen, werd aanvankelijk een achterstand opgelopen. Deze is echter de laatste jaren, veelal met gebruikmaking van Nederlandse ontwikkelingsgelden, vrijwel geheel ingehaald.

Op St. Eustatius, waar met name in de laatste tien jaar vele voor de toerist interessante historische gebouwen en andere monumenten zijn gerestaureerd (waaronder Fort Oranje en de vroegere Nederlands Hervormde Kerk), ontwikkelt het toerisme zich in positieve zin. Evenals op St. Maarten zijn de infrastructurele voorzieningen in de afgelopen decennia aanmerkelijk verbeterd en uitgebreid. De vestiging van een tankopslag- en overslagbedrijf aan Tumbledowndick Bay (1981) heeft de werkgelegenheid bevorderd en de economische structuur verbreed, zij het dat er nog steeds sprake is van werkloosheid. Verder dient te worden vermeld dat in samenwerking tussen particulieren en de Statiaanse overheid sedert een aantal jaren opnieuw wordt getracht de land- en tuinbouw tot ontwikkeling te brengen, onder meer door het oprichten van een landbouwcooperatie.

Kenmerkend voor de sociaal-economische ontwikkeling van Saba na 1945 is de opheffing van haar betrekkelijk isolement. Nadat in de 1940ger jaren de eerste (smalle en op veel stukken steile) autoweg was voltooid, reed in 1947 een jeep als eerste auto over het eiland. In 1963 werd het vliegveld geopend, waardoor het toerisme tot ontwikkeling kon komen. Ook de toegankelijkheid vanaf zee is aanmerkelijk verbeterd met het gereedkomen van een pier bij Fort Bay in 1972.

In de afgelopen jaren zijn voorts initiatieven ontplooid ter bevordering van de tuinbouw op Saba, alsook tot het vestigen van enkele kleinschalige bedrijven op het eiland.

Met ingang van 1 april 1983 is het Eilandgebied Bovenwindse Eilanden, overeenkomstig een op verschillende eilanden reeds enige jaren levende wens, opgesplitst in drie eilandgebieden, te weten Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. (Zie verder Bevolking; Economie; Eilandgebieden; Handel; Scheepvaart; Toerisme; Verkeer en vervoer) .

 

Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 5: Bestuurders van de eilanden van de Nederlandse Antillen

In de tabellen wordt een overzicht gegeven van de bestuurders van de Nederlandse Antillen en van de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen. De jaartallen geven de periode aan, tijdens welke de bestuurders in functie waren; (officiele) benoeming respectievelijk ontslag kunnen eerder of later hebben plaatsgevonden. De cursieve jaartallen geven aan, dat de desbetreffende personen in archiefstukken slechts in die jaren als zodanig vermeld staan. "Wnd." wil zeggen: waarnemend ter overbrugging van de periode tussen de datum van aftreden van de oude bestuurders en het in functie komen van de nieuwe ambtsdrager; "waarnemer" betekent waarnemend gedurende tijdelijke afwezigheid van de bestuurder. (Voor St. Maarten 1951-1983 zie Eilandenregeling Nederlandse Antillen; Eilandgebieden).

 

Geschiedenis Ned. Ant.: Hoofdstuk 6: Literatuur

  • G. van Benthem van den Bergh, O. Braun, J.G.M. Hilhorst, A.J.M. van de Laar: Aruba en onafhankelijkheid; achtergronden, modaliteiten en mogelijkheden; een rapport in eerste aanleg (1978);
  • E. van den Boogaart, M.A.P. Meilink-Roelofsz e.a., Overzee: Nederlandse koloniale geschiedenis 1590-1975 (1982);
  • W. van den Bor, Eiland op drift: De sociale organisatie van een kleine Caribische samenleving: St. Eustatius. Diss. (1979);
  • R. Bijlsma, Inleidingen van de inventarissen van de West-Indische archieven. Versl. Omtrent 's Rijks Oude Archieven (1919);
  • K.H. Corporaal, De internationaal-rechtelijke betrekkingen tusschen Nederland en Venezuela, 1816-1920. Diss. (1920);
  • J.G. Crane, Educated to emigrate, the social organization of Saba (1971);
  • N.M. Crouse, The French Struggle for the West-Indies, 1665-1713 (1966);
  • I.S. en S.A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles (1970);
  • P.A. Euwens, Curacao in 1803 en 1804. Onze Eeuw, jrg. 7 en 8 (1907-1908);
  • B. de Gaay Fortman, Curacao en onderhoorige eilanden Bonaire en Aruba van 1804 tot 1806. Het bestuur van den gouverneur J. P. Changuion. West-Indische Gids, jrg. 24 en 25 (1942-1943);
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast, 1580-1680 (1971);
  • Idem, Curacao and Guzman Blanco; a case study of small power politics in the Caribbean (1975);
  • Idem, A short history of the Netherlands Antilles and Surinam (1979);
  • G.J. van Grol, De grondpolitiek in het West-Indisch domein der Generaliteit (3 dln., 1934-1947, 1980);
  • J.H.I. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische eilanden (1901-1903, 1979);
  • J. Hartog, Journalistiek leven in Curacao (1944);
  • Idem, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen (4 dln. in 5 banden, 1953-1964, met register en historische bibliografie 1981);
  • Idem, Mogen de eilanden zich verheugen, geschiedenis van het protestantisme op de Nederlandse Antillen (1969);
  • H. Hoetink, Het patroon van de Oude Curacaosche samenleving (diss. 1958, 1971);
  • Th. P.M. de Jong, De krimpende horizon van de Hollandse kooplieden. Hollands welvaren in het Caribische zeegebied (1966);
  • L. Knappert, Geschiedenis van de Bovenwindsche Eilanden in de 18de eeuw (1932, 1979); A.J.M. Kunst, Recht, commercie en kolonialisme in West-Indie (1981);
  • J.H. van der Kuyp, H.R. Fingal, Witboek over de Status Aparte (1975);
  • M.A.P. Meilink-Roelofsz (ed.), Dutch authors on West Indian History. A historiographical selection (1982);
  • W.R. Menkman, De Nederlanders in het Caraibische Zeegebied (1942);
  • Idem, Sint Eustatius gouden tijd. West-Indische Gids, jrg. 14 (1932/33);
  • St.L. Mims, Colberts West India policy (1912);
  • G.A. Nagelkerke, Netherlands Antilles. A bibliography 17th century-1980 (1982);
  • M. D. Ozinga, De monumenten van Curacao in woord en beeld (1959, 1968);
  • W. Pitman, The development of the British West Indies 1700-1763 (ca. 1925);
  • W.E. Renkema, Het Curacaosche plantagebedrijf in de 19de eeuw Diss. (1981);
  • W.A. Roberts, The French in the West Indies (1942);
  • R.A. Romer, Een volk op weg: un pueblo na kaminda. Een sociologische studie van de Curacaosche samenleving. Oiss. (1977, '1979);
  • J. Th. de Smidt, T. van der Lee (en) J.A. Schiltkamp (Eds.), Publikaties en andere wetten alsmede de oudste resoluties betrekking hebbende op Curacao, Aruba, Bonaire. dl. I 1638-1782, dl. II 1782-1816 (1978) (West-Indisch Plakaatboek, 2);
  • J.Th. de Smidt (en) T. van der Lee (Eds.), Publikaties en andere wetten betrekking hebbende op St. Maarten, St. Eustatius, Saba. 1648-1681/1816 (1979) (West-Indisch Plakaatboek, 3);
  • J. van Soest, Olie als water (1976);
  • Idem, Trustee of the Netherlands Antilles (1978);
  • Idem, De betrekkingen tussen Curacao en Venezuela (1980);
  • Verslag van de toestand van het eilandgebied Bonaire van het jaar 1982;
  • E. Williams, From Columbus to Castro: The history of the Caribbean 1492-1969 (1970);
  • I.A. Wright, Nederlandsche Zeevaarders op de Eilanden in de Carabische Zee en aan de kust van Columbia en Venezuela gedurende de jaren 1621-1648 (9). Documenten hoofdzakelijk uit het Archivo General de Indias te Sevilla, 2 dln. met vertaling door C.F.A. van Dam (1934-1935).

 

@: Geslachtsziekten

Toen na de opening van het Panamakanaal in 1914 Curacao een belangrijke bunkerhaven werd, verschenen met de vele zeelieden ook de geslachtsziekten op het eiland. Op 12 juli 1917 werd de Curacaosche Vereniging Ter Bestrijding en Voorkoming van Geslachtsziekten opgericht, die zich tot taak had gesteld een zeemanshuis op te richten en gevallen vrouwen en meisjes te reclasseren. Veel effect heeft dit aanvankelijk niet gesorteerd. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam een reglementering van de prostitutie tot stand. In 1949 vond de instelling van Campo Alegre plaats, waar buitenlandse prostituees werden geconcentreerd. Hier werden de vrouwen niet alleen periodiek op geslachtsziekten onderzocht, zij kregen ook profylaetisch penicilline toegediend om geslachtsziekten te voorkomen. Bovendien hoopte men een betere seksuele hygiene en anticonceptie voor de vrouwen te kunnen bereiken door gezondheidsvoorlichting te verschaffen. Dank zij deze kazernering in Campo Alegre kon het aantal geslachtsziekten aanzienlijk worden teruggedrongen, zowel bij de vrouwen als bij hun bezoekers (meer dan 300.000 per jaar). Bij de verspreiding van geslachtsziekten op Curaao hebben mannelijke homoseksuele prostituees eveneens een grote rol gespeeld. In 1966 waren vrijwel alle mannelijke prostituees met syfilis besmet. De oplossing voor deze welhaast onoverkomelijke problematiek ligt niet alleen in een doeltreffende behandeling maar ook in een beter begrip voor de emotionele en sociale achtergronden en in betere voorlichting over deze ziekten. Daarnaast zal het opsporen en behandelen van de contacten van grote waarde zijn; vooropgesteld dat deze onder de meest stringente medische geheimhouding zal geschieden (zie Campo Alegre; Prostitutie).

 

Wat zijn geslachtsziekten

Dit is een groep van overdraagbare ziekten, die over het algemeen (vaak slechts) door middel van sexueel (geslachts of vleselijk) contact van een mens naar een andere worden overgebracht. Het zijn ziekten die met een hele hoge mate van regelmaat, overal op de wereld, in alle luchtstreken voorkomen; alleen verkoudheid en mazelen hebben een hogere verschijningsfrequentie. Gonorrhea is de meest voorkomende en kennelijk ook een van de oudste van dit type aandoeningen; reeds in de tijd van Galen (circa 150 - 200 AD) wordt er melding gemaakt van een "zaadvloeiing" ter beschrijving van Gonorrheasymptomen bij een geaffecteerde. Syphillis, tot de verschijning van de HIV / AIDS virus wellicht de meest gevaarlijke geslachtsziekte is sinds de 16e eeuw een veel voorkomende sexueel gerelateerde aandoening in Europa. De meest voorkomende geslachtziekten zijn in alfabetische volgorde:

  • AIDS
  • Chlamydia
  • Gonorrhea
  • Hepatitis B
  • Herpes
  • Syphillis

 Lit.: Th. de Reus, Geslachtsziekten op Curacao (1970)

 

@: Getij

is een dagelijks tweemaal op en neergaande beweging van het wateroppervlak in oceanen, zeen en andere grote watervlakten, veroorzaakt door de aantrekkingskracht van de maan en - in mindere mate - van de zon op het vrije wateroppervlak. Het tijdsverloop tussen twee opeenvolgende hoogwaterstanden is de helft van de omlooptijd van de maan rond de aarde, dus ongeveer 12 uren en 25 minuten. Het getijverschil, d.w.z. het hoogteverschil tussen opeenvolgende hoog- en laagwaterstanden, varieert over de wereld zeer sterk van plaats tot plaats en bedraagt op de Benedenwindse Eilanden gemiddeld minder dan 30 cm. Daarbij valt een van de twee keren dat hoogtij optreedt zo weinig op, dat er ogenschijnlijk slechts van een getijbeweging per dag sprake is.

 

@: Gevangeniswezen

Het gebouwencomplex van het Gevangeniswezen te Koraal Specht op Curacao bevat o.m. een strafgevangenis, een Huis van Bewaring, een afdeling voor gedetineerden in preventieve hechtenis, een afdeling voor vrouwelijke gedetineerden, en een afdeling voor jeugdige personen. Het huidige complex werd in 1960 in gebruik genomen. De opnamecapaciteit bedraagt 200 gedetineerden: in 1983 bedroeg de gemiddelde bezetting 280 personen. Dit betekent een overbezetting van ruim 40%. In 1983 werd de afdeling voor vrouwelijke gedetineerden uitgebreid tot een opnamecapaciteit van 32 vrouwen. De gemiddelde bezetting van deze afdeling steeg van 1978 tot 1983 met 1000% tot 30 vrouwen. De gemiddelde bezetting van de jeugdafdeling (tot 21 jaar) steeg van 1978 tot 1983 met 200% en bedraagt 78 personen. Door het voortdurend stijgend aantal jeugdige delinquenten is er een sterke behoefte aan een volledig opgezette jeugdgevangenis met een opnamecapaciteit van ruim 125 personen en met meer les-, sport- en recreatiemogelijkheden.

Een aanvraag hiertoe is reeds in 1978 bij de regering ingediend. Ook het aantal werkplaatsen behoeft dringend uitbreiding. Momenteel (1983) kunnen 120 gedetineerden tewerkgesteld worden. Dit aantal dient minstens verdubbeld te worden. Indien de huidige snelle groei van de criminaliteit doorzet, zal naar een algehele uitbreiding gestreefd moeten worden. Reeds jaren bestaat er eveneens behoefte aan een psychopatenasiel. Momenteel bestaat er geen mogelijkheid deze categorie gedetineerden apart onder te brengen. 14% van de gemiddelde bezetting van de gevangenis bestaat uit buitenlanders die voor 95% gedetineerd zijn wegens drugsdelicten. Ruim 30% bestaat uit jeugdige personen en 11 % uit vrouwen.

Per jaar keren ongeveer 1000 delinquenten weer terug naar de maatschappij, hiervan zijn ongeveer 50% recidivisten. 50% wordt binnen een periode van 1 tot 2 weken door de Officier van Justitie in vrijheid gesteld. De opneming geschiedt voor zover het preventieve hechtenis betreft op bevel van de rechter-commissaris; de opneming van gestraften geschiedt op rechterlijk vonnis van het Gerecht in eerste aanleg of van het Hof van Justitie en indien het militairen betreft op vonnis van de permanente krijgsraad in de Nederlandse Antillen.

Gedetineerden kunnen naar de duur van de hun opgelegde straf, hun aard, kunne en opleiding, op eigen verzoek tewerkgesteld worden in een der 13 eigen werkplaatsen. Genoemd kunnen worden de autowerkplaats, de boekbinderij, de stoelenmatterij, de keramiekafdeling, stoffeerderij, timmerwinkel annex meubelfabriek, de schilderwerkplaats, de zeilmakerij en de afdeling metaalbewerking. Deze werkplaatsen verlenen ook diensten aan het publiek. Verder bestaan als interne diensten de keuken, de wasserij en de onderhoudsafdeling.

De eilanden Aruba, Bonaire en St. Maarten beschikken ieder over een eigen Huis van Bewaring. Op Aruba beschikt men over 38 cellen met een opnamecapaciteit van 100 gedetineerden. Deze capaciteit ligt ver beneden de behoefte, daar momenteel (juli 1983) er zo'n 1.400 lopende vonnissen wachten op tenuitvoerlegging. De bezetting is dan ook doorlopend 100%. Bonaire heeft 5 cellen met een opnamecapaciteit van 15 personen. Er bestaat geen opnamemogelijkheid voor vrouwelijke gedetineerden, deze worden geplaatst op Curacao. St. Maarten beschikt over 10 cellen met een opname-capaciteit van 40 personen. Of schoon een aantal cellen werd bijgebouwd is dit aantal niet toereikend voor de situatie en is er een nieuwbouwproject gepland te Point Blanche met een capaciteit van 125 gedetineerden. De bouw zal in 1984 van start gaan. Voor alle overige eilanden geldt, dat langdurig gedetineerden (langer dan 8 maanden) hun straf uitzitten in de strafgevangenis op Curacao. (Zie ook @: Militair Strafrecht; @: Rechtspraak).

 

@: Gevolmachtigde Minister

is de titel van de functionaris van de Nederlandse Antillen die zitting heeft in de ministerraad van het Koninkrijk (art. 7 Statuut). Hij handelt - al dan niet volgens instructie - namens zijn regering, die hem benoemt en ontslaat en bepaalt wie hem bij belet of ontstentenis vervangt (art. 8 Statuut). Hij legt een eed van trouw aan de Koning en het Statuut af in handen van de Koning  indien in Nederland vertoevende (art. 9 Statuut). Het eedformulier is vastgesteld bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur van 10 maart 1955 (Stb. nr. 91 en 92, P.B. nr. 51).

  • Taak

Hij heeft een taak in de Staten Generaal, maar vooral in de ministerraad van het Koninkrijk en van de vaste colleges en bijzondere commissies uit die raad over aangelegenheden van het Koninkrijk welke het betrokken land raken (art. 10 Statuut). Bij het overleg over internationale overeenkomsten legt zijn stem veel gewicht in de schaal; het kan dan leiden tot intern appel. Naast die taken betreffende koninkrijksaangelegenheden kunnen hem door zijn regering nog andere taken worden opgedragen, zowel ter zake van de onderlinge hulp en bijstand, als van eigen Antilliaanse aangelegenheden.

  • Positie

Zijn positie, verschilt belangrijk met die van de Nederlandse ministers. De informatieplicht van art. 68 Grondwet bestaat voor hem niet. Terwijl een Nederlandse minister zich aan de meerderteidsbeslissing van de ministerraad te houden heeft en eventuele afwijkende mening niet behoort te laten blijken, geeft art. 18 Statuut de gevolmachtigde minister de bevoegdheid zich uit te spreken ook tegen het voorstel van de ministerraad en kan hij ter bevordering van nadere bezinning uitstel van de stemming vragen. De invloed van de gevolmachtigde minister blijkt uit zijn bemoeienissen bij de totstandkoming van een rijkswet. Van de aanvraag af, in de voorbereiding, zelfs tot intern appel nog voordat het ontwerp wordt ingediend bij de Staten-Generaal, kan hij zijn invloed doen gelden. Nadat de verslagen van de Staten en het voorlopig verslag van de Tweede Kamer zijn uitgebracht, wordt hij weer betrokken bij de opstelling van de memorie van antwoord. In de openbare behandeling voert hij (of de aangewezen bijzondere gedelegeerde) het woord en kan hij zelfstandig - zoals overigens slechts een vijftal kamerleden dat kan - amendementen indienen. Op zijn verzoek wordt de stemming tot een volgende vergadering aangehouden. Wordt het ontwerp niettemin aangenomen met minder dan drie-vijfde meerderheid dan heeft nader overleg in de ministerraad plaats met opnieuw de mogelijkheid van intern appel (art. 18 Statuut). Wordt tot ongewijzigd doorzenden naar de Eerste Kamer besloten, dan kan hij ook daar het woord voeren en de stemming tot een volgende vergadering doen aanhouden.

  • Ambtsdragers

Het ambt van gevolmachtigde minister is tot dusverre vervuld door:

  • N.Debrot krachtens transitoir recht; van 1954-1955);
  • W.F.M. Lampe (1955-1967);
  • P.L. de Haseth (waarnemend, 1967-1968);
  • E.Jonckheer (1968-1970);
  • S.G.M. Rozendal (1970-1972);
  • R.F. Pieternella (1972-1975);
  • E. Maduro (1975-1979);
  • R.A. Casseres (1979 -1982);
  • R.F. Pieternella (1982);
  • M.J. de Castro (1982-1984);
  • G.T. Hernandez (1984- ).

Lit.: F.P. de Vries, Enige aspecten der ontwikkeling van de Nederlands-Antilliaanse vertegenwoordiging in Nederland, W.I. Gids, jrg. 36 (1956).

 

@: Gezaghebber

Foto: Ronnie Casseres, de gezaghebber van Curacao, die wellicht het meest de rol als "burgervader" heeft bekleed. Gebruikte de autoriteit van zijn functie om op gedecideerde en gedisciplineerde wijze illegale praktijken in de gemeenschap aan te pakken. Zijn acties ter beteugeling van de grootscheepse illegale nummerverkoop op het eiland zijn berucht.

 De gezaghebber is tezamen met de Eilandsraad en het Bestuurscollege het bestuur van het eilandgebied (art. 3 Eilandenregeling Nederlandse Antillen - ERNA). De gezaghebber wordt door de Koning benoemd, geschorst en ontslagen (art. 63 ERNA). Zijn ambtstermijn duurt zes jaar. De vereisten voor benoembaarheid zijn:

  • � Nederlanderschap,
  • � niet van kiesrecht en verkiesbaarheid uitgesloten zijn,
  • � leeftijd minstens 25 jaar.

Op zijn 55ste jaar eindigt zijn ambtsperiode, tenzij de Koning hem voor ten hoogste een jaar (her) benoemt. Hij heeft zijn woonplaats in het onderhavige eilandgebied. Art. 64 somt de betrekkingen op die onverenigbaar zijn met het ambt: waarnemend gouverneur, lid van de Staten of van de Eilandsraad, lid van de rechterlijke macht, ambtenaar van een eilandgebied. Hij moet financieel onafhankelijk zijn van ondernemingen in de Nederlandse Antillen. De door hem af te leggen eed is in hoofdzaak gelijkluidend aan de eed van de ministers (art. 65 ERNA). De waarnemend gezaghebber - op wie de bepalingen voor de gezaghebber in hoofdzaak van toepassing zijn - wordt door de Gouverneur aangewezen, zo mogelijk uit de gedeputeerden (art. 66 ERNA).

Foto: Mevrouw Mr Lizanne "Lisa" Dindial. Met het feit van de ontbinding van het land de Nederlandse Antillen, wellicht per 2010, en de creatie van het nieuwe land Curacao, is zij naar alle waarschijnlijkheid de laatste gezaghebber in de geschiedenis van het grootste eiland van het Nederlands Caribischgebied. Diende twee termijnen van 6 jaar en is daarmee tevens de langstzittende "burgermoeder".

De bezoldiging van de gezaghebber wordt door de Gouverneur vastgesteld. Hij mag geen andere inkomsten uit de eilandskas hebben, behoudens vastgestelde toelagen en kosten van dienstreizen (art. 75 ERNA). Zijn taak is veelzijdig:

  • hij is voorzitter van de Eilandsraad en heeft daarin een raadgevende stem (art. 69 ERNA);
  • hij is voorzitter van het Bestuurscollege en in als zodanig (art. 47 ERNA) opent hij alle aan de Raad of aan het Bestuurscollege gerichte stukken en handelt daarmede overeenkomstig de bepalingen van artt. 70-72 ERNA;
  • hij is plaatselijk hoofd van politie (art. 73 ERNA).
  • hij vertegenwoordigt het eilandgebied in alle rechtsgedingen (art. 74 ERNA);
  • hij kondigt als regel alle eilandsverordeningen en eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen, af (art. 77 ERNA);
  • hij werkt mede aan de uitvoering van de taak van de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk en als hoofd van de Landsregering overeenkomstig diens aanwijzingen, eventueel als het Bestuurscollege in de gevorderde medewerking niet voorziet (artt. 67 en 68 ERNA).

De gezaghebber kan bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen, indien de vereiste kennisgeving niet is gedaan, dat een lid van de Eilandsraad niet kan worden toegelaten of moet ophouden lid te zijn (art. 14). Evenals op de andere leden van het Bestuurscollege rust op hem de verantwoordingsplicht tegenover de Eilandsraad, behalve voor zijn taak als zelfstandig bestuursorgaan, d.w.z. als plaatselijk hoofd van de politie en zijn taak in verband met het hoger toezicht. In het daarover handelende zesde hoofdstuk (artt. 98-104) is aan de gezaghebber een actieve taak opgedragen tot het tijdig opzenden van elke eilandsverordening en elk eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk en aan de Gouverneur als hoofd der Landsregering, terwijl hij de afkondiging opschort als hij meent, dat er strijd bestaat met een hogere regeling. Bij onbestuurbaarheid van een eilandgebied (in casu Curacao in 1959) bestaat de mogelijkheid dat bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur een uitzonderlijke bevoegdheid aan de gezaghebber wordt toegekend. (Zie @: Bestuursregeling: geschiedenis; Geschiedenis: bestuurders).

Lit.; M.P. Gorsira, De gezaghebber; zijn taak en positie in ons staatsbestel (1958).

 

@: Gezin

Het gezin is de kleine sociale groep, die bestaat uit een man, vrouw en hun niet in huwelijk of-concubinaat levende kinderen, ten aanzien van wie de man en de vrouw de rol van ouders vervullen en die tezamen in een woning zijn verenigd. Ook als de band tussen de vader en de moeder niet legitiem is (hetgeen in de Nederlandse Antillen vrij veelvuldig voorkomt), kan er dus van een gezin gesproken worden (zie @: Familierelaties).

 

@: Gezondheidszorg
zie @: Geneeskunde.

 

@: Gigantes, Islas de los / @: Isla de los Gigantes
zie @: Geschiedenis: Sectie 1: Spaanse periode.

 

@: Gips

Gipsafzettingen zijn bekend van Curacao, Bonaire, Saba en St. Eustatius. Op Curacao vindt men gipskristallen in Eocene lagen op de plantage Klein-St. Joris. Op Bonaire zijn de gipskorsten recente vormingen, ontstaan bij de opdroging van binnenbaaien als indampingsprodukt.

Op Saba komt gips voor in samenhang met de zwavellagen bij Hell's Gate en ook wel op andere plaatsen, waarschijnlijk ontstaan door inwerking van zure zwaveldampen op calciumhoudend gesteente. Het gips boven op de White Wall van St. Eustatius hadt een analoge ontstaanswijze. Ontginningen hebben niet plaatsgevonden.

 

 

@: Girigorie Jean

Op Curacao wonende schilderes (sinds 1972) van Republiek Dominicaanse afkomst, waar zij op Januari 14, 1949 werd geboren. Beschouwt zichzelf volledig Yu di Korsou (lett.: kind van Curacao; de algemene term waarmee met name de op Curacao geboren mens van goeddeels Afrikaanse afstamming zichzelf mee aanduidt). Zij houdt, volgens het typische verwachtingspatroon van de Caribische mens, speciaal haar moeder in de herinnering: Mevrouw Altagracia Oliva Acosta. Genoot haar opleinding tot schilderes zowel in haar eigen geboorteland als ook in het buitenland. Werkte en studeerde in het buitenland als eerste bij de Cumbio-studio in Haiti tussen 1968 en 1971. Volgde werkcolleges aan de Art Students Leaque te New York van 1978 tot 1980. Tussen 1981 en 1983 volgde zij een opleiding tot beeldhouwster bij Jose de Creeft in New York.

Jean Girigorie is een bijzonder begaafde en productieve artiest - ze heeft meer dan 100 schilderijen in haar collectie - die voor wat betreft haar schilderkunstige uitdrukkingen het liefst van olie op canvas gebruik maakt. Haar expressie draait rondom het Caribisch gebied en kinderen, waar zij een zwak voor heeft. Zonder kinderen vindt ze, blijft er een lege wereld over; grijs en zonder glans. Een slechts gedeeltelijke opsomming van haar presentaties is als volgt:

            Solo exhibities:

            1968: Cumbio-studio - Haiti

 

 

            1971: Montego Beach Hotel - Kingston (Jamaica)

            1977: Gallery Libertas - Curacao

 

 

Curacao

 

 

Curacao

 

 

ArtGallery - New York City (USA)

            1980: Art Students Leaque - New York City (USA)

            1980: Centro Cultural Bolivar & Bello - Curacao

 

 

HetCuracaoschMuseum - Curacao

 

 

Curacao

 

 

            1984: Landhuis Bloemhof - Curacao

 

 

Curacao

 

 

            1987: Gallery Eighty Six - Curacao

 

 

ITCInternationalTradeCenter - Curacao

 

 

HetCuracaoschMuseum - Curacao

 

 

ITCInternationalTradeCenter - Curacao

 

            Groeps exhibities:

            1982: HetCuracaoschMuseum - Curacao

 

 

Nederland)

            1983: Akademia di Arte - Curacao

 

 

Havana - Cuba

 

 

Schiedam (Nederland)

            1990: Galerie d'Orangerie - Curacao

 

 

ITCInternationalTradeCenter - Curacao

 

 

Santo Domingo (Dominican Republic)

 

@: Girodienst
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

 

 

@: Girouette
zie @: Landhuizen.

 

@: Glimworm
zie @: Bichikandela.

 

@: Gloedwolk

Gloeiend hete, gasrijke, zeer mobiele massa van grof en fijn lavamateriaal die met grote snelheid langs een vulkaanhelling afdaalt tijdens sommige vulkaanerupties zoals bijvoorbeeld die van de Mont Pelee op Martinique, die in 1902 aan meer dan 30.000 mensen het leven kostte. Afzettingen van gloedwolken komen voor langs de zuidkust van Saba (zie @: Geologie).

 

@: Godden, John / @: John Godden

(Calstock, Cornwall 22 september 1849 - Ashburton, Devon 14 februari 1938). De jonge Engelsman John Godden heeft de fosfaat op de Benedenwindse Eilanden ontdekt. Hij had het voorkomen van fosfaat bestudeerd op de Bovenwindse Eilanden, voornamelijk Sombrero. Op een reis in juni 1871 van Curacao naar Bonaire, waar hij het voorkomen van fosfaat vermoedde, was hij verplicht door hevige tegenstroom bij het eilandje Klein Curacao te ankeren. Hij ontdekte dat de bodem vrijwel uitsluitend uit fosfaat bestond. Godden vroeg en verkreeg concessie tot het ontginnen van fosfaten van Klein Curacao, dat gouvernementseigendom was, voor de tijd van 10 jaren (later verlengd tot 15 jaren), tegen betaling van een concessierecht van ca. f 1,= per m3 (f 2,12 per oude Curacaosche scheepston). Van 1871 tot 1888 (laatste jaar der ontginning) werd 90.300 ton  1000 kg uitgevoerd. Na 1888 kwam de concessie in andere handen.

In 1874 ontdekte C.B.Gorsira Mz. fosfaat op de plantage Sta. Barbara aan de zuidoostkust van Curacao. De families Gorsira en Maal kochten de plantage en verkochten op 25 mei 1875 een onverdeeld half aandeel aan John Godden; het andere halve aandeel kreeg Godden in erfpacht voor een termijn van 99 jaar onder voorwaarde ondermeer dat hij jaarlijks f 25.000,= zou betalen en dat hij jaarlijks ten minste 2.000 ton van 2240 lbs fosfaat zou uitvoeren en dat hij voor elke uitgevoerde ton fosfaat een pond sterling aan Gorsira zou betalen. Godden begon direct een rationeel bedrijf en exporteerde in korte tijd zoveel dat in feite de bedrijfsdwang ophield te bestaan. Hij had in 1895 reeds meer uitgevoerd dan tot in de 20ste eeuw van hem geeist zou kunnen worden.

Al in 1887 staakte hij het werk in de groeven en exporteerde tot 1895 een gemiddelde van 2.000 ton per jaar uit de voorraden. Daarna staakte hij de uitvoer en voerde als reden aan de hoge royalty, het uitvoerrecht en de steeds groter wordende voorraad fosfaat die niet met winst kon worden verkocht. Alle pogingen om de ontginningen te doen hervatten, strandden gedurende ongeveer 18 jaren op de onwil van Godden. De regering kon dit op een gegeven moment niet meer toestaan en probeerde de mijn te onteigenen. Zover kwam het echter niet. De grote meerderheid van de aandeelhouders onder wie Godden, kwam tot overeenstemming onder leiding van het Amsterdamse bankiershuis Hope & Co. en op de publieke veiling van de plantage op 5 november 1912 werd Hope & Co. eigenaar en bracht de plantage in in de op 31 december 1912 opgerichte N.V. Mijnmaatschappij Curacao. Godden behield het exploitatierecht en in 1913 werd weer fosfaat uitgevoerd. John Godden had verder een aandeel in de in 1876 opgerichte zwavelmijn op Saba. Er is zwavel gewonnen maar rendabel is de winning nooit geweest.

Op Aruba had Godden terreinen in eigendom en hij vroeg concessie voor ontginning van de daar voorkomende fosfaat, evenals de Aruba Gold Mining Company. Ondanks Goddens protest werd deze concessie niet verleend (uitspraak Hoge Raad der Nederlanden in 1877). Volgens Godden waren de terreinen zijn volle eigendom, door het gouvernement werden zij slechts als landbouw en veeteelt-concessies op het publiek domein beschouwd. In 1880 deed Godden zijn interessen over aan de Alliance Phosphate Company te Londen, waarin hij zelf belangen had. Naar aanleiding van een kopervondst op Curacao werd o.a. door Godden in 1875 de Maatschappij tot Mijnontginning opgericht. Bij exploratie werd ook mangaan ontdekt, maar noch het een noch het ander bleek lonend te zijn voor exploitatie. (Zie verder @: Fosfaat; @: Mijnbouw en mijn bouwmaatschappijen).

 

@: God is liefde

was sedert 1930 het kerkje van een kleine groep Engelssprekende protestanten, geleid door enkele leke-predikers: Toen deze leiders overleden waren, heeft de groep onderdak gevonden in de Ebenezer Church (Verenigde Protestantse Gemeente). In 1980 ging een nieuwe onafhankelijke groep van Papiamentusprekende protestanten het kerkje God is liefde gebruiken. Deze groep, de Iglesia Paz na Tera, telt 50 leden en heeft 4 lekepredikers (1982).

 

@: Godett, Wilson (Papa) / @: Papa Godett

(Curacao, 11 augustus 1932) was arbeider en voorzitter van de vakbond de Algemene Haven Unie. Mede-oprichter van Frente Obrero y Liberacion 30 di mei. Staten-lid geweest; thans eilandsraadlid. In het kabinet-Evertsz heeft Godett de functies bekleed van minister van Sociale Zaken en Arbeid en van minister van Sport, Cultuur en Recreatie. Hij heeft een cruciale rol gespeeld in de verwikkelingen rond de opstand van 30 mei 1969 te Willemstad.

 

@: Goedkeuring bij wet of bij landsverordening

is krachtens art. 96 Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) vereist voor een eilandsverordening tot het aangaan van een geldlening; bij plaatsing buiten de Nederlandse Antillen is goedkeuring bij (rijks)wet vereist, bij plaatsing buiten het eilandgebied doch binnen de Nederlandse Antillen bij landsverordening (zie @: Geldleningen).

 

@: Goedkeuring des Konings

wordt krachtens art. 88 Staatsregeling vereist alvorens een landsverordening tot wijziging van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) in werking treedt. Dit is een van de waarborgen om te voorkomen, dat de zelfstandigheid van de eilandgebieden door de Nederlandse Antillen zou worden beknot. Ingevolge de Landsverordening van 21 februari 1983, geldt deze eis in een aantal gevallen niet (zie ERNA). En de Staatsregeling op haar beurt kan ten aanzien van een aantal punten niet worden gewijzigd dan nadat het gevoelen der Regering van het Koninkrijk is ingewonnen over de desbetreffende ontwerp-landsverordening welke landsverordening niet in werking treedt dan na Koninklijke goedkeuring (art. 149, lid 3 Staatsregeling) .

Krachtens art. 52 Statuut kan een landsverordening aan de Koning als hoofd van het Koninkrijk en aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk met goedkeuring des Konings bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden toekennen.

De bepaling van art. 52 Statuut is ten overvloede ook opgenomen in art. 148 Staatsregeling en in art. 26 van het Reglement van de Gouverneur.

De goedkeuring des Konings is krachtens art. 111 Staatsregeling ook vereist bij de vaststelling van de bezoldigingen van de president en de leden van het Hof van Justitie door de Gouverneur.

 

@: Gogorobi

Een eenvoudige vorm van ocarina, gemaakt van een uitgeholde kleine kalebas. Zowel bij de steel als bij de zijwand wordt een gaatje van ongeveer 8 mm doorsnede geboord. De gogorobi wordt bespeeld door over het gaatje bij de steel te blazen terwijl het gaatje aan de zijwand afwisselend geheel of gedeeltelijk wordt afgesloten. Afhankelijk van de handigheid om dit gaatje steeds anders gedeeltelijk af te sluiten, kunnen verschillende tonen gespeeld worden. Doorgaans werden er twee tonen op de gogorobi gespeeld ter begeleiding van de wandelpas van kinderen op weg naar school.

 

@: Gomez, Moises Frumencio da Costa / @: Doktoor da Costa Gomez / @: Moises da Costa Gomez

Foto boven: Standbeeld van Doktoor da Costa Gomez op de naar hem vernoemde Gomezplein.

Foto onder: Gezichtsfoto van Doktoor. Mr. Dr. Frumencio da Costa Gomez is wellicht de grootste Curacaosche politieke leider ooit, aan wie het echter nooit gelukte minister-president van het land te worden. Ook was de als architect van het Statuut bekend staande politicus, niet degene. die dit historische document mocht signeren. Zijn grote politieke tegenstaander van de Democratische Partij, Mr. Dr. Ephraim Jonckheer, de eerste minister-president van het nieuwe land, had dit voorrecht. Doktoor stierf op relatief jonge leeftijd, zijn jonge natie daarmee de kracht van zijn visionair zicht ontnemende.

 

(Curacao 27 oktober 1907 - 22 november 1966) Antilliaans politicus. Studeerde rechten aan de RK universiteit te Nijmegen en promoveerde in 1935 te Amsterdam op het proefschrift Het wetgevend orgaan van Curacao, samenstelling en bevoegdheid bezien in het kader van de Nederlandse koloniale politiek. Was in 1948 medeoprichter van de Nationale Volkspartij (N.V.P.). Sedert 5 april 1938 tot 28 juni 1963 was hij - met enkele onderbrekingen - lid van de Staten der Nederlandse Antillen. Werd in 1942 lid van de Buitengewone Raad van Advies te Londen. In 1949 was hij gedurende enkele maanden voorzitter van het toenmalige College van Algemeen Bestuur en van 19 april 1951 tot 8 december 1954 voorzitter van de Regeringsraad. Sedert 28 juni 1963 tot het tijdstip van zijn overlijden was hij gedeputeerde van het Eilandgebied Curacao. In de periode 1946-1954 trad hij telkens op als voorzitter van de Antilliaanse delegaties naar de Ronde Tafel Conferenties. Hij had een zeer belangrijk aandeel in de totstandkoming en vormgeving van het Statuut. Had naast zijn intellectuele gaven een groot talent als volksleider; onder zijn aanhang bestond jarenlang een bijna blindelings vertrouwen in de doktoor, zoals hij algemeen genoemd werd. Na zijn dood werd het Helfrichplein omgedoopt in Mr. Dr. M.F. da Costa Gomezplein (in de volksmond kortweg Gomezplein) en is daar een standbeeld voor hem opgericht.

Werken:

  • Het wetgevend orgaan van Curacao (diss. 1935);
  • De politiek van Nederland t.a.v. de Overzeese Staatsdelen in verband met de nieuwe opvattingen over koloniale politiek (1945);
  • Curacao in het Koninkrijk (z.j.);
  • Curacao rijp voor Autonomie (z.j.);
  • Enkele onderwerpen van staatsrechtelijke aard (z.j.);
  • Vier redevoeringen (1942);
  • Naar nieuw arbeidsrecht (1956);
  • De vrijheidsrechten van de mens in de Nederlandse Antillen (1957).

 

@: Gorsira, Cornelis B.

(Curacao 22 januari 1848 - 10 augustus 1924) kan als de stichter van het eerste particuliere museum op Curacao worden beschouwd. Ook voerde hij verschillende planten in op Curacao, waaronder de apledam: Ontdekker van fosfaat op Curacao.

 

@: Gorsira, John Eric

(Curacao 12 september 1935) violist, studeerde aan de conservatoria van Amsterdam en Madrid. Is leraar geweest van de Curacaosche Muziekschool (thans Muziekakademie); actief in het muziekleven op Curacao: vormde o.a. het Curacaosch Strijkkwartet, dat ook buiten de Nederlandse Antillen optreedt, oprichter van het Curacaosch Jeugdorkest en van Curacao Camerata, een gezelschap van professionele en semi-professionele musici, dat kamermuziek propageert.

 

@: Goslinga, Cornelis Christiaan

(Schiedam 22 juli 1910) historicus, kunsthistoricus en novellist, studeerde aan de universiteiten van Utrecht en Nijmegen, waar hij in 1956 promoveerde. Van 1946-1961 is hij leraar geschiedenis geweest aan het Peter Stuyvesant College, waarna vervolgens hoogleraar aan de University of Californie campus Berkeley en aan de University of Florida, Gainsville. Zijn verblijf op Curacao en in Amerika heeft ertoe bijgedragen, dat behalve verschillende wetenschappelijke studies en artikelen over het Caribisch gebied ook enkele verhalenbundels van zijn hand zijn verschenen.

Werken - wetenschappelijke studies:

  • Emancipatie en Emancipator (diss. 1956);
  • Vida y obra de Arturo Michelena (1966);
  • Venezuelian paintings in the 19th century (1967);
  • Templos doctrineros neogranadinos (1970);
  • The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680 (1971);
  • Curacao and Guzman Blanco; a case study of small power politics in the Caribbean (1975);
  • A short history of the Netherlands Antilles and Surinam (1979);
  • The Dutch in the Caribbean and in the Guianas 1680-1791 (ter perse).

Werken - verhalenbundels:

  • De bullepees (1970) onder het pseudoniem Marek Decorte;
  • Tapame en andere Antilliaanse verhalen (1975);
  • De Trinitaria (1981);
  • Verzen met de Bijbel (1981);
  • Sterren en strepen (ter perse);
  • Zieners van licht (ter perse).

 

@: Goud

Foto: Ruine goudsmelterij bij Bushiribana, Aruba, ca 1872

Goud, zilver en koperertsen zijn in de Nederlandse Antillen primair gebonden aan tonalietgesteenten. Ze komen voor in ganggesteenten, hoofdzakelijk in de kwartsgangen en zijn waarschijnlijk mesothermale afzettingen. Het door verwering en erosie vrijgekomen goud op Aruba vindt men op alluviale ligplaatsen: placers, te midden van klei- en zandafzettingen; soms is het goud daar geconcentreerd in nuggets (pipita). Aruba is het enige eiland waar goud gewonnen is; op Curacao en St. Maarten zijn slechts sporen goud gevonden. Voor 1839 werd op Aruba goud gewonnen uit de placers. Toen deze vrijwel uitgeput waren; werd de goudwinning daarna nagenoeg uitsluitend een ontginning van ertsvoerende kwartsgangen. Bekende vindplaatsen zijn: Tibushi, Alto Vista, Calbas, Ceru Gerard, Ceru Cristal, Bushiribana, Matividiri, Sta. Lucia, Arikok en Mira Lam.

Het kwartsgesteente werd fijngemalen in stampmolens, geamalgameerd, geconcentreerd en daarna gecyaneerd (goudsmelterijen te Bushiribana in het noorden en Balashi aan het Spaans Lagoen). De extractie was gering zodat door de Aruba Gold Concessions Ltd. (1900-1908) een andere concentratie werd ingevoerd, namelijk droge vermaling in kogelmolens, roosting en cyanering. Het goudgehalte in de gangen wisselt aanmerkelijk van plaats tot plaats. In 1916 was het gehalte ongeveer 1 ounce (28,35 gram) per long ton van 2240 lbs; in de periode 1878-1880 0,7 ounce en in 1908-1915 1,12 ounce. De twee scheepsladingen in 1936 door A. Curiel naar New York verzonden bevatten 0,92 en 0,87 ounce per long ton.

Een diepgaand booronderzoek vond plaats door de Aruba Gold Mines Operating Co. (dochtermaatschappij van de Aruba Combined Goldfields Ltd) van 1946-1948. De meer dan 5.000 monsters gaven een goudgehaIte van tussen de 0,10 en 0,60 ounce per ton, te laag om een lonende exploitatie te beginnen. De goudproduktie op Aruba in de loop der jaren heeft de volgende hoeveelheden opgeleverd:

De waarde van deze hoeveelheid bedroeg ongeveer 2 miljoen Nederlandse guldens. Behalve goud werden kleine hoeveelheden zilver gewonnen.

 

@: Gouvernementshuis

Van de aanvang af dominerend gebouw in het Fort Amsterdam boven de poort aan de havenzijde; na verschillende verbouwingen, speciaal die van 1868, uitwendig van classicistisch karakter, met zich over de bastions de Klok en Nieuwe Batterij uitstrekkend terras. Inwendig overweegt nog de indeling van omstreeks 1765 en bekoren opmerkelijke details uit die tijd.

 

@: Gouvernementspersdienst
zie @: Persdienst.

 

@: Gouverneur

 

 

.

Gouverneur is de titel van de hoogste autoriteit in de Nederlandse AntiIIen. De Gouverneur is vertegenwoordiger van de Koning en tevens van de regering van het Koninkrijk. De Gouverneur wordt door de Koning benoemd en ontslagen (art. 1 Reglement Gouverneur - R.G.). De voordracht ter zake aan de Koning geschiedt door de Ministerraad van het Koninkrijk, waaraan mitsdien de betrokken gevolmachtigde minister deelneemt. De regelmatig aan het ambt verbonden kosten komen ten laste van de Nederlandse schatkist; voor incidentele gevallen kunnen de Nederlandse AntiIIen naar draagkracht bijdragen in de kosten zoals in art. 35 Statuut is aangegeven. De Gouverneur moet Nederlander zijn en de ouderdom van dertig jaren bereikt hebben (art. 2 R.G.). Hij legt als regel in handen des Konings de eed (verklaring of belofte) af, die is voorgeschreven in art. 3 R.G. Hij mag niet financieel afhankelijk zijn van ondernemingen in de Nederlandse Antillen (art. 8 R.G.), noch in nauwe bloedverwantschap of zwagerschap staan met de in art. 9 R.G. genoemde Antilliaanse autoriteiten. In 1962 werd voor het eerst een landskind tot Gouverneur benoemd. De waarnemende gouverneur op wie de voornaamste bepalingen van de Gouverneur van toepassing zijn, wordt door de Koning benoemd (artt. 14-16 R.G.).

Zijn bevoegdheden, verplichtingen en verantwoordelijkheid als zodanig worden geregeld bij rijkswet (in casu het reglement voor de Gouverneur, art. 23-29, of in daarvoor in aanmerking komende gevallen bij algemene maatregel van rijksbestuur - A.M.v.R.B. - art. 2 Statuut). Dit laatste heeft betrekking op reeds bestaande algemene maatregelen van bestuur (die onder het Statuut algemene maatregelen van rijksbestuur geworden zijn); het was niet de bedoeling van art. 2, dat reeds toegekende bevoegdheden zouden komen te vervallen.

Ook is gedacht aan een soepele regeling bij A.M.v.R.B., waarbij incidenteel bijzondere bevoegdheden aan de Gouverneur zouden worden toegekend in het geval bedoeld in art. 51 Statuut, namelijk wanneer een orgaan in de NederIandse Antillen niet of niet voldoende voorziet in hetgeen het moest verrichten. Bovendien kan krachtens art. 52 Statuut (en art. 26 R.G.) een landsverordening met goedkeuring des Konings bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk toekennen.

Zijn bevoegdheden als vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk:

  • � hij houdt toezicht op de naleving van rijkswetten, algemene maatregelen van rijksbestuur en internationale overeenkomsten.
  • � Hij kan de vaststelling van landsverordeningen en landsbesluiten opschorten tot de Koning over de vaststelling heeft beslist, als hij meent dat deze in strijd zijn met een hogere regeling of met Koninkrijksbelangen.
  • � Hij zendt elke vastgestelde landsverordening en elk vastgesteld landsbesluit, houdende algemene maatregelen, terstond op aan de Koning, zodat deze kan beoordelen of ze voor schorsing of vernietiging in aanmerking komen.
  • � Hij heeft zeggenschap over de hem ter beschikking gestelde krijgsmacht en kan delen dier krijgsmacht ter beschikking stellen van de regering van de Nederlandse Antillen voor het handhaven der inwendige veiligheid en de openbare orde.

Evenals ten aanzien van landsverordeningen en landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, heeft de Gouverneur een belangrijke taak ten aanzien van eilandsverordeningen en eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen, zomede van beschikkingen van eilandsorganen. Die taak wordt gedetailleerd omschreven in het zesde hoofdstuk Het hoger toezicht van de ERNA (artt. 98-104). Hij krijgt door tussenkomst van de gezaghebber tijdig kennis van alle stukken, waarop hij toezicht heeft te houden. Bij twijfel over strijd met een landsverordening of een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, dan wel met het algemeen belang van de Nederlandse Antillen, handelt hij als orgaan van de Nederlandse Antillen; bij twijfel over strijd met een internationale overeenkomst, een Rijkswet of een Algemene Maatregel van Rijksbestuur (A.M.v.R.B.) dan wel met het algemeen belang van het Koninkrijk, handelt hij als orgaan van het Koninkrijk. Van een nog niet afgekondigde eilandsverordening of eilandsbesluit kan hij de opschorting van de afkondiging door de gezaghebber wel of niet bevestigen (als orgaan van het Koninkrijk c.q. orgaan van de Nederlandse Antillen); aan het Bestuurscollege staat beroep open bij de Koning, die de Raad van State gehoord, beslist bij een met redenen omkleed besluit. Is een eilandsverordening of een eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, of een beschikking van een eilandsorgaan reeds afgekondigd, dan kan gehele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging plaatshebben. In al deze gevallen staat aan het Bestuurscollege beroep op de Koning open.

De Gouverneur als hoofd van de Landsregering: omdat de Koning de regering van het Koninkrijk voert en van elk der landen (art. 2 Statuut), heeft ook zijn vertegenwoordiger in de Nederlandse Antillen een dubbele functie. Als vertegenwoordiger van de Koning als Hoofd van de regering van de Nederlandse Antillen, oefent de Gouverneur de uitvoerende macht als hoofd van de Regering uit onder de verantwoordelijkheid van de minister(s), die verantwoordelijk zijn (is) aan de Staten (art. 11 en 12 Staatsregeling). Overal waar in de Staatsregeling een bevoegdheid aan de Gouverneur is toegekend, is hem die gegeven als hoofd der Regering. Art. 44 Statuut c.q. artikel 149 Staatsregeling bevat waarborgen dat deze artikelen betreffende de bevoegdheden van de Gouverneur niet kunnen worden gewijzigd dan met instemming van de regering van het Koninkrijk. Hij benoemt, schorst en ontslaat de landsdienaren en stelt de bezoldiging vast (artt. 13 en 15 Staatsregeling). Hij heeft het bestuur over 's lands geldmiddelen en domeinen (art. 14); kan gratie en dispensatie verlenen (artt. 16 en 17 Staatsregeling). Hij stelt, na verkregen goedkeuring van de Staten, landsverordeningen vast, ondertekent en kondigt deze af (artt. 18-23, 27 Staatsregeling), zomede landsbesluiten, houdende algemene maatregelen (artt. 24-27 Staatsregeling).

  • Lit.: C. E. Dip, Gouverneur en Minister in het Antilliaanse Staatsrecht, in Lustrum van een Ideaal (1976).

 

@: Gouverneurs (-Generaal)
zie Bestuursregeling; @: Geschiedenis: Hoofdstuk 5: Bestuurders.

 

@: Graaff, Johannes de

(ook geschreven Graeff) (ca. 1730 - St. Eustatius 1811) trad in dienst van de West-Indische Compagnie en werd in 1751 geinstalleerd als secretaris van St. Eustatius, een functie die hij 15 jaar vervulde. Waar hij de eerstvolgende 10 jaar diende, is niet bekend, maar toen de Engelsen in 1776 een protest indienden tegen de toenmalige commandeur van het eiland, Heijliger, die handel dreef met de Amerikaanse opstandelingen, werd Heijliger vervangen door De Graaff. Hiermede vervielen de Engelsen van Scylla in Charybdis. Op 16 november van dat jaar liet De Graaff enkele oorlogsschepen, die onder Amerikaanse vlag voeren, door een kanonsalvo begroeten. Deze eerste erkenning van de Stars and Stripes waardeerden de Amerikanen zo, dat zij twee oorlogsbodems naar De Graaff en zijn vrouw noemden. Op aanklacht van de Engelsen werd hij naar Holland ontboden, maar in 1778 buiten vervolging gesteld en opnieuw belast met het bestuur over St. Eustatius. Hij bevorderde de smokkelhandel in wapenen, waarmee zoveel geld werd verdiend, dat het eiland de naam de gouden rots kreeg. De Graaff zelf deed daar hard aan mee.

In 1780 brak de Vierde Engelse Oorlog uit en de Britse admiraal Rodney nam 3 februari 1781 wraak door het eiland totaal te plunderen. De Graaff werd als krijgsgevangene naar Engeland vervoerd. Eerst na de Vrede van Parijs herkreeg hij de vrijheid en keerde naar St. Eustatius terug, waar hij zich toen als particulier vestigde en bij zijn dood een enorm fortuin naliet. Zijn weduwe bleef er wonen tot haar dood in 1828. Het monumentale herenhuis, waarin admiraal Rodney in 1781 zijn intrede nam, staat tot op de dag van vandaag bekend als Governor De Graaff's House, hoewel De Graaff er zelf niet in heeft gewoond. Een lagere school is naar hem genoemd.

Literatuur;

  • J.H.J. Hamelberg, Eene bladzijde uit de Geschiedenis van St. Eustatius (1900);
  • J. Franklin Jameson, Sint Eustatius in the American revolution, in; Amer. Hist. Review VIII, biz. 683-708 (1903);
  • L. Knappert, Geschiedenis van de Nederlandsche Bovenwindsche Eilanden in de 18de eeuw (1932, '1979).


@: Grafische industrie

In de Nederlandse Antillen is momenteel een twintigtal grafische bedrijven gevestigd waaronder zowel dagbladdrukkerijen als handelsdrukkerijen. De dagbladdrukkerijen Rotaprint N.V., Drukkerij De Stad N.V. op Curacao en Arubiana Print N.V. op Aruba beschikken over rotatiepersen die geschikt zijn voor de vervaardiging van dagbladen, advertentiebladen en tijdschriften. De weekbladen en tijdschriften op Bonaire, St. Maarten, St. Eustatius en Saba worden gedrukt op kleinoffset of op stencilmachines.

  • Lit.: Th. H. Oltheten, Communicatie in de Nederlandse Antillen (1978).

 

@: Grafstenen
zie @: Beth-Haim; Bever; Habai.

@: Grammatica

  • zie @: Papiamentu: structuur.
  • @: Grammofoonplaten
  • Lokale opnamen, die in het buitenland worden vermenigvuldigd, verschijnen de laatste jaren veelvuldig op de markt. De verkoop is vooral op de toeristenin�dustrie gericht. Grote bekendheid, dank zij grammofoonplaten, genieten o.a. * Padu Lampe, * Edgar Palm, Tipico Santa Rosa, Doble R Superstars, Rudy Plaate, Boy Dap, Ced Ride, Bess, die met hun L.P.�s ook buiten de Neder�landse Antillen succes hebben geoogst.
  • @: Granaatappel
  • zie @: Granatapel.


@: Grand, Pierre le

Van deze militaire bevelhebber, die voor korte tijd een belangrijke rol speel�de in de geschiedenis van Cura�ao is weinig bekend. Geboorte- en sterfda�turn zijn onbekend, zelfs zijn nationali�teit is niet zeker, hoewel vast staat dat hij niet identiek is met de gelijknamige Franse piraat. Evenals * Van Walbeeck had hij een Braziliaanse loopbaan ach�ter de rug, toen de Heeren XIX hem ko�zen als militaire bevelhebber van de Cura�aosche verovering.

In de geschiedenis van de *West-Indi�sche Compagnie treedt hij voor het eerst op in 1631. In april van dat jaar arri�veerde hij in Brazili� met de versterkin�gen die door admiraal Pater naar Per�nambuco werden gevoerd. Gedurende twee jaar nam hij deel aan verscheidene militaire expedities die ten doel hadden de Nederlandse invloedssfeer rondom Pernambuco uit te breiden. Toen in april 1633 Jan Jansz. van Hoorn met een aantal �oude� soldaten - d.w.z. sol�daten van wie het contract met de Com�pagnie was ge�indigd - via het Cari�bisch gebied huiswaarts zeilde en daar�bij een profijtelijke aanslag deed op Trujillo in Honduras, was le Grand vermoedelijk van de partij. In novem�ber 1633 arriveerde hij in Nederland. Bij de organisatie van de onderneming tegen Cura�ao, die kort daarop plaatsvond, werd hij als militair bevelhebber aangezocht. Zijn succes in deze expeditie is buiten twijfel. Moeilijkheden tus�sen hem en Johannes van Walbeeck leidden echter tot zijn terugkeer naar Amsterdam in 1635.

Hij bleef in dienst van de W.I.C. die hem spoedig daarop weer uitzond naar Brazili�. In januari 1640 nam hij als commandant deel aan de vierdaagse zeeslag voor de Braziliaanse kust waarin de Nederiandse admiraal Willem Cor�nelisz Loos sneuvelde en de Spanjaar�den zich de overwinning toeschreven, maar zich terugtrokken. Daarna ver�schijnt hij voor het laatst in de geschie�denis der Compagnie als troepencom�mandant in de expeditie van * Cornelis Cornelisz. Jol naar Angola en S�o To�m�. (Zie verder Geschiedenis: Benedenwindse Eilanden, Nederlandse periode.)

Literatuur:

  • J. Hartog: Curacao I (1961);
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast 1580-1680 (1971).

 

@: Grassen

zijn zaadplanten met zeer duidelijke stengelleden en knopen; groei vindt niet aan de top plaats maar in elk stengellid; bloemen sterk gereduceerd; verenigd tot aartjes, die weer tot samengestelde vaak zeer gecompliceerde bloeiwijzen vere�nigd zijn; aartjes bestaan uit een as, met aan de basis 2 kelkkafjes; langs as de bloempjes; 2 kroonkafjes, 3 zwelli�chaampjes, 3 meeldraden en een stam�per met een sterk vertakte, behaarde stempel als een aanpassing aan wind�bestuiving. Gekweekte, meer of minder droogresistente grassen zijn veelal inge�voerd ten behoeve van mens en vee. Ma�(n)shi grandi (Zea mays) of ma�s, indian corn, met de vruchten op grote �kolven� in bladoksel.

Ma�nchik� (ma�(n)shi chikitu) (Sorghum vulgare) of guinea corn, met verschiI�lende vari�teiten, hoog gras met dicht opeengedrongen aartjes (tapushi); vruchten worden gemalen en gebruikt voor bereiding van funchi, tutu, paste�chi, empan�, orea enz. (zie Voedingsge�woonten); blader en en halmen als vee�voedsel.

Olifantsgras (Pennisetum purpureum) of elephant grass, tot 3 m hoog, sterk uitstoelend, stijve bladeren en rolronde, lange aar; voedergras uit Afrika. Buffelgras (Pennisetum ciliare) of Rho�desian foxtail, tot 1 m hoog, uit Afrika, India en Indonesi�; groeit goed in droge gebieden en kan afwisselend voor hooi�winning en beweiding gebruikt worden, zoals op Cura�ao kon worden aange�toond.

Guini gras (Panicum maximum) of Gui�nea grass, hoog gras met brede blade�ren; bloeiwijze lange, open pluim; voe�dergras uit West-Afrika.

  • Lamungras (Cymbopogon citratus), hoog gras met lange overhangende bla�deren, bij kneuzing citrusgeur versprei�dend; aftreksel van bladeren tegen ver�koudheid.
  • Bambu (Bambusa), uitstoelende, zeer hoge grassen met verkiezelde, vaak zeer dikke halmen met of zonder luchtholte. In het wild voorkomende grassen zijn van weinig betekenis door het afwezig zijn van een gesloten grasmat; het zijn veelal onkruiden, zoals crabgrass, mule grass, windgrass, dutchgrass, bahama�grass, ma�(n)sh�i totolika, p�a di gali�a, pegasaya bobo.

 

@: Grast�lchi
zie @: Snapper.

 

@: Gratie

is kwijtschelding of verandering van straf, welke de Gouverneur ingevolge art. 16 van de Staatsregeling aan veroordeelden kan verlenen na ingewonnen bericht van de rechter door wie het von�nis is gewezen.

 

@: Grensregeling

van percelen is mogelijk krachtens Landsverordening van de 12de novem�ber 1938 houdende bepalingen omtrent grensregeling (P.B. 1938 nr. 102 zoals gewijzigd), onderscheiden in ge�soleerde en algemene. De ge�soleerde grensrege�ling heeft plaats bij overeenkomst tus�sen de in de registers van de hypotheek�bewaarder of bij het kadaster bekende eigenaren, erfpachters en opstaIlers van belendende percelen. Van deze overeen�komst wordt door de ambtenaar van het kadaster proces-verbaal opgemaakt. De algemene grensregeling heeft plaats bij inrichting of vernieuwing van het ka�daster.

 

@: Griffier van de Staten

is het hoofd van het secretariaat van de volksvertegenwoordiging van de Neder�landse Antillen, de Staten. De Staten benoemen hun griffier, die geen lid is van de Sta�ten. Zijn positie, bezoldiging enz. wor�den geregeld bij landsverordening (art. 57 Staatsregeling).

 

@: Griffith, Cynric

(St. Kitts, 1 januari 1919) heeft zich na studie in Amerika in 1956 op St. Maar�ten gevestigd. Hij schildert beelden van de St. Maartense samenleving in een �academisch� naturalisme en ontwikkelt een geheel eigen stijl in zijn treffende portretten, die voor het eerst de zwarte Antilliaanse mens in het volle licht van de schilderkunst plaatsen. Zijn voor�naamste uitdrukkingswijze is olieverf op doek. Exposities o.m. Cura�ao (1978), Aruba (1982), St. Maarten (1983). Zijn werk is o.a. vertegenwoordigd in de collectie van Sticusa.

 

@: Groene Kruis, Sanatorium Het
zie @: Geneeskunde.

 

@: Grondbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Grondbezit

De grondpolitiek van de *West-Indische Compagnie was er oorspronkelijk op gebaseerd dat de Compagnie het eigen�domsrecht van alle gronden had. De Compagniesplantages en savanna�s (vee�weiden) werden door de Compagnie zelf ge�xploiteerd, terwijl daarnaast aan vrije kolonisten stukken grond in con�cessie werden afgegeven. Met de invoe�ring van de belasting op de ge�surpeer�de en de ingezerkte gronden in het begin der 18de eeuw erkende de Compagnie feitelijk het eigendomsrecht van de planters. De afschaffing van de *slavernij in 1863 bracht verandering in het stelsel van grondbezit. Een deel van de bevrijde slaven bleef op de plantage wonen en kreeg het recht om vee te houden en land te bebouwen, maar moest een ge�deelte van zijn oogst aan de landheer af�staan of 12 werkdagen per jaar voor hem werken (paga tera). Door de veror�dening van 8/9 mei 1867 P.B. 4 werd de mogelijkheid geschapen om domein�gronden in eigendom of in pacht uit te geven. Op Aruba en Bonaire handhaaf�de de Compagnie het leenrecht tot haar opheffing in 1791, waarna Bonaire een gouvernementsplantage werd, terwijl op Aruba alle gronden domeingronden werden. Een groot gedeelte van Bonaire werd in 1867 verkaveld. Daar treft men nu nog uitgestrekte particuliere gronden aan, terwijl het gouvernement tot voor kort vrijwel geen landbouwgronden be�zat. Op de Bovenwindse Eilanden vindt men, naast particulier bezit, ook gron�den die door het gouvernement ver�huurd worden aan landbouwers. (Zie ook Plantages.)

  • Lit.: O.J. van Orol, De grondpolitiek in het West-�Indische domein der generaliteit. Een historische studie (1934-1947, 1980).

 

@: Grondparels
zie @: Perla di vruminga.

 

@: Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden

  • Behandeld wordt:
  • Sectie 1. Verhouding statuut-grondwet
  • Sectie 2. Grondwetswijziging

heet de wet, waarin vanouds de hoofd�beginselen van het staatsbestuur en zijn organen zijn vastgelegd. Na de tot�standkoming van het *Statuut heeft de Grondwet grote betekenis voor de Ne�derlandse Antillen behouden. De tekst, zoals deze luidt na de laatste daarin bij rijkswetten van 19 januari 1983 (Stbl. 15 t/m 51) aangebrachte veranderingen is bekendgemaakt in Stbl. 1983 nr. 70; P.B. 1983 nr. 24.

  • Sectie 1: Verhouding statuut-grondwet

Het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden geeft voor het Koninkrijk de rechtsregeling van de hoogste orde. Het Statuut is primair. Taak en be�voegdheden van de organen van het Ko�ninkrijk vinden in het Statuut haar grondslag. Bij wetgeving en bestuur, zo�wel in het Koninkrijk als in de Neder�landse Antillen, moet het Statuut in acht genomen worden. Ook de Grond�wet neemt het Statuut in acht (art. 5 Statuut). De hoofdregels van het bestel van het Koninkrijk zijn intussen niet allle in het Statuut neergelegd. Voor een aantal onderwerpen verwijst het Statuut naar de Grondwet. Zo blijft het Ko�ningschap in de Grondwet geregeld, ter�wijl ook de organen van het Koninkrijk hun uitwerking in de Grondwet vinden. De desbetreffende artikelen van de Grondwet staan mitsdien op het niveau van het Statuut en kunnen alleen bij *rijkswet worden gewijzigd. Overigens stelt art. 42 Statuut uitdrukkelijk vast dat de staatsinrichting van Nederland regeling vindt in de Grondwet. De daar�op betrekking hebbende artikelen staan op lager niveau dan het Statuut. De Grondwet heeft dus een tweevoudig ka�rakter. Mocht de Grondwet op bepaal�de punten niet stroken met het Statuut, dan prevaleert het Statuut en moet de Grondwet met de bepalingen van het Statuut in overeenstemming worden ge�bracht.

  • Sectie 2: Grondwetswijziging

Het achtste hoofdstuk van de Grondwet (artt. 137 t/m 142) geeft aan op welke wijze veranderingen in de Grondwet kunnen worden aangebracht. In het kort gezegd: de desbetreffende wet wordt na kamerontbinding voor de tweede maal behandeld in beide Kamers en kan dan niet dan met twee derde meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen worden aangenomen. Voor zover de veranderingen echter betrek�king hebben op *koninkrijksaangele�genheden dan - zo bepalen de artikelen 5 en 15-20 Statuut - kunnen zij alleen worden aangebracht met inachtneming van de bepalingen die voor een rijkswet gelden, waarbij dus de Nederlandse An�tillen van het begin tot het eind mede�zeggenschap hebben. Dat is redelijk, want het betreft bepalingen die in het Statuut op hun plaats zouden geweest zijn, doch waarvoor eenvoudigheidshal�ve naar de in de Grondwet reeds voor�komende bepalingen werd verwezen. Als de regering veranderingen wil voor�stellen die deels betrekking hebben op koninkrijksaangelegenheden en deels niet, dan ligt het voor de hand, dat zij twee soorten ontwerpen indient, ��n of meer ontwerpen van rijkswet en ��n of meer ontwerpen van wet. Splitsing in verschillende ontwerpen was reeds ter wille van zuiverheid bij de stemming ge�bruikelijk. Artikel 137 van de Grondwet van 1983 legt de mogelijkheid van split�sing van wetsontwerpen uitdrukkelijk vast. Het zou geen zin hebben ook bij ontwerp van rijkswet voor te brengen de wijzigingen waarbij de Nederlandse An�tillen geen belang hebben. De algemene gedragslijn is, dat Nederland de bepa�lingen betreffende de eigen staatsinrich�ting zelfstandig bij wet kan wijzigen, zoals ook de Nederlandse Antillen hun Staatsregeling zelfstandig kunnen wijzi�gen bij landsverordening (art. 42 Sta�tuut). Omdat echter gewaarborgd moet zijn, dat de staatsinrichting van de Ne�derlandse Antillen aan redelijk te stellen eisen voldoet, gezien ook haar verbon�denheid in het Koninkrijk, kunnen in de landsverordeningen een aantal bepalin�gen niet dan in overeenstemming met de regering van het Koninkrijk worden ge�wijzigd (art. 44 Statuut) en worden de overeenkomstige bepalingen in de Grondwet tot koninkrijksaangelegenhe�den verklaard (art. 45 Statuut): de arti�kelen betreffende fundamentele en menselijke rechten, betreffende macht en bevoegdheden des Konings, betref�fende bevoegdheden van de Staten-Ge�neraal en betreffende enkele justiti�le aangelegenheden.

  • Lit.: E. van Raalte, De Grondwet: Wijzigingen van 1948 (1948); De Grondwet. Wijzigingen van 1956 (1957); zie ook Statuut, lit.

 

@: Groot Kwartier

Voormalige plantage ten noorden van het Schottegat, thans een woonwijk, die aanvankelijk bestemd was voor arbeiders en middenkader van de Shell.

 

@: Groot Santa Martha
zie @: Landhuizen.

 

 

@: Grotten

Vergeleken met ontzagwekkende onderaardse ruimten, soms kilometers lang en met een hoogte van tientallen meters, die aangetroffen worden in bijvoorbeeld Amerika, Mexico en Venezuela zijn de grotten op de Nederlandse Antillen uiterst bescheiden.

  • Grotten Aruba

De grot van Canashito, bekend om de rotstekeningen, is niet meer dan 12 m diep en 2m hoog, met een steenachtige bodem, die plaatselijk sterk gefosfatiseerd is. Tunnel of Love en Huliba (noordoosten) die zich onderscheiden door hun onregelmatige vorm en sterk verval, zijn voor toeristen aantrekkelijk gemaakt met o.a. luchtkokers en zitjes. Cueba di Quadikiri, gelegen aan de noordkust, is droog komen te liggen door opheffing van de kust en werd door karstwerking secundair beinvloed. De ingang ligt thans ongeveer 25m boven de zeespiegel; de grot is gemakkelijk toegankelijk. De grot van Fontein heeft een ingang, die ongeveer gelijk ligt met de brede abrasievlakte langs de kust in de steilrand, die deze vlakte landinwaarts afsluit. Deze niet zo diepe grot bestaat uit een ruime voorzaal met enkele aansluitende nauwe gangen. In de zaal worden tegen het plafond indianentekeningen aangetroffen (zie @: Rotstekeningen).

  • Grotten Bonaire

Qua ligging en vorm is de grot Spelonk aan de noordkant identiek aan die van Fontein op Aruba: ook hier rotstekeningen van indiaanse herkomst. Kueba di Seru Grandi ligt op het terrein van het Nationale Park Washington (zie @: Parken). De vorm van deze kleine grot is sterk beinvloed doordat er naar fosfaat is gezocht. Onima is eigenlijk een "abri" maar wordt in toeristische kringen aangeduid met Grot van Onima. De talrijke rotstekeningen zijn in 1875 voor het eerst door pater A.J. van Koolwijk geschetst. Kueba di Roshikiri, 800m ten westen van Spelonk, bestaat uit een lage, slechts 2m hoge zaal met een zoldering, die geleidelijk lager wordt. Bij de 15-20m brede ingang zijn resten van rotstekeningen. Kueba di Barcadera is een labyrint, ten minste 120m lang, dat door breuken en verzakking is gestoord; overal is druipsteen aanwezig.

  • Grotten Curacao

De indrukwekkendste grot is de Grot van Hato, een kalksteengrot met druipsteenvormingen met een oppervlakte van 4900m2; de vloer bevindt zich op ongelijke hoogte; een toeristische attractie. Verder kunnen nog genoemd worden de Grot van Koraal Tabak, kueba Bosa, kueba di Nortkant, kueba di Jechi en kueba di Raton, waar alle stadia van druipsteen in opbouw en afbraak bestudeerd kunnen worden.

  • Grotten St. Maarten

Grotte du Puits des Terres Basses en Devil's Hole dragen duidelijk de sporen van vroegere fosfaatexploratie: de wanden zijn hier en daar met houwelen bewerkt en proefschachten en boorgaten zijn nog zichtbaar. De eerste ligt vrijwel in het midden van de Low Lands, de tweede vlak bij Simpson Bay.

  • Lit.: P. Wagenaar Hummelinck, De grotten van de Nederlandse Antillen / Caves of the Netherlands Antilles (1979),


@: Grouper

en hind zijn verzamelnamen voor een groot aantal zeebaarzen behorend tot de familie der Serranidae. Het zijn bodemvissen, die vooral daar zitten, waar obstakels aanwezig zijn: rotsen, riffen, boomwortels, maar ook wrakken e.d. Zij leven nogal verscholen en bewegen zich sloom, maar kunnen toch een zeer snelle uitval doen als het gaat om het bemachtigen van een prooivis. Vele groupers behoren tot het geslacht Epinephelus: gatu of roekhind, yakupeper of nassau grouper, djukfes of jewfish, en de meru. Tot het geslacht Mycteroperca (Rockfishes) behoren de djampou, de granmel en de olitu. Ook de okfessoorten (Hypoplectrus spec.) en de purunchi, butterfish of coney (Cephalopholis ililva) behoren tot de groupers. Groupers leren van hun nieuwsgierigheid: ze komen graag kijken, maar na een ervaring met de speer overleefd te hebben zijn ze veel voorzichtiger. Hun vlees wordt graag gegeten.

 

@: Grunings, Willem Cornelis

(Curacao 17 december 1859 - Curacao 27 december 1926) uitgever-redacteur van een groot aantal bladen waaronder De Voorbode (1884), Amigoe di Pueblo (1885), El Independiente (1889), El Se�manario (verschijnend op Aruba, 1890-�1895), Eco de la Verdad (1902), El He�raldo (1905), Ideas Modernas (1907) (zie Pers).

 

@: Grunt

is de naam voor een groot aantal vissoorten merendeels behorend tot het geslacht Haemulon, zoals de korko, robekki en toktok. Hun namen duiden op het knorrende geluid, dat zij laten horen als zij gevangen zijn, maar dat ook onder water te horen is als twee grunts elkaar dreigend attaqueren. Soms staan zij daarbij met de bekken wagenwijd ge�opend vlak tegenover elkaar te dreigen, maar ook tegen elkaar te duwen. Zij zwemmen vaak in grote scholen tussen de koralen. Hun voedsel bestaat uit klein gedierte.

 

@: Grupo Flor di Pal�i siya

Een gezelschap, dat zich vanaf 1978, onder leiding van Marcial Kock, erop toelegt Arubaanse dansen uit � 1900 nieuw leven in te blazen. Onder auspi�ci�n van Instituto di Cultura treden de dames en heren, vari�rend van 65-80 jaar, gekleed naar de mode van de eeuwwisseling, periodiek op in Oran�jestad op een parkeerterrein in het cen�trum in het kader van het wekelijkse Watapanafestival, dat zowel een cultu�reel als toeristisch belang heeft.

 

@: Grupo folkloriko

Een gezelschap bestaande uit vier vrou�welijke en vier mannelijke dansers, begeleid door een eigen muziekensemble, dat uitsluitend Antilliaanse muziek en dans brengt (o.a. danza, mazurka, qua�drille, tumba, wals). Zij treden vooral op voor toeristen en in de lokale clubs; ook wel - met succes - in het buiten�land. De oudste gezelschappen zijn Grupo Folklorico La Marquise, Grupo Folklorico Antillano (ook wel geschre�yen Antiyano) en Grupo Folklorieo Nos Antillas (zie ook Domacasse, Venancio H.).

 


@: Guano

(Wama) Beenderen en visgraten bevatten veel tricalciumfosfaat; ook in weke weefsels van het dierlijk lichaam komt dit voor en dus in de excrementen. Onder bepaalde omstandigheden worden excrementen en beenderen in grote hoeveelheden opgehoopt, bijvoorbeeld in holen en grotten (vleermuizen, konijnen en andere holbewonende dieren) of op broedplaatsen van zeevogels die hun excrementen met onverteerbare visgraten deponeerden. Zulke opeenhopingen van witte tot bruine, poedervormige uitwerpselen zijn bekend onder de naam guano. In regenloze gebieden blijft de guano vrijwel onveranderd bewaard. In regenarme streken vindt echter een langzame uitwassing plaats en kan eronder liggende kalksteen omgezet worden in tricalciumfosfaat. Tussenvormen tussen guano en fosfaat noemt men guanofosfaat. Een onderverdeling is te maken tussen zeevogelguanofosfaat, zoals op het eilandje Klein Curacao is gevonden en ontgonnen en holenguanofosfaat. In grotten op Aruba en Curacao vooral komt holenguanofosfaat voor maar niet in ontginbare hoeveelheden. De enige fosfaten op Aruba en Curacao die een economische waarde vertegenwoordigden zijn ontstaan door nu geheel verdwenen zeevogelguano; de fosforzure oplossingen ervan hebben de onderliggende kalksteen gefosfatiseerd (zie verder @: Fosfaat).

 

@: Guengu
zie @: Krabben.

 


@: Gueni / @: Guene

ook wel genoemd guene (in beide versies heeft de eerste lettergreep een lage toon en klemtoon, en de tweede lettergreep een hoge toon). Aangenomen wordt dat het een taal betreft die de slaven uit Afrika hadden meegebracht en die zich enige tijd naast het Papiamentu wist te handhaven, onder andere als geheimtaal. Er moeten verschillende varianten van het gueni bestaan hebben. Van deze uitgestorven taal/talen zijn, volgens Pater Brenneker, een honderdtal liederen overgebleven en enkele idiomatische uitdrukkingen.

Frank Martinus is van mening dat guene een op het Portugees gebaseerde creoolse taal is geweest, die in wellicht meer dan een variant op de eilanden is geimporteerd, maar door de andere creoolse taal, het Papiamentu, werd verdrongen.

Literatuur:

  • P. Brenneker, Benta - dos cien cantica dje dushi tempu bieuw (1959);
  • Idem, Curacaoensia: folkloristische aantekeningen over Curacao (1961);
  • F. Martinus Arion, The Guene Kriole of the Netherlands Antilles, Conference of the Society of Caribbean Linguistics (1980).

 

@: Guepi
zie @: Geep.

 

@: Guiambo
(Abelmosehus eseulentus) zie @: Hibiscus; @: Voedingsgewoonten.

 

@: Giro
(Spaans) zie @: Wiri.

 


@: Gulden, Antilliaanse
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Gutu

of parrotfishes (familie Scaridae) vallen op door hun zware kaken, waarmee zij aan het koraal knabbelen, dat zij vergruizen. De volwassen dieren hebben veelal fellere kleuren dan de jongen. De mannetjes en wijfjes kunnen zo verschillend van kleur zijn, dat zij lange tijd als twee verschillende soorten bekend stonden. Zij worden veel in canasters gevangen, maar hun vlees staat niet erg hoog in aanzien.

 

@: Guyaba

(Psidium guajava) of guava, tamelijk grote tropische boom (uit de familie der Myrtaeeae) , waarvan de vruchten gebruikt worden voor de bereiding van jam, gelei, sap. Erfcultuur.

 

@: Guyana
zie @: Koloniers.

 

@: Guzman Blanco, Antonio / @: Antonio Guzman Blanco

Venezolaans staatsman (Caracas 29 februari 1828 - Parijs 28 juli 1899) trad als officier op de voorgrond in de federalistische oorlogen (1859-1863) en werd in 1864 vice-president van de nieuw geformeerde Verenigde Staten van Venezuela. Door een revolutie werd in 1868 de regering weer omvergegooid, maar Guzman leidde met succes een contrarevolutie en werd ditmaal president. Deze functie bekleedde hij verscheidene jaren (1870-1877, 1879-1884 en 1886-1887); in de tussenperioden regeerde hij door stromannen. Zijn dictatoriaal presidentschap heeft veel betekenis gehad voor de ontwikkeling van het land, het onderwijs en de financien. De door hem in 1881 uitgevaardigde Antillenrechten brachten voor de handel van de Benedenwindse Eilanden ernstige nadelen mee. In 1893 werd hij gezant te Parijs, maar ook van daar uit leidde hij tot zijn dood feitelijk de regering. (Zie verder @: Handel: geschiedenis).

  • Lit.: C. Ch. Goslinga, Curacao and Guzman Blanco (1975).

 

 


De letter H

h is de achste letter van het Nederlandse alphabet, die reeds vanaf zijn Romeinse tijd met een bijna amechtig geblaas werd uitgelaten. Maar de Romeinen hadden de h natuurlijk niet zelf bedacht, maar zoals zovele van hun letters (en andere gewoonten) overgenomen van de West Grieken of de Etrusken. Zo ook dus de h, die overigens op dezelfde wijze als de Grieken werd gebruikt. De oorsprong van de letter is voornamelijk Semitisch, die hun letter het met een bijna stemloze vanuit de keelholte geschuurde h uitspraken - als het ware een verkouden persoon die de moderne h uitspreekt. Het teken werd als een soort hek geschreven op grond van de Egyptische hyrogliefe die hek vertegenwoordigde en de oorsprong van de letter was. De Grieken namen de h (heta) uit het Foenesisch over, aanvankelijk alleen als h, maar later werden additionele klanken eraan toegevoegd bijvoorbeeld als een stille h in de lettercombinatie ph die de Grieken ontwikkelden ter vertegenwoordiging van de f-klank (philosofie) en de ch die bij de Grieken (en ook in het moderne Italiaans) in sommige woorden in de plaats van de k wordt geschreven. (chi sucede spreek uit op zijn Nederlands "kie suchede" = wat is er aan de hand). Bij de Romeinen werd de h soms wel, soms niet in de spelling van een en dezelfde woord opgenomen (arena versus harena), maar ongeacht de schrijfwijze was het hun gewoonte om de h met een hele zachte klank uit te spreken.

In talen die direct op het Latijn zijn gegrondvest gebeurt het daarom tegenwoordig dat de h in de spelling van woorden voorkomt, maar niet of nauwelijks wordt uitgesproken. Het op Curacao veel voorkomende Spaans is een goed voorbeeld hiervan. Het Engels is een aparte geval op grond van met name de Romeinse maar zeker ook de Franse beinvloeding van deze taal; het Frans was gedurende zo'n 300 jaar na de verovering van Engeland door de Normandiers de toonbepalende taal. De Engelse verscheidenheid rondom deze letter begint reeds met de uitspraak van de letter zelf. In de meeste Engelse dialecten op het grondgebied van Engeland spreekt men de naam van de letter uit als aitch, maar in het Engels van Ierland is de uitspraak en schrijft men haitch, echter met de kanttekening, dat in Noord Ierland, de Protestantse scholen aitch doceren, terwijl de Katholieke scholen haitch aanhangen. Noch het Nederlands noch het Papiamentu hebben last van deze situatie. In deze talen wordt de h met kracht uitgesproken in bijna alle in de taal met deze (begin)letter voorkomende woorden.

De h is vooralsnog een letter die goed vertegenwoordigd is in het dagelijks gebruik. Ook in deze encyclopedie. Het is het beginletter van die andere naam voor moederland Nederland: Holland! En de naam van het armste land van ons werelddeel en misschien zelfs van de wereld begint ook met een h: Haiti. Andere bekende woorden met een h als beginletter zijn hinduisme, een van de grootste en oudste wereldreligies, Herakles (Hercules) de zo bekende Griekse halfgod held en Hitler, de vermaledijde Duitser, veroorzaker van wat tot nog toe als de grootste oorlog in de geschiedenis geldt.

 


@: Haaien

tribon of sharks (orde Selachii) zijn, evenals de roggen, kraakbeenvissen (Elasmobranchii). De enige harde delen die zij bezitten, zijn de rijen tanden in de bek en de miniatuur-kleine tandjes in de huid, waardoor de huid tot schuurpapier verwerkt kan worden, zoals vroeger geschiedde. Bij de mannetjes zijn de mediane buikvinstralen tot copulatie-organen (claspers) ontwikkeld. De wijfjes worden inwendig bevrucht en de eieren ontwikkelen zich in het moederlichaam tot complete haaitjes van enkele decimeters lengte. De draagtijd ligt tussen een en twee jaar. Onder de vele soorten haaien zijn er echter ook enkele, die eieren afzetten; elk ei is met een chitineachtig hulsel omgeven.

Enkele soorten voeden zich met kleine bodemdieren of zelfs met klein plankton, maar de meeste soorten zoeken grotere prooi, hoewel de mens doorgaans te groot van formaat schijnt te zijn. In de Nederlandse Antillen met zijn helder water vergissen haaien zich in dit opzicht minder gauw dan in het troebele water van continentale kusten. Dat zal een van de belangrijkste oorzaken zijn, dat in de Nederlandse Antillen het aantal slachtoffers van haaien zo uiterst klein is. Een ander punt van belang is, dat het hier nooit wemelt van de haaien, maar dat iedere haai zijn eigen jachtgebied heeft, dat hem voldoende oplevert.

Een bekende soort is de zandhaai (Ginglymostoma cirratum), tribon di santu of nurse shark, die zo rustig kan blijven liggen, dat hij uitnodigt tot het volbrengen van huzarenstukjes, zoals haairijden e.d. De elders zo beruchte hamerhaaien, tribon di krus of hammerheads (Sphyrna spec.) komen in de Nederlandse Antillen in verschillende soorten voor; andere beruchte soorten zijn de blauwe en grijze haaien, behorend tot het geslacht Carcharhinus, alsmede de tijgerhaai (Galeocerdo cuvier), tintorero of meneater. In de Nederlandse Antillen plegen deze soorten zich echter allemaal te beperken tot het eten van vis en, plaatselijk, ook van afval. De grootste aller haaien, de walvishaai (Rhyncodon typus), is een enkele maal nabij Curaao waargenomen; deze gespikkelde kolos van 10m en meer is een planktoneter en is geheel ongevaarlijk.

  • Lit.: Een overzicht van de wereldliteratuur over haaien en haaien-aanvallen vindt men bij P.W. Gilbert, Sharks and Survival (1963).

 

@: Habaai
zie @: Landhuizen.

 

@: Habibe, Henry

(Aruba 6 mei 1940) behoort tot de generatie die debuteerde in het door hem opgerichte en geredigeerde tijdschrift Watapana. Schrijft zijn verzen vooral in het Papiamentu.

Werken:

  • Aurora (1968);
  • Keresentenchi (1980);
  • El compromiso en la poesia afro-antillana (Cuba, Puerto Rico; diss. 1984).

 

@: Habon

  • (1) (Rypticus saponaceus) of soapfish dankt zijn naam aan het zeepachtige slijm dat hij afgeeft als hij op het droge spartelt. De jonge dieren hebben een zilveren streep midden over kop en rug, die bij grotere dieren verdwenen is.
  • (2) Papiamentu woord voor zeep.

 

@: Hagedissen

(Sauria - Papiamentu: lagadishi) komen op de eilanden in een niet zo klein aantal voor; op de Benedenwinden mogen 16 soorten als inheems (endemisch) worden beschouwd; de helft hiervan wordt nergens anders ter wereld gevonden. Een van de meest bekende soorten is de plantenetende leguaan (Iguana iguana), yuana of iguana, die als een lekkernij wordt beschouwd (Bonaire: chicken). Door een meedogenloze achtervolging is hij in aantal sterk achteruitgegaan en vooral grote exemplaren zijn op bereikbare plaatsen zeldzaam, maar ook kleine van twee decimeter romplengte worden al gevangen. Dat zij niet reeds zijn uitgeroeid, is stellig te danken aan het feit, dat zij zich al in hun tweede levensjaar voortplanten. Op het Carmabi wordt de mogelijkheid van een leguanenteelt onderzocht. Tot dezelfde familie Iguanidae behoort de boombewonende caco (kaku), waltaca of lagadishi di palu (Anolis lineatus) op Curacao en Aruba, op Bonaire A. bonairensis en op de Bovenwinden nog enkele andere soorten, aldaar woodslave genoemd. De dieren staan bekend om hun display bij verontrusting, ook tegenover soortgenoten; eerst maken zij enige kopwipbewegingen en dan spannen zij met behulp van een buigzaam kraakbeentje de keelhuidplooi met zijn opvallende kleuren enkele malen waaiervormig uit.

Van de familie Teiidae is talrijk de blausana, blou-blou of cododo (Cnemidophorus), waarvan Aruba, Curacao en Bonaire elk een voor het eiland kenmerkende soort bezitten. Het zijn overwegend bruine dieren, als zij ouder worden met witte of blauwe vlekken op de romp en soms duidelijk blauwe staartwortel. Veel bij vuilstortplaatsen, ook schadelijk in tuinen, waar ze bloemknoppen en jonge spruiten afvreten. 's Nachts en op het heetst van de dag schuilen ze weg onder stenen of in ondiepe holen. De ground lizards van de Bovenwindse Eilanden behoren tot het geslacht Ameira. Een kleine soort, verborgen levend onder bladeren, maar algemeen, is de kolebr'i mespu (kolebra di mespu) (Gymnophthalmus), donkerbruin met oranje staartpunt en met aan weerszijden een (Aruba) of twee (Curacao) geelwitte lengtestrepen. De snelle kronkelende voortbeweging heeft misschien geleid tot de naam kolebra (slang) maar er zijn duidelijk vier fijne pootjes te zien.

De familie Gekkonidae is vertegenwoordigd met een aantal soorten die behoren tot de geslachten Gymnodactylus (op Curacao en Bonaire) en Sonatodes (op Aruba), de toteki, Phyllodactylus en Thecadactylus, de pegapega. Zij verschuilen zich overdag tussen stenen, achter losse boomschors en in huizen. De pegapega hebben lamellen onder hun tenen, waardoor zij zelfs tegen gladde wanden blijven "kleven"; men ziet ze 's avonds dikwijls bij het licht insekten vangen; zij zijn geheel ongevaarlijk.

  • Lit.: P. Wagenaar Hummelinck, Studies Fauna Curacao, I (1940).

 

@: Halfbek

komt in verschillende soorten voor, zoals de balau di flambeu (Hyporhamphus unifasciatus) en de boka largu (Hemirhamphus brasiliensis) of balahoo. Deze vissen leven in scholen op begroeide bodem en pikken met een zijdelingse beweging van de kop allerlei klein gedierte uit de wieren, waarvan zij ook nog stukjes meepikken. Zij worden veel gevangen zowel voor de consumptie als voor aas.

 

@: Halfedelstenen en sierstenen

Economische waarde kan hier niet aan worden gehecht. Op Bonaire komen amandelstenen voor: oude vulkanische lava's waarvan de gasholten naderhand met mineralen zijn gevuld. Meestal bestaat de periferie van de in deze stenen gevonden amandels uit agaat, de kern uit kwarts. Op St. Eustatius komt wat opaal voor, donker tot geelgroen. Voor gebruik als siersteen wordt soms de fosfaat van Aruba en Curacao gepolijst.

 

@: Halofyten

zijn planten die een hoog zoutgehalte in de bodem kunnen verdragen, of voor hun bestaan zelfs een bepaald zoutgehalte nodig hebben; vaak vlezige planten zoals banana di ref; of leerachtige bladeren zoals mangl'i tam (mangel di tam) en mangel blanku.

 

@: Handel

(trek na de ontwikkeling van de 'bon'; zie ook @: Kredietwezen)

  • Hetgeen behandeld wordt:

Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Inleiding
  • Sectie 2: Curacaosche smokkelhandel met vasteland Zuid-Amerika
  • Sectie 3: Gouden jaren St. Eustatius
  • Sectie 4: Curacao en onafhankelijkheid Venezuela; Colombia
  • Sectie 5: De olietijdperk en het toerisme
  • Sectie 6: Bonaire en Bovenwinden

Sectie 7: Recente ontwikkelingen Curacao en Aruba 

Hoofdstuk 2: Indeling en aard

Hoofdstuk 3: Binnenlandse Handel

  • Sectie 8: Detailhandel
  • Paragraaf 1: Winkels: tienda en pakus
  • Paragraaf 2: Supermarkets; de drijvende markt; bentana; snacks; fruteria's
  • Paragraaf 3: Kleinhandel in textiel; juweliers; boutiques
  • Paragraaf 4: Het wonder St. Maarten

Hoofdstuk 4: Grootwinkelbedrijven

Hoofdstuk 5: Groothandel

  • Sectie 9: Handel in onroerende goederen

Hoofdstuk 6: Betekenis voor de economie

Hoofdstuk 7: Buitenlandse Handel

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Handel Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Inleiding

De handel neemt in de economische geschiedenis van de Nederlandse Antillen een zeer belangrijke plaats in; zijn invloed en ontwikkeling zijn echter voor elk van de zes eilanden verschillend. Voor het eiland Curacao was de handel sinds de eerste decennia na de verovering door de West-Indische Compagnie tot de vestiging van de olie-industrie in 1916 verreweg de belangrijkste bron van inkomsten. Op Aruba kan pas na 1920 gesproken worden van een werkelijke handelsactiviteit, terwijl zulks voor Bonaire en St. Maarten eigenlijk na 1960 geldt. Op Saba en St. Eustatius is de handel nog in een vormingsstadium; een uitzondering hierop maakt echter St. Eustatius in de 18de eeuw: De Gouden Rots!

  • Sectie 2: Curacaosche smokkelhandel met vasteland Zuid-Amerika

De uitzonderlijk gunstige ligging ten opzichte van het vasteland van Zuid-Amerika; gepaard aan de voortreffelijke natuurlijke en goed beschutte havens van Curacao, deed reeds in de zeventiende eeuw een bloeiende handel ontstaan tussen deze Nederlandse kolonie en de door Spanje bezette gebieden in het noorden van het Zuid-Amerikaanse vasteland. Waar door het Spaanse monopoliestelsel alle handel op de Spaanse kolonien uitsluitend aan Spanje was voorbehouden, droeg het handelsverkeer tussen Curacao en het vasteland in feite het karakter van sluik- of smokkelhandel. Zich wel bewust dat Spanje niet in staat was de bevoorrading van al haar kolonien te verzorgen, hebben de Spaanse gouverneurs in het huidige Venezuela en Colombia deze illegale handel met slechts enkele kortstondige onderbrekingen, door de eeuwen heen steeds oogluikend toegelaten. Aldus werd Curacao enerzijds een stapelplaats van Europese handelswaren, door de Nederlandse West-Indievaarders gebracht, anderzijds tijdelijk opslag- en verzamelplaats van op het vasteland en op de Caribische eilanden gekweekte produkten. Ongetwijfeld eveneens als gevolg van de bijzonder gunstige omstandigheden, alsmede van de zich reeds ontwikkelende doorvoerhandel, is Curacao, gelijk andere eilanden in het Caribisch bekken, niet verschoond gebleven van de zo verwerpelijke slavenhandel. Al voor de komst van de Nederlanders is er gewag gemaakt van handel in rode slaven (Indianen) door de Spaanse gouverneur van Curacao, Juan de Ampues, gedreven. Later, vooral na 1648, ontwikkelde Curacao zich tot een depot voor Afrikaanse slaven aangebracht vanuit de Afrikaanse kustgebieden door Nederlandse zeevaarders en bestemd voor doorverkoop naar de Spaanse kolonien, alsmede - in veel mindere mate - naar Nieuw Nederland. Tot laat in de 18de eeuw heeft deze vorm van handel zich, zij het in geleidelijk afnemende mate, gehandhaafd.

  • Handel Hoofdstuk 1 Sectie 3: Gouden jaren St. Eustatius

Wat Curacao voor het handelsverkeer met de Spaanse vaste kust betekend heeft, vindt een parallel in het Bovenwindse eiland St. Eustatius, echter op een enigszins kleinere schaal en beperkt tot een periode van slechts vijftig jaar die eindigde omstreeks het jaar 1800. Vanuit de veilige rede van dit eiland werd er een levendige doorvoerhandel gedreven met de Engelse kolonien op het vasteland van Noord-Amerika. Vooral tijdens de Amerikaanse Vrijheidsoorlog heeft deze handel, welke in feite eveneens als smokkelhandel moet worden gekwalificeerd, zich tot zeer grote bloei ontwikkeld en heeft hij dit eiland, - vandaar ook vaak als The Golden Rock aangeduid -, tijdelijk een ongekende en sindsdien nooit teruggekeerde welvaart gegeven. Met de vrijwording van de Verenigde Staten van Noord-Amerika kwam er tegen het einde van de 18de eeuw een abrupt einde aan vrijwel alle handelsactiviteiten op dat eiland.

  • Handel Hoofdstuk 1 Sectie 4: Curacao en onafhankelijkheid Venezuela; Colombia

In tegenstelling hiermede ondervond de handel op Curacao aanvankelijk geen weerslag van het onafhankelijk worden van Venezuela en Colombia. Dezelfde rol van stapelplaats en doorvoerhuis tussen Europa, later ook de Verenigde Staten van Noord-Amerika, enerzijds, en Venezuela en Colombia anderzijds, bleef Curacao vervullen. Hiertoe heeft zeker bijgedragen het ontbreken van goede havens in Venezuela, alsmede zijn traditioneel gegroeide afhankelijkheid van Curacao inzake de internationale handel. De als gevolg van de economische geschiedenis van Curacao inmiddels goed ontwikkelde en sterk internationaal gerichte handelsstand van dit eiland, hoofdzakelijk bestaande uit directe afstammelingen van de Spaans-Portugese Joodse families die zich in de zeventiende eeuw vanuit Amsterdam op Curacao kwamen vestigen, heeft eveneens sterk bijgedragen tot het in stand houden van deze positie van Curacao en zijn prompte aanpassing aan de nieuwe toestanden op het vasteland. Deels om deze afhankelijkheid van Curacao, alsook van enkele andere eilanden in het Caribisch gebied te doorbreken en tevens om zijn eigen havens en internationale handel tot ontwikkeling te brengen, alsook uit politieke overwegingen, vaardigde Venezuela in 1881, onder president Antonio Guzman Blanco, een wet uit waarbij goederen afkomstig van de Nederlandse Antillen onderworpen werden aan een extra toeslag ter grootte van 30 opcenten van de per produkt geldende invoerrechten. (Het invoerrecht voor produkten uit de Nederlandse Antillen wordt dus berekend door het "normale" invoerrecht met een factor 1,3 te vermenigvuldigen). Deze maatregel heeft het gewenste effect gehad, de haven van La Guaira kwam tot ontwikkeling en Curacao werd in zijn handel met Venezuela zeer gevoelig getroffen. Anderzijds wakkerden deze zogenaamde Antillenrechten of Derechos Antillanos de smokkelhandel weer aan, hetgeen nog meer werd versterkt naarmate Venezuela en Colombia hoge tariefmuren gingen opbouwen ter bescherming van hun eigen opkomende lokale industrieen. Evenwel bleef voor lange tijd Curacao, en later ook Aruba, de functie vervullen van overscheephaven van lading bestemd voor de, hoofdzakelijk kleinere, havens van Venezuela; deze zuivere overscheepdiensten werden niet onderworpen aan de Antillenrechten. Het eertijds bloeiende handelsverkeer als gevolg van de stapelplaatsfunctie voor deze contreien nam gaandeweg af en vanaf het midden van de 19de eeuw tot de komst van de olie had de handel op Curacao geen bloeiend bestaan. Toch wist het particuliere initiatief op Curacao door middel van de bevordering van de eigen scheepvaart, door het aanleggen van goede kaden in de haven en vooral door het oprichten van een kolenbunkerstation, de handelsverbinding met de buitenwereld levendig te houden en aan een aanzienlijk deel van de bevolking welvaart te brengen.

  • Handel  Hoofdstuk 1 Sectie 5: De olietijdperk en het toerisme

Met de vestiging van de olieraffinaderijen voltrok zich op zowel Curacao als op Aruba een stormachtige ontwikkeling: de bevolking en de welvaart namen sterk toe en de eilanden begonnen opgenomen te worden in de vaarroutes van stoomvaartlijnen die hun schepen hierheen dirigeerden om voordelig te bunkeren. Tevens ontwikkelde zich het cruise toerisme, de proviandering van schepen en vele andere handelsactiviteiten elke drukke havenstad eigen, terwijl later het hotel- of resorttoerisme geboren werd. De historisch sterk gegroeide en goed ingeburgerde handelsstand, die sinds de 1930ger jaren was aangevuld met een aantal Joodse uitgewekenen, voornamelijk afkomstig uit Oost-Europa, alsmede een relatief kleinere groep Nederlandse immigranten en filiaalhouders van Nederlandse bedrijven, wist zich op Curacao alsook op Aruba in een tiental jaren volledig te richten op deze nieuw geopende mogelijkheden.

De ontwikkeling van het toerisme en van handelsactiviteiten in het algemeen werden ook bevorderd door de snelle groei van het luchtverkeer in de jaren na 1945.

  • Handel  Hoofdstuk 1 Sectie 6: Bonaire en Bovenwinden

Op Bonaire, St. Maarten en Saba bestond er tot de ontwikkeling van het cruise-toerisme enerzijds en de fenomenale groei van het luchtverkeer en het luchttoerisme anderzijds, beide voor wat deze eilanden betreft plaatsvindende na het jaar 1960, generlei handel van belang. Pas met de ontwikkeling van het toerisme en het daarop gerichte hotelwezen, begonnen velerlei handelsactiviteiten zich op deze eilandente ontplooien. Er verrezen detailzaken, veelal gericht op de bezoekende toerist, maar evenzeer om de koopkrachtiger wordende bevolking en de hotels van consumptiegoederen te voorzien, alsmede om aan de snel toegenomen bedrijvigheid in de bouwsector de nodige materialen te leveren.

  • Handel  Hoofdstuk 1 Sectie 7: Recente ontwikkelingen Curacao en Aruba

Curacao en Aruba ontwikkelden zich allengs tot winkelcentra met een uitgebreide en goed gevarieerde detailhandel, waarvan een gedeelte zich wederom ging specialiseren in de verkoop aan de groeiende stroom toeristen, voornamelijk afkomstig uit Noord-Amerika maar ook uit Venezuela. Voorts vestigden zich enkele omvangrijke grootwinkelbedrijven, een aantal supermarkets in levensmiddelen, enkele scheepsleveranciers, een vrij grote groep vertegenwoordigers van buitenlandse fabrikanten en handelshuizen, een sector groot- of tussenhandel, een beperkt aantal exporteurs, die hoofdzakelijk drank en sigaretten uit douane-entrepots (zogenaamde ex-bond) zowel naar het buitenland als aan toeristen verkopen, en verder een gezond, internationaal gericht, en sterk ontwikkeld bankwezen, alsmede verschillende financiele instellingen. In de laatste jaren heeft zich op Curacao ook een vrije zone-handel ontwikkeld, die in feite beoogt Curacao andermaal stapelplaats te maken van invoervrije handelswaren bestemd voor verkoop naar de omliggende gebieden, in hoofdzaak de Caribische eilanden, Colombia (Maicao) en sinds de afschaffing van de zogenaamde Derechos Antillanos (Antillenrechten) op 23 januari 1974 door de toenmalige president Rafael Caldera, ook naar Venezuela, in het bijzonder naar het vrije-zone-eiland Margarita.

 

  • Handel Hoofdstuk 2: Indeling en aard

In 1983 telde Curacao 29.681, Aruba 2.274, Bonaire 941 en de Bovenwindse Eilanden 2.005 bedrijven. Van deze totalen waren er op Curacao 24.147, op Bonaire 565 en op St. Maarten 1.000 beleggings- en octrooimaatschappijen ten behoeve van niet-ingezetenen. De indeling van de overige werkzame lokale bedrijven was als volgt (zie tabel):

Een sterk doorgevoerde differentiatie in verschillende soorten handel is dikwijls niet aanwezig. Vele detailzaken importeren zelf hun koopwaar rechtstreeks van de fabrikant in het buitenland, waardoor de figuur van de importeur, van de tussenhandelaar en van de groothandelaar in een aantal branches vaak ontbreekt. Daarnaast treden vele detaillisten ook op als agenten voor buitenlandse handelshuizen en nemen als zodanig bestellingen op van andere detaillisten voor rechtstreekse verscheping aan deze laatsten. Ook zijn er kleinhandelsfirma's die, naast hun detailzaken, de groothandel uitoefenen. Met de groei van de bevolking beginnen zich de laatste tijd ook zuiver groothandelszaken te ontwikkelen, meestentijds gepaard aan het optreden als agent voor buitenlandse fabrikanten. Voorts is er ook een belangrijk aantal firma's die uitsluitend als vertegenwoordigers op commissiebasis voor buitenlandse handelshuizen en fabrikanten optreden.

 

  • Handel Hoofdstuk 3: Binnenlandse Handel
    Sectie 8: Detailhandel
    Paragraaf 1: Winkels: tienda en pakus

Verreweg het grootste gedeelte van de binnenlandse handel wordt uitgeoefend in winkels (Papiamentu: tienda). Met slechts enkele uitzonderingen zijn deze winkelzaken het eigendom van de winkelier, soms ook van een tweetal met elkaar geassocieerde kooplieden, of wel van een familie (broers, vader en zoon of zonen). Het beeld van de eenmanszaak komt veelvuldig voor. Historisch zijn de winkelzaken ontstaan en gegroeid als warenhuizen, soms meer als pakhuizen (vergelijk het Papiamentse woord hiervoor: pakus) waar aan de achterkant van het pand grote hoeveelheden koopmansgoederen grotendeels bestemd voor export werden opgeslagen en aan de voorkant tegelijkertijd ook en detail verkocht werden. De variatie was dan vrijwel ongelimiteerd. Tegenwoordig zijn de levensmiddelenwinkels de meest gespecialiseerde, daarna de kleding-, mode- en meubelzaken, de fotohandel en de boekhandels. Drank in gesloten flessen, voor consumptie elders dan ter plaatse, wordt in drankwinkels (slijterijen) verkocht, meestal echter in levensmiddelenzaken.

  • Handel Hoofdstuk 3 Sectie 8 Paragraaf 2: Supermarkets; de drijvende markt; bentana; snacks

Van recente ontwikkeling is de opkomst van de zogenaamde supermarkets, zelfbedieningswinkels voor levensmiddelen, die veelal ook een groot assortiment huishoudelijke artikelen erbij voeren. Ca. 40% van alle op Curacao verkochte levensmiddelen wordt in supermarkets omgezet.

Op de markten worden verse groenten, grotendeels van eigen tuinbouw afkomstig, vers gevangen vis, en fruit verkocht. In de vleesmarkthallen vindt de verkoop van vers geslacht vlees plaats. Sinds de opkomst van de supermarkets hebben de markten aan belang ingeboet. Een bijzondere - tevens zeer schilderachtige - vorm van markt is de zogenaamde "drijvende markt" op Curacao. Deze bestaat uit pal op en naast elkaar aan de kade gemeerde schoeners en barkjes uit Venezuela en de Dominicaanse Republiek afkomstig, waarvan de bemanning vrijwel "aan boord" verse groenten en fruit van hun land van herkomst te koop aanbieden. De schepen blijven een week of twee aan de kade, om zich daarna weer te bevoorraden. Hun plaats wordt vrijwel onmiddellijk ingenomen door andere, intussen volbeladen aangekomen, barkjes, De import van vers fruit, groenten en vis is vrij van invoerrechten.

Straatventen komt in sterk afnemende mate voor; merendeels zijn het vrouwen die in houten bakken (baki), vaak op het hoofd gedragen, zelfgemaakt suikerwerk en snoepgoed, alsook andere lekkernijen, pinda's en dergelijke aan de man brengen. De kleinste vorm van detailhandel vindt men nog in de bentana (lett. raam). Deze komt voor in de dichtbewoonde volksbuurten en bestaat uit een raam of deur aan de zijkant van een huis, van waaruit de vrouw des huizes allerhande levensmiddelen, snoepgoed en sigaretten verkoopt. Zij zijn de laatste tijd vrijwel verdrongen door de als paddestoelen uit de grond verrezen snacks, die naast warme hapjes, limonade en bier ook een aantal produkten verkopen die vroeger door de bentana's werden verhandeld. De verkoop uit automaten van in hoofdzaak sigaretten komt nog weinig voor, ze zijn hoofdzakelijk in de hotels in gebruik. Als gevolg van de afvloeiing van personeel bij de oliemaatschappijen hebben op Curacao, in mindere mate ook op Aruba, vele voormalige oliearbeiders van Portugese nationaliteit vestiging verkregen en een groot aantal kleine fruitzaken (zogenaamde fruteria's) geopend, waarvan vele mettertijd werden uitgebreid tot levensmiddelenzaken waarin vaak ook drank en genotmiddelen en detail worden verkocht. Enkele hiervan zijn uitgegroeid tot middelgrote zaken. Niettemin is de ontwikkeling duidelijk in de richting van de grote zelfbedieningswinkels (supermarkets) die door hun groter volume en hogere efficientie in staat zijn met lagere winstmarges te werken.

  • Handel Hoofdstuk 3 Sectie 8 Paragraaf 3: Kleinhandel in textiel; juweliers; boutiques

Het meest talrijk na de levensmiddelenwinkels zijn de manufacturenzaken, waarin hoofdzakelijk textiel confectiekleding voor dames en heren, schoeisel en huishoudelijke linnengoed en detail wordt verkocht. Dit is een zeer sterk ontwikkelde branche die zich geconcentreerd heeft in de drukke stadskernen van vooral Willemstad (Punda en Otrobanda), Oranjestad (Playa), San Nicolas, Kralendijk en Philipsburg. Door deze zaken wordt ook veel aan vreemdelingen verkocht, op Curacao en Aruba grotendeels aan Venezolanen, in de laatste jaren ook in groeiende mate aan Dominicanen, Haitianen, Colombianen en inwoners van Trinidad. Deze toeristen komen bijna uitsluitend om te winkelen; zij worden aangetrokken door de voor hun land lagere prijzen, het zeer uitgebreide assortiment en de grote keuze van wereldbekende en door hen zeer gewilde marktartikelen meestal afkomstig uit de Verenigde Staten, Europa en het Verre Oosten. In het aantal overnachtingen en mogelijk ook in de omvang van hun inkopen, zijn deze toeristen uit de Latijns-Amerikaanse nabuurlanden op Curacao zelfs belangrijker dan het vreemdelingenverkeer afkomstig uit Noord-Amerika. Een aantal van deze manufacturenwinkels zijn zich in de loop van de jaren meer en meer gaan toeleggen op die goederen, die het meest in trek zijn bij de Noord-Amerikaanse toeristen; zij werden aldus gespecialiseerde toeristenzaken, waarin exclusieve Europese importen, zoals parfums, damestassen, lederwaren, wollen sweaters, textiel en mode-artikelen, bijouterieen, geborduurd linnen, alsook handwerkprodukten uit het Verre Oosten worden gevoerd. Door een beperkt aantal zaken worden ook drank en tabak accijns- en rechtenvrij verkocht middels rechtstreekse levering onder douanebegeleiding vanuit entrepot aan het schip of vliegtuig waarmee de toerist vertrekt; dit wordt gewoonlijk aangeduid als in bond -handel.

Onder de toeristenzaken vormt de juweliers- en horlogebranche een klasse apart. Van deze uitmuntend ontwikkelde branche heeft een concern met filialen op vier van de zes eilanden, alsmede in New York, een niveau van werkelijk internationaal kaliber weten te bereiken. Ook de handel in elektronische artikelen is zeer goed vertegenwoordigd. De laatste jaren heeft zich een ontwikkeling voltrokken waarbij kleine eenmanszaken zich buiten de stad hebben gevestigd, vaak naast de eigen woning, en onder de naam van boutique in hoofdzaak modekleding aan de buurtbewoners te koop aanbieden. In de vertrekhallen van de vlieghavens van Curacao en Aruba, buiten het eigenlijke douanegebied, bevinden zich free port shops, waar vertrekkende of transito passagiers goederen rechten- en accijnsvrij kunnen kopen en terstond medenemen.

  • Handel  Hoofdstuk 3 Sectie 8 Paragraaf 4: Het wonder St. Maarten

Een soortgelijke ontwikkeling op kleinhandelsgebied als op Curacao en Aruba heeft plaatsgevonden, begint zich de laatste jaren ook op Bonaire te voltrekken zij het nog op bescheiden schaal; de vestiging van twee moderne toeristenhotels heeft een duidelijk merkbare stimulans in deze richting gegeven. Bonaire is door zijn kristalhelder water en prachtige koraalriffen vooral bij scuba-divers (duiktoerisme) zeer in trek.

Vooral op St. Maarten is de ontwikkeling van het toerisme in de laatste 20 jaar opzienbarend geweest: terwijl het eiland in 1960 slechts over een toeristenhotel beschikte, telt het thans het grootste aantal toeristenkamers van de Antillen; het verkeer op zijn luchthaven is dan ook het drukste van de zes eilanden. Zijn toerisme komt bijna uitsluitend uit de Verenigde Staten en Canada. Ook in het aantal aanlopen door cruiseschepen overtreft St. Maarten de overige eilanden verreweg. Wat de binnenlandse handel betreft, deze bestaat hoofdzakelijk uit detailzaken, waarin, behalve een zelfbedieningswinkel in levensmiddelen, de toeristenzaken de overhand hebben. Er worden op de Bovenwindse Eilanden geen invoerrechten of accijns geheven, zodat winkelen aldaar zeer in trek is bij de toerist.

 

  • Handel Hoofdstuk 4: Grootwinkelbedrijven

In tegenstelling tot de eerdergernoemde branches, die vrijwel geheel op basis van contante betaling bij verkoop zijn ingesteld, wordt in de detailhandel van duurzame consumptiegoederen, van automobielen en van bouwmaterialen, veel consumentenkrediet gegeven. Dit kan soms vrij langlopend zijn, tot zelfs 24 maanden. Verschillende kredietmethodes worden toegepast, zoals huurkoop, koop op maandelijkse of wekelijkse afbetaling of termijnkrediet; in verband hiermede worden ook diverse kortingssystemen toegepast bij verkoop a contant. Door de opkomst van gespecialiseerde financieringsmaatschappijen worden tegenwoordig veel van de autoverkopen op krediet door tussenkomst van deze instellingen gefinancieerd. De zaken in deze branches, die vrijwel alle volgens de maatstaven van de Landsverordening op de Kamers van Koophandel & Nijverheid tot het grootbedrijf behoren, zijn op Curacao, Aruba, Bonaire en St. Maarten goed ontwikkeld en worden gerekend onder de grootste handelsondernemingen in de Nederlandse Antillen.

 

  • Handel Hoofdstuk 5: Groothandel

Bedrijven in deze tak zijn niet zeer talrijk, alhoewel zij op de grotere eilanden een sterke positie innemen. Zij verhandelen hoofdzakelijk levensmiddelen, gedistilleerd (in welk laatste geval zij dan een zogenaamde grossierderijvergunning behoeven), sigaretten, olieprodukten, farmaceutische en cosmetische produkten, meestentijds gecombineerd met alleenvertegenwoordigingen in deze goederen. Voor het verhandelen van geneesmiddelen is een vergunning nodig van het Departement van de Volksgezondheid, terwijl elk te voeren patentmedicijn vooraf in een register moet worden ingeschreven. De groothandelbranche is ook nauw verwant aan de agenturenhandel, die echter wel zeer vele vestigingen telt; op Curacao 152. Deze vertegenwoordigers van buitenlandse firma's nemen voor vrijwel alle soorten artikelen bestellingen op van zowel detaillisten als in mindere mate van groothandelaren en verlenen hun bemiddeling bij het introduceren en pousseren van de door hen vertegenwoordigde produkten. Zij importeren niet voor eigen rekening; hun inkomen bestaat uit de door de principaal aan hen uitgekeerde commissies op geboekte verkopen; deze commissies varieren per produkt, maar liggen meestentijds tussen de 2 en 5%. Zij worden veelvuldig bezocht door handelsreizigers, uitgezonden door de principalen in het buitenland, met wie zij dan de klantenkring aflopen. Het komt echter ook herhaaldelijk voor dat handelsreizigers zonder zich door een plaatselijk gevestigd bedrijf te doen vertegenwoordigen de detailhandel bezoeken en bestellingen boeken, welke dan door de leverancier rechtstreeks aan de kopers worden verscheept. Deze reizigers handelen in strijd met de Landsverordening Vestigingsregeling voor Bedrijven en vormen voor de gevestigde agenturenhandel een oneerlijke concurrentie.

  • Handel Sectie 9: Handel in onroerende goederen

De handel in onroerende goederen is van recente datum. Op Curacao kan een viertal bedrijven beschouwd worden als makelaars in onroerende goederen; verkavelingen van gronden komen steeds vaker voor. Grondontwikkelingsmaatschappijen, waarvan er een vijftal actief is, zorgen voor de verkaveling en de aanleg van infrastructuur, vaak ook voor de verkoop van de percelen aan particulieren.

 

  • Handel Hoofdstuk 6: Betekenis voor de economie

Naar het aantal arbeidsplaatsen gerekend, is de handel, waaronder tevens te verstaan de verschillende vormen van commerciele dienstverlening, een van de belangrijkste middelen van bestaan. De werkende beroepsbevolking is als volgt over de bedrijfstakken verdeeld:

 

Handel Hoofdstuk 7: Buitenlandse Handel

De gunstige geografische ligging, de goede havens, het vrijwel ontbreken van inheemse produkten en de door de eeuwen heen gevoerde politiek van vrijhandel, hebben een zeer levendig handelsverkeer met het buitenland doen ontstaan. Het omvat hoofdzakelijk invoer van nagenoeg alle consumptie- en kapitaalsgoederen, met daartegenover uitvoer van in de Antillen opgeslagen of gefabriceerde goederen, rechtstreekse doorvoer en dienstverlening. Sinds de vestiging van de oliemaatschappijen op Curacao en Aruba onderging de handel met het buitenland een zeer belangrijke uitbreiding door de grote invoer van ruwe olie, hoofdzakelijk uit Venezuela en de uitvoer van geraffineerde olie en olieprodukten naar bijna alle werelddelen. Er is een bescheiden ontluikende uitvoer van enkele op Aruba en Curacao door lokale importvervangende industrieen gefabriceerde produkten, zoals zepen, reinigingsmiddelen, sigaretten, bier, cosmetica, drank en toiletartikelen. Een pas opgerichte afdeling Export Bevordering bij het Departement van Economische Zaken beijvert zich voor de bevordering van deze jongste handelsactiviteit. (Zie @: In-, uit- en doorvoer).

 


@: Handelsmerk

Krachtens art. 1 van de Merkenlandsverordening (P.B. 1961 nr. 191) is er een Bureau voor de Industriele Eigendom van de Nederlandse Antillen, tevens dienende als hulpbureau van het Bureau voor de Industriele Eigendom voor het Koninkrijk, overeenkomstig de artt. 1 en 2 van de Merkenwet (S. 1893 nr. 146). Degene, die het eerst van een merk in het Koninkrijk gebruik heeft gemaakt, wordt als rechthebbende beschouwd maar alleen voor dat soort van waren waarvoor het merk door hem is gebruikt (maximaal 3 jaar na het laatste gebruik). Inschrijving van een merk wordt gevraagd aan het bureau. Indien het bureau op de gronden genoemd in art. 6 van de verordening inschrijving weigert, kan degene aan wie de inschrijving is geweigerd aan het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, verzoeken te bevelen dat het merk wordt ingesehreven. Verder kan ieder ander op de gronden genoemd in art. 10 van de verordening verzoeken de gedane inschrijving nietig te verklaren. Hoger beroep staat open bij het Hof van Justitie. Uitvoeringsbesluit: Reglement Industriele Eigendom Nederlandse Antillen (P.B. 1961 nr. 203).

 

@: Handelsrecht

Het handelsrecht is in hoofdzaak geregeld in het Wetboek van Koophandel van de Nederlandse Antillen (P.B. 1935 nr. 52) en in het Curacaosch Faillissementsbesluit 1931 (P.B. 1931 nr. 58). In beide wettelijke regelingen zijn nadien verschillende wijzigingen aangebracht. Daarnaast zijn er veel verordeningen die gedetailleerde regels stellen op verschillende terreinen van het handelsrecht.

 

@: Handelsregister

Alle bedrijven in de Nederlandse Antillen zijn ingevolge de Handelsregisterverordening (P.B. 1944 nr. 203) verplicht zich te laten inschrijven in het handelsregister. De inschrijving vermeldt die gegevens die van belang zijn voor derden zoals de naam van de beheerders, de doelstelling, de plaats van vestiging en het geinvesteerde vermogen. De aard van de gegevens hangt af van de juridische status van het bedrijf. Het bijhouden van de registers is opgedragen aan de Kamers van Koophandel op Curacao, Aruba, Bonaire en St. Maarten en aan de gezaghebbers op St. Eustatius en Saba. De ingeschrevenen zijn jaarlijks een bedrag verschuldigd varierend van NAf 60,- tot NAf 850,-, afhankelijk van het in de zaak gestoken kapitaal. Het register is openbaar en beschermt derden die zich te goeder trouw op de inschrijving in het register beroepen.

 

@: Harder
zie @: Aldu; @: Karmou (kalmou).

 

@: Haring

(Opisthonema oglinum) of threadherring is een haringachtige (familie Clupeidae), die kenbaar is aan de sterk verlengde laatste rugvinstraal. Dit visje, dat 20 cm lang wordt, is vooral in de binnenbaaien algemeen. Het is een planktoneter, die echter ook kleine diertjes van de bodem oppikt.

 

@: Harmoniekorps

Het musiceren in harmoniekorpsen heeft, vooral op Curacao, een bloeitijd gekend in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen de promenade-concerten van de korpsen - hoofdzakelijk op het Brionplein - zeer in trek waren. Nog altijd bestaat er een van deze harmoniekorpsen, St. Vincentius-Harmonie (dirigent Ramon L. Williams), opgericht in 1941 door een groepje jongens van Huize Scherpenheuvel. De harmonie bestaat thans uit 44 leden, waarvan het oudste 80 en het jongste lid 15 jaar is

.

@: Harry L. Johnson Museum
zie @: Musea.

 

@: Hartog, Johannes

In 1912 te Utrecht geboren is hij van 1940 tot 1947 hoofdredacteur van het dagblad Amigoe di Curacao geweest, daarna directeur-administrateur van het Cultureel Centrum Aruba en van het Cultureel Centrum Curacao. Op Aruba is hij van 1950-1972 bibliothecaris geweest van de Openbare Leeszaal en Boekerij. Hij heeft een groot aantal publikaties op zijn naam staan.

Werken: o.a.

  • Journalistiek leven in Curacao (1944);
  • Geschiedenis van de Nederlandse Antillen. 5 dln. (1953-1981);
  • Waar de bomen altijd groen zijn en de bladeren altijd vallen (1966);
  • Manuel Carel Piar, de jongen van Otrobanda (1967);
  • Luis Brion. de admiraal-financier (1968);
  • US consul in 19th century Curacao. The life and works of Leonard Burlington Smith (1971);
  • History of Saba (1975);
  • History of St. Euslatius (1976);
  • History of St. Maarten and St. Martin (1981);
  • De Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten (1983);
  • Tezamen met Elisabeth Hartog: reisimpressies o.a. Latijns Amerika (1971).

 

@: Hartz, Philip Herman

(Haarlem 8 oktober 1902 - San Cristobal, Venezuela, 7 december 1956) Nederlands medicus, eerste patholoog-anatoom van de Nederlandse Antillen (1935-1950). Studeerde in Amsterdam, Groningen en aan het Kaiser Wilhelm Instituut te Berlijn. De liefde voor zijn vak en zijn enthousiasme voor het wetenschappelijk werk resulteerden in een stroom van publikaties. Mede hierdoor verwierf Curaccao op medisch-wetenschappelijk terrein een uitstekende naam, vooral in de periode van de Tweede Wereldoorlog. Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning in zijn benoeming tot corresponderend lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, tot honorair lid van de Academie van Medellin en tot lid van vele wetenschappelijke verenigingen in Noord- en Zuid-Amerika.

Werken: Meer dan 70 wetenschappelijke publikaties w.o. als bijdragen tot de tropische geneeskunde o.m.:

  • de histopathologie van filariasis,
  • de relatie tussen tropische cosinophilie en filaria op Curacao,
  • pancreas atrophie bij kwashiorkor;
  • voorts Geneeskunde, in: Oranje en de zes Caraibische parelen (1948).


Literatuur:

  • E. Villa Haeusler, A.C. Henao en A. Restrepo, Informe sobre el trabajo del dr. Hartz, in: Anales de la Academia de Medicina de Medellin, I, 17 (1948);
  • A. van der Sar, Obituary, Philip Herman Hartz, M.D., in: Documenta Med. Geogr. et Tropica, 9, 192 (1957).

 

@: Haseth, Carel Pieter de .

(Curacao 22 september 1950) debuteerde in het tijdschrift Watapana, waarvan hij later enige jaren mederedacteur is geweest. Richtte samen met Andries van der Wal de uitgeverij Flamboyant i / Pop. Vertaalde samen met zijn echtgenote Chila Bolivar en Jenny Fraai een zestal boekjes van Dick Bruna in het Papiamentu.

Werken:

  • Drie dagen voor Eva (1969);
  • Berceuse voor teleurgestelden (1975);
  • Bida na kolo / Kleuren van leven (poezie bij schilderijen van Jose Maria Capricorne, 1981).

 

@: Hasmit

Plantengeslacht uit de familie der Oleaceae. In de Nederlandse Antillen komen voor:

  • Hasmit (Jasminum azoricum), met drietallige bladeren; bloemen in oksel- of eindstandige pluim, wit; afkomstig van de Canarische Eilanden. Gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden (Jessamine).
  • Hasmit dobel (Jasminum sambac) of Hasmit, met ovale tot eivormige bladeren; bloemen in povere trossen, bijna zittend; afkomstig uit India. Gekweekt. Benedenwindse Eilanden.
  • Jasminum simplicifolium, met eivormige bladeren; bloemen in dichotoom vertakte tros, de bloembuis rood aangelopen, de slippen wit. Afkomstig uit Australie. Gekweekt. Benedenwindse Eilanden.

 

@: Hato

  • (1) Voormalige compagniesplantage c.q. gouverneursbuitenverblijf op gunstig punt aan het midden van de noordkust van Curacao. Het in oorsprong 18de-eeuwse landhuis heeft ondanks moderniseringen zijn hoofdvorm behouden.
  • (2) De naam Hato duidt tegenwoordig op de eerste plaats de luchthaven van Curacao aan (zie @: Luchthavens).
  • (3) Kalksteengrot in de Seru Spelonk, dichtbij het landhuis Hato. De grot vormt een attractie, o.a. door de daar aanwezige druipsteenvormingen. De ingang van de grot ligt in een steile kalksteenwand op een hoogte van ongeveer 70m boven zeeniveau (zie @: Grotten).
  • (4) Kalksteenplateau in het middendeel van Curacao; bekend is de aanwezigheid van verschillende karstbronnen; de grotere bronnen van San Pedro en van Hato worden voor landbouwdoeleinden gebruikt (zie @: Geologie).Sectie 2: Olieoverslag

 

@: Haven- en loodswezen

Hetgeen behandeld wordt:

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
    • Sectie 1: Haven- en loodswezen
    • Sectie 2: Olieoverslag
  • Hoofdstuk 2: Havens
    • Sectie 1: Curacao Havens
    • Paragraaf 1: Willemstad Haven: Annabaai en Schottegat
    • Paragraaf 2: Caracasbaai haven
    • Paragraaf 3: Bullenbaai haven
    • Paragraaf 4: Fuikhaven
    • Paragraaf 5: Boca San Michiel
    •  
    • Sectie 2: Aruba havens
    • Paragraaf 6: Oranjestad haven
    • Paragraaf 7: Barcadera haven
    • Paragraaf 8: San Nicolas haven
    •  
    • Sectie 3: Bonaire havens
    • Paragraaf 9: Kralendijk haven
    • Paragraaf 10: Salina haven
    • Paragraaf 11: Brasil haven
    •  
    • Sectie 4: Bovenwinden
    • Paragraaf 12: Sint Maarten haven
    • Paragraaf 13: Sint Eustatius haven
    • Paragraaf 14: Saba haven

Nu volgt de behandeling van het artikel:

Haven- en loodswezen Hoofdstuk 1: Inleiding

  • Sectie 1: Haven- en loodswezen

Aan het einde van de 17de eeuw begon de haven van Willemstad zich te ontwikkelen tot een internationale zeehaven voor de handelsvaart. Ofschoon deze een betrekkelijk goede beschutting biedt, was (is) het binnenzeilen met veel wind en stroom een hachelijke onderneming. Daarom werd toen reeds gebruik gemaakt van de diensten van loodsen: In Willemstad gevestigde ervaren schippers. Een loods was echter niet verplicht; menigmaal strandde een schip, dat zonder loods de haven probeerde binnen te varen. Voor de veiligheid van de scheepvaart en de haven werd bepaald, dat met ingang van 1 april 1882 het doen beloodsen van zeeschepen in de haven van de Nederlandse Antillen uitsluitend tot de bevoegdheid van de overheid behoort en dat schepen niet zonder loods aan boord de haven mogen binnenvaren. Op die datum werd de officiele loodsdienst in de Nederlandse Antillen geboren. De haven van Curacao was toen nog de enige haven van betekenis in de Nederlandse Antillen. Voor het eiland Curacao werden een havenmeester en loods en een assistent-loods aangesteld (P.B. 1882 nr. 11). Toen het scheepvaartverkeer naar de Nederlandse Antillen toenam, werden ook havens aangelegd op de andere eilanden. Voor het raffineren van Venezolaanse ruwe olie werd in 1915 aangevangen met de bouw van een raffinaderij op Curacao en in 1924 op Aruba. Hierdoor ontwikkelde zich een drukke tankervaart naar deze twee eilanden. Het Haven- en Loodswezen groeide in betekenis. Er werden meer loodsen en ander personeel in dienst genomen om het scheepvaartverkeer te kunnen verwerken. De havens van Curacao, Aruba en Sint Maarten werden veelbezochte aanloophavens voor toeristenschepen.

De Dienst Haven- en Loodswezen is een overheidsdienst van het eilandsbestuur. Deze dienst, met als hoofd de havenmeester, heeft binnen het betreffende eilandgebied de zorg voor de havens, de havenveiligheid en het loodswezen. Ingevolge het Havenreglement (P.B. 1936 nr. 104) zijn aan de havenmeester vergaande bevoegdheden toegekend in verband met diens verantwoordelijkheid voor de veiligheid in de haven, waaronder ook valt het toezicht op het laden en lossen van zeeschepen (P.B. 1937 nr. 93). Ook de binnenvaart ressorteert onder de havenmeester. Aan binnenvaartschepen worden door hem certificaten van deugdelijkheid afgegeven. Voorts houdt de dienst zich bezig met het bijhouden van statistieken betreffende het scheepvaartver keer.

In verband met de aanleg van een containerhaven op de eilanden Curacao en Aruba, wordt de Dienst Haven- en Loodswezen op deze eilanden gereorganiseerd en opgenomen in een overheids-N.V. Op Curacao de C.P.A. (Curacao Ports Authority N.V.) en op Aruba de A.P.A. (Aruba Ports Authority N.V.).

Het Havenkantoor is het gebouw waar de Dienst Haven- en Loodswezen is gevestigd. Hierin bevinden zich de kantoren van de havenmeester, adjunct-havenmeester(s), havenveiligheidsdienst, de administratieve staf, de verkeersregeling, die ook radiotelefonisch contact onderhoudt met de schepen in de omgeving en in de haven, het wachtlokaal van het loodsbootpersoneel en (op Curacao) het bureau van de havenpolitie. De loodsen worden van het havenkantoor uit, meestal per loodsboot, naar de te beloodsen schepen gestuurd.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 1 Sectie 2:

In de 1970ger jaren werden olie-overslaghavens aangelegd op Curacao, Aruba en Bonaire, waar de grootste tankers ter wereld hun lading ruwe olie lossen voor overslag en doorvoer in kleinere tankers naar diverse bestemmingen, o.a. de U.S.A. In 1982 werd ook op Sint Eustatius een olie-overslaghaven in bedrijf gesteld. Door de toegenomen activiteiten ontwikkelde de haven van Curacao zich tot de zevende haven in de wereld en de tweede haven van het westelijk halfrond (gemeten naar binnengeloodst scheepstonnage). Het topjaar van het eiland Curacao was 1977 met 11.432 binnengeloodste schepen met een totaal bruto scheepsinhoud van 93 miljoen registerton.

 

Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2: Havens

Achtereenvolgens worden hier behandeld de havens c.q. landingsplaatsen op elk der eilanden van de Nederlandse Antillen.

  • Sectie 3: Curacao Havens
  • Paragraaf 1: Willemstad Haven: Annabaai en Schottegat

De belangrijkste haven van Curacao is het Schottegat, een natuurlijke binnenbaai, die met de zee is verbonden door de St. Annabaai, een natuurlijk kanaal, 1.280m lang en op zijn smalst 90m, met een vaargeul waarvan de diepte varieert van 15 tot 24m. De betrekkelijk smalle haveningang is steeds goed te verdedigen geweest. Aan beide zijden werden forten gebouwd, oostelijk van de haveningang het Waterfort en westelijk het Riffort, terwijl men eertijds tussen beide oevers in de haveningang een zware ketting kon spannen met het doel vijandelijke schepen te beletten binnen te varen. Vanaf het hoger geleden Fort Nassau had men bovendien een uitstekend overzicht over zowel het Schottegat als de haveningang. Daar bevindt zich thans dan ook de seinpost van de haven- en loodsdienst.

De haven is toegankelijk voor schepen met een diepgang tot maximaal 45 voet (13,7m) (geladen tankers met een draagvermogen van plm. 80.000 ton en een lengte van plm. 250m). Alle schepen met een bruto inhoud van meer dan 50 registerton (141 m3) zijn verplicht gebruik te maken van een loods wanneer zij de haven binnenvaren of uitvaren en wanneer zij in de haven verhalen (van ligplaats veranderen). Het grootste schip dat de haven van Willemstad werd binnengeloodst is de onder Liberiaanse vlag varende tanker World Mandate met een draagvermogen van 171.000 ton en een lengte van 295m, die op 27 juli 1981 met ballastdiepgang voor reparatiewerkzaamheden werd binnengeloodst naar een ligplaats van de Curacaosche Dok Maatschappij N.V. De grootste passagiersschepen die zijn binnengevaren zijn de onder Britse vlag varende Oriana van de P&O Line met een bruto scheepsinhoud van 40.340 registertonnen en een lengte van 245m en de onder Nederlandse vlag varende Rotterdam van de Holland-America Cruises met een bruto scheepsinhoud van 37.783 registertonnen en een lengte van 228m.

Aan de oevers van de St. Annabaai bevinden zich een aantal kaden, die dienen als ligplaats voor schepen, t.w. aan de oostelijke oever: de Handelskade, Kleine Werf, Grote Werf, Werf Salazar en Werf De Wilde en aan de westelijke oever: Matheywerf, Westwerf, Nieuwe Werf, Motetwerf en Oranjewerf. De toeristenschepen die Curacao bezoeken, kiezen als regel ligplaats aan een van de kaden in de St. Annabaai, waar in 1982 een cruise-terminal werd gebouwd. Het Schottegat is een grote, grillig gevormde diepe binnenbaai met een oppervlakte van meer dan 60.000 are. Een groot deel van het Schottegat heeft een natuurlijke waterdiepte van 10 tot 20m. De grootste diepte bedraagt 25m (nabij de uitmonding van de St. Annabaai). Daarom is het Schottegat zeer geschikt als haven voor grote zeeschepen. Aan de oevers van het Schottegat liggen 11 pieren van Shell Curacao N.V., die door tankers worden gebruikt. Voorts 10 ligplaatsen en 2 droogdokken van de Curacaosche Dok Maatschappij N.V., ten behoeve van schepen, die reparaties moeten ondergaan. Verder nog 11 ligplaatsen voor vracht- en passagiersschepen, waarvan 8 in de Nieuwe Haven (Admiraal Brionwerven) in het oostelijk deel van het Schottegat. De Nieuwe Haven grenst aan de zogenaamde Vrije Zone. Het gebied wordt ontsloten door de zogenaamde Nieuwe Havenweg - officieel de Rijkseenheid Boulevard -, een bijna kaarsrechte, kortere vierbaansweg tussen het zuidelijk uiteinde van de verbindingswegen rond het Schottegat met het noordelijk gedeelte. Aan de zuidgrens van de Nieuwe Havenweg ligt de Autonomie Monument; het noordelijk gedeelte vormt met de Schottegatweg-noord en de Snipweg de Biesheuvelkruising; de druktse samenkomst van wegen van Curacao.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 2: Caracasbaai haven

Caracasbaai is een open baai aan de zuidkust, 8 kilometer bezuidoosten Willemstad. Deze baai biedt een redelijke beschutting tegen de passaatwind. In de 19de eeuw hebben de zeevaarders hiervan veel profijt getrokken. Zij gingen hier ten anker om een gunstig tijdstip af te wachten alvorens de haven van Willemstad binnen te varen. Aan deze baai werd een olieopslag en -laadinstallatie gebouwd en werden steigers aangelegd. Deze haven werd in 1927 in gebruik gesteld met het doel om tankers te beladen met stookolie en andere zware olieprodukten en om vracht- en passagiersschepen te bunkeren. De olie-installatie van Caracasbaai is door pijpleidingen verbonden met de raffinaderij van Shell Curacao N.V., gelegen aan het Schottegat. Van de vier oliesteigers die in deze baai werden gebouwd, bestaan er thans nog twee, waar schepen met een diepgang van maximaal 13m kunnen afmeren. Ook worden hier de allergrootste toeristenschepen afgemeerd, die te groot zijn om de haven van Willemstad binnen te varen. Door omstandigheden heeft de haven van Caracasbaai haar betekenis als bunkerhaven verloren. Ook in de Caracasbaai zijn de schepen verplicht gebruik te maken van een loods, die door het loodsstation in Willemstad wordt geleverd.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 3: Bullenbaai haven

Bullenbaai is een grote open baai aan de zuidkust, 14 kilometer benoordwesten Willemstad. In 1928 werd door de Curaaosche Petroleum Industrie Maatschappij (Shell) aangevangen met de bouw van een opslag- en laadinstallatie voor benzine en andere lichte olieprodukten van de raffinaderij gelegen aan het Schottegat. Ook werden steigers voor tankers aangelegd. Uit veiligheidsoverwegingen wenste men het opslaan en laden van deze lichte produkten zo ver mogelijk van de bewoonde gebieden verwijderd te houden. In 1930 werd deze haven in gebruik genomen. Door de ontwikkelingen op de wereldoliemarkt en in verband met de ontstane oliecrisis (op grond van de Yom Kippur oorlog in 1973 tussen Israel en de Arabieren en de olieembargo die daarop volgde) ontstond aan het begin van de 1970tiger jaren een dringende behoefte aan een haven waar men grote hoeveelheden ruwe olie, afkomstig uit olieproducerende landen gelegen aan de Perzische Golf en de westkust van Afrika, aangevoerd door zeer grote tankers (mammoettankers; V.L.C.C.'s: Very Large Crude Carriers) kan opslaan en overpompen in kleinere tankers voor doorvoer naar havens in de U.S.A., die in verband met hun geringe diepte niet geschikt zijn voor de zeer grote tankers. Door de grote natuurlijke diepte was de Bullenbaai de plaats bij uitstek voor de aanleg van zo'n haven. Daarom werden de haven en de installaties van Bullenbaai omgebouwd tot een overslaghaven voor ruwe olie. De vernieuwde haven werd in 1974 in gebruik genomen onder de benaming Curacao Oil Terminal (C.O.T.) Deze haven beschikt thans over 6 steigers, waar tankers kunnen meren. Drie van deze steigers zijn speciaal gebouwd voor de grote mammoettankers. De allergrootste tankers ter wereld kunnen hier worden gemeerd, zoals de onder Franse vlag varende Batillus met een draagvermogen van 540.000 ton, en de onder Liberiaanse vlag varende Seawise Giant met een draagvermogen van 565.000 ton, die respectievelijk in 1977 en in 1982 werden binnengeloodst. Ook in de haven van Bullenbaai zijn de schepen verplicht gebruik te maken van een loods.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 4: Fuikhaven

Fuikbaai ligt aan de zuidkust, 13 kilometer bezuidoosten Willemstad. Het is een langwerpige, smalle binnenbaai, evenwijdig aan de kustlijn. Door een 143m brede opening staat deze baai in open verbinding met de zee. In deze opening werd een vaargeul met een breedte van 48m en een minste diepte van 7,6m gemaakt. Deze verschaft schepen met een lengte tot maximaal 110m toegang tot de haven van Fuikbaai, die bestaat uit twee ligplaatsen aan de noordelijke oever. De ene ligplaats dient voor het laden van het fosfaat en de steenslag, die door de aldaar gevestigde Mijnmaatschappij Curacao van de Tafelberg wordt afgegraven en verwerkt. De andere ligplaats dient voor het lossen van explosieven en gewassen rivierzand. Dit laatste ten behoeve van de bouwondernemingen. De haven van Fuikbaai werd in 1913 in gebruik genomen. Ook in de Fuikbaai zijn de schepen verplicht gebruik te maken van een loods, die door het loodsstation in Willemstad wordt geleverd.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 5: Sint Michielsbaai haven  / Boca San Michiel

Sint Michielsbaai is een beschutte open baai aan de zuidkust, 8 kilometer benoordwesten Willemstad. 194m uit de kust ligt een meerboei in 40m diep water, waar schepen met het achtersteven aan worden gemeerd. Het voorschip wordt dan door de heersende passaatwind in de richting van de open zee gedreven. Om te voorkomen dat het voorschip tegen de kust zal drijven als de wind ingrijpend van richting verandert, wordt het anker uitgehieuwd. Deze ligplaats wordt gebruikt voor schepen, die in verband met hun gevaarlijke lading (explosieven) of quarantaine e.d. de andere havens van Curacao niet mogen aandoen. Ook wordt deze ligplaats gebruikt door schepen die tijdelijk worden opgelegd of op orders moeten wachten en door schepen waarvan de huid onder water moet worden schoongemaakt door duikers en schepen die reparaties moeten ondergaan maar door hun grootte en/of diepgang niet terecht kunnen in de haven van Willemstad. Aan de meerboei in de Sint Michielsbaai kunnen de grootste schepen ter wereld worden afgemeerd. Het gebruik maken van een loods is ook hier verplicht. Deze wordt geleverd door het loodsstation Willemstad. 

 

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 Sectie 2: Aruba havens

Langs de zuidwestkust van Aruba strekt zich een koraalrif uit. In de lagune tussen het rif en de kust van het eiland zijn drie havens aangelegd: te Oranjestad, Barcadera en San Nicolas. De havens van Oranjestad en Barcadera worden beheerd door de Aruba Ports Authority N.V. De haven van San Nicolas vormt onderdeel van het concessiegebied van de Lago Oil and Transport Company, Ltd., een dochteronderneming van de Exxon Corporation.

  • Paragraaf 6: Oranjestad haven

Deze haven ligt direct in het front van de stad. In de Paardenbaai, die onderdeel van het havencomplex uitmaakt, werd in 1930 begonnen met de bouw van de zogenaamde Grote Steiger. Voor en vooral na de Tweede Wereldoorlog werden de havenfaciliteiten aanzienlijk uitgebreid. In 1948 kreeg de haven haar huidige vorm, terwijl zij in 1962 werd uitgediept en geschikt gemaakt voor grotere schepen. In 1981 werd aan de westzijde van het bestaande complex begonnen met de bouw van een containerhaven waardoor 13 ha extra haventerrein beschikbaar kwam.

Medio 1984 kwamen de werkzaamheden gereed en kon Aruba beschikken over een van de diepststekende en meest moderne havens van het Caribisch gebied. Oranjestad beschikt thans over 1.490m kadelengte voor zeeschepen en 762m voor kleine vaartuigen. De maximale diepgang bedraagt 12m. Er zijn twee zeegaande sleepboten beschikbaar, beide uitgerust met een groot vermogen. De haven, met de ingang aan de westzijde en de uitgang aan de oostzijde, wordt gebruikt voor de overslag van containers en stukgoed. Tevens is een bunkerstation beschikbaar terwijl ook toeristenschepen in de haven afmeren. De oppervlakte van de haventerreinen bedraagt ca. 40 ha.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 7: Barcadera haven

Deze haven is gelegen bijna 5 km ten zuidoosten van Oranjestad. Oorspronkelijk is de haven aangelegd ten behoeve van de Aruba Chemical Industries, een chemisch bedrijf dat evenwel in het midden der 1970tig jaren zijn produktie staakte. Thans wordt de haven gebruikt voor de overslag van bulkgoederen en oud ijzer. Op de haventerreinen zijn enkele bedrijven gevestigd, o.a. een scheepsreparatiebedrijf. De haven beschikt over een 350m lange kade met een maximale diepgang van 12m. De oppervlakte van de haven en industrieterreinen bedraagt ca. 50 ha.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 8: San Nicolas haven

Dit havencomplex is gelegen bij de zuidoosthoek van het eiland en wordt uitsluitend als oliehaven gebruikt. Met de vestiging van de Lago in 1924 kreeg de haven haar huidige bestemming. De haven bestaat uit een binnenhaven en een buitenhaven. De binnenhaven heeft een westingang en een oostuitgang. Er zijn drie vingerpieren en een westpier beschikbaar met een totale ligplaatsruimte voor zeven schepen. Tevens beschikt de haven over een kleine kade voor droge lading. De binnenhaven is geschikt voor schepen met een maximale diepgang van 13m. Aan de westzijde van de binnenhaven zijn in de Commandeursbaai parallel aan de kust twee zeesteigers gebouwd waar de grootste tankers ter wereld kunnen afmeren. Deze steigers zijn onderdeel van een grote overslagterminal voor ruwe olie. Deze olie wordt naar de Verenigde Staten in grote tankers aangevoerd en vervolgens met kleinere tankers doorvervoerd. Langs deze steigers kunnen schepen afmeren met een maximale diepgang van 29m. De Lago heeft zelf een tweetal sleepboten beschikbaar en gebruikt tevens de sleepboten van de Aruba Ports Authority N.V.


  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 Sectie 3: Bonaire havens
  • Paragraaf 9: Kralendijk haven

De haven van Kralendijk bevindt zich in een beschutte baai aan de westkust van het eiland Bonaire, bij de hoofdstad Kralendijk. In deze baai ligt op een geringe afstand uit de kust het lage, rotsachtige eiland Klein Bonaire. De haven van Kralendijk wordt doorgaans bezuiden Klein Bonaire langs aangelopen door de schepen, omdat deze toegangsweg ruimer is dan de noordelijke. De haven heeft drie steigers: twee L-vormige betonnen steigers en een RORO (roll-on roll-off) steiger. De kop van de noordelijke L-vormige steiger heeft een lengte van 69m met een waterdiepte langszij van 10m. Schepen met een lengte van maximaal 225m kunnen aan de westzijde van de kop van deze steiger worden afgemeerd. De kop van de zuidelijke L-vormige steiger heeft een lengte van 120m met een waterdiepte langszij van 15m. Schepen met een lengte van maximaal 320m kunnen aan de westzijde van de kop worden gemeerd. Aan de oostzijde kunnen kleine RORO-schepen worden gemeerd. Tussen deze twee steigers in bevindt zich een RORO-steiger, bestemd voor schepen, die met het voorschip of achterschip tegen de steiger worden gemeerd en waarbij de lading bestaat uit trekkers met geladen oplegger, die het schip worden op- of afgereden. De toeristenschepen die Bonaire bezoeken, worden in de haven van Kralendijk gemeerd.

  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 sectie 3 Paragraaf 10: Salina haven

Deze haven ligt aan de open westkust van Bonaire, 4 zeemijlen (7 km) bezuiden Kralendijk. Zij bestaat uit een steiger, die het eigendom is van de Antilles International Salt Co. en die bestemd is om schepen te beladen met gestorte lading en zeezout; dat aldaar wordt gewonnen.

  • Paragraaf 11: Brasil haven

Deze haven ligt aan de kust, 9 zeemijlen (16 km) benoordwesten Kralendijk en heeft twee steigers, die het eigendom zijn van de aldaar gevestigde BOPEC (Bonaire Petroleum Corporation), een overslagbedrijf voor ruwe olie met een opslagcapaciteit van 9,5 miljoen barrels (1 barrel = 159 liter). In deze haven worden ladingen ruwe olie, die in mammoettankers uit olie producerende lan�den o.a. aan de Perzische Golf gelegen, worden aangevoerd, opgeslagen en overgeladen in kleinere tankers, die de olie doorvoeren naar havens in de U.S.A., die wegens ontoereikende diepte niet toegankelijk zijn voor de mammoettankers. Een steiger is geschikt voor het meren van kleinere tankers met een laadvermogen tot 107.000 ton en heeft een waterdiepte langszij van 17m.


  • Haven- en loodswezen Hoofdstuk 2 Sectie 4: Bovenwinden
  • Paragraaf 12: Sint Maarten haven

Ten tijde van de opening van het Panamakanaal tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft men overwogen nabij Philipsburg in de een zeemijl brede Great Bay een haven aan te leggen. Uiteindelijk is hiervan afgezien, omdat de kans op een regelmatig scheepvaartverkeer van enige omvang toch zeer gering leek. In 1964 is er echter een moderne pier in gebruik genomen, de A.C. Watheypier. Deze steiger werd aangelegd nabij de Witte Kaap aan de oostzijde van de Great Bay, op een afstand van 2 km van Phillipsburg. Het is een ruim 200m lange zeewaarts lopende L-vormige betonnen steiger, met een 67m lange kop. Aan beide zijden van de steiger en aan de binnenkant van de kop kunnen kleinere zeeschepen worden afgemeerd. Grote zeeschepen met een diepgang van maximaal 9m kunnen aan de zeezijde van de kop worden gemeerd. Deze ligplaats wordt o.a. gebruikt door de toeristenschepen die Sint Maarten bezoeken. De grootste toeristenschepen gaan doorgaans echter ten anker in de Great Bay. De passagiers worden dan door middel van tenders (motorboten) naar een boten steiger aan de waterkant van Philipsburg vervoerd. Er bestaan plannen voor de bouw van een tweede pier op Sint Maarten.

  • Paragraaf 13: Sint Eustatius haven

Aan de Tumbledown Dick Bay, aan de noordwestkust van Sint Eustatius, bevindt zich de olie-overscheephaven van de Statia Terminals N.V. Deze haven heeft een steiger die ongeveer 900m zeewaarts reikt. Aan de zuidzijde van deze steiger kunnen tankers met een draagvermogen van 175.000 ton worden gemeerd, aan de noordzijde tankers van 100.000 ton. De maximum diepgang op beide ligplaatsen bedraagt 18m. Bezuiden deze steiger, ter hoogte van Oranjestad, biedt de zeebodem met dieptes tot 27m tot 2 mijl (3 km) buiten de kust een gunstige ankerplaats. Deze wordt o.a. gebruikt door schepen die bunkerolie laden, die in lichters wordt aangevoerd.


  • Paragraaf 14: Saba haven

In 1972 werd te Fort Bay de Leo Chance-pier aangelegd zodat een redelijk beschutte haven is ontstaan. Vroeger moesten passagiers en vracht in sloepen aan land worden gebracht, thans kunnen kleine vrachtschepen en jachten veilig afmeren. (Zie verder @: Scheepvaart).

 

Het artikel dat nu volgt is opgenomen in het Papiamentu. De Nederlandse vertaling komt eraan:

@: Heiligers Bernadette

 

 

 

 


@: Helfrich, Oscar Louis

(Indonesie 6 oktober 1860 - Voorburg 28 April 1958). Was tot 1912 ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur in het toenmalige Nederlands-Indie en van 1919-1921 Gouverneur op Curacao. Hij is de ontwerper van het Welvaartsplan, dat behalve ontwikkeling van landbouw en veeteelt op Curacao ook andere onderwerpen en de overige eilanden omvatte. Helfrich heeft al gedacht aan een hoge brug op Curacao waaronder de schepen zouden kunnen doorvaren. Door meningsverschil met de toenmalige minister van Kolonien, die vond, dat Helfrich te hard van stapel liep, nam de Gouverneur reeds in 1921 ontslag. In 1939 verrees op Curacao het naar hem genoemde Helfrichdorp. De waardering van de bevolking blijkt uit de erenaam die door zijn initialen was ingegeven: Onze Lieve Heer. Met de sanering van de Punda werd dan ook een plein naar hem genoemd. Dit Helfrichplein is in 1968 omgedoopt in Mr. Dr. M.F. da Costa Gomezplein.

 

@: Helfrichdorp

Dorp, genoemd naar O.L.Helfrich, op 31 mei 1939 geopend, gesticht op initiatief van gouverneur G.J.J. Wouters. Het doel was de vestiging op de plantage Klein-Sta. Marta van kleine landbouwers die een woning, vee en plantbenodigdheden op huurkoopbasis zouden verkrijgen. Een Nederlandse bedrijfsboer die er een modelboerderij exploiteerde, zou de landbouwers voorlichten. Het plan is geen succes geworden; in 1953 werden de laatste koeien verkocht.

 

@: Helfrichplan

Een welvaartsplan in 1920 ingediend door gouverneur Oscar L. Helfrich, waarin o.m. de nadruk werd gelegd op de ontwikkeling van de landbouw (c.q. de teelt van voedergewassen) en de veeteelt aangepast aan de lokale omstandigheden.

 

@: Heliotropium

Plantengeslacht uit de familie der Boraginaceae, waarvan een aantal soorten op de eilanden voorkomt. Gemakkelijk te herkennen aan de bloeiwijze die in jong stadium geheel ingerold is (schicht).

  • Heliotropium angiospermum of kokolode, eyebright. Hoog opgroeiend kruid met scheef-elliptisch-lancetvormige bladeren; bloemen klein, wit; schicht 15 cm of meer lang. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen op open plaatsen.
  • Heliotropium curassavicum of kokolode shimaron, sea lavendel. Neerliggend, kaal kruid met grijs-groene, dikvlezige bladeren; bloemen klein, wit. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Op zilte standplaatsen langs zoutpannen en de zee.
  • Heliotropium ternatum of sali. Neerliggend of heesterachtig kruid; bladeren dicht bezet met zilvergrijze haren, bladranden omgekruld. Benedenwindse Eilanden. Algemeen op open plaatsen.

 

@: Hell's Gate

Hoogst gelegen dorp op Saba met moderne RK kerk (zie @: Architectuur).

 

@: Helsdingen, Willem Henri van / @: Van Helsdingen

(Ambon 4 maart 1888) studeerde aan de Leidse universiteit; loopbaan in het toenmalige Nederlands-Indie; van 1935-39 voorzitter Volksraad. Van 1945-58 raadsadviseur Departement van Overzeese Rijksdelen; had daarbij actief aandeel in het ontwerpen van het Statuut.

  • Wrk.: De Staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955 (1956);
  • Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1957);
  • voorts verscheidene artt. in Nederlandse en buitenlandse tijdschriften.

 

@: Hendricksz (of Hendriksz), Boudewijn

(? -1626) was bewindhebber van de West-Indische Compagnie en admiraal van de vloot die deze compagnie in 1625 naar Bahia de todos os Santos in Brazilie zond om de verdediging van deze stad tegen Spaans-Portugese pogingen om haar te herwinnen, te versterken. Hij schijnt een der eersten geweest te zijn die de aandacht vestigde op het Caribisch gebied als een geschikt  terrein voor de activiteiten van de Compagnie. Na de val van Bahia zeilde Hendricksz naar het noorden en kwam via St. Vincent voor Puerto Rico. De hoofdstad van dit eiland ligt aan een ruime baai, verdedigd door een sterk fort, El Castillo del Morro. De Spaanse gouverneur was Juan de Haro, een officier die in de Zuidelijke Nederlanden tegen de rebellen had gevochten; hij was nog maar heel kort in functie. De Nederlandse vloot werd gezien vanaf het fort op 24 september. Een dag later zeilde ze de haven binnen onder het afvuren van al haar kanonnen. De bevolking van de stad vluchtte de heuvels in en verscheidene soldaten van het fort deserteerden. Juan de Haro had geen andere keuze dan de stad op te geven en naar het fort terug te trekken. De Nederlandse vloot, buiten het bereik van zijn kanonnen, ontscheepte zijn soldaten en Hendricksz zelf was de eerste om voet op Portoricaanse bodem te zetten; de verlaten stad was spoedig bezet en de prinsenvlag werd vanaf het paleis van de gouverneur gehesen. De kerk en de huizen van de ingezetenen werden geplunderd.

Spoedig begonnen de Nederlanders een systematische aanval op het fort. Na enige dagen van aanhoudend bombardement vorderde Hendricksz de overgave van de stad. Haro weigerde. Hij ontving van verscheidene kanten aanvulling van zijn voorraden en alle pogingen van Hendricksz om het fort te nemen bleken na enige weken van voortdurend beleg vruchteloos. Tegen het einde van oktober werd besloten het eiland te verlaten. De stad werd in brand gestoken. Na een vergeefse poging het eiland Margarita in te nemen, zeilde Hendricksz in April 1626 via Punta de Araya naar Bonaire. Daarop zeilde de vloot naar het noorden; in de wateren ten zuiden van Florida wachtte hij meer dan een maand op de komst van de zilvervloten. Na een korte ziekte overleed hij plotseling. (Zie verder @: West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis.)

Literatuur:

  • Joannes de Laet: Iaerlyck Verhael, ed. S. P. L'Honore Naber (uitg. Linschoten Ver. XXXIV, XXXV, XXXVII en XL, 1931-37);
  • Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, West-Indische Compagnie, Oude Compagnie, 1 en 2, Notulen van de XIX, 1623-24 en 1626-45.
  • Voorts: in de werken van L. van Aitzema, N. van Wassenaer, I. Commelin, in I.A. Wright en S.P.L'Honore Naber, Nederlanse Zeevaarders op de Eilanden in de Caraibische Zee en aan de Kust van Venezuela gedurende de jaren 1621-1648.
  • Documenten hoofdzakelijk uit het Archivo general de Indias de Sevilla (uitgave van het Historisch Genootschap, III, nrs. 63-64, 1934-35).

 

@: Henriquez-Alvarez Correa, May / @: May Henriquez

(Curacao 6 mei 1915) heeft in het bijzonder bekendheid gekregen door haar Papiamentse bewerkingen van toneelstukken uit de wereldliteratuur, o.a. van Moliere en Bernard Shaw, waarin handeling en taal op bewonderenswaardige wijze aan het Curacaosche milieu en taaleigen zijn aangepast. Zij beoefent ook de beeldhouwkunst (zie @: Beeldende kunsten; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

  • Sjon Pichiri (vrije bewerking van l'Avare van Moliere in Tres Piesa di teatro, Antilliaanse Cahiers V, 1967, 4);
  • Ami dokter, lubida (idem van Le medecin malgre lui van Moliere);
  • Laiza porko sushi (idem van Pygmalion van Bernard Shaw);
  • Porta sera (idem van Huis Clos van Sartre);
  • Yaya ta kama (1981).

 

@: Henriquez, Pedro Idelfonso (Fon)

(Aruba 19 mei 1892-10 juni 1952) Arubaans medicus, studeerde in Leiden en Amsterdam, directeur van de Openbare Gezondheidsdienst voor de Nederlandse Antillen op Curacao (1926-1939) op wiens naam een belangrijke uitbreiding van de gezondheidsdienst en verbetering van de gezondheidstoestand kan worden geschreven: de Antillen kregen een dierenarts, een internist, een psychiater en een patholoog-anatoom; een abattoir werd gebouwd en een nieuwe psychiatrische inrichting Rustoord in de wijk Groot-Kwartier ter vervanging van het obsoleet geworden krankzinnigengesticht Monte Cristo. Na zijn pensionering benoemd tot lid van de Raad van Advies. Vader van Oscar S. Henriquez, oud-minister van financien en oud-gezaghebber van Aruba.

 

@: Henriquez, Percy Cohen

(Curacao 26 juni 1909), zoon van de bekende arts Maurice Cohen Henriquez, studeerde aan de Technische Hogeschool te Delft voor chemisch ingenieur, waarvoor hij in 1933 cum laude slaagde. In 1935 promoveerde hij, eveneens cum laude, tot doctor in de technische wetenschappen. In zijn Antilliaanse periode (1948-1963) bekleedde hij diverse functies; hij was o.m. lid van het C.A.B. (College Algemeen Bestuur), lid van het Bestuurscollege eilandgebied Curacao en Raadsadviseur bij de Landsregering belast met ontwikkelingsplanning in het kader van de Technische Economische Raad van de Nederlandse Antillen (TERNA). Hij is vooral bekend geworden door zijn vele en verscheidene acties (planning van de infrastructuur van Bonaire en de Bovenwinden, initiering van de vrije zones, Stichting Monumentenzorg Curacao, Carmabi. Van zijn hand verschenen tal van rapporten over industrialisatie, economie, toerisme, visserij, ruimtelijke ordening, natuurbeheer en alternatieve energie en publikaties over o.a. Papiamentu, ecologie en ontwikkelingshulp. Na zijn pensionering bij Unilever waar hij van 1963-1972 heeft gewerkt, is hij thans werkzaam als zelfstandig octrooiadviseur in de chemische, werktuigbouwkundige en civiele sector.

Werken:

  • Enkele toepassingen van de dielectrische constante in de chemie (diss. 1935);
  • De plantenteelt zonder aarde - hydroponics (1941);
  • Problems related to hydrology, water conservation, erosion control. reforestation and agriculture in Curacao (1962).

 

@: Heremietkrabben

Soldachi of soldier crabs hebben hun naam te danken aan het feit, dat zij een slakkenhuis bewonen op de wijze van een kluizenaar. Zodra het planktonische larfje de krabbengestalte krijgt, zoekt hij zich een lege schelp van passende grootte en gewicht. Naarmate hij, via vervellingen, groeit, zoekt hij telkens een groter huis op. Enkele soorten worden heel groot en wonen zelfs in een karko, maar de meeste soorten worden hooguit een paar cm. Soms zitten grote aantallen van dezelfde soort bij elkaar onder een steen. Daar blijven zij overdag en gaan tegen het donker de zeebodem op wat eetbaars afzoeken. Hoewel zij tegenover elkaar erg agressief zijn, komen echte gevechten weinig voor omdat hun imponeergedrag ertoe leidt, dat de zwakste bijtijds de benen neemt. Dat imponeren bestaat uit bepaalde bewegingen van lichaam en schaarpoten, die voor elke soort weer iets verschillend zijn. Soms trekt de een de ander uit zijn huis, wat alleen lukt als hij met zijn schaar een zware roffel van een bepaalde frequentie op het huis van het slachtoffer afgeeft, waardoor deze ertoe gebracht wordt de greep van de achterlijfspootjes op de slakkenhuiswindingen prijs te geven, zodat hij door zijn agressor uit zijn huis getrokken kan worden. Een van de soldachi-soorten (Coenobita clypeatus) is een landdier, dat ook ver van zee, bijvoorbeeld tot op de top van de St. Christoffelberg, de Quill of Mount. Scenery te vinden is. Vooral in de droge tijd vertonen zij zich alleen 's nachts, wanneer de uitdroging geringer is. Zij verzamelen zich dan op plaatsen waar water en voedsel is; het is bekend hoe zij op funchi-resten afkomen. Op de bodem van hun schelp voeren zij een hoeveelheid hamster-water' mee. Als het lange tijd kurkdroog is weten zij toch nog aan vocht te komen door in de kalkgrotten de droog aanvoelende koraalkalk op te eten en daaraan weer water te onttrekken. Zij zijn zo aan het landleven aangepast dat zij voor het leggen van de eieren in zee niet eens te water gaan, maar hun eieren met behulp van hun schaar met een boog het water in werpen. Economisch zijn de soldachi's van geen belang, behalve dat zij veel verzameld worden omdat hun achterlijf een goed visaas vormt. De soorten zijn te determineren met behulp van de werken van Schmitt en van Provenzano.

Literatuur:

  • B. Hazlett, Stud. Fauna Curacao, dl. 23 (1966);
  • A.J. Provenzano, Bull. Mar. Sci., dl. 9, p. 349 (1959);
  • W.L. Schmitt, Scient. Survey Porto Ri�co & Virgin Islands, dl. 15, pt. 2 (1935).

 


 

@: Hermanchi
zie @: Bonefish.

 

@: Hernhutters
zie @: Evangelische Broedergemeente.

 

@: Hert
zie @: Bina.

 

@: Heyningen, Cornelia Geertruida (Corry) van / @: Corry van Heyningen

('s-Gravenhage 18 augustus 1945) volgde de Vrije Akademie Psychopolis te Den Haag (afdeling fotografie en film) waarna zij in dienst trad van Tele Curacao. Na een cursus T.V.-regie aan het N.O.S.-opleidingscentrum in Hilversum maakte zij voor de Schooladviesdienst een dertigtal informatieve documentaires over het onderwijs. De serie Hier zijn wij, wie ben jij? (6 afleveringen) - door de overheid gefinancieerd - ontving in 1980 de Dividivi Award voor de meest educatieve kinderserie. De muziek werd verzorgd door Angel Salsbach en Etzel Provence. In samenwerking met Bureau Cultuur & Opvoeding, Antilliaanse Televisie Maatschappij (A.T.M.) - dus Tele Curacao -en Wereldomroep is aangevangen met een serie kinderspeelfilms over de geschiedenis van Curacao onder de titel Asina tabata (zo was het). Ook aan creatieve expressie besteedt Corry van Heyningen ruime aandacht in haar werkkring bij de Schooladviesdienst op Curacao.

 

@: Hibiscus

Plantengeslacht uit de familie der Malvaceae, in de Nederlandse Antillen door een 8-tal soorten vertegenwoordigd, waarvan 6 gekweekt. Heesterachtige planten meestal met vertakte haren op de bladeren; bloemen alleenstaand in bladoksel met bijkelk en een grote kroon.

  • Rosita (Hibiscus brasiliensis), met driehoekige tot elliptische, soms drielobbige bladeren; bloem langgesteeld, 2,5 cm in diameter. Op Curacao en St. Eustatius in het wild, met witte bloem; op Curacao en Aruba gekweekt, maar met rode bloem.
  • Ocra (Abelmoschus esculentus) of guiambo (yambo), sea hibiscus, met grote, breed-hartvormige of 5-7 lobbige bladeren; bloem 7 cm in diameter, lichtgeel met donkerrood hart; het is een eenjarig kruid, waarvan de langgerekte, spits toelopende doornvrucht als groente gegeven wordt; uit de onrijpe zaden wordt giambosoep bereid. Afkomstig uit tropisch Azie; gekweekt.
  • Kayena (Hibiscus rosa-sinensis) of Chinese rose, hibisc, met eivormige bladeren met scherp-gezaagde rand; bloemen tot 15 cm in diameter, geel, roze, rood tot purper of gemengd met donkere vlek op kroonbladen. Afkomstig uit tropisch Azie; gekweekt.
  • Sorel (Hibiscus sabdariffa), met rode stengels; bloem geel met rood hart, op zeer korte bloemsteel; kelk en bijkelk dik en rood; kelk wordt dikvlezig en is dan geschikt voor het maken van dranken en jam; afkomstig uit tropen van de Oude Wereld; gekweekt.
  • Shanguili (Hibiscus schizopetalus) of basket hybisc, rose, met lange, slanke overhangende takken; bladeren kortgesteeld, elliptisch tot eivormig met scherpgezaagde bladrand; bloemen alleenstaand in bladoksel, langgesteeld, hangend, 7 cm in diameter, binnenzijde donkerrood, buitenzijde lichtrood, kroonslippen franjeachtig ingesneden en sterk omgebogen; afkomstig uit tropisch Afrika; gekweekt.
  • Waru (Hibiscus tiliaceus), met viltig behaarde bladstelen en jonge twijgen; bladeren groot, bijna cirkelrond, bloemen kortgesteeld, geel met donker purper hart, 4-5 cm lang. Bovenwindse Eilanden in het wild, Curacao gekweekt.
  • Hawthorn (Hibiscus cannabinus), met gedoornde stengels, onderste blader en hartvormig, niet gedeeld, bovenste meest diep 5-delig, bloemen kortgesteeld, geel met donker purper hart; afkomstig uit Afrika, gekweekt, levert grove stengelvezels die gebruikt worden voor het maken van zakken (bimlipitam jute). St. Eustatius.

 

@: Himno Boneriano

Het Bonairiaanse volkslied is als zodanig door de Eilandsraad van het eilandgebied op 11 december 1981 officieel aanvaard. De melodie, die overigens ook voor het Antilliaanse volkslied is gebruikt, is gecomponeerd door J.B.A.Palm, de tekst is van de hand van Hubert Booi.


  • Tera di Solo y suave bientu
    Patria orguyoso sali fo'i lama
    Pueblo humilde y semper contento
    di un conducta tur parti gaba
  • Pues larga nos trata tur dia
    pa semper nos Boneiru ta menta
    Pa nos canta den bon armonia
    Dushi Boneiru nos Tera stima.
  • Larga nos tur como Boneriano
    Uni nos canto; alza nos bos
    nos cu ta yiu di un Pueblo sano
    semper contento sperando den Dios
  • Ningun poder lo por kita e afecto
    Cu nos ta sinti pa e Isla di nos
    Maske chikito cu su defecto
    nos ta stimele ariba tur cos

 

@: Himno di Korsou

Jarenlang is Nos Tera (ons land) als het volkslied van Curacao beschouwd. Het lied, gecomponeerd door frater M. Candidus, is door frater M.Radulphus van een tekst voorzien; de eerste twee strofen luiden:

  • Den tur nashon
    nos patria ta poko konosi
    Den di laman inmenso
    e ta para skondi
  • Ma tog nos ta stimele
    ariba tur nashon
    Su gloria nos ta kanta
    Di hinter nos kurason.
  • Nos tera ta baranka
    i solo ta kima,
    Pobresa ta nos suerte
    i bida ta pisa.
  • Ma dushi ta di biba trankil i sosega,
    gosando di fabornan
    di un tera respeta.

Een door het Bestuurscollege benoemde commissie onder voorzitterschap van Guillermo E. Rosario heeft de tekst gewijzigd. In 1978 heeft de Eilandsraad van het Eilandgebied Curacao de oude melodie van frater M. Candidus met de nieuwe tekst officieel als volkslied van Curacao aanvaard. Deze luidt als volgt:

  • Lanta nos bos ban kanta
    grandesa di Korsou
    Korsou isla chikitu
    baranka den laman!
  • Korsou nos ta stimabo
    ariba tur nashon.
    Bo gloria nos ta kanta
    di henter nos kurason.
  • Nos pueblo tin su lucha
    ma semper nos tin fe
    di logra den tur tempu
    viktoria ku trabou!
  • Ban duna di nos parti
    p'e isla prospera.
    Laga nos uni forsa
    P'asina triunfa.
  • Nos patria nos ta demostra
    honor i lealtat,
    meskos na e bandera
    union di nos nashon.
  • Nos bida lo ta poko
    pa duna nos pais,
    luchando uni pa libertat,
    amor i komprenshon.
  • I ora nos ta leu fo'i kas
    nos tur ta rekorda
    Korsou, su solo i playanan
    orguyo di nos tur.
  • Laga nos gloria Kreado
    tur ternpu i sin fin
    ku El' a hasi nos digno
    di ta Yu di Korsou!

Bij officiele gelegenheden worden de eerste en de laatste strofe gezongen.

  

@: Himno nacional di Aruba

Het lied Aruba dushi tera, waarvan rnuziek en tekst verzorgd zijn door Padu Lampe en Rufo Wever, is door de Eilandsraad van het Eilandgebied Aruba op 16 rnaart 1976 officieel als het Arubaanse volkslied aanvaard. De tekst luidt als volgt:

  • Aruba patria aprecia,
    nos cuna venera
    chikito y simpel bo por ta
    pero si respeta.
  • Refrein:
    O, Aruba, dushi tera,
    nos baranca tan stima
    nos amor pa bo ta 'sina grandi
    cu'n tin nada pa kibre (bis).
  • Bo playanan tan adrnira
    cu palma tur dorna
    bo escudo y bandera ta
    orguyo di nos tur.
  • Refrein:
  • Grandeza di bo pueblo ta
    su gran cordialidad,
    cu Dios por guia y conserva
    su arnor pa libertad.
  • Refrein:

 

@: Hind
zie @: Grouper.

 

@: Hoetink, Harmannus (Harry) / @: Harry Hoetink

(Groningen 7 januari 1931) werd, na zijn studie sociografie en geschiedenis in Amsterdam, leraar aardrijkskunde aan het Peter Stuyvesant College (1953-1960). Voor en na zijn buitengewoon hoogleraarschap aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam (1964-1968) bekleedde hij de functie van (hoogleraar)directeur van het Instituto de Estudios del Caribe te Puerto Rico. Van 1964-1968 en van 1975-1977 directeur van het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns Amerika te Amsterdam. Vanaf 1977 hoogleraar antropologie en comparatieve sociologie Latijns-Amerika en Caribisch gebied aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Hij was lid van de Commissie onderzoek onlusten Curaao (1969), tezamen met onder anderen de illustere Curacaoenaar Mr Dr Rene Romer; in 1971 bracht hij een rapport uit over de ziekteverzekering in de Nederlandse Antillen; mede-voorzitter Gemengde Commissie Deskundigen Integraal Beleid Nederlandse Antillen (1977); bestuurslid Sticusa en Wotro. Lid redactie(raad) Christoffel, Nieuwe West-Indische Gids, Boletin de Estudios Latinoamericanos y del Caribe, Caribbean Review en Plantation Society. Van de Encyclopedie van de Nederlandse Antillen (1969) is hij hoofdredacteur geweest.

Werken:

  • Het patroon van de oude Curacaosche samenleving (diss. 1958;
  • De gespleten samenleving in het Caribisch gebied (1962) met Engelse vertalingen The two variants in Caribbean race relations (Londen 1967) en Caribbean race relations, a study of two variants (New York 1971);
  • El pueblo dominicano 1850-1900 (1971, 1972) waarvan een Engelse vertaling The Dominican people 1850-1900 (1982);
  • Slavery and race relations in the Americas (1973).

 

@: Hof van Justitie

Krachtens Landsverordening Rechterlijke Organisatie (geldende tekst P.B. 1965 nr. 146) neemt het Hof van Justitie kennis in hoger beroep van alle daarvoor vatbare vonnissen en beschikkingen door het Gerecht in eerste Aanleg in burgerlijke (civiele) en strafzaken gewezen. Ingevolge art. 111 van de Staatsregeling worden de president en de leden van het Hof van Justitie door de Koning benoemd en wel voor het leven, zulks behoudens de mogelijkheid van ontslag door de Koning, wanneer zij de leeftijd van 60 jaren hebben bereikt, bij gebleken ongeschiktheid wegens aanhoudende ziels- of lichaamsziekte of wegens ouderdomsgebreken, dan wel wanneer zij onder curatele zijn gesteld (art. 116 Staatsregeling) .

Het Hof houdt zitting op Curacao en mede op Aruba en kan op de andere eilanden zitting houden. Het is samengesteld uit een president, ten hoogste vijftien leden, ten hoogste vijftien ledenplaatsvervanger, een procureur-generaal, een advocaat-generaal, een griffier en vier substituut-griffiers, waarvan een op Aruba en de rest op Curacao zijn gevestigd. Het Openbaar Ministerie bij het Hof van Justitie wordt uitgeoefend door of namens de Procureur-Generaal. De procureur-generaal wordt vervangen door de Advocaat-Generaal. Bij belet of ontstentenis ook van deze kan de procureur-generaal zich doen vervangen door de Officier van Justitie op Curacao en Aruba, die dan als procureur-generaal optreedt. Het Hof vonnist in alle zaken met drie rechters.

Bij verschillende administratieve geschillen is de beslissing in handen van het Hof van Justitie gelegd of is beroep op het Hof van Justitie mogelijk gemaakt. Zo kan de gezaghebber of een lid van de Eilandsraad bij het Hof in beroep komen van een raadsbeslissing over de vraag of een lid al dan niet ophoudt lid te zijn (art. 14 Eilandenregeling Nederlandse Antillen - ERNA). Het Hof beslist over toelating van een lid, indien binnen de daartoe gestelde termijn door de Eilandsraad ter zake geen beslissing is genomen (art. 19 ERNA). Daarnaast is meermalen het Hof van Justitie betrokken bij een civielrechtelijke vordering op het Eilandgebied of op het Land. (Zie ook Advocaten; Ambtenarenrecht; Belastingen; Handelsmerk; Tuchtrecht).

 

@: Hofje

(Papiamentu: hòfi), geirrigeerd stuk grond in de zin van een bebouwbaar erf, permanent begroeid met vruchtbomen en in het bijzonder het hiermee bezette deel van een overigens vaak steenachtige plantage met altijd spaarzame landbouwgronden. De hofjes vormen opvallende oases in het landschap daar zij het gehele jaar door groen blijven.

  • 1. Kusthofjes (St. Joris, Sta. Cruz, Knip) liggen bij de monding van een groot rooienstelsel.
  • 2. Valleibodemhofjes liggen iets meer bovenstrooms van de kusthofjes.
  • 3. Kalksteenhofjes liggen op de hoger gelegen kalkplateaus.

Ook landhuizen nabij de stad, voorzien van enige grond waarop dergelijke bomen, worden wel met "hofje" aangeduid.

  • Lit.: J.W. Budde, De Curacaosche Hofjes, Christoffel jrg. 1, nr. 12 (1956).

 

@: Hogedrukgebied

is, in de meteorologische terminologie, een gebied, waarin nabij het aardoppervlak de luchtdruk hoger is dan in de directe omgeving. Het vrijwel permanent aanwezige hogedrukgebied van de Bermuda-eilanden tot de Azoren bepaalt in sterke mate de bestendigheid van de wind in de Nederlandse Antillen.

 

@: Hoge Raad der Nederlanden

Het hoogste rechterlijke college in Nederland wordt geregeld in hoofdstuk zes Grondwet. Krachtens art. 23 Statuut (dat gelijkluidend in art. 110 Staatsregeling is overgenomen) wordt de rechtsmacht van de Hoge Raad voor de Nederlandse Antillen geregeld bij rijkswet. Dit is geschied bij rijkswet van 20 juli 1961 (Stbl. nr. 212, P.B. 1961 nr. 142), gewijzigd bij rijkswet van 18 december 1963 (Stbl. nr. 546, P.B. 1964 nr. 162). Art. 23 Statuut heeft een lange voorgeschiedenis; in gewijzigde tekst kwam het reeds in 1865 tot stand. De rechtsmacht van de Hoge Raad in zaken van Suriname en de Nederlandse Antillen werd geregeld bij K.B. van 1909 nr. 59, P.B. nr. 14. Door ingrijpende wijziging van de rechterlijke organisatie zowel in Suriname als in de Nederlandse Antillen kon dit K.B. vrijwel geen toepassing vinden. Enige ontwerpen tot herziening kwamen niet tot stand wegens verscheidenheid van mening over de inhoud ervan en zelfs over de wenselijkheid van invoering van cassatie, de taak die de Hoge Raad was toegedacht. Krachtens art. 1 van bovengenoemde rijkswet van 20 juli 1961, de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, neemt de Hoge Raad der Nederlanden ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in de Nederlandse Antillen in beginsel, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Nederland kennis van een beroep in cassatie ingesteld hetzij door partijen hetzij "in het belang der wet" door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Beroep in cassatie kan in burgerIijke zaken slechts worden ingesteld indien het betreft een vonnis dan wel een beschikking en indien niet blijkt dat:

  • a. het onderwerp van de vordering een waarde heeft van duizend gulden of minder in Antilliaanse courant of
  • b. het een beslissing betreft over een aangifte of over een aanvrage tot faillietverklaring, over homologatie van een akkoord of over het verlenen van voorlopige of definitieve surseance van betaling.

Van tussenbeslissingen mag, ook indien zij een eindbeslissing inhouden, beroep in cassatie slechts ingesteld worden tegelijk met zodanig beroep van het eindvonnis of de eindbeschikking.

  • Lit.: P.A.C. Bondam, De cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen (Ned. Juristenblad 1965 nr. 9) (zie voor verdere literatuur: @: Cassatie).

 

@: Hoger beroep op de Koning

Van de bepaling van art. 52 Statuut (en het gelijkluidende art. 148 Staatsregeling), dat een landsverordening aan de Koning als hoofd van het Koninkrijk en aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk met goedkeuring des Konings bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden kan toekennen, is in verschillende artikelen van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) gebruik gemaakt. In geval van schorsing van een lid door de Eilandsraad staat aan de belanghebbende en aan de Raad beroep op de Koning open betreffende de in art. 15 ERNA bedoelde beslissing van de Gouverneur over die schorsing. Krachtens art. 97 ERNA, derde lid, staat aan het betrokken eilandsorgaan beroep op de Koning open ten aanzien van het besluit van de Gouverneur tot al of niet goedkeuring van een eilandsverordening of van een besluit of beschikking over uitgifte van eigendom, enz. van domaniale rechten. Intussen werd in 1983 een landsverordening door de Staten aangenomen waarbij artikel 97 werd geschrapt.

In het zesde hoofdstuk van de ERNA: Het hoger toezicht wordt in de artt. 98, 100, 102, 103 en 104, aan het Bestuurscollege beroep op de Koning open gesteld betreffende de door de Gouverneur genomen beslissing ten aanzien van schorsing of vernietiging van maatregelen van een eilandsorgaan. De termijn waarbinnen in beroep kan worden gekomen, is in elk desbetreffend artikel genoemd. Voor beroep op het Hof van Justitie, zie @: Hof van Justitie.

 

@: Holterman, O.P., Mgr. Joannes Michael

(Zwolle 1906) priester gewijd 15 juli 1931, kwam op Curacao aan in september 1932. Was pastoor te Soto, Curacao; te Marigot, Frans Sint Maarten; te San Nicolas, Aruba (1939-1951) en te Santa Famia, Curacao (1951-1953). Was van 1953 tot 1957 vicaris van de Nederlandse dominicanen op Puerto Rico. Benoemd tot apostolisch vicaris van de Nederlandse Antillen 9 december 1956, tot bisschop geconsacreerd 25 februari 1957. Op 18 oktober 1958 benoemd als eerste bisschop van Willemstad. In 1973 werd hij opgevolgd door mgr. W.M. Ellis.

 

@: Honden

Hoewel Toepoels Hondenencyclopedie (derde druk) van een Curacaosche hond spreekt, is dit strikt kynologisch niet juist: op Curacao bestaat geen raszuivere hond, die deze benaming zou rechtvaardigen. Wel komt hier een zeldzaam hondentype voor: kacho chinina of naakte hond. Deze hond, lei-grijs van kleur en meestal van middenslaghoogte, heeft geen vacht maar slechts een (schaarse) beharing op hoofd, onder de oksels en in de liesstreek. Waarschijnlijk is hij in de 19e eeuw uit Venezuela geimporteerd. De rashonden in de NederIandse Antillen vertegenwoordigen uitheemse rassen. Bij sommigen is de hond een statussymbool geworden, bij anderen is hij functioneel: de garantie van een waarschuwing voor ongenode gasten. Naast deze honden, die op een goede verzorging kunnen rekenen, komen in de Antillen ook veel loslopende honden voor, die nogal wat schade aanrichten aan de veeteelt en aan te velde staande gewassen. Jaarlijks wordt daarom een beperkt aantal speciale vergunningen afgegeven; de bezitter hiervan is gerechtigd ter bescherming van zijn geiten en schapen, loslopende honden - vaak ten onrechte "wild" genoemd - neer te schieten. Er zijn namelijk ook vele honden, die zich overdag netjes als een huishond gedragen maar 's nachts in rotten de plantages intrekken om kleinvee te grijpen.

 

@: Honen Dalim
zie @: Architectuur: St. Eustatius; @: Joodse Gemeenten.

 

@: Hooiberg


Bekende regelmatig gevormde heuvel op Aruba, hoogte 167,5m. Op de top van de berg bevinden zich de zendmasten van de Landsradio-Telecommunicatiedienst (zie verder Aruba).

 

@: Hooibergiet

Een magnetisch gesteente genoemd naar de Hooiberg op Aruba. Bevat grote zwarte glinsterende kristallen van augiet. De naam is in onbruik geraakt omdat de samenstelling van het gesteente zeer variabel is.

 

Het volgende artikel is in Papiamentu. De Nederlandse vertaling komt eraan:

@: Hooi Judith

 

 

 

 

@: Hoos

(Papiamentu: hos of @: warwaru) is een atmosferisch verschijnsel, waarbij de lucht snel om een min of meer verticaal staande as draait. In de NederIandse Antillen worden kleine hozen veelal boven zee waargenomen, waarbij onder een cumuliforme wolk een enigszins slurfvormige wervel zichtbaar is, die soms tot aan het zeeoppervlak te volgen is. Nabij het zeeoppervlak is zo'n waterhoos veelal waarneembaar door de in de wervel opgezogen zeewaterdruppels. Een enkele keer komen ook boven land hozen voor, die vooral zichtbaar worden door het opzuigen van stof, zand en lichte voorwerpen, en soms, gelukkig zelden, ter plaatse aanzienlijke schade aan bebouwing kunnen aanrichten. Meest recent is de windhoos, die zich op 29 september 1976 te Curacao voordeed en vanaf De Savaan over de woonwijken Paradijs, Soledad en Marchena naar de Baai van Valentijn een spoor van verwoesting naliet. Ruim 100 mensen werden daarbij dakloos, terwijl de materiele schade naar schatting Naf 450.000 bedroeg. De doorsnede van een hoos in de Nederlandse Antillen varieert van veelal tien meter tot soms enkele honderden meters. Het verschijnsel is meestal van korte duur, van enkele minuten tot omstreeks een half uur.

 

@: Horsmakrelen

(familie Carangidae) (Eng. jacks) komen in vele soorten in de Nederlandse Antillen voor o.a. de masbangu of jack (Selar crumenophthalmus), masbangu di pida (Decapterus macarellus), moulo (Decapterus punctatus), yaro of covalli (Caranx ruber), boka abou of runner (Caranx fusus), korkoba (Caranx hippos), enz. Het zijn snelle zwemmers, die in scholen leven en die zich met vis voeden. Vooral de jonge masbangu's kunnen zo talrijk langs de kust voorkomen, dat zij massaal met de reda gevangen worden. Het woord masbangu is afkomstig van maasbanker, een oud Nederlands woord voor horsmakreel (Trachurus trachurus) een veel op masbangu lijkende soort.

 

@: Horst, Cornelius Jan van der

(Ouderkerk 11 mei 1889 - Johannesburg, Zuid-Afrika, 10 oktober 1951), vertoefde van maart tot mei 1920 op Curacao. Hij verzamelde een groot aantal ongewervelde zeedieren. Hij was specialist op het gebied van de systematiek van koralen en enteropneusten, en was tevens bekend als embryoloog. Na onderdirecteur op het Herseninstituut te Amsterdam geweest te zijn, vertrok hij in 1928 naar de universiteit van Witwatersrand.

 

@: Hospitalen / @: hospitaal
zie @: Geneeskunde.

 

@: Hotelbouw
zie @: Industrievestiging en hotelbouw, Landsverordening.

 

@: Houtebeen
zie @: Jol, Cornelis Cornelisz

 

@: Houtskool
zie @: Karbon.

 

@: Hoyer, Radio / @: Radio Hoyer
zie @: Radio-omroep.

 

@: Hoyer, Willem Manuel (Shon Wein)

(Curacao 17 juni 1862 - 30 juli 1953) dichter, schrijver, musicus, componist en historicus, is vooral bekend geworden om zijn woordenlijsten en samenspraken met het Papiamentu als uitgangstaal, waarnaast Engels, Spaans en Nederlands. Ter ere aan zijn vele verdiensten is in de wijk Brievengat, een van de grootste en dichtstbevolkte van het eiland, een straat naar hem vernoemd.

In 1941 publiceerde hij zijn Historia di Curacao waarmee hij voor de in geschiedenis geinteresseerde Papiamentstaligen een leemte vulde. Van de Curacao Almanak is hij van 1920-1952 redacteur geweest. Als musicus / componist had hij grote verdiensten; zijn gitaar- en pianomethoden voor zelfstudie, respectievelijk in 1887 en 1897 gepubliceerd, werden zeer gewaardeerd.

Werken:

  • Woordenlijst en Samenspraak (1918, (6)1950). De zevende druk geheel herzien en van enkele aantekeningen voorzien en omgezet in de fonologische spelling door Antoine J.Maduro verscheen in 1980;
  • Papiamentoe i su manera di skirbi'e (1918);
  • Almanaque de Curacao (1920-1952);
  • Historia di Curacao (1941, 1948);
  • Vocabulario Papiamento (1946);
  • A little guide English-Papiamento-Netherlands (1949);
  • El Libertador Simon Bolvar (1952);
  • El Almirante Luis Brion (1953);
  • EI General Manuel Piar (1953).
  • Onder redactie van A.R. Hoyer; Corsow di otro tempu (1969) met een voorwoord van dr. E.A. Martis; Kiko bo sa di Corsow (1974).

 

@: Hudishibana

Ongeveer 23m hoog kalksteenplateau aan de noordwestpunt van Aruba. Aan de loefzijde is dit plateau sterk geerodeerd; aan de steile rand van het plateau bevindt zich de vuurtoren van Westpunt.

 

@: Hugenholtz, Marie Joseph

(Rheden 24 augustus 1898 - Curacao 14 mei 1962) chirurg Sint Elisabeth Hospitaal van 1933 tot 1962. In de Curacaosche volksmond Dokter Grandi, (grote dokter), genoemd. Gedurende vele jaren de enige chirurg op het eiland. Zeer populair. Had kritiek op onvoldoende en niet aangepast Nederlands onderwijs op de volksscholen. Experimenteerde zelf op zijn landgoed Villa Maria door lichamelijke scholing (bokssport, atletiek, gewichtheffen) te koppelen aan vakonderwijs, talen en wiskunde. Als chirurgisch assistent in het Amsterdamse Binnengasthuis figureert hij onder de naam de Bokser in De laatste kans van Simon Vestdijk. Heeft Curacaosch landschap vastgelegd in honderden prachtige foto's - de fotografie had naast muziek, literatuur en wijsbegeerte zijn grote belangstelling - waarvan een selectie na zijn dood werd gepubliceerd.

  • Lit.; Hugenholtz' Curacao. Uitgegeven door en ten bate van het Prinses Wilhelmina Fonds voor Kankerbestrijding op Curacao (1964).

 

@: Huidskleur

Aanduidingen van huidskleur zijn in de Nederlandse Antillen veelsoortig en algemeen. Er bestaat een tweedeling volgens welke alle mensen worden gekenschetst als blank of gekleurd (hende di kolo = kleurling). Laatstgenoemde term sluit iedere schakering in van lichtbruin tot zwart. Het woord neger, dat door beoefenaren van sociale wetenschappen wordt erkend als een juiste omschrijving van een zeker complex van raciale trekken, wordt in de Nederlandse Antillen gewoonlijk gebruikt voor personen die in Afrika wonen. Gekleurde personen zijn onderling zeer gevoelig voor fijne schakeringen van huidskleur. De woorden kòrá op Curacao of op de Bovenwinden red, redheads of red skinned worden vaak gebruikt voor negroide personen met nogal lichte huidskleur, zelfs als het haar bruin of donkerblond mocht zijn. Iemand neger of zwart noemen wordt algemeen als belediging beschouwd. Op de negroide afstamming van sommige zogenaamde blanken wordt wel in geringschattende zin gewezen. In de dagelijkse sociale omgang blijft de tweedeling blank-gekleurd bestaan, die reeds gold ten tijde van de slavernij, toen men onderscheid maakte tussen "blanken" en lieden van den couleur. Een donkere huidskleur wordt wel eens aangeduid met tristu koló (droevige kleur). (Zie @: Somatisch normbeeld).

 

@: Huisslaaf
zie @: Slavernij.

 

@: Hulsman, O.P., Pater Maurus Henricus

(Zwolle 23 juli 1891 - Curacao 13 september 1961) katholieke priester, directeur van het St. Elisabeth Hospitaal (1936-1957). Hoofdredacteur Amigoe di Curacao (1931-1940) (zie Geneeskunde; Pers).

 

@: Hurricane
zie @: Orkaan.

 

@: Huurcommissie

Bij Huurcommissieregeling (P.B. 1948 nr. 135) gewijzigd bij P.B. 1977 nr. 40, zijn regelen gesteld ter beteugeling van onredelijke opdrijving van de huurprijzen van woningen. Krachtens deze regeling is het verboden op de eilanden Curacao en Aruba als verhuurder een hogere vergoeding te bedingen voor het gebruik van een woning dan de huurprijs die door de huurcommissie is goedgekeurd of vastgesteld, indien de bedongen huurprijs hoger is dan die geldende op of laatstelijk voor 1 augustus 1939. Van de uitspraak van de huurcommissie staat beroep open op het Gerecht in Eerste Aanleg.

De huurcommissie heeft tevens een taak met betrekking tot de toestemming tot opzegging van de zijde van de verhuurder. (Zie ook @: Economie van de Nederlandse Antillen: economische politiek).

 

@: Huursubsidie
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Huwelijk

In algemeen spraakgebruik wordt onder het huwelijk verstaan de christelijke monogame verbintenis, die in ieder geval voor de wet, maar in vele gevallen ook voor de Kerk wordt gesloten. In de literatuur over de Caribische familie wordt veelvuldig het begrip common law huwelijk gebezigd om verbintenissen aan te duiden die niet volgens de gecodificeerde regels zijn aangegaan. Het common law huwelijk mag niet als equivalent van het legale huwelijk in de lagere strata worden beschouwd: aan het legale en religieuze huwelijk wordt algemeen een hogere status en groter aanzien toegekend. Het common law huwelijk dient zeker voor de Nederlandse Antillen als een concubinaat te worden gezien, omdat hier ook in het verleden geen eigen Afrikaans getinte cultuur en samenleving onder de ingevoerde slaven kon ontstaan, die coherent  en zelfstandig genoeg was om eigen vormen van sociale controle en eigen regels van legitimiteit  te laten uitkristalliseren. Reeds zeer vroeg raakte de cultuur van de negroide slaven georienteerd op de blanke bovenlagen van de samenleving, die met name door de Hollandse protestantse kolonisten en de Spaans-Portugese Joden werd gevormd. Het was de slaven echter niet mogelijk te huwen, daar zij niet onder het personenrecht, maar onder het zakenrecht vielen. De toenemende invloed van de RK missie leidde tot een vorm van huwelijk, die slechts voor de Kerk werd aangegaan. Een dergelijk huwelijk noemde men later stempel kueru, hetgeen letterlijk "huidstempelen" betekent en een weerspiegeling is van de associatie aan de zeer nederige status van slaaf (zie @: Bisdom Willemstad: geschiedenis). In gevallen waarin een man of vrouw meerdere seksuele partners tegelijk heeft, is het verder niet zonder meer juist van promiscuiteit en prostitutie te spreken.

 

@: Huwelijksgebruiken

De gebruiken rondom het huwelijk waren voor het grootste deel van Europese herkomst. Aangezien de slaven niet mochten trouwen, bleef de Afrikaanse invloed op deze ceremonie miniem, hetgeen uiteraard niet wil zeggen dat bijgeloof geen rol speelde. Om van een gelukkig huwelijk verzekerd te zijn, diende het bruidspaar de trouwdag met zorg vast te stellen. In het algemeen werd vermeden in de maand mei te trouwen, terwijl de dinsdag bepaald als een ongeluksdag gold. De plechtigheid moest, indien enigszins mogelijk, op een woensdag plaatsvinden. Een regenbui op de trouwdag gold op Curaao als een slecht voorteken, terwijl op Bonaire dit juist werd gezien als een gunstig teken. Aan de voorbereidingen van het feest en aan de inrichting van de toekomstige woning mocht de bruid niet deelnemen. De huwelijksplechtigheid ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand vond in de ochtend plaats, terwijl 's avonds de kerkelijke inzegening plaatsvond, gevolgd door de receptie. In de bruidsstoet liepen behalve de getuigen ook altijd een drietal bruidsmeisjes en jonkers mee, met enige strooistertjes. In het huis waar de receptie zou plaatsvinden, werd een troonhemel (talmu) opgericht waar bruid en bruidegom plaats moesten nemen. Behalve aan drank was er ook altijd een overvloed aan eten, zowel hartige als zoete hapjes. Hierbij mocht de bolo pretu (donkere vruchtentaart) niet ontbreken. De gasten kregen allen een stukje, mooi ingepakt, als herinnering mee. Aan deze gewoonte wordt trouwens nog altijd de hand gehouden. Ais het bruidspaar de receptie verlaat, wordt hun tegenwoordig rijst nageworpen, teneinde hun geluk te bevorderen. De honey-moon (huwelijksreis annex wittebroodsweken) ter afsluiting van de plechtigheden heeft zijn intrede gedaan ongeveer in de tijd dat de gebruiken als inleiding op en voorbereiding tot het huwelijk in onbruik zijn geraakt.

 De loop naar het huwelijk: fasen in de verkering

Tot de eerste fase van de verkering werd gerekend kombersa (spreken, converseren), een term, die vooral gebruikt werd om een soort losse verhouding aan te geven. Wanneer de verkering een vastere vorm aannam, sprak men van namora. Dit hield in, dat op min of meer officiele wijze de toestemming van de ouders van het meisje was verkregen door een procedure, die bekend stond als pidi un stul (om een stoel vragen) en pidi na kas (aan huis een verzoek doen). Pidi un stul hing samen met de grote mate van onvrijheid van ontmoeting vanwege de chaperonage (zie @: Maagdelijkheidscomplex). De jongeman werd tot de huiselijke kring toegelaten. Pidi na kas sloot hierop aan. De procedure behelsde in grote lijnen het schrijven van een brief door de jongeman aan de ouders van zijn beminde, waarin hij zijn serieuze bedoelingen uiteenzette. Het meisje werd dan nader door de ouders gehoord waarna de jongeman werd uitgenodigd ter nadere verklaring, terwijl de ouders uitgebreide inlichtingen inwonnen over zijn komaf, levenswandel en economische vooruitzichten. Op Aruba was het de gewoonte, dat de jongeman deze stap pas deed wanneer hij in staat was een huis te bouwen. Wanneer alles voor de betrokkene gunstig verliep, kon het paar zich officieel verloofd beschouwen.

  • Lit.: N. van Meeteren, Volkskunde van Curacao (1947, 1977).

 

 

@: Hydroponics en kascultuur
zie @: Land- en tuinbouw.

 

@: Hypotheekbanken
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Hypotheekbewaarders

zijn op elk der zes eilanden van de Nederlandse Antillen aanwezig. Zij zijn belast met het bijhouden van de grondboekhoudiqg. Zij dragen zorg voor de registratie van alle mutaties in grondbezit en stellen daarbij aantekeningen over rechtsoverdrachten, hypotheken op gronden en andere onroerende goederen. Ook de bewaring van scheepsbewijzen is aan de hypotheekbewaarders toevertrouwd. Tussen de zes hypotheekbewaarders bestaat geen gezagsverhouding; zij ressorteren allen zelfstandig onder de administrateur van Financien. Voor de bewaring van scheepsbewijzen is een hoofdkantoor ondergebracht bij de hypotheekbewaarder op Curacao. Het ambt van hypotheekbewaarder is geregeld bij Koninklijk Besluit van 15 augustus 1868 nr. 63 (P.B. 1868 nr. 17).

 

 einde van deze lettergroep; voor de voorgaande of de volgende groep klikken op die groep!

 

Eskritóra i deklamadóra / kontadó di kuenta Kurasaleña, nasé Maart 24, 1953 den e bario di Kortijn, un bario di Otrobanda. For di chikítu e ta gusta skucha kuenta di su grandinan i ta krese ku e amor pa konta kuenta. E ta konta kuenta na su yúnan, ñétunan, otro miëmbronan di famía, na skol i den kas di ansiano. Di su ruman Isaac "Pasito" Hooi, Judith ta siña toka kuarta i ku su 19 aña e ta kanta den grupo di gaita i aguinaldo. Mas aleu, Judith ta sigui kúrsonan di obra di man i ta dediká tempu den bario pa i ku mucha. Entre otro kontando kuenta. Ademas e ta guia muchanan di Seru Fortuna,  ta dirigi un grupo di baile den Buena Vista i ta yuda ku les di skol i duna les di obra di man den Kortijn.

Na 2008, representando e klup Nos ku nos, Judith ta sali ganadó absoluto di e kompetensha Fiësta di Palabra, organisá pa Kas di Kultura den Siman di Kultura. Judith tin un repertorio amplio, pero ahinda su promé publikashón ta totando den wea. E tin intenshón di publiká pronto komo promé obra, un buki di kuenta ku su grándinan a yega di kont'é.

 

Kurasaleña (nasé 1952) di multiple talentonan. Despues di kaba skol na RadulphusCollege, Bernadette ta traha seis aña komo periodista na Radio Curom (Z86: 1973-1979). Despues di esei e ta presentá seis aña largu un programa semanal na Radio Hoyer (1979-1985). Na 1988 Bernadette ta lansa e ofisina Intermediate, ku ta produsí texto i ta traha riba e tereno di relashonnan públiko. Bernadette ta tambe un eskritora ku ta skirbi tantu pa trabou komo pa plaser. Algun di su publikashonnan ta:

  • Curacao Close-up (1986)
  • Rima pa mucha (1991)
  • Forsa di palabra (2003)
  • Agenda di banderíta (2004)
  • 25 Jaar Koningin Beatrix (2006)
  • Flecha (2008)

Bernadette ta ademas esposa i mama.

 

            1992: 1st Caribbean & Central American Biennal of Painting te Galeria de Arte Moderno -

 

            1991: Gala di Arte exhibitie te

 

            1988: Bida i Kolo exhibitie te Stedelijk Museum Schiedam -

 

            1987: Biennale te

 

            1982 - 1983: Sticusa exhibitie - Den Haag (

 

            1989:

 

            1988:

 

            1988:

 

            1985: Casa de Teatro - Santo Domingo (Dominicaanse Republiek)

 

            1985: CCC Cultureel Centrum Curacao -

 

            1984: Galeria Cezanne - Santo Domingo (Dominicaanse Republiek)

 

            1983: De Tempel -

 

            1982:

 

            1980: Women's

 

            1978: CPA Centro Pro Arte -

 

            1978: CCC Curacao Cultureel Centrum -

 

            1970: Aerovia Quisqueya - Santo Domingo (Dominicaanse Republiek)